Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.L.H. IJzerman Advocaat-Generaal Conclusie van 30 november 2015 inzake: Nrs. Hoge Raad: 15/01396 en 15/01414
(315)wordt wel schenkbelasting geheven, maar daarover is geen overdrachtsbelasting betaald en kan de anti-samenloopregeling dus niet worden toegepast! Ik meen dat de redenering van de inspecteur niet juist is. Van een verzoek om verrekening op de voet van artikel 24, lid 2 SW is geen sprake, de verrekening geldt van rechtswege. De historie van artikel 24, lid 2 SW leert dat het voor de toepassing van deze wettelijke belastingvermindering voldoende is als er samenhang bestaat tussen de met overdrachtsbelasting belaste verkrijging van de woning en de kwijtschelding van (een deel van) de koopsom waarover schenkbelasting is verschuldigd. Het is maar de vraag of daarop kan worden gebaseerd dat feitelijk sprake is van een schenking van de woning. Een wederkerige overeenkomst kan geen schenking in de zin van artikel 7:175 BW opleveren, omdat niet om niet wordt gepresteerd. Staat tegenover een bepaalde prestatie - bijvoorbeeld bij koop of ruil - een contraprestatie die niet als schijnprestatie kan worden aangemerkt, maar toch van aanzienlijk mindere waarde is, dan zal de rechter krachtens artikel 7:186 BW de schenkingsbepalingen analoog toepassen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet (aldus Asser/Perrick 4* 2009, nr. 202). De overdracht van de woning met een waarde in het economische verkeer van € 285.000 tegen een koopsom van € 250.000 lijkt niet als een schijnprestatie of een prestatie van aanzienlijk mindere waarde te kunnen worden aangemerkt, zodat het karakter van de koop overheerst. Wel schuilt in deze koop een gift van € 35.
- Een overeenkomst onder bezwarende titel, bijvoorbeeld koop, kan evenwel toch een gift inhouden als de koopsom geheel wordt kwijtgescholden. Zie ter illustratie Hof Den Bosch 15 juni 2004, nr. C0300680/ MA, LJN AQ
- In deze uitspraak werd een woning verkocht, waarna de koopsom direct werd kwijtgescholden, waarbij aan de kwijtschelding de uitsluitingsclausule werd verbonden. Het hof is van oordeel dat, gelet op de samenhang tussen de twee notariële akten waarbij de verkoop van de woning en de kwijtschelding van de koopsom tot stand kwamen, dit als een geheel moet worden beschouwd. Dit oordeel van het hof sluit aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad zoals blijkt uit het arrest 19 maart 1982, NJ 1983, 250 (Erven Bal). In de uitspraak van Hof Den Bosch was sprake van een kwijtschelding van de totale koopsom. In het voorbeeld van dit onderdeel wordt slechts € 60.000 van de koopsom van € 250.000 kwijtgescholden. Het komt mij voor dat deze bevoordeling een geldelijk voordeel behelst, en niet de schenking van een deel van de woning betreft. 4.26 Mees heeft geschreven: Zelfstandige fiscale kwalificatie werkt bij een samenstel van rechtshandelingen soms ten gunste van de belastingplichtige. Het in de literatuur meest gegeven voorbeeld is HR 2 juni 1982, BNB 1982/323 m.nt. J.P. Scheltens [zie 4.9; toevoeging A-G]. Daarin had de feitenrechter geoordeeld dat drie rechtshandelingen (A, B en C) zo sterk samenhingen dat zij in wezen één geheel vormden. Vanwege de samenhang kan gezegd worden, aldus de Hoge Raad, dat de overdrachtsbelasting die eerder was betaald over rechtshandeling A, is betaald over dezelfde rechtshandeling, ondanks het feit dat het schenkingsrecht waarover geprocedeerd werd, werd geheven over rechtshandeling B. De overdrachtsbelasting (A) werd verrekend met het schenkingsrecht (B), alsof A en B één rechtshandeling waren. De motivering was dat ‘deze bepaling immers strekt ter voorkoming van dubbele belasting in gevallen waarin ter zake van een rechtshandeling of een samenstel van rechtshandelingen dat als één geheel is te beschouwen overdrachtsbelasting en schenkingsrecht over hetzelfde bedrag zouden worden geheven’(…). De kwalificatie is de betekenis die aan de rechtshandeling gegeven wordt vanuit de interpretatie van de wet waartoe de casus aanleiding geeft. Het gaat hier niet verder dan wat de Hoge Raad in andere gevallen ‘redelijke wetstoepassing’ noemt, in dit geval met een overtuigende motivering. (…). 4.27 Stubbé heeft geschreven:
- WOZ en antisamenloopregeling schenk- en overdrachtsbelasting In oktober 2011 berichtte ik over een verontrustende nieuwe visie van de Belastingdienst in een typisch onderdeel van de notariële praktijk; het betreft de toepassing van de (hogere) WOZ-waarde als een deel van de koopsom voor de woning wordt kwijtgescholden (…). Even in de herhaling: de woning wordt verkocht tegen de waarde in het economische verkeer, er is dan geen sprake van een gift, niemand wordt verarmd of verrijkt. De verkrijging ‘passeert de poort van artikel 1 SW’ niet en daarom wordt niet toegekomen aan de bepalingen in de SW over de maatstaf van heffing. En zo komt het dat de notaris terecht geen aandacht schenkt aan de (hogere) WOZ-waarde en het voorschrift van artikel 21, lid 5, SW deze waarde toe te passen voor de schenkbelasting. De verkoper heeft recht op de koopsom, maar laat een deel daarvan uit vrijgevigheid zitten. Er is dus sprake van een met schenkbelasting belaste verkrijging. Partijen en notaris gaan ervan uit dat de schenking een geldbedrag betreft, althans niet de woning zelf. De woning is gekocht en krachtens levering verkregen, de kwijtschelding voor een deel van de reële koopsom maakt dit niet anders. De koper is over de verkregen woning uiteraard overdrachtsbelasting verschuldigd. Sinds jaar en dag is het gebruik dat als er een nauw verband bestaat tussen de verschuldigdheid van schenk- en overdrachtsbelasting er een anticumulatieregeling geldt. De regeling heeft de vorm van een vermindering van de schenkbelasting met de overdrachtsbelasting die over hetzelfde bedrag is betaald (thans artikel 24, lid 2, SW). De gemiddelde verkrijger kent deze regeling niet, een kolfje naar de hand van de notaris. De verkrijger en de notaris komen echter van een koude kermis thuis als blijkt dat de inspecteur aan de toegepaste antisamenloopregeling de conclusie verbindt dat ‘dus’ een deel van de woning is geschonken, waardoor de WOZ-waarde de relevante waarde voor de heffing van schenkbelasting is. Het gevolg is dat niet alleen schenkbelasting wordt geheven over het geschonken deel van de koopsom, maar ook over het verschil tussen de WOZ-waarde en de waarde in het economische verkeer van de woning. De antisamenloopregeling geldt wel, maar uiteraard alleen voor zover beide belastingen over eenzelfde bedrag zijn geheven. En er is geen overdrachtsbelasting betaald over het verschil tussen de hogere waarde volgens de WOZ-beschikking en de waarde van de woning in het economische verkeer (de koopsom). Per saldo ontvangt de verkrijger later een onverwachte navordering van schenkbelasting, waarbij al dan niet terecht een vingerwijzing wordt gedaan naar het beroep op de antisamenloopregeling. We zijn nu bijna twee jaar verder, maar de praktijk is niet veranderd. In nagenoeg iedere bijeenkomst over fiscale actualiteiten verzucht wel een notaris dat hem of haar zo iets onprettigs is overkomen. Soms deed een gewaarschuwde notaris maar geen beroep op de antisamenloopregeling onder het mom dat een beetje minder belastingvermindering beter was dan meer (ten onrechte) nagevorderde schenkbelasting. Dat bleek overigens niet te helpen: ook de inspecteur was zich ervan bewust geworden dat het in dit geval niet om een vrijstelling ging waarop een beroep moest worden gedaan, maar om een van rechtswege geldende belastingvermindering. Dit maakt het des te raadselachtiger op welke grond gemeend wordt dat een deel van de woning is geschonken. Wellicht moet de notaris tot de rechter of de wetgever heeft gesproken in voorkomend geval de levering van de woning en de kwijtschelding zo ver uit elkaar trekken dat het verband tussen de schenking en de verkrijging van de woning niet gesteld kan worden. Het is onjuist om als een (relatief klein) deel van de koopsom voor een woning wordt kwijtgescholden, belasting te heffen alsof de woning zelf is geschonken. Terzijde, de WOZ-waarde wordt dan nog eens niet over dat deel van de woning gehanteerd, maar voor het geheel. Het is ook behoorlijk irritant voor de betrokkenen en dan bedoel ik niet de belastingheffing als zodanig, maar het idee dat een wettelijke anticumulatieregeling als argument wordt gebruikt om méér belasting te kunnen heffen! Ondertussen heb ik nog geen rechterlijke uitspraak over deze kwestie gezien. In mijn praktijk blijken de belastingplichtige en de notaris terug te deinzen voor de procedure, nu het doorgaans over niet al te grote bedragen gaat en het aannemelijk is dat de kwestie pas bij de Hoge Raad zijn einde zal krijgen. Misschien moeten we de handen ineenslaan? 4.28 Pijpers en Hendriks hebben geschreven: 2.
- Wanneer is sprake van een schenking? Op grond van artikel 1 lid 7 SW 1956 wordt onder een schenking verstaan de gift als bedoeld in artikel 7:186 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW): “Iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt.” Onder een gift wordt feitelijk datgene verstaan wat vóór 1 januari 2003 werd aangeduid met de ‘materiële schenking’. Onder de gift valt derhalve de ‘formele’ schenking van artikel 7:175 BW, maar ook iedere andere bevoordeling uit vrijgevigheid. Er hoeft bij de gift dus geen sprake te zijn van een overeenkomst en de handeling hoeft ook niet om niet te geschieden. Van een gift kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een door de koper te leveren tegenprestatie geringer is dan de waarde van het over te dragen vermogensbestanddeel. In dat geval verarmt de verkoper (en verrijkt de koper). Indien de verkoper zich bewust is van deze bevoordeling en de transactie ook op dit voordeel was gericht, is sprake van een gift en daarmee fiscaal gezien van een schenking. De vraag die in dit kader relevant is, is in hoeverre de WOZ-waarde bepalend is bij de vraag of bij de verkoop van een woning sprake is van een schenking. In de arresten van 20 maart 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat pas aan de waarderingsregels van artikel 21 SW 1956 wordt toegekomen als eerst is vastgesteld dat civielrechtelijk sprake is van een gift als bedoeld in artikel 1 lid 1 en 7 SW
- Als de ouders een huis verkopen aan (bijvoorbeeld) hun kind tegen de waarde in het economische verkeer, terwijl de WOZ-waarde van de woning hoger is, is er civielrechtelijk geen sprake van een gift en zal er dus geen heffing van schenkbelasting aan de orde zijn. Bij verkoop van het pand tegen de waarde in het economische verkeer verarmen de ouders niet en is er geen sprake van een schenking. Aan de waarderingsregel van artikel 21 lid 5 SW 1956 wordt dan niet toegekomen. Verkopen de ouders uit vrijgevigheid de woning echter tegen een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer, dan is er wel sprake van een verarming en daarmee van een schenking. In deze situatie wordt aangesloten bij de voornoemde waarderingsregeling en geldt de WOZ-waarde voor de vaststelling van de hoogte van de schenking. 4.29 En: 2.
- Samenloopregeling schenk- en overdrachtsbelasting In artikel 24 lid 2 SW 1956 is een samenloopregeling opgenomen voor de situatie dat over de verkrijging van een woning zowel overdrachtsbelasting als schenkbelasting is verschuldigd. De regeling houdt in dat de overdrachtsbelasting, verschuldigd over het bedrag waarover schenkbelasting is verschuldigd, in mindering komt op de schenkbelasting. Strikt genomen zou dit artikellid alleen kunnen worden toegepast als sprake is van de schenking van een onroerende zaak of de verkoop van een onroerende zaak tegen een te lage prijs. Alleen in die situaties wordt namelijk over ‘hetzelfde’ bedrag overdrachtsbelasting en schenkbelasting geheven. Bij een kwijtschelding van de koopsom wordt de overdrachtsbelasting geheven over de waarde in het economische verkeer van de overgedragen onroerende zaak en de schenkbelasting over de kwijtgescholden koopsom/koopschuld. Dit zijn niet dezelfde heffingsgrondslagen, met als gevolg dat verrekening op basis van dit artikellid niet mogelijk is. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat de rechter een ruimere toepassing voor ogen heeft, mits tussen de verkrijging van de onroerende zaak en de schenking van het waardevoordeel voldoende onderlinge samenhang bestaat (samenstel van rechtshandelingen). De diverse rechtshandelingen moeten een als één geheel te beschouwen samenstel vormen. Niet vereist is derhalve dat de schenkbelasting en de overdrachtsbelasting worden geheven over hetzelfde object. Bepalend is of in materiële zin een dubbele heffing optreedt. Als sprake is van kwijtschelding van de koopsom, hangt het af van de tijd die verstrijkt tussen de verkrijging van de onroerende zaak en de kwijtschelding. Wel is vereist dat de schenkbelasting en de overdrachtsbelasting zijn verschuldigd door een en dezelfde persoon en dat de gift en de onroerende zaak afkomstig zijn van een en dezelfde persoon. 4.30 En: 3.
- Persoonlijke opvatting Gezien de opmerking ten overvloede lijkt de rechtbank aansluiting te zoeken bij HR 2 juni 1982, BNB 1982/323, nr. 21.108, over de samenloop van overdrachtsbelasting en schenkbelasting. Gelet op de tekst van artikel 24 lid 2 SW 1956 is deze bepaling alleen van toepassing indien sprake is van schenking van een onroerende zaak of als een onroerende zaak tegen een te lage prijs is verkocht. Op grond van vaste jurisprudentie is de regeling van artikel 24 lid 2 SW 1956 echter ook van toepassing indien de overdracht van een onroerende zaak en de kwijtschelding van een deel van de koopsom met elkaar samenhangen. Daarvan is sprake als de kwijtschelding van een deel van de koopprijs gelijktijdig met de levering plaatsvindt. In wezen wordt dan een deel van de onroerende zaak geschonken. De vraag is of het terecht is dat ‘onder verwijzing naar’ artikel 24 lid 2 SW 1956 de grondslag voor de heffing van schenkbelasting wordt gesteld op de WOZ-waarde. Het is immers de vraag of BNB 1982/323, over de samenloop van belastingen, zonder meer kan worden toegepast op een wettelijk waarderingsvoorschrift. Onzes inziens dient objectief te worden beoordeeld of sprake is van een schenking van een deel van de onroerende zaak of van een waardevoordeel in de vorm van een kwijtschelding van een deel van de koopsom. Indien op basis hiervan de conclusie is dat feitelijk een deel van de onroerende zaak is geschonken, omdat sprake is van een samenstel van rechtshandelingen, dient de WOZ-waarde op grond van artikel 21 lid 5 SW 1956 als uitgangspunt voor het bepalen van de omvang van de schenking. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een samenstel van rechtshandelingen, zijn onzes inziens de bestaande opvattingen in fiscale jurisprudentie wel degelijk relevant. De jurisprudentie met betrekking tot artikel 24 lid 2 SW 1956 speelt derhalve wel een rol. Indien op basis van deze jurisprudentie de conclusie is dat sprake is van een samenstel van rechtshandelingen, zou dat naar onze mening ook moeten gelden voor het waarderingsvraagstuk. Op het moment dat er een beroep wordt gedaan op de samenloopregeling van artikel 24 lid 2 SW 1956 is het namelijk de wens van belastingplichtige dat ook bij een kwijtschelding van de koopsom een gedeelte van de onroerende zaak wordt geacht te zijn geschonken. Anders is de regeling immers niet van toepassing. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: BOR) in de Successiewet; indien de aandelen worden verkocht, maar een deel van de koopsom wordt kwijtgescholden, is de regeling in beginsel niet van toepassing op deze schenking. In dat geval bestaat de verkrijging (de schenking) niet uit een onderneming, maar uit de kwijtschelding van een vordering. De staatssecretaris van Financiën vindt dat onredelijk en keurt daarom (met toepassing van art. 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule)) goed, dat bij een kwijtschelding die onmiddellijk volgt op de overdracht van ondernemingsvermogen voor de BOR kan worden aangenomen dat het ondernemingsvermogen het object van schenking is. Bij een gefaseerde kwijtschelding geldt de goedkeuring niet voor de tweede of volgende kwijtschelding. Er dient derhalve voldoende samenhang te zijn tussen de overdracht van de aandelen en de kwijtschelding van de koopsom. Met betrekking tot de toepassing van de BOR wordt deze samenhang beperkt tot de eerste kwijtschelding. Bij de samenloopregeling schenkbelasting-overdrachtsbelasting blijkt uit de jurisprudentie dat ook een latere kwijtschelding nog in aanmerking kan komen voor verrekening, mits er voldoende samenhang bestaat. Wij zijn van mening dat nu de toets of sprake is van een samenstel van rechtshandelingen bij de kwijtscheldingsvariant zowel voor de toepassing van de BOR als voor de samenloopregeling schenkbelasting-overdrachtsbelasting wordt gebruikt, dit leerstuk ook kan worden toegepast bij de vaststelling van de omvang van de schenking. (…). Het voorgaande houdt onzes inziens in dat als sprake is van een samenstel van rechtshandelingen bij een verkoop gevolgd door een (gedeeltelijke) kwijtschelding, een onroerende zaak wordt geacht te zijn geschonken, net als bij de BOR en artikel 24 lid 2 SW
- Hierdoor is toepassing van artikel 21 lid 5 SW 1956 terecht. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een samenstel van rechtshandelingen is overigens de omvang van de kwijtschelding naar onze mening niet relevant; ook indien een relatief klein deel van de koopsom wordt kwijtgescholden, kan sprake zijn van een samenstel van rechtshandelingen. 4.31 Burgerhart heeft geschreven:
- De toepassing van het forfait Het forfait betreft onroerende zaken die in gebruik zijn als woning. Indien het belastbare feit de verkrijging (krachtens erfrecht of gift) van een dergelijke onroerende zaak betreft, wordt de maatstaf van heffing door de WOZ-waarde bepaald. Tot zover geen probleem. Maar wat als sprake is van een koop voor een onzakelijke prijs, een zogenoemde gift met tegenprestatie? De vraag die dan moet worden beantwoord is, waarmee de begiftigde wordt verrijkt. Met de onroerende zaak of met het verschil tussen de waarde (in het economische verkeer) van die zaak en de overeengekomen koopprijs? Op 2 oktober 2013 lag deze vraag voor aan de Rechtbank Noord-Holland (nr. 12/04079, NTFR 2014/364). De casus was in het kort als volgt: In 2010 wordt een woning verkocht en overgedragen voor een koopsom van € 250.000; van deze koopsom wordt in de akte tot levering € 40.000 kwijtgescholden. Dit bedrag wordt voor de schenkbelasting aangegeven, waarbij om verrekening van de overdrachtsbelasting met de schenkbelasting wordt verzocht (art. 24, lid 2, SW 1956). De Belastingdienst wijkt van de aangifte af omdat voor de berekening van de maatstaf van heffing in casu van de WOZ-waarde uitgegaan moet worden. Deze bedraagt € 258.000, zodat over € 48.000 schenkbelasting moet worden betaald. De rechtbank komt via de samenloopregeling overdrachts-/schenkbelasting (art. 24, lid 2, SW 1956) tot het oordeel dat de Belastingdienst voor de waarde van de verkrijging krachtens gift terecht is uitgegaan van de WOZ-waarde. De redenering is als volgt. De bedoelde samenloopregeling is van toepassing op de schenking van een onroerende zaak en bij een koop voor een onzakelijke koopprijs, alsmede (op grond van vaste jurisprudentie) op de koop en de daarmee samenhangende kwijtschelding van een deel van de koopprijs (waarvan in casu sprake is). ‘In wezen wordt dan een deel van de onroerende zaak geschonken’, zo concludeert de rechtbank. Oftewel, de gift betreft (deels) een onroerende zaak die als woning in gebruik is, zodat het waardeforfait toegepast moet worden.Op de conclusie van de rechtbank valt mijns inzien wel wat af te dingen. De gift met tegenprestatie wordt in deze uitspraak als het ware gesplitst in een koopdeel (voor € 210.000) en een schenkingsdeel (met een WOZ-waarde van € 48.000). Civielrechtelijk is een verkrijging op grond van een tweeledige oorzaak (koop en schenking) achterhaald. Dit dient mijns inziens tevens als vertrekpunt voor zowel de schenk-, als de overdrachtsbelasting te gelden, waarin het civiele recht immers ‘leidend’ is zolang daarvan niet expliciet wordt afgeweken. Nu kan men, zoals de rechtbank in feite ook doet, betogen dat de samenloopregeling een voorbeeld van een dergelijke afwijking is, omdat daardoor ogenschijnlijk een ‘koop met kwijtschelding’ (in fiscalibus) wordt geconverteerd in een schenking van de betrokken onroerende zaak zelf. Dit lijkt me geen juiste gedachte. Art. 24, lid 2, SW 1956 betreft slechts een verrekening van twee belastingen, meer niet. Daarmee is niet gezegd dat de WOZ-waarde nimmer toegepast zou kunnen worden bij een gift met tegenprestatie. Dat hangt namelijk af van het antwoord op de vraag of de begiftigde wordt verrijkt met een onroerende zaak die als woning in gebruik is. Daarvan lijkt in de onderhavige casus geen sprake, maar dat kan anders liggen indien de koopprijs niet reëel is en in het geval de bedongen koopprijs van ‘zo geringe betekenis is, dat zij niet als werkelijke koopprijs kan worden beschouwd’. In dit geval bestaat het object van de gift uit ‘bakstenen’ en is het waardeforfait van toepassing. 4.32 Feteris heeft geschreven: Ook het aanvoeren in cassatie van een juridisch betoog dat voor de lagere rechter nog niet naar voren was gebracht, is veelal zinloos. Principieel uitgesloten is het niet, maar de HR kan op een dergelijke betoog alleen ingaan als het blijft binnen de grenzen van het geschil voor de lagere rechter. Alleen binnen die grenzen valt de lagere rechter mogelijk iets te verwijten; daarbuiten mag hij niet treden op grond van art. 8:69, lid 1 Awb. Bovendien moet het nieuwe juridische betoog – gegeven de vaststaande feiten – onder alle omstandigheden opgaan, zodat de beoordeling ervan door de HR geen waardering van de vaststaande feiten vergt of onderzoek naar nog niet vastgestelde feiten. Veelal vergt de beoordeling van een nieuw juridisch betoog echter mede een onderzoek naar en waardering van feiten, en moet de HR er daarom aan voorbijgaan. Dat geldt ook indien het nieuwe juridische betoog een beroep op een verdragsregeling inhoudt. 4.33 Van Straaten heeft geschreven: A. Schenking van een woning A schenkt en levert zijn huis, waard € 100.000, aan zijn dochter B. B is 2% overdrachtsbelasting verschuldigd over € 100.000 (artikel 9, lid 1, WBR) ofwel € 2.
- De hoogte van de door B verschuldigde schenkbelasting is ingevolge artikel 21, lid 5, SW afhankelijk van de WOZ-waarde. Die varieert in onderstaande casusposities. A.1 WOZ-waarde = € 100.000 = WEV De heffingsgrondslag voor de schenkbelasting beloopt € 95.000 (€ 100.000 minus vrijstelling). De door B verschuldigde schenkbelasting beloopt € 9.
- Dit bedrag wordt verminderd met 2% van € 95.000 (€ 1.900). Per saldo is B € 7.600 schenkbelasting verschuldigd. A.2 WOZ-waarde = € 90.000 < WEV De heffingsgrondslag voor de schenkbelasting beloopt € 85.000 (€ 90.000 minus vrijstelling). De door B verschuldigde schenkbelasting beloopt € 8.
- Dit bedrag wordt verminderd met 2% van € 85.000 (€ 1.700). Per saldo is B € 6.800 schenkbelasting verschuldigd (€ 8.500 - € 1.700). A.3 WOZ-waarde = € 110.000 > WEV De heffingsgrondslag voor de schenkbelasting beloopt nu € 105.000 (€ 110.000 minus vrijstelling). De door B verschuldigde schenkbelasting beloopt € 10.
- Dit bedrag wordt verminderd met 2% van € 100.000 (€ 2.000). Per saldo is B € 8.500 schenkbelasting verschuldigd (€ 10.500 - € 2.000). (…) C. Verkoop van een woning tegen zakelijke, respectievelijk niet-zakelijke prijs A verkoopt en levert zijn huis, waard € 100.000, aan zijn dochter B. B is in alle volgende gevallen overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde, ofwel 2% van € 100.000 (€ 2.000), artikel 9, lid 1, WBR. C.1 Koopsom = WEV = € 100.000, WOZ-waarde € 110.000 Van een gift in de zin van artikel 7:182, lid 2, BW is geen sprake (WEV = koopsom, voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gift, doet niet ter zake dat de WOZ-waarde hoger is). Daarom is hier geen sprake van een belastbaar feit voor de schenkbelasting (artikel 1, lid 1, onder 2e, in verbinding met lid 7, SW). B is derhalve geen schenkbelasting verschuldigd en voor toepassing van artikel 24, lid 2, SW is mitsdien geen plaats. C.2 Koopsom = € 80.000, WEV = € 100.000, WOZ-waarde = € 100.000 Nu is er wel sprake van een gift (€ 20.000). Ten laste van B wordt op de voet van artikel 24, lid 1, SW 10% schenkbelasting geheven over € 15.000 (€ 20.000 minus vrijstelling) ofwel € 1.
- Omdat de heffingsgrondslag voor de schenkbelasting in dit geval lager is dan die voor de overdrachtsbelasting vindt artikel 24, lid 2, SW toepassing voor deze lagere heffingsgrondslag, wat leidt tot vermindering met € 300 (2% van € 15.000). Per saldo is B € 1.200 schenkbelasting verschuldigd (€ 1.500 - € 300). C.3 Koopsom = € 80.000, WEV = € 100.000, WOZ-waarde = € 110.000 (vgl. Hof Amsterdam 12 februari 2015) Hoe groot is nu de gift? In de opvatting van Hof Amsterdam 12 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:382, dient in dit geval, omdat hier sprake is van verkrijging van een woning, ter berekening van de schenkbelasting de WOZ-waarde te worden aangehouden (artikel 21, lid 5, SW). Voor toepassing van de Successiewet beloopt de gift dan derhalve € 30.000 (€ 110.000 minus € 80.000). Ter zake van deze gift is C op de voet van artikel 24, lid 1, SW 10% schenkbelasting verschuldigd over € 25.000 (€ 30.000 - vrijstelling) ofwel € 2.
- Toepassing van artikel 24, lid 2, SW leidt tot vermindering met € 500 (2% van € 25.000). Per saldo is C € 2.000 schenkbelasting verschuldigd. Twee opmerkingen: De opvatting van Hof Amsterdam, dat artikel 21, lid 5, SW ook van toepassing is bij verkrijging van een woning krachtens verkoop tegen een lagere prijs dan de WEV, is bepaald niet onomstreden. Ik verwijs naar de kritische beschouwing van L.E. Welkers in FBN 2015, nr. 22 en naar de contraire uitspraak van Rechtbank Den Haag 1 mei 2015, nr. SGR 14/8807, Notafax 2015/
- De wijze waarop Hof Amsterdam in het berechte geval toepassing aan artikel 24 lid 2 SW heeft gegeven is mijns inziens onjuist (het hof komt via toepassing van een door mij niet te vatten toerekeningsmethode tot een aftrek van € 2.150; mijns inziens was in het berechte geval daadwerkelijk samenloop voor € 43.000, wat op de voet van artikel 24, lid 2, SW aftrek rechtvaardigt van € 2.580). Mocht de opvatting van Hof Amsterdam over artikel 21, lid 5, SW in cassatie geen stand houden en deze bepaling derhalve in casus C.3 niet van toepassing zijn, dan beloopt de gift € 100.000 minus € 80.000 = € 20.
- Ter zake van deze gift is C € 1.200 dan per saldo schenkbelasting verschuldigd (zie berekening C.2). C.4 Koopsom = € 80.000, WEV = € 100.000, WOZ-waarde = € 90.000 Hoe groot is nu de gift? In de opvatting van Hof Amsterdam 12 februari 2015 (zie C.3) beloopt de gift in dit geval, voor de berekening van de schenkbelasting, € 90.000 minus € 80.000 = € 10.
- Ter zake van deze gift is C op de voet van artikel 24, lid 1, SW 10% schenkbelasting verschuldigd over € 5.000 (€ 10.000 - vrijstelling) ofwel €
- Toepassing van artikel 24, lid 2, SW leidt tot vermindering met € 100 (2% van € 5.000), zodat C per saldo is € 400 schenkbelasting verschuldigd is. In de opvatting dat artikel 21, lid 5, SW voor dit geval niet geschreven is beloopt de gift € 100.000 minus € 80.000 = € 20.
- Ter zake van deze gift is C per saldo € 1.200 schenkbelasting verschuldigd (zie berekening C.2). 4.34 Schols schreef onder de litigieuze Hofuitspraak: Hier lijkt sprake van een civielrechtelijk ‘novum’ in een fiscaal arrest. De civielrechtelijke dogmatiek moet bij het oplossen van een fiscaal vraagstuk echter steeds voorop worden gesteld, en al helemaal als het om de notariële belastingen gaat. Dit uitgangspunt is hier naar mijn mening ten onrechte uit het oog verloren. De hamvraag is heel eenvoudig. Worden er bakstenen geschonken of wordt een bedrag in geld geschonken? Voor geschonken (bewoonde) bakstenen geldt immers een bijzonder waarderingsvoorschrift in art. 21, lid 5, SW
- Oftewel de WOZ-waarde geldt niet voor een schenking van geld. Dat neemt niet weg dat door het leerstuk ‘samenstel van rechtshandelingen’ de onderliggende civielrechtelijke titel, koop (gift met tegenprestatie), door het wezen der dingen onder omstandigheden getransformeerd zou kunnen worden in een schenking. Maar het is het een of het ander. Een baksteen is geschonken of verkocht, niet van alles een beetje. Wel kunnen schenkingsbepalingen via art. 7:186 BW en 7:187 BW van overeenkomstige toepassing zijn op de gift met tegenprestatie en zou er ook sprake kunnen zijn van een schenking onder een last. En wat dat transformeren van de titel betreft, dan moet er echt meer aan de hand zijn dan het schenken van nog minder dan twintig procent van de koopsom. De waarheid oftewel het omslagpunt ligt immers vaak in het midden. Zie recent nog de civielrechtelijke uitspraak HR 1 mei 2015, nr. 14/03358 (ECLI:NL:HR:2015:1199), inzake een uitsluitingsclausule, waarin de Hoge Raad overwoog ‘Gelet op het voorgaande heeft het hof aan zijn vaststelling dat de koopsom voor het perceel voor meer dan de helft ten laste van het privévermogen van de man is gekomen terecht het rechtsgevolg verbonden dat het perceel geen deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap en om die reden niet voor verdeling in aanmerking komt.’Het ‘samenstel van rechtshandelingen’ speelt hier nog op een ander niveau en wel bij de toepassing van art. 24, lid 2, SW 1956: verrekenen van overdrachtsbelasting met schenkbelasting. Ook als er geen sprake is van een schenking van een onroerende zaak, maar van een gedeelte van een koopsom (kwijtschelding), mag – bij voldoende samenhang – de schenkbelasting voor deze verrekenfaciliteit toegerekend worden aan de bakstenen. Hier is het onderscheid koop of schenking derhalve niet zo strikt. Mooier dan collega Stubbé in FBN 2013, nr. 38, kan ik het overigens niet zeggen: ‘Het is ook behoorlijk irritant voor de betrokkenen en dan bedoel ik niet de belastingheffing als zodanig, maar het idee dat een wettelijke anticumulatieregeling als argument wordt gebruikt om méér belasting te kunnen heffen!’. Realiseer u in het verlengde hiervan dat bij de modernisering van de Successiewetgeving in 2010 de samenloopregeling vereenvoudigd is en dat de vrijstelling voor de overdrachtsbelasting voor schenkingen in art. 15, lid 1, letter d, Wet BRV is komen te vervallen en alle samenloopcasus hun weg dienen te vinden via art. 24, lid 2, SW
- Overigens kan in de erfrechtelijke sferen, bijvoorbeeld in geval van de wettelijke verdeling, de vordering van de kinderen wel als baksteen behandeld worden, maar dat betreft een andere constellatie. (…). We moeten nog maar even geduld hebben en zonder meer vertrouwen op de civielrechtelijke kennis bij de fiscale kamer van de Hoge Raad. 4.35 Welkers heeft geschreven: Fiscale duiding Maar nu de vraag hoe een en ander fiscaal dient te worden geduid. In beginsel geldt dat voor de heffing van schenkbelasting wordt aangesloten bij de civielrechtelijke kwalificatie van de rechtshandeling(en), tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken, hetgeen bijvoorbeeld het geval is in artikel 10 SW. In de parlementaire geschiedenis bij de Modernisering van de Successiewet 1956 is hierover opgemerkt: “De grondoorzaak voor het verschijnsel van de fictiebepaling is de sterk civielrechtelijke oriëntatie van de Successiewet
- Iedere keer als de civielrechtelijke uitgangspunten niet passen bij wat de fiscale wetgever voor ogen staat, is een vrijstelling of een fictie nodig.” Direct daarna overweegt de staatssecretaris van Financiën echter: “Ook in dit wetsvoorstel blijft het civiele recht het uitgangspunt voor de heffing van de schenk- en erfbelasting.” Zie hiervoor Kamerstukken II 2008/09, 31930, nr. 9, p.
- Artikel 24, lid 2, SW bevat geen expliciete afwijking voor de onderhavige situatie, maar slechts een tegemoetkoming bij dubbele belasting, die op grond van vaste jurisprudentie ook wordt toegepast als het object van heffing van overdrachtsbelasting anders is dan het object van heffing voor de schenkbelasting. Als civielrechtelijk sprake is van een reële koopovereenkomst tegen een (per saldo, na kwijtschelding van een deel van de koopprijs) te lage tegenprestatie, is een schenking van de woning niet aan de orde. Er is slechts sprake van een materiële bevoordeling wegens een kwijtschelding op de koopprijs. De verkrijging krachtens schenking wordt uitsluitend gevormd door de bevoordeling als gevolg van de kwijtschelding van een deel van de koopprijs. Voor de woning komt men echter niet door de ‘poort’ van artikel 1 SW, nu deze krachtens koop is verkregen. Een waardering van de woning is dus niet aan de orde. Het object van de gift voor de heffing van schenkbelasting vormt het (gedeeltelijk) wegvallen van de vordering (in geld) door de kwijtschelding van een deel van de koopprijs. Artikel 1, lid 1, sub 2, SW bepaalt dat schenkbelasting wordt geheven over de waarde van al wat krachtens schenking wordt verkregen. Voor de waardering van het verkregene geldt als hoofdregel dat de verkrijging in aanmerking wordt genomen naar de waarde die daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend (artikel 21, lid 1, SW). Nu de bevoordeling een schenking van een vordering betreft, komt men aan artikel 21, lid 5, SW niet toe. Burgerhart werpt in NTFR Beschouwingen (2014, nr. 33) de vraag op in hoeverre mogelijk nog sprake zou kunnen zijn van een zogenoemde ‘reflexwerking’ van artikel 21, lid 5, SW. Weliswaar is het waardeforfait van artikel 21, lid 5, SW niet geschreven voor de onderhavige belastbare verkrijging, maar de verkrijging en de omvang daarvan hangen wel samen met een verkrijging waarvoor het forfait wél geldt. Denk bijvoorbeeld aan de uit een wettelijke verdeling voortvloeiende geldvordering, waarvan de omvang (mede) wordt bepaald door de waarde van de door de langstlevende verkregen woning (vergelijk Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:835 (…)). Er is dan sprake van communicerende vaten. In dit geval is echter de waarde van het krachtens gift verkregene niet afhankelijk van de waarde van de woning, zodat een reflexwerking niet aan de orde is. Kortom: fiscaal dient in beginsel civiel te volgen, zodat in dit geval slechts sprake is van schenking ter hoogte van het bedrag waarvan om niet afstand wordt gedaan conform artikel 6:160 BW (ad € 40.000). Stel echter dat voor de toepassing van de Successiewet 1956 toch een schenking van een deel van de woning wordt aangenomen. In dat geval pleit ik voor een economische benadering van de kwestie, zoals in de Wet IB 2001 gebruikelijk is (…).In dat geval zou kunnen worden gesteld dat 4/25ste deel van de economische waarde van de onroerende zaak wordt geschonken. De WOZ-waarde dient dan naar rato te worden toegerekend, zodat de omvang van de belastbare verkrijging bedraagt 4/25 x € 258.000 = € 41.280 in plaats van € 48.000 zoals de inspecteur verdedigt. In verband hiermee wijs ik op de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA
- De Hoge Raad oordeelde in deze procedure dat weliswaar als uitgangspunt geldt dat het fiscale recht de civielrechtelijke kwalificatie van rechtshandelingen volgt (mits geen sprake is van schijnhandelingen), dit uitgangspunt moet echter worden losgelaten ‘indien de aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet’ (r.o. 3.4). De fiscaliteit kan dus voorbijgaan aan de civielrechtelijke werkelijkheid als dit beter aansluit bij hetgeen in werkelijkheid tussen partijen is overeengekomen en tot stand is gebracht. (…). Ook civielrechtelijk is deze benadering niet volledig onbekend. Vergelijk Hof Den Bosch van 14 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BL0292, waarin het hof oordeelde over een verkoop van een woning met gelijktijdige omzetting van de koopprijs in een geldlening waarop direct een bedrag werd kwijtgescholden onder een uitsluitingsclausule. Het hof oordeelt dat voor het kwijtgescholden bedrag een deel van het huis (22%) in de plaats is getreden, en dat de uitsluitingsclausule op dit deel van de woning van toepassing is. De waardervermeerdering die dit deel heeft ondergaan valt aldus ook onder de uitsluitingsclausule, aldus het hof.(…). 4.36 Martens en Sonneveldt schrijven: De Successiewet 1956 heeft, wat betreft de gehanteerde begrippen (erfopvolging, schenking, verdeling, enzovoort) een sterk civielrechtelijke inslag; dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (…) en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (…), die zeer economisch gericht zijn. (…) 4.37 Martens en Sonneveldt schrijven voorts: Het BW maakt met ingang van 1 januari 2003 onderscheid tussen schenkingen en giften. Als schenking wordt blijkens art. 7:175 BW aangemerkt: ‘de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.’ Blijkens art. 7:186, lid 2, BW wordt aangemerkt als een gift: ‘iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt.’ Gift is dus het genusbegrip, waarvan schenking een species is. Art. 1, lid 7, SW 1956 bepaalt dat voor de toepassing van de Successiewet 1956 onder schenking moet worden verstaan de gift als bedoeld in art. 7:186, lid 2, BW, voor zover art. 13 SW 1956 niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis zoals bedoeld in art. 6:3 BW. Met andere woorden: wat voor de fiscalist een schenking is, is voor de civilist een gift. 4.38 In de Fiscale Encyclopedie De Vakstudie staat: In art. 1 SW is bepaald dat schenkbelasting wordt geheven over hetgeen wordt verkregen krachtens schenking. In aanvulling hierop is in art. 1 lid 7 omschreven wat onder schenking moet worden verstaan voor de toepassing van de Successiewet. Voor schenking wordt aangesloten bij de gift, als bedoeld in artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. In art. 7:186 lid 2 BW is de gift omschreven als iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Onder ‘handeling’ wordt verstaan eenzijdige handelingen of handelingen met een tegenprestatie. Het toepassingsgebied van de gift is ruimer dan de schenking (art. 7:175 BW) waarvoor geldt dat sprake is van een tweezijdige rechtshandeling (overeenkomst om niet). Om te beoordelen of schenkbelasting is verschuldigd gelden voor een gift drie voorwaarden:
- De bevoordeling moet ten koste van het vermogen van de schenker gaan zodat bij hem een verarming optreedt.
- Het vermogen van de begiftigde moet een vermogensvermeerdering ondergaan.
- Bij de schenker moet een bevoordelingsbedoeling aanwezig zijn. (…). 4.39 In de Fiscale Encyclopedie De Vakstudie staat: Voor onroerende zaken waarvoor op grond van hfdst. IV Wet WOZ een waarde is bepaald, worden de in de verkrijging begrepen onroerende zaken die als woning in gebruik zijn voor deze waarde in aanmerking genomen. Zoals in de inleiding van deze aantekening aangegeven, kan er maximaal bijna twee jaar tijdverschil gelegen zijn tussen het tijdstip van verkrijging en dat van de peildatum waarnaar de WOZ-waarde is vastgesteld. Dit zit opgesloten in de systematiek van de Wet WOZ en in de wens ook voor de erf- en schenkbelasting omwille van de eenvoud van uitvoering aan te willen sluiten bij de WOZ-waarde. Waardeverandering als gevolg van marktontwikkelingen in die periode worden door deze systematiek voor de vaststelling van de waarde van de verkregen woning derhalve genegeerd. (…). De invoering van de WOZ-waarde voor de verkrijging van woningen voor de erf- en schenkbelasting is ingegeven door de wens om tot vereenvoudiging te komen, zowel voor de belastingplichtige die de aangifte indient als voor de fiscus. De wetgever heeft juist voor veel voorkomende situaties, mogelijke discussiepunten tussen belastingplichtigen en inspecteur willen beperken. (…). 4.40 In de Fiscale Encyclopedie De Vakstudie staat: Blijkens de tekst van artikel 24, tweede lid, SW is verrekenbaar de overdrachtsbelasting die is geheven over het bedrag waarover schenkbelasting is verschuldigd. Deze tekst wijkt niet af van de voorheen geldende tekst van artikel 24, vierde lid (oud), zodat kan worden aangenomen — ook de wetsgeschiedenis wijst niet in andere richting — dat hetgeen gold onder de oude tekst nog steeds van kracht is. Artikel 24, tweede lid, kan toepassing vinden bij elke bevoordeling uit vrijgevigheid die voortvloeit uit een overeenkomst die onroerende zaken ten onderwerp heeft, maar ten hoogste voor zover de overdrachtsbelasting is geheven over het bedrag van de bevoordeling. Niet vereist is dat de schenkbelasting en de overdrachtsbelasting worden geheven over hetzelfde object. Bepalend is of in materiële zin een dubbele heffing optreedt. Het tweede lid kan derhalve ook van toepassing zijn in geval van een samenstel van rechtshandelingen. Wel is vereist dat de schenkbelasting en de overdrachtsbelasting zijn verschuldigd door een en dezelfde persoon en dat de gift en de onroerende zaak afkomstig zijn van een en dezelfde persoon. Verrekening van de overdrachtsbelasting vindt alleen plaats, voorzover de schenkbelasting werkelijk is verschuldigd. Is dus een gedeelte van een materiële bevoordeling vrijgesteld van schenkbelasting, dan vindt over dat gedeelte geen verrekening van overdrachtsbelasting plaats. De overdrachtsbelasting wordt dan naar evenredigheid aan het vrijgestelde en het niet-vrijgestelde gedeelte toegerekend. 4.41 In de Cursus Belastingrecht staat: Dezelfde problematiek doet zich voor als de ouders een huis verkopen aan (bijvoorbeeld) hun kind tegen de waarde in het economische verkeer, terwijl de WOZ-waarde van de woning hoger is. Bij verkoop van het pand tegen de waarde in het economische verkeer verarmen de ouders niet en is er geen sprake van een schenking. Aan de waarderingsregel van art. 21, lid 5, komen we dan niet toe. Verkopen de ouders uit vrijgevigheid de woning echter tegen een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer, dan is er sprake van een verarming en is wel sprake van een schenking. Omdat de schenking een woning betreft, geldt in dit geval wel het waarderingsvoorschrift van art. 21, lid
- De omvang van de schenking bestaat dan uit die WOZ-waarde verminderd met de door het kind betaalde koopsom. 4.42 In de Cursus Belastingrecht staat voorts: De vraag rijst of dit waarderingsvoorschrift ook van toepassing is indien een woning wordt verkocht voor een te lage prijs. Indien bijvoorbeeld een woning met een WOZ-waarde van € 300 000 en een werkelijke waarde van € 250 000 wordt verkocht voor € 100 000, is de vraag hoe groot het bedrag van de gift is. Is dit € 300 000 – € 100 000 omdat een woning is geschonken of is dit € 250 000 – € 100 000 omdat een niet verrekend waardeverschil wordt geschonken? Zoals wij hebben betoogd in S&E.6.1.0.B [zie 4.41; A-G] zijn wij van mening dat het waarderingsvoorschrift van art. 21, lid 5, in dit geval eveneens van toepassing is. Door de verkoop tegen een te lage waarde is sprake van een gift, waardoor de Successiewet van toepassing is. Om de omvang van het voordeel voor de toepassing van de Successiewet te berekenen dient de woning gewaardeerd te worden en hiervoor geeft art. 21, lid 5, een dwingend waarderingsvoorschrift. 5Beschouwing en beoordeling Het eerste middel 5.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de woning het object van de schenking is. Daarvan uitgaande is het waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, SW van toepassing en bedraagt de schenking € 48.
- Belanghebbende komt in zijn eerste middel tegen dit oordeel op. Hij betoogt daartoe dat niet de woning doch het op de koopsom kwijtgescholden bedrag ad € 40.000 het object van de schenking is. Belanghebbende meent daarom dat voornoemd waarderingsvoorschrift niet op hem van toepassing is. 5.2 De betreffende woning is door belanghebbende en zijn echtgenote gekocht. De verkoper is de vader van belanghebbendes echtgenote. De koopsom bedraagt € 250.
- Het Hof heeft geoordeeld dat ‘tegelijkertijd met de koop van de woning een deel van de koopsom is kwijtgescholden’. Het kwijtgescholden bedrag bedraagt, als gezegd, € 40.
- Gelet op het voorgaande is er naar mijn mening inderdaad, zoals het Hof heeft geoordeeld, sprake van een samenstel van rechtshandelingen. 5.3 Ik merk ten geleide op dat ingevolge artikel 1, lid 7, SW onder schenking wordt verstaan de gift bedoeld in artikel 7:186, lid 2, BW. Het BW maakt onderscheid tussen schenkingen en giften. Civielrechtelijk is een gift het genusbegrip, waarvan schenking een species is. Daar waar successierechtelijk wordt gesproken over een schenking, kan civielrechtelijk dus sprake zijn van een gift. Ik laat dit civielrechtelijke onderscheid tussen een schenking en een gift hierna rusten en gebruik slechts de overkoepelende fiscaalrechtelijke term: schenking in de zin van artikel 1, lid 7, SW. 5.4 Om te beginnen enkele observaties over de verhouding tussen enerzijds de omschrijving van het belastbare feit in artikel 1 SW en anderzijds het waarderingsvoorschrift voor woningen in artikel 21, lid 5, SW. Indien in de onderhavige zaak de koopsom niet gedeeltelijk was kwijtgescholden, zou er geen sprake zijn van een schenking in de zin van artikel 1 SW, omdat de woning, naar ik aanneem, is verkocht voor de waarde in het economische verkeer. Bij het beantwoorden van de vraag óf er sprake is van een schenking ex artikel 1 SW is derhalve de WOZ-waarde van de woning, naar het mij voorkomt, niet relevant. Die WOZ-waarde wordt ingevolge artikel 21, lid 5, SW pas relevant wanneer is vastgesteld dát er sprake is van een schenking ex artikel 1 SW. Op basis van voornoemd waarderingsvoorschrift kan de waarde van hetgeen geschonken is dan betrekkelijk eenvoudig worden gekwantificeerd. 5.5 In principe gelden voor de toepassing van de Successiewet 1956 civielrechtelijke uitgangspunten. Met de fictiebepalingen kunnen civielrechtelijke uitgangspunten worden doorbroken. Ik zie artikel 21, lid 5, SW in zoverre ook als een soort fictie, omdat op grond daarvan een waarde wordt gehanteerd welke kan afwijken van de actuele waarde in het economische verkeer, ex artikel 21, lid 1, SW. 5.6 In casu is civielrechtelijke sprake van twee separate rechtshandelingen, te weten (i) de koop van de woning en (ii) de gedeeltelijke kwijtschelding van de verschuldigde koopsom. Indien voor successierechtelijke doeleinden deze civielrechtelijke kwalificatie zonder meer wordt gevolgd, is er, naar het voorkomt, sprake van een schenking in de zin van artikel 1 SW. Het object daarvan is dan evenwel niet de woning, want die is krachtens koop verkregen en komt, gegeven de reële koopsom, niet langs ‘de poort van artikel 1 SW’. Het object van de schenking is de kwijtschelding. Daar is artikel 21, lid 5, SW mijns inziens niet op van toepassing. Het komt mij voor dat de kritiek in de literatuur op de onderhavige Rechtbank- en Hofuitspraak met name is gebaseerd op de civielrechtelijke uitgangspunten. 5.7 Voor de fiscale beoordeling is van belang dat het onderhavige feitencomplex, gelet op het samenstel van rechtshandelingen, economisch niet wezenlijk verschilt van het geval dat de (schoon)vader de woning, die kennelijk een waarde in het economische verkeer had van € 250.000, aan belanghebbende (en zijn echtgenote) had verkocht voor € 210.
- 5.8 Indien belanghebbende (en zijn echtgenote) de woning hadden gekocht voor € 210.000, was er, gelet op de hogere waarde in het economische verkeer, voor successierechtelijke doeleinden sprake geweest van een schenking ex artikel 1 SW. Het object van de schenking zou de woning zijn geweest. Mitsdien was het waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, SW, gelet op zijn bewoordingen, daarop naar mijn mening dan van toepassing. 5.9 Op basis van zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie kan in de toepassing van het belastingrecht, onder omstandigheden, worden afgeweken van hetgeen civielrechtelijk overeengekomen is. De Hoge Raad heeft in BNB 2000/126 overwogen dat: ‘[v]oor een zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie, met als consequentie daarvan andere fiscale gevolgen dan de contracterende partijen op grond van de gekozen civielrechtelijke vorm verwachtten, en daardoor veelal een hogere of lagere belastingheffing, (…) plaats [kan; A-G] zijn indien de aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet.’ 5.10 Met het onderhavige samenstel van rechtshandelingen, verkoop tegen € 250.000 met onmiddellijke kwijtschelding van € 40.000, wordt economisch beschouwd hetzelfde resultaat bereikt als wanneer de woning zou zijn verkocht voor € 210.
- Indien in het onderhavige geval niet zou worden afgeweken van het civiele recht is het woningwaarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, SW naar zijn letterlijke bewoordingen mijns inziens niet van toepassing, terwijl die bepaling wel van toepassing zou zijn geweest bij verkoop tegen een te lage prijs. Het lijkt mij, gelet op de in economisch opzicht gelijke uitkomsten, niet in de rede te liggen verschillende successierechtelijke gevolgen te verbinden aan het ene en het andere geval. 5.11 Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd. Met het waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, SW heeft de wetgever beoogd een eenvoudig toepasbare waarderingsmaatstaf voor woningen te geven. Dit waarderingsvoorschrift, voor zover leidend tot een hogere waardebepaling, ten tijde van de schenking, dan de actuele waarde in het economische verkeer, zou betrekkelijk eenvoudig kunnen worden ontweken als zonder meer zou worden aangesloten bij hetgeen civielrechtelijk is overeengekomen. In plaats van een (deel van een) woning te schenken door een te lage verkoopprijs overeen te komen, zou dan immers eerst een koopovereenkomst naar de waarde in het economische verkeer kunnen worden gesloten om vervolgens de koopsom (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Dat zou mij, als resultaat, niet in overeenstem