14/04476 Mr. L. Timmerman Zitting: 9 oktober 2015 Conclusie inzake: 1. Regenboog Apotheek Silvolde B.V., 2. Regenboog Apotheek Middelgraaflaan B.V., 3. Regenboog Apotheek Waalwijk-Oost B.V., 4. Regenboog Apotheek Bavel B.V., 5. Apotheek Tolakker B.V., 6. Regenboog Apotheek Hoogvliet B.V., 7. Regenboog Apotheek Oosterhout B.V., 8. Regenboog Apotheek Scharlo B.V. en 9. Apotheek Malburgen Arnhem B.V., (eisers sub 1 t/m 9 hierna gezamenlijk: Regenboog c.s.), eisers tot cassatie tegen 1. Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V., 2. OZF Achmea Zorgverzekeringen N.V., 3. Interpolis Zorgverzekeringen N.V., 4. FBTO Zorgverzekeringen N.V., 5. Agis Zorgverzekeringen N.V., 6. Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V., 7. Achmea Zorgverzekeringen N.V., 8. Agis Ziektekostenverzekeringen N.V., 9. Nedasco B.V., 10. IAK Verzekeringen B.V., 11. Aevitae B.V., 12. Turien & Co., h.o.d.n. Turien & Co Assuradeuren, 13. Kettlitz Wulfse Verzekeringen B.V. en 14. VPZ Assuradeuren B.V. (verweersters sub 1 t/m 14 hierna gezamenlijk: Achmea c.s.), verweersters in cassatie 1. Feiten 1.1 [betrokkene 1] is als apotheker geregistreerd onder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Hij is door middel van zijn holding Publifarma B.V. 100% aandeelhouder en bestuurder van Regenboog c.s., met uitzondering van Apotheek Malburgen Arnhem B.V. (hierna: Apotheek Malburgen Arnhem). De bestuurder van deze (in november 2013 opgerichte) vennootschap is thans de echtgenote van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] . Zij heeft Publifarma B.V. op 12 december 2013 als bestuurder opgevolgd. 1.2 Regenboog c.s. exploiteren ieder een apotheek. Achmea c.s. sluiten met zorgaanbieders overeenkomsten teneinde in natura zorg te doen verlenen aan hun verzekerden. Met betrekking tot de jaren 2010 en 2011 hebben Achmea c.s. met de afzonderlijke Regenboog-apotheken Farmacie Basisovereenkomsten gesloten voor de duur van twee jaar. Met betrekking tot de jaren 2012 en 2013 hebben Achmea c.s. één Farmacie Basisovereenkomst gesloten voor de duur van twee jaar. In deze overeenkomst is vermeld onder het kopje ‘partijen’ enerzijds ‘A. DE ZORGVERZERAAR’, onder welk kopje de namen van Achmea c.s. zijn vermeld, en anderzijds ‘B. DE APOTHEKER’, met daaronder vermeld: [betrokkene 1] , met het adres [a-straat 1] te [plaats] , met code 17-000007. In een aan de overeenkomst gehechte bijlage is vermeld: ‘Koepelleden: ZVL: 17000007’ met daaronder opgenomen de namen van Regenboog c.s. (met uitzondering van Apotheek Malburgen Arnhem). 1.3 In 2013 hebben Achmea c.s. zich op het standpunt gesteld dat Regenboog Apotheek Scharlo B.V. (hierna: Regenboog Apotheek Scharlo) onrechtmatig declaraties heeft ingediend voor apotheekbereidingen methylfenidaat retard Regenboog en aflevering daarvan in weekdoseerverpakkingen. In verband daarmee hebben Achmea c.s. [betrokkene 1] bij brief van 31 mei 2013 bericht dat zij aan hem en aan de Regenboog-apotheken geen Farmacie Basisovereenkomst zullen aanbieden voor de jaren 2014 en 2015. Achmea c.s. hebben de betrokken verzekerden en zorgaanbieders daarvan op de hoogte gesteld. 1.4 Achmea c.s. hebben bij dagvaarding van 27 juni 2013 een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [betrokkene 1] en Regenboog Apotheek Scharlo (procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda). In de bodemprocedure vorderen Achmea c.s. wegens onterechte declaraties betaling van € 1.533.037,68 in hoofdsom van [betrokkene 1] , en betaling van € 642.284,53 van Regenboog Apotheek Scharlo. Daarnaast vorderen zij in die procedure een verklaring voor recht dat beëindiging van de contractuele relatie tussen Achmea c.s. enerzijds en Regenboog c.s. en [betrokkene 1] anderzijds per 1 januari 2014, rechtmatig is. 1.5 Nadat de sommatie door Regenboog c.s. van 7 juni 2013 zonder gevolg was gebleven, hebben zij Achmea c.s. bij brief van 29 november 2013 opnieuw gesommeerd om met hen een Farmacie Basisovereenkomst aan te gaan. Regenboog c.s. hebben daarbij aangeboden om methylfenidaat retard Regenboog niet meer te leveren aan verzekerden van Achmea c.s. 2Procesverloop 2.1 De onderhavige kortgedingprocedure is door Regenboog c.s. aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 december 2013. In eerste aanleg hebben Regenboog c.s. (na eiswijziging) gevorderd, samengevat, dat Achmea c.s. veroordeeld worden om Regenboog c.s. alsnog een Farmacie Basisovereenkomst aan te bieden voor de jaren 2014 en 2015. Subsidiair is gevorderd dat Achmea c.s. daartoe verplicht worden onder de voorwaarde dat Regenboog c.s. de levering van methylfenidaat retard Regenboog staken totdat in de bodemprocedure uitspraak is gedaan. Meer subsidiair is gevorderd dat Achmea c.s. veroordeeld worden om de Farmacie Basisovereenkomst aan te bieden aan Regenboog c.s. met uitzondering van Regenboog Apotheek Scharlo, althans (nog meer subsidiair) dat Achmea c.s. veroordeeld worden om in alle redelijkheid te onderhandelen omtrent de totstandkoming van een Farmacie Basisovereenkomst (zie rov. 4.1). Regenboog c.s. hebben voorts gevorderd Achmea c.s. te verbieden andere zorgaanbieders en/of haar verzekerden aan te schrijven in verband met het beëindigen van de contractuele relatie, en Achmea c.s. te gebieden een nauwkeurige schriftelijke opgave te verstrekken van de reeds aangeschreven personen en die personen een rectificatie toe te zenden, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen, met veroordeling van Achmea c.s. in de kosten van de procedure (zie rov. 4.1). 2.2 De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft de vorderingen van Regenboog c.s. bij vonnis van 31 december 2013 afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een onzorgvuldigheid in het declaratiegedrag van Regenboog Apotheek Scharlo en dat dit een voldoende zwaarwegende grond oplevert voor Achmea c.s. om geen (nieuw) contract aan te gaan met Regenboog Apotheek Scharlo dan wel met [betrokkene 1] . Naar oordeel van de voorzieningenrechter is deze zwaarwegende grond ook van toepassing waar het de overige Regenboog-apotheken betreft. In dit verband heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] (indirect) bestuurder en aandeelhouder is van Regenboog c.s., dat de feitelijke leiding en zeggenschap van Regenboog c.s. in zijn handen is, dat eerder misbruik is gemaakt van de groepsstructuur en dat de feitelijke betrokkenheid van alle Regenboog-apotheken bij de bereiding en weekterhandstelling van methylfenidaat retard Regenboog onvoldoende duidelijk is (zie rov. 4.3). 2.3 Regenboog c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft bij arrest van 6 mei 2014 het hoger beroep verworpen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Naar oordeel van het hof hebben Regenboog c.s. onvoldoende gesteld om aannemelijk te kunnen maken dat Achmea c.s. door machtsmisbruik in strijd met het mededingingsrecht hebben gehandeld (zie rov. 4.9). Het hof oordeelt voorts dat de eisen van redelijkheid en billijkheid niet meebrengen dat het Achmea c.s. niet vrijstaat om de contractuele relatie met Regenboog c.s. te beëindigen door geen nieuwe Farmacie Basisovereenkomst met hen aan te gaan. Regenboog c.s. hebben, aldus het hof, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Achmea c.s. zich de belangen van Regenboog c.s. in onvoldoende mate hebben aangetrokken (zie rov. 4.10 t/m 4.29). 2.4 Regenboog c.s. hebben bij dagvaarding van 1 juli 2014 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 6 mei 2014. Achmea c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun respectievelijke standpunten schriftelijk toegelicht, waarna Regenboog c.s. nog hebben gerepliceerd. Achmea c.s. hebben afgezien van dupliek. 3Bespreking van het cassatiemiddel Onderdeel 1 3.1 Onderdeel 1 stelt dat het hof op grond van het overwogene in rov. 4.9, de door de Regenboog c.s. gestelde economische machtspositie van Achmea c.s. bij de beoordeling van het hoger beroep en van de door Regenboog c.s. ingestelde vorderingen (in rov. 4.7 t/m 4.29) buiten beschouwing heeft gelaten. Het onderdeel klaagt dat het oordeel daarmee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat het oordeel om die reden ook onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Deze algemene klacht van onderdeel 1 wordt uitgewerkt en toegelicht in (sub)onderdelen 1.1 t/m 1.3. 3.2 Onderdeel 1.1 klaagt, samengevat, dat het hof miskend heeft dat bij de beoordeling van de door Achmea c.s. in acht te nemen zorgvuldigheid en van de eisen van redelijkheid en billijkheid, alle relevante omstandigheden – waaronder ook de economische machtspositie van Achmea c.s. – in aanmerking dienen te worden genomen. Onderdeel 1.2 klaagt, samengevat, dat het hof de stellingen van Regenboog c.s. omtrent de economische machtspositie van Achmea c.s. ten onrechte enkel in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling (in rov. 4.9) of voldoende aannemelijk is dat Achmea c.s. gehandeld hebben in strijd met het mededingingsrecht. Onderdeel 1.3 klaagt, samengevat, dat het hof in rov. 4.9 te strenge eisen heeft gesteld ten aanzien van de stelplicht en de onderbouwingsplicht van Regenboog c.s., en dat het oordeel op dat punt in het licht van de gedingstukken in elk geval onbegrijpelijk is. Tot slot klaagt dit onderdeel dat de oordelen in rov. 4.9 getuigen van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip (misbruik van) machtspositie als bedoeld in art. 24 Mw. jo. art. 122 Zvw. en omtrent “de daaruit voortvloeiende, door zorgverzekeraars in acht te nemen, zorgvuldigheid(seisen) en redelijkheid en billijkheid (art. 2.3.1 Gedragscode Goed Zorgverzekeraarschap).” 3.3 De klachten van onderdeel 1 (1.1 t/m 1.3) zijn ongegrond. Het hof heeft bij zijn oordeel vooropgesteld dat bij de in deze zaak aan de orde zijnde toetsing aan de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid, alle omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen (zie rov. 4.11). Bij zijn oordeel omtrent die maatstaven heeft het hof ook acht geslagen op economische positie van partijen door onder meer uitdrukkelijk in aanmerking te nemen dat Regenboog c.s. een evident financieel belang hebben bij de gevorderde voorzieningen, dat hun omzetverlies niet is op te vangen door met andere verzekeraars te contracteren, dat niet uitgesloten is dat het voortbestaan van de apotheken in gevaar zal komen, dat Achmea c.s. wel gecontracteerd hebben met vrijwel alle andere apotheken, en dat patiënten van Regenboog c.s. die verzekerd zijn bij Achmea c.s. niet langer bij hun vaste apotheek terecht kunnen (zie met name rov. 4.29). Het hof verwerpt bovendien uitdrukkelijk en gemotiveerd de stelling van Regenboog c.s. dat Achmea c.s. geen belang hadden om hen geen Farmacie Basisovereenkomst aan te bieden en Achmea c.s. met hun weigering slechts trachtten om [betrokkene 1] en Regenboog Apotheek Scharlo te dwingen tot terugbetaling van het bedrag dat volgens hen onrechtmatig gedeclareerd is (zie rov. 4.28). Het betoog van onderdelen 1.1 en 1.2 dat het hof bij dat oordeel ten onrechte geen acht heeft geslagen op de stellingen van Regenboog c.s. omtrent een economische machtspositie van Achmea c.s., mist derhalve feitelijke grond. Het oordeel van het hof is op dat punt ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Onderdelen 1.1 en 1.2 worden derhalve tevergeefs voorgesteld. 3.4 Onderdeel 1.3 richt zich tevergeefs tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.9) dat Regenboog c.s. onvoldoende concrete feiten en omstandigheden hebben gesteld om in dit geding tot het (voorlopige) oordeel te kunnen komen dat Achmea c.s. door machtsmisbruik gehandeld hebben in strijd met het mededingingsrecht. Het genoemde oordeel van het hof (in rov. 4.9) geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de stellingen van Regenboog c.s. waar het onderdeel zich op beroept (zie over de gehoudenheid om gesteld machtsmisbruik met voldoende concrete gegevens te onderbouwen onder meer HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345, NJ 2013/155, rov. 3.6.1-3.6.3 en 3.8.1-3.8.3). Ook onderdeel 1.3 faalt derhalve. Dit behoeft hier geen verdere toelichting. Onderdeel 2 3.5 Onderdeel 2.1 klaagt, samengevat, dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting “over het ontstaan en bestaan van een stilzwijgende duurovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen Achmea c.s. en Regenboog Apotheken, (of althans) met iedere Regenboog apotheek afzonderlijk.” Onderdeel 2.2 klaagt, samengevat: “Bovendien, of althans, heeft het hof in rov. 4.10 en 4.11 (ten onrechte geoordeeld
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.