Rolnr. 15/03112 Mr M.H. Wissink Zitting: 16 oktober 2015 conclusie inzake art. 80a RO in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats] (hierna: “[eiser]”) tegen [verweerder], wonende te [woonplaats] (hierna: “[verweerder]”) 1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:946. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6992, die [eiser] had veroordeeld om aan [verweerder], als door deze onverschuldigd betaald, een bedrag van € 24.918,55 terug te betalen, vermeerderd met rente en kosten. 2. De klachten van het cassatiemiddel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. 3. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.4-3.5, waarin het hof de door [eiser] gestelde afspraak tussen partijen niet heeft aangenomen. Nr. 1 bevat geen klacht. Dat de in rov. 3.4 weergegeven uitlatingen een erkentenis opleveren, is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor herbeoordeling in cassatie zodat de klacht in nr. 2 faalt. De klacht in nr. 3 mist feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft geoordeeld dat een persoonlijke ontmoeting een voorwaarde was om een afspraak te kunnen maken. De (overige) klachten in nr. 2 en de klachten in de nrs. 3 t/m 7 (m.b.t. de ‘power of attorney’) voldoen niet aan de daaraan stellen eisen nu niet is aangegeven (onder verwijzing naar de stukken van het geding in feitelijke instanties) welke stellingen zouden zijn ingenomen rondom de in de klachten bedoelde feitelijke gebeurtenissen, die in cassatie overigens niet nader kunnen worden onderzocht. De klacht in nr. 8 mist feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft geoordeeld dat [verweerder] handelingsonbekwaam was. Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk in het licht van het betoog in de nrs. 8-11 m.b.t. de omstandigheden dat er 7 maanden na het einde van de huur een betaling van juist een bedrag van € 24.918,55 was, welke omstandigheden het hof heeft verdisconteerd. Het onderdeel verwijst in noot 3 en nr. 12 naar stellingen van [eiser] over de afspraak in MvG nr. 12 en CvA nr. 4.1. De geloofwaardigheid en consistentie van (ook) die stellingen heeft het hof in rov. 3.4 beoordeeld. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De nrs. 13 en 14 bevatten geen zelfstandige klachten. Het hof heeft de stelling van [eiser] dat er een afspraak was verworpen op grond van onder meer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.