← Nederland

ECLI:NL:PHR:2015:2257

Nr. 15/04002 Mr. L. Timmerman Parket 23 september 2015 Conclusie inzake [verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) 1. In deze zaak is tijdig cassatieberoep ingesteld. 2. Ten aanzien van [verzoeker] is bij vonnis van 18 februari 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van 19 juni 2015 van diezelfde rechtbank is op voordracht van de rechter-commissaris de toepasselijkheid van de wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd en is verstaan dat [verzoeker] in staat van faillissement verkeert zodra die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Op het hoger beroep van [verzoeker] heeft het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 21 augustus 2015 laatstgenoemde beslissing bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen die beslissing is het middel gericht. 3. Onderdeel I van het middel richt zich tegen het in rov. 3.5 van het arrest gegeven oordeel van het hof dat (kort gezegd) [verzoeker] heeft getracht om de opbrengst uit de polis bij Loyalis geheel of ten dele buiten de boedel te houden. Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en zijn – naar ik begrijp: essentiële – stellingen van [verzoeker] door het hof niet in de beoordeling betrokken. In onderdeel 2 wordt betoogd dat het hof in rov. 3.8, bij het oordeel dat deelname aan de stopgroep niet voldoende is om aan te nemen dat [verzoeker] in de toekomst niet weer aan zijn gokverslaving zal toegeven, onvoldoende oog heeft gehad voor de andersluidende stellingen van [verzoeker] en de in dat kader door [verzoeker] genoemde (bijkomende) omstandigheden. Daarnaast is het hof ten onrechte niet ingegaan op het verzoek van [verzoeker] om verlenging van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling, aldus het onderdeel. 4. Voorop zij gesteld dat de beoordeling van zowel de vraag of [verzoeker] heeft getracht om de opbrengst uit polis bij Loyalis geheel of ten dele buiten de boedel te houden (rov 3.5) als van de vraag of deelname aan de stopgroep voldoende is om aan te nemen dat [verzoeker] in de toekomst niet weer aan zijn gokverslaving zal toegeven (rov 3.8) van feitelijke aard is, zodat het oordeel van het hof op deze punten in cassatie niet op juistheid, maar slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Met inachtneming hiervan zal ik de middelonderdelen bespreken. 5.1 Middelonderdeel 1 begint met de klacht dat ‘dit’ (kennelijk is bedoeld: de omstandigheid dat [verzoeker] zou hebben getracht de opbrengst uit de polis geheel of ten dele buiten de boedel te houden) ter zitting in eerste aanleg niet aan de orde is geweest en dat dit ook in het proces-verbaal van die zitting niet is opgenomen. Niet valt echter in te zien waarom dit relevant is ten aanzien van het door het hof in rov. 3.5 gegeven oordeel. In die overweging wordt door het hof immers niet verwezen naar (het proces-verbaal van) de zitting in eerste aanleg. Deze klacht hoeft dan ook geen verdere bespreking. 5.2 Het onderdeel noemt vervolgens een aantal stellingen waarvan onduidelijk is of deze in feitelijke instantie ook zijn ingenomen, in ieder geval wordt niet verwezen naar vindplaatsen van deze stellingen. In zoverre voldoet het onderdeel niet aan de eisen van artikel 407 lid 2 Rv. 5.3 De klacht verwijst tot slot nog naar de door [verzoeker] in de punten 14, 15 en 16 van het beroepschrift geponeerde stellingen. Dit betreft de stellingen dat

  1. i)[verzoeker] geen antwoord heeft gekregen op zijn vraag aan de bewindvoerder over de afkoop van de polis van Loyalis,
  2. ii)het [verzoeker] duidelijk was dat de postblokkade en de inzage op de bankafschriften ervoor zouden zorgen dat de bewindvoerder van de uitkering van de polis op de hoogte was, iii) het de bedoeling van [verzoeker] was om de uitkering in de boedel te laten vallen en
  3. iv)het onredelijk is dat het (gehele) levenslooptegoed aan de crediteuren wordt uitgekeerd. Het hof heeft deze stellingen – voor zover ze relevant zijn, de onder
  4. iv)genoemde stelling is dat m.i. niet – in het oordeel zoals dat in rov. 3.5 (en rov 3.4) is neergelegd betrokken en (kennelijk) verworpen althans niet van doorslaggevend belang geacht. Het oordeel van het hof is op dit punt niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd. 6.1 Ten aanzien van middelonderdeel 2 geldt het volgende. 6.2 Het oordeel van het hof dat de enkele deelname aan de stopgroep niet voldoende is om aan te nemen dat [verzoeker] in de toekomst niet weer aan zijn gokverslaving zal toegeven is niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. Dat [verzoeker] het met dit oordeel niet eens is maakt dat niet anders. Opgemerkt zij in dat verband nog dat, anders dan het onderdeel betoogt, in de punten 11 tot en met 13 van het hoger beroepschrift niet staat vermeld dat sprake is van ‘een zeer zware cursus welke zondermeer als serieus wordt aangemerkt’. In zoverre voldoet het middel niet aan de vereisten van artikel 407 lid 2 Rv. 6.3 Het hof heeft de door [verzoeker] in de punten 11 tot en met 13 van zijn beroepschrift genoemde omstandigheden voorts wel degelijk meegewogen bij de beantwoording van de vraag of [verzoeker] stappen heeft gezet om waarborgen te creëren dat hij in de toekomst zijn verplichtingen uit hoofde van de wettelijke schuldsanering zal nakomen. Het hof heeft deze omstandigheden vervolgens (kennelijk) van onvoldoende gewicht geacht. Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. Het oordeel is ook voldoende gemotiveerd. 6.4 De klacht betreft voor het overige een herhaling van de klachten zoals geformuleerd onder middelonderdeel 1. Dit deel van de klacht zal ik dan ook niet (opnieuw) bespreken. 7. Met betrekking tot het verzoek om verlenging van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling geldt dat aangezien het hof tot de conclusie was gekomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds beëindigd diende te worden, het hof niet meer hoefde in te gaan op het verzoek van [verzoeker] om de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem te verlengen dan wel om ter zake nadere voorwaarden te stellen. Dit verzoek is met die conclusie immers (zij het impliciet) afgewezen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. 8. De klachten kunnen in het licht van het bovenstaande klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De cassatietermijn is op grond van artikel 351 lid 1 Fw acht dagen. Het arrest is van 21 augustus 2015, het verzoekschrift is op 28 augustus 2015 binnengekomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.