Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.E.C.M. Niessen Advocaat-Generaal Conclusie van 17 december 2015 inzake: Nr. Hoge Raad: 15/01185 Provincie Zeeland Nr. Rechtbank: AWB 14/2042 Derde Kamer B tegen Loonbelasting 1 januari 2013 - 31 januari 2013 Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Provincie Zeeland (hierna: belanghebbende) te Middelburg heeft aangifte loonbelasting gedaan over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2013 naar een af te dragen bedrag van € 1.339.
(6)Wet LB 1964 sprake, indien de regeling (nagenoeg) uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van een uitkering ingevolge een pensioenregeling of de AOW te voorzien in uitkeringen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen en/of de AOW, dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling (…). 5.2 Uit deze bepaling volgt dat de strekking van een regeling doorslaggevend is voor de vraag of een regeling kwalificeert als RVU; deze mag niet zijn het faciliteren van de werknemer bij het voor de pensioneringsdatum beëindigen van diens dienstbetrekking. Hiervan zal sprake zijn indien een werkgever – met het oog op vervroegde uittreding van de werknemer – de overgang naar de pensioen- en of AOW-ingangsdatum vergemakkelijkt door middel van het verschaffen van financiële middelen. 4.33 Van Ruiten heeft in zijn column met de titel ‘De RVU-heffing moet worden afgeschaft!’ geschreven: Al tijdens de behandeling in de Eerste Kamer begint de zienswijze op de RVU-heffing te kantelen. Van een ‘soft exterminator’ van VUT-regelingen verschuift de focus naar stamrechten. Ja, zelfs ontslagvergoedingen komen in het vizier, terwijl daar van gefaciliteerd inkomensuitstel in het geheel geen sprake is. In de uitvoeringspraktijk nadien is het bij de RVU-heffing nimmer meer gegaan over VUT-regelingen. De discussie spitst zich steeds toe op de vraag of een ontslagvergoeding onder de heffing zou moeten vallen. Aldus is de RVU-heffing verworden van een fiscale maatregel ter ontmoediging van vervroegdeuittredingsregelingen tot een hinderlijke sta-in-de-weg voor reorganisaties, waarbij de fiscus zichzelf de rol van arbeidsmarktpolitie heeft aangemeten. Gelet op de wetsgeschiedenis kan de juistheid hiervan naar mijn mening ten zeerste worden betwijfeld. Vorig jaar is de stamrechtvrijstelling uiteindelijk alsnog afgeschaft. VUT-regelingen lopen inmiddels ten einde en zullen niet meer terugkeren. Het doel van de VPL-wetgever is bereikt. De RVU-heffing kan, nee moet, worden afgeschaft! 4.34 Bremmers heeft in het NDFR-commentaar onder meer het volgende over de RVU geschreven:
- Definitie en doel 'regeling voor vervroegde uittreding' (…) 6.
- Doel van de regeling Art. 32ba, lid 6 maakt een onderscheid tussen twee doelen: enerzijds overbruggen en anderzijds aanvullen. Of van één van beide sprake is, wordt bepaald door een objectieve check van het doel van de regeling of van een deel van de regeling. Met andere woorden het gaat er niet om wat het – subjectieve – doel van de werkgever of werknemer(s) is, dat is namelijk voor de beoordeling niet relevant. (…) (…)
- Stamrechten en rechten op eenmalige ontslaguitkeringen 7.
- Algemeen (…) De definitie van het begrip 'regelingen voor vervroegde uittreding' is dermate ruim geformuleerd, dat ontslagvergoedingen onder omstandigheden als regeling voor vervroegde uittreding kunnen worden opgevat. Dit artikel heeft niet alleen betrekking op VUT-regelingen oude stijl die op omslagbasis werden gefinancierd, maar ook op eenmalige ontslaguitkeringen die ten doel hebben werknemers vervroegd te laten uittreden. Belastingheffing zal echter alleen plaatsvinden over die uitkeringen die voorzien in een financiële overbrugging naar de pensioendatum of een aanvulling op het pensioen vormen. Maatschappelijke opvattingen & recente Kamervragen inzake RVU-heffing 4.35 In een brief aan de staatssecretaris van Financiën heeft ondernemingsorganisatie VNO-NCW gesteld: ‘vrijwillige vertrekregelingen voorafgaand aan een mogelijke reorganisatie zijn een voorbeeld van goed werkgeverschap. (…) Deze zijn nu in gevaar door een ten onrechte opgelegde hoge heffing op vrijwillig afvloeiende ouderen. (…) Voorzitter Hans de Boer van VNO-NCW heeft vorige week vrijdag gepleit voor herziening van het beleidsbesluit inzake deze heffing, de pseudo-eindheffing Regeling Vervroegd Uittreden’. Naar aanleiding van deze brief en het daarover verschenen artikel ‘Werkgevers klagen over 'straf' op sociaal plan’ in het Financieel Dagblad van 28 januari 2015, hebben Tweede Kamerleden Heerma en Omtzigt vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën, die deze bij Brief van 30 april 2015 heeft beantwoord: Vraag 4 Deelt u de zorg, geuit vanuit werkgevers én werknemers, dat het risico van een dergelijke heffing kan leiden tot het eerder kiezen voor gedwongen ontslag? Zo nee, waarom niet? Antwoord 4 In de wet (artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964) wordt geen onderscheid gemaakt tussen gedwongen en vrijwillige ontslagen. In beide situaties geldt als voorwaarde dat de RVU-heffing niet in beeld komt als de ontslagronde voldoet aan objectieve criteria zoals het afspiegelingsbeginsel. Deze voorwaarde vloeit voort uit het kabinetsbeleid dat gericht is op de bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen. Ik merk hierbij nog op dat ik in mijn beleidsbesluit van 18 december 2013, Staatscourant 2013, nr. 35582 (nr. 35 882, V-N 2014/2.12, red.), heb goedgekeurd dat bij een vrijwillige vertrekregeling achteraf mag worden getoetst of sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding en dat daarbij de resultaten van de gedwongen ontslagronde mogen worden meegeteld. Om de werkgever niet af te rekenen op een geringe overschrijding van het aantal oudere werknemers dat hij op grond van het afspiegelingsbeginsel zou mogen ontslaan, heb ik daarbij een doelmatigheidsmarge van 10% toegestaan. Als op basis van het afspiegelingsbeginsel is bepaald dat in de leeftijdscategorie boven de 55 jaar bijvoorbeeld 80 ontslagen zullen vallen, dan kan de werkgever door deze goedkeuring maximaal 8 oudere werknemers meer ontslaan dan de objectieve norm zonder in aanraking te komen met de RVU-heffing. Mijns inziens biedt dit binnen de doelstellingen van de wet voldoende ruimte om vrijwillige ontslagregelingen mogelijk te maken. Vraag 5 Acht u dit een wenselijk resultaat gezien het feit dat bedrijven dit soort regelingen in het algemeen met vakbonden zijn overeengekomen om zo gedwongen ontslagen te voorkomen? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe zou toename van gedwongen ontslag kunnen worden voorkomen? Vraag 7 Bent u bereid het beleid zo aan te passen dat vrijwillige vertrekregelingen die worden ingegeven door economische omstandigheden en die ten doel hebben gedwongen ontslagen tegen te gaan, vaker vrij te stellen? Antwoord 5 en 7 Het kabinetsbeleid richt zich op het ontmoedigen van eerder stoppen met werken en het aanmoedigen om mensen van werk naar werk te begeleiden. Om de mogelijkheden om een andere baan te vinden te vergroten, heeft het kabinet in 2013 een sociaal akkoord gesloten, waarbij gekozen is voor een actievere aanpak om werkloosheid te voorkomen en mensen van werk naar werk te helpen. Dit heeft concreet geleid tot bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van middelen voor van-werk-naar-werk-trajecten en het omzetten van de ontslagvergoeding in een transitievergoeding. Het kabinet vindt het binnen het pallet van arbeidsmarktmaatregelen niet wenselijk de RVU-heffing te versoepelen. Hierbij is ook van belang dat de RVU-heffing waarneembaar succesvol is gebleken. Vanaf de invoering van de maatregel in 2006 is de gemiddelde uittreedleeftijd gestegen van 61 jaar naar bijna 64 jaar (cijfer 2013). De ontmoedigende werking van de RVU-heffing heeft hier zonder twijfel aan bijgedragen. Versoepeling van de maatregel zou deze trend naar verwachting weer ombuigen. Dit dient voorkomen te worden. Bijkomende complicatie van het voorgestelde is dat dit de regeling praktisch onuitvoerbaar maakt, omdat het subjectieve criterium ‘die ten doel hebben gedwongen ontslagen tegen te gaan’ niet te controleren is voor de Belastingdienst. De kracht van de huidige regeling is dat op basis van objectieve criteria wordt getoetst of de RVU-heffing achterwege kan blijven bij een reorganisatie. Hierdoor wordt willekeur tussen bedrijven voorkomen en is de handhaafbaarheid gewaarborgd. 4.36 Mertens heeft zich kritisch uitgelaten over deze brief: Deze Kamervragen gaan over vrijwillige vertrekregelingen in het kader van een sociaal plan. Kort samengevat zegt staatssecretaris Wiebes dat het kabinet het in het arbeidsproces houden van ouderen zó belangrijk vindt dat hij de voorkeur geeft aan het gedwongen ontslaan van jongeren boven het vrijwillig vertrek van ouderen. (…) Het standpunt berust op een uitleg van art. 32ba, lid 6, Wet LB 1964 die, zacht uitgedrukt, nogal aanvechtbaar is. Van Schendel heeft dit goed verwoord in zijn bijdrage ‘De RVU-strafheffing bij bedrijfsreorganisaties’, NTFR-B 2014/
- De wet zegt, samengevat, dat een regeling alleen een RVU is als deze voor ten minste 90% ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van het pensioen of de AOW te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan daarvan (art. 32ba, lid 6, Wet LB 1964). Dat is normaal gesproken niet het doel van een vrijwillige vertrekregeling. Zeker niet als deze open staat voor iedereen, ongeacht leeftijd. Het doel van zo'n regeling is gedwongen ontslagen voorkomen. De opvatting van Financiën berust ook in mijn ogen op een onjuiste lezing van de wet. Misschien is het niet noodzakelijk de Kamer te informeren dat over de van de wet afwijkende uitleg van Financiën ook anders kan worden gedacht. Maar wat bepaald verbazing wekt, is dat bij de beantwoording niet wordt vermeld dat Rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkens diens uitspraak van 19 maart jl., nr. 14/3182 de mening van Financiën niet deelt, zie ook de analyse van Van 't Hof in NTFR 2015/1291). (…) 4.37 Ook de Redactie van Vakstudie Nieuws laat zich in haar aantekening bij deze brief kritisch uit over de antwoorden van de staatssecretaris van Financiën: (…) In zijn column in onze rubriek UITVERGROOT, V-N 2015/12.0, betoogt Hans van Ruiten dat de RVU-heffing dient te worden afgeschaft, nu de oorspronkelijke doelstelling – beëindiging van de VUT – is gerealiseerd en de stamrechtvrijstelling per 2014 alsnog is verdwenen. In het wetsvoorstel VPL was aanvankelijk voorzien in afschaffing van de stamrechtvrijstelling, maar daar ging de Tweede Kamer destijds niet mee akkoord. Aldus mislukte het plan van de regering voor een flankerende maatregel tegen de kapitaalgedekte stamrechten, naast de RVU-heffing die was ontworpen als middel tegen omslaggefinancierde vervroegde-uittredingsregelingen. Het enkel laten vervallen van de omkeerregel werd voor VUT-regelingen namelijk niet effectief geacht. Na de ingreep van de Tweede Kamer verschoof de focus van de RVU-heffing naar stamrechten en ontslagvergoedingen voor oudere werknemers. Door deze evolutie in de uitvoeringspraktijk is de RVU-heffing een obstakel geworden bij reorganisaties. Vooral werkgevers in sectoren waar het economisch herstel nog niet echt wil vlotten, hebben hier last van. Door de dreiging van een grote extra kostenpost wordt afgezien van een vrijwilligers- of plaatsmakersregeling. Dit kan er toe leiden dat, noodgedwongen, afscheid wordt genomen van jongere medewerkers, die men over enkele jaren nodig heeft, als de oudere werknemers – die nu niet mogen plaatsmaken – met pensioen gaan. De staatssecretaris claimt dat de RVU-regeling ‘waarneembaar succesvol is gebleken’, omdat de gemiddelde uittreedleeftijd sinds 2006 is gestegen van 61 jaar naar bijna 64 jaar. Volgens ons is dit laatste het gevolg van de afschaffing van VUT- en prepensioenregelingen en de verhoging van de pensioen(richt)leeftijd per 1 januari 2006 van 60 jaar naar 65 jaar (art. 18a lid 6 LB). Dat de RVU-heffing daar een betekenisvolle rol in zou hebben gespeeld, komt ons nogal pretentieus voor. Conclusie van de antwoorden van de staatssecretaris is dat we verder moeten met de RVU-heffing. Daar waar deze heffing dreigt bij het opstellen van een sociaal plan zou, gek genoeg, de oplossing kunnen worden gevonden in prepensioen. Dat leidt weliswaar tot onmiddellijke belastingheffing over deze vertrekregeling (waarna een ‘nettopensioen’ resteert), maar dat is bij een stamrecht of ontslagvergoeding niet anders. Prepensioen is echter een pensioen als bedoeld in de Pensioenwet en valt daarmee buiten het bereik van de RVU-heffing (art. 32ba lid 6 Wet LB 1964). Het illustreert dat de RVU-heffing een serieuze herbezinning behoeft. De antwoorden van de staatssecretaris stellen daarom teleur. 5Beoordeling van het middel 5.1 Het geschil in cassatie betreft de vraag of de Regeling kwalificeert als een RVU in de zin van artikel 32ba, zesde lid, van de Wet LB
- Belanghebbende voert als middel aan dat het oordeel van de Rechtbank dat de Regeling heeft te gelden als een RVU blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet in stand kan blijven. 5.2 In het eerste middelonderdeel betoogt belanghebbende kort samengevat dat de Rechtbank op grond van het Besluit van 8 december 2005, in het bijzonder de daarin uiteengezette kwalitatieve benadering ter vaststelling of sprake is van een RVU, niet tot het oordeel had kunnen komen dat de Regeling een aan eindheffing te onderwerpen RVU is als bedoeld in art. 32ba, lid 6, van de Wet LB
- 5.3 In de kwalitatieve benadering als uiteengezet in het Besluit van 8 december 2005 staan, aldus belanghebbende, het doel en de intentie van de regeling bij toekenning voorop, en is de (latere) uitwerking daarvan niet relevant. Een regeling die financieel bezien als VUT-regeling uitpakt dient, aldus belanghebbende, op grond van dit Besluit niet aan de pseudo-eindheffing te worden onderworpen indien de Regeling niet om die reden is toegekend. 5.4 Het Besluit bepaalt: ‘Er is sprake van vervroegde uittreding indien een ontslaguitkering wordt gegeven met het oog op de mogelijkheid om eerder te stoppen met werken. Een andere reden om een werknemer te ontslaan is bijvoorbeeld een reorganisatie of een individueel ontslag dat eveneens niet leeftijdgerelateerd is. Als het ontslag niet is gericht op het ontslaan van oudere werknemers is - onder de hierna beschreven omstandigheden - nooit sprake van eindheffing, noch op het moment van toekenning, noch op een ander moment.’ Een van de omstandigheden die de staatssecretaris van Financiën beschrijft, betreft de situatie van (collectief) ontslag wegens reorganisatie. Hij schrijft: ‘Het gaat erom dat de reorganisatie plaatsvindt met het oog op de vermindering van het personeelsbestand op basis van objectieve criteria (zoals het lifo-systeem of het afspiegelingsbeginsel) waarbij niet de intentie bestaat ouderen met het oog op vervroegd uittreden te ontslaan.’ 5.5 Mertens schrijft dat op grond van het Besluit dient te worden getoetst of er sprake is van een echte reorganisatie en dat ‘een manier om dat te toetsen is na te gaan of de arbeidsrechtelijke normen zijn nageleefd’. Van ’t Hof schrijft dat uit het Besluit geconcludeerd kan worden dat ‘zolang er een andere reden aan een ontslag ten grondslag ligt dan een werknemer de gelegenheid te bieden eerder te stoppen met werken, art. 32aa van de Wet LB 1964 buiten toepassing blijft.’ Ik meen echter dat de tekst van het Besluit geen andere uitleg toelaat dan dat de staatssecretaris van Financiën de voorwaarde stelt dat het om een reorganisatie op basis van objectieve criteria gaat. Het Besluit biedt belanghebbende niet de mogelijkheid om onder de RVU-heffing uit te komen door op andere wijze aannemelijk te maken dat het gaat om een ‘echte’ reorganisatie. 5.6 Belanghebbende stelt dat de door de Rechtbank vastgestelde feiten geen andere conclusie toelaten dan dat de Regeling niet geacht kan worden gericht te zijn op het ontslag van oudere werknemers. In plaats daarvan volgt, aldus belanghebbende, uit de vaststelling van de Rechtbank dat, onder de bijzondere omstandigheden van het geval, bij de Regeling sprake is van een "(…) reorganisatie die plaatsvindt met het oog op de vermindering van het personeelsbestand op basis van objectieve criteria". 5.7 Met objectieve criteria worden naar ik meen in dit verband bedoeld ‘niet-leeftijdgerelateerde criteria’ of ‘criteria in overeenstemming met arbeidsrechtelijk aanvaardbare beginselen’. 5.8 Of de Regeling aan die objectieve criteria voldoet, dient mijns inziens vastgesteld te worden aan de hand van de waarneembare eigenschappen van de Regeling en niet, zoals belanghebbende kennelijk voorstaat, uit de vaststelling van de Rechtbank dat belanghebbende genoodzaakt was onderhavige Regeling in te voeren. In casu blijkt uit de waarneembare eigenschappen van de Regeling dat deze alleen openstaat voor 57+-ers. Van een reorganisatie op basis van objectieve criteria in de zin van ‘niet-leeftijdgerelateerde criteria’ of ‘criteria in overeenstemming met arbeidsrechtelijk aanvaardbare beginselen’ is dan geen sprake. Het beroep van belanghebbende op het Besluit van 8 december 2005 kan hem dus niet baten. 5.9 Belanghebbende voert ten aanzien van dit middelonderdeel als klacht aan: ‘Anders dan de Rechtbank van oordeel lijkt te zijn, is niet iedere regeling voor vervroegde uittreding (hierna: VUT-regeling) een RVU waarop de pseudo-eindheffing van artikel 32ba van de Wet van toepassing is.’ Ik meen dat deze klacht op onjuiste lezing van de uitspraak van de Rechtbank berust. De Rechtbank heeft, in overeenstemming met HR BNB 2012/310, de Regeling getoetst aan de tekst van artikel 32ba, zesde lid, van de Wet LB
- 5.10 Het eerste middelonderdeel faalt in zoverre. 5.11 Belanghebbende voert bij het eerste middelonderdeel nog enkele andere klachten aan, die ik zal behandelen bij middelonderdeel drie. 5.12 In het tweede middelonderdeel komt belanghebbende op tegen de overweging van de Rechtbank dat zij op grond van HR BNB 2012/310 niet anders kan oordelen dan dat er sprake is van een RVU in de zin van art. 32ba, lid 6, van de Wet LB
- 5.13 In HR BNB 2012/310heeft de Hoge Raad overwogen dat in art. 32aa (huidig art. 32ba), lid 6 van de Wet LB 1964 is opgenomen wat onder een RVU moet worden verstaan en dat de door de A-G ‘van belang geachte elementen, te weten of sprake is van een reorganisatie en of alle oudere werknemers worden ontslagen of de gelegenheid krijgen om op te stappen, (…) in deze definitiebepaling niet genoemd’ worden. Uit de door de A-G weergegeven parlementaire geschiedenis volgt, aldus de Hoge Raad, niet ‘dat bij een reorganisatie, behoudens door de inspecteur te leveren tegenbewijs, ervan uit zou moeten worden gegaan dat geen sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32aa, lid 6, van de Wet.’ De Hoge Raad vervolgt: ‘Opmerking verdient dat in het onderhavige geval bewijslevering door de Inspecteur op dit punt niet aan de orde was omdat tussen partijen niet in geschil was dat de 55+regeling een regeling voor vervroegde uittreding is als bedoeld in artikel 32aa, lid 6, van de Wet.’ 5.14 Belanghebbende voert aan dat HR BNB 2012/310 relevantie mist, omdat in die zaak als vaststaand feit moest worden aangenomen dat de VUT als RVU moest worden aangemerkt, terwijl in casu juist in geschil is of de regeling moet worden aangemerkt als RVU. 5.15 Dit verschil tussen HR BNB 2012/310 en onderhavige zaak is echter niet van invloed op de door de Hoge Raad uiteengezette uitgangspunten – de toetsing van de Regeling aan de wettelijke definitie en de afwijzing van het door de AG ingenomen uitgangspunt dat geen sprake is van een RVU indien het ontslag het gevolg is van een reorganisatie –, maar op de bewijslastverdeling. Overeenkomstig het arrest en het Besluit van 8 december 2005 wordt de bewijslast opgelegd aan de inspecteur indien in geschil is of sprake is van een RVU in de zin van (toenmalig) art. 32aa, lid 6 van de Wet LB
- In casu is noch de vaststelling van de feiten, noch de bewijslastverdeling in geschil. 5.16 Voor zover belanghebbende in het tweede middelonderdeel met een motiveringsklacht een rechtsoordeel tracht aan te tasten, merk ik op dat een onjuiste redenering betreffende een rechtsvraag niet kan leiden tot cassatie; de Hoge Raad kan die (eventuele) onjuistheid zelf herstellen. 5.17 Het tweede middelonderdeel faalt. 5.18 In het derde middelonderdeel komt belanghebbende op tegen de overweging van de Rechtbank in r.o. 4.3 dat niet ‘het doel en de intentie van belanghebbende bij invoering van de regeling’ van belang zijn, maar dat bepalend is ‘de uitwerking van de regeling’. 5.19 Nu niet aan de voorwaarden van het Besluit van 8 december 2005 (zie 5.6 en 5.7) is voldaan, wordt in dit middelonderdeel de Regeling aan de tekst van de Wet LB 1964 getoetst. De definitie van een regeling voor vervroegde uittreding is wettelijk vastgesteld in artikel 32ba, lid 6, van de Wet LB
- Daarin is bepaald dat onder een RVU wordt verstaan ‘een regeling die (…) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft (…) te voorzien in (…) uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen (…)’. 5.20 De vraag komt op wat de betekenis is van de zinsnede ‘ten doel heeft’. Heeft de zinsnede betrekking op het geobjectiveerde doel, af te leiden uit de waarneembare eigenschappen van een regeling, of op het subjectieve doel, het oogmerk dat de inhoudingsplichtige heeft met een regeling? 5.21 Het grammaticale onderwerp van de zin wordt gevormd door de zinsnede ‘een regeling (…)’. Volgens de tekst moet aldus getoetst worden of ‘een regeling (…)’ ten doel heeft te voorzien in ‘uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen (…)’. Dit impliceert een geobjectiveerde toets aan de waarneembare eigenschappen van de regeling. Het feit dat, zoals belanghebbende opmerkt, de zinsnede "ten doel heeft" eenvoudig weggelaten kan worden, maakt dit niet anders. 5.22 Ook de toetssteen, het voorzien in ‘uitkeringen of verstrekkingen (…)’, impliceert mijns inziens een objectiveerde toets. Een inhoudingsplichtige heeft naar het mij voorkomt heel andere subjectieve doelen met een dergelijke regeling dan het voorzien in ‘uitkeringen of verstrekkingen (…)’. Bijvoorbeeld het laten afvloeien van minder goed functionerend en/of duur personeel, het nakomen van de arbeidsovereenkomst, verjeugdiging van het personeelsbestand of reorganisatie. 5.23 Bovendien merk ik op dat de geobjectiveerde toets in de wetsgeschiedenis wordt genoemd: ‘Wanneer de feitelijke doelstelling van die uitkeringen toch valt onder artikel 32aa - dat wil zeggen dat je voorziet in een uitkering voordat AOW of pensioen ingaan - dan zal er ook een eindheffing bij de werkgever plaatsvinden.’ 5.24 Belanghebbende voert als klacht aan dat een dergelijke uitleg van de Wet LB 1964 geen recht doet aan het doel en de strekking daarvan.Het doel en de strekking van de wet zoals deze naar voren komen in de wetsgeschiedenis, zijn naar het mij voorkomt het zo onaantrekkelijk maken van VUT-regelingen dat zij niet meer voorkomen. Daarmee moet tegengegaan worden dat oudere werknemers eerder stoppen met werken. Aldus is de geobjectiveerde toets mijns inziens niet in strijd met het doel en de strekking van de Wet LB 1964.Met de Regeling wordt juist gestimuleerd dat oudere werknemers voor de pensioendatum stoppen met werken. 5.25 Het komt mij bovendien voor dat belanghebbendes stelling dat artikel 32ba van de Wet LB 1964 een keuzemogelijkheid veronderstelt door middel waarvan het gedrag van de werkgever kan worden beïnvloed, ongegrond is. Het gaat blijkens de wetsgeschiedenis om de vraag of de ontslagvergoeding voldoet aan de definitie van artikel 32ba, lid 6 van de Wet LB
- 5.26 In de wetsgeschiedenis wordt echter ook gesuggereerd dat de werkgeversintentie van belang is bij vaststelling of een regeling onder de definitie van artikel 32ba van de Wet LB 1964 valt. Zo heeft de toenmalig staatssecretaris van Financiën gezegd: “Als de inspecteur vaststelt dat het een eenmalige geste is om het personeelsbestand te verjongen en daarbij de facto iedereen met de VUT te laten gaan, is er sprake van omzeiling. Als u echter zegt dat dit niet de intentie was die erachter zat, is het een ander verhaal. Ik wil het aan de inspecteur overlaten om dat feitencomplex te beoordelen.”En: “Het gaat om de feitelijke intentie op het moment dat het stamrecht wordt gevestigd.” Daaruit volgt mijn inziens echter niet dat indien het oogmerk van een regeling een reorganisatie is, er (in beginsel) geen sprake is van een RVU, zoals de Hoge Raad ook in HR BNB 2012/310heeft overwogen. 5.27 Belanghebbende voert daarnaast als klacht aan dat, kort gezegd, hier vaststaat dat geen sprake is van een schijnconstructie of vermomde VUT-regeling en derhalve de Inspecteur er niet in is geslaagd het bewijs te leveren dat er sprake is van een vermomde RVU. Ik merk ten aanzien van deze klacht ten eerste op dat ‘een RVU een aanzienlijk ruimer begrip is dan de VUT’. 5.28 Ten tweede meen ik dat de Inspecteur pas de gerede partij is het bewijs te leveren dat er sprake is van een schijnconstructie, indien uit een objectieve toets van het doel van de Regeling, zoals zich dat manifesteert in de waarneembare eigenschappen van de Regeling, niet direct volgt dat er sprake is van een RVU in de zin van artikel 32ba, lid 6 van de Wet LB
- Hier volgt direct uit de waarneembare eigenschappen van de Regeling dat er sprake is van een RVU. Dan hoeft de Inspecteur niet (nogmaals) te bewijzen dat als gevolg van de Regeling een verjonging van het personeelsbestand plaatsvindt. Het is in die situatie op grond van de normale regels omtrent bewijslastverdeling aan de belanghebbende eventuele verzachtende omstandigheden aan te voeren. De klacht faalt. 5.29 Het derde middelonderdeel, gericht tegen de overweging van de Rechtbank in r.o. 4.3 dat niet ‘het doel en de intentie van belanghebbende bij invoering van de regeling’ van belang zijn, maar dat bepalend is ‘de uitwerking van de regeling’, faalt. 5.30 In de wet, wetsgeschiedenis en het Besluit van 8 december 2005 zijn te weinig aanknopingspunten om een toets aan te leggen waarin het doel en de intentie van de inhoudingsplichtige getoetst worden. Naar het mij voorkomt dient een objectieve toets van het doel van de Regeling zoals zich dat manifesteert in de waarneembare eigenschappen van de Regeling plaats te vinden. 5.31 Of het tijd wordt de regeling te wijzigen, is niet ter beoordeling van de rechter. 5.32 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Inspecteur van de Belastingdienst/ [P] . Rb. Zeeland-West-Brabant 22 januari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:494, V-N 2015/16.3.3, PJ 2015/62 met noot Schouten. Zie art. 28, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, Stb. 2005,
- Tot en met 31-12-2008 was dit artikel 32aa van de Wet. Door Stb. 2008, 547 is dit artikel vernummerd tot 32ba. BNB 2012/310, onder
- Kamerstukken II 2003/04, 29 760, nr. 3 p. 9 (MvT). Kamerstukken II 2003/04, 29 760, nr. 3, p. 30-32 (MvT). Kamerstukken II 2003/04, 29 760, nr. 3 p. 5 (MvT). Handelingen I 2004/2005, 29 760, nr. D, p. 15-
- Handelingen I 2004/2005, 29 760, nr. D, p. 15-
- Handelingen I 2004/2005, 29 760, nr. D, p. 15-
- Handelingen I 2004/2005, 29 760, nr. D, p. 15-
- Handelingen I 2004/2005, 29 760, nr. D, p. 15-
- Handelingen I 2004/2005, 29 760, nr. D, p. 15-
- Handelingen I 2004/2005, 29 760, nr. D, p. 15-
- Besluit Staatssecretaris van Financiën 8 juni 2005, nr. DGB2005/3620M, V-N 2005/29.
- J.P. van ’t Hof, Art. 32aa Wet LB 1964: ontslagvergoedingen, non-activiteitsregelingen en de RVU, alles nu duidelijk?, WFR 2006/
- Kamerstukken II 2005/06, 30 109, nr. 13, p. 13-14 en
- Besluit Staatssecretaris van Financiën 8 december 2005, DGB2005/6722M, Stcrt. 2006, 9, BNB 2006/
- Parket bij de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2012:BU8935, nr. 11/
- Rb. Leeuwarden 12 april 2011, nr. AWB 07/1956, ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ5541, NTFR 2011/1540 met commentaar Kastelein. Besluit Staatssecretaris van Financiën 8 december 2005, DGB2005/6722M, Stcrt. 2006, 9, BNB 2006/118, zie onderdeel 4.
- HR 15 juni 2012, nr. 11/04002, ECLI:NL:HR:2012:BU8935, na conclusie A-G Van Ballegooijen, BNB 2012/310 met noot Mertens, V-N 2012/31.20 met aantekening van de redactie, NTFR 2012/1484 met commentaar Van Mulbregt. BNB 2012/
- Voetnoot in origineel: Roos spreekt zelfs over een uitbreiding van de rechtsstrijd, een onjuiste weergave en interpretatie van de feiten en zelfs het toevoegen van feiten die niet uit de uitspraak van de Rechtbank blijken (L.J. Roos, ‘Een opmerkelijke cassatievordering’, WFR 2012/443). Dat gaat mij wel erg ver. Maar dat de A-G zich aan het risico van dergelijke kritiek blootstelde door een kwestie die niet in geschil was aan te kaarten, is denk ik wel het geval. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 februari 2015, nr. AWB 14/3182, ECLI:NL:RBZWB:2015:978, V-N 2015/21.3.3, FutD 2015-
- J.P van ’t Hof, RVU en reorganisaties, het gaat niet samen …, NTFR 2015/
- Th.J.M. van Schendel, De RVU-strafheffing bij bedrijfsreorganisaties, deel II, WFR 2015/
- J.P. van ‘t Hof, ‘Art. 32aa Wet LB 1964: ontslagvergoedingen, non-activiteitsregelingen en de RVU, alles nu duidelijk?’, WFR 2006/
- A. Jonker en N.A. Huisman, ‘De ontslagvergoeding in de schijnwerpers’, WFR 2010/
- HR 10 juli 2015, nr. 14/06224, ECLI:NL:HR:2015:1811, BNB 2015/172, V-N 2015/23.10, V-N 2015/34.11, FutD 2015-
- De conclusie is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:PHR:2015:
- De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond verklaard (art. 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie). J.C.A. van Ruiten, De RVU-heffing moet worden afgeschaft!, V-N 2015/12.
- R.E.H.M. Bremmers, NDFR commentaar bij art. 32ba Wet LB 1964 (bijgewerkt tot 15 augustus 2015). www.vno-ncw.nl/Publicaties/Nieuws/Pages/Vrijwillige_vertrekregelingen_niet_treffen_met_ hoge_heffing_2994.aspx?source=%2fpublicaties%2fNieuws%2fPages%2fdefault.aspx#.VRO-2ZLFgWTo Brief Staatssecretaris van Financiën van 30 april 2015, nr. DGB/2015 549 U en DGB/2015/1200 U, V-N 2015/23.12, NTFR 2015/
- In de Brief zijn tevens de antwoorde op de vragen over dezelfde problematiek van Tweede-Kamerlid Bashir opgenomen. NTFR 2015/
- V-N 2015/23.
- Zie onderdeel 4.
- Zie onderdeel 4.
- Zie onderdeel 4.
- Zie onderdeel 4.
- Zie onderdeel 4.
- Vgl. onderdelen 4.22 en 4.
- Zie het beroepschrift in cassatie van belanghebbende, de toelichting bij middelonderdeel
- Zie onderdeel 4.22, onder 4.11 en 4.24, onder
- Zie het beroepschrift in cassatie van belanghebbende, de toelichting bij middelonderdeel
- Zie tevens 4.29 en 4.
- Zie de uitspraak van de Rechtbank in onderdeel 2.2, r.o. 4.
- Zie onderdeel 2.1, r.o. 2.
- Zie onderdeel 4.
- Zie onderdeel 2.2, r.o. 4.
- Zie onderdeel 4.
- r.o. 3.3.
- Zie onderdeel 4.23, r.o. 3.3.
- Zie het beroepschrift in cassatie van belanghebbende, de toelichting bij middelonderdeel
- Zie onderdeel 4.23, r.o. 3.3.2 en 3.3.
- Zie onderdeel 4.20, onder
- Zie onderdeel 4.
- Vgl. onderdelen 4.31 en 4.
- Zie onderdeel 4.
- Zie de conclusie van repliek van belanghebbende. Zie onderdelen 4.6, 4.7 en 4.
- Vgl. 4.
- Zie de conclusie van repliek van belanghebbende. Zie onderdelen 4.10 en 4.
- Zie onderdeel 4.
- Zie onderdeel 4.
- Zie onderdeel 4.
- Zie onderdeel 4.
- Vgl. 4.2 en 4.
- Zie tevens 4.5, 4.
- Zie onderdeel 4.
- Vgl. 4.26, r.o. 4.6.