Nr. 15/02099 H Zitting: 29 september 2015 Mr. Aben Conclusie inzake: [aanvraagster]
- Bij verzoekschrift van 6 mei 2014 heeft mr.drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, namens [aanvraagster] , de herziening aangevraagd van de veroordeling die de politierechter in de rechtbank te Haarlem ten laste van [aanvraagster] heeft uitgesproken bij vonnis van 2 juli
- Daarbij heeft de politierechter het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod,” en heeft de politierechter een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van negen maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. De veroordeling is sedert 17 juli 2010 onherroepelijk.
- Als grond voor herziening wordt aangevoerd dat niet [aanvraagster] , maar haar halfzus [betrokkene] degene is geweest die met een vervalst paspoort op naam van [aanvraagster] het misdrijf heeft gepleegd en vervolgens door de politierechter is veroordeeld.
- Het misdrijf betreft het volgende. Een vrouw zich noemende [aanvraagster] arriveerde op 29 maart 2010 te Schiphol met een vliegtuig vanuit Suriname. Zij was in het bezit van een felblauwe rolkoffer. In een vijftal flacons met (volgens opschrift) haarverzorgingsproducten die zich in die rolkoffer bevonden, werden bij voortgezet onderzoek in totaal 122 zogenaamde ‘slikkersbollen’ aangetroffen, bevattende elk ongeveer 10 gram cocaïne, in totaal dus om en nabij 1,2 kilogram cocaïne. In haar bezit bevond zich een paspoort waarvan kwalitatief goede kleurenkopieën in het dossier zijn gevoegd. Het paspoort was - volgens verbalisant [verbalisant] - voorzien van een goedgelijkende pasfoto.
- De persoon die zich [aanvraagster] noemde is in voorlopige hechtenis gesteld. Zij is ter terechtzitting van de politierechter verschenen. Zij heeft het misdrijf niet volmondig bekend. Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling in het verzoekschrift dat de opgelegde straf volledig is ‘uitgezeten’ door de persoon die ter terechtzitting van de politierechter is verschenen en ook daar de naam van de aanvraagster tot herziening heeft opgegeven.
- Bij de aanvraag is behalve de aantekening van het bestreden mondelinge vonnis gevoegd: - productie 2: een aangifte van aanvraagster contra haar zus [betrokkene] ter zake van valsheid in geschrift, oplichting, valse reispas d.d. 15 augustus 2013; als bijlage is gevoegd een (kwalitatief minder goede) zwart-witkopie van een identiteitspas op naam van de aanvraagster. - productie 3: een afschrift van dossierstukken van de justitiële autoriteiten te Suriname bevattende documenten omtrent onderzoek naar identiteitsfraude. Hierin bevinden zich documenten omtrent de inverzekeringstelling van [betrokkene] ter zake van - kort gezegd - identiteitsfraude, alsook haar bekennende verklaring ter zake. - productie 4 betreft een afschrift van een melding van identiteitsfraude door de aanvraagster tot herziening.
- Deze producties en het strafdossier leren mij het volgende. Allereerst erkent [betrokkene] in haar verklaring d.d. 29 januari 2014 dat zij een paspoort op naam van haar halfzus, [aanvraagster] , heeft laten maken, zulks voorzien van een pasfoto van haarzelf. Zij erkent bovendien (alsnog) dat zij in 2010 voornemens was drugs in te voeren in Nederland, dat zij in 2010 te Schiphol aan dat voornemen uitvoering heeft gegeven en vervolgens werd betrapt op het bezit van verdovende middelen in haar handbagage.
- Bij vergelijking van de afbeelding van een persoon op de identiteitskaart (zie prod. 2) met de “goedgelijkende” afbeelding van een persoon in het hierboven onder 3 bedoelde paspoort, beide op naam van [aanvraagster] , zie ik grote verschillen in gelaatstrekken. Deze afbeeldingen betreffen vrij duidelijk niet hetzelfde individu.
- De handtekeningen (“[aanvraagster]”) op elke bladzijde van de schriftelijke verklaring d.d. 31 maart 2010 van de op Schiphol aangehouden persoon verschillen sterk van de handtekening op de identiteitskaart op naam van [aanvraagster] , die als bijlage is gevoegd bij de aanvraag tot herziening (prod. 2).
- Deze drie gegevens brengen mij tot de conclusie dat het bestreden vonnis zeer waarschijnlijk niet zozeer berust op een persoonsverwisseling, maar op een (door [betrokkene] beoogde) naamsverwisseling. Een dergelijk gegeven kan worden aangemerkt als een novum. Het gegeven was immers niet bekend aan de politierechter, en het verhoudt zich niet met de veroordeling die is uitgesproken op naam van [aanvraagster] .
- De aanvraag tot herziening is gegrond.
- Deze conclusie strekt tot verwijzing van de strafzaak naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 472, tweede lid Sv. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.