Nr. 13/06162 Zitting: 27 januari 2015 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 29 november 2013 de verdachte wegens 1. “Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “Diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Het hof heeft voorts de teruggave gelast van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp. 2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (13/06161P), waarin ik vandaag eveneens concludeer. 3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewijsvoering ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 ondeugdelijk is, omdat het hof enerzijds een verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl het hof die verklaring anderzijds in een nadere bewijsoverweging als ongeloofwaardig heeft bestempeld. De steller van het middel acht bewijsmiddel 1 in zoverre ook niet redengevend. 4. Ten laste van de verdachte is onder 1. tot en met 3. (samengevat) bewezen verklaard dat hij 464 hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad, geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van elektriciteit. 5. Als bewijsmiddel 1 heeft het hof de volgende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd, gebezigd: “Het was de bedoeling dat ik in het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] zou gaan wonen. Ik had de woning gehuurd in 2009. Ik heb mij voorgesteld aan [betrokkene 2] als zijnde de nieuwe bewoner van de woning aan de [a-straat 1]. Ik kan nu niet meer aantonen dat [betrokkene 1] bestaat. Ik heb geen gegevens meer van hem.” 6. In een nadere bewijsoverweging heeft het hof het volgende overwogen: “De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de huurder was van het appartement waar op 27 januari 2009 een hennepkwekerij is aangetroffen, te weten de [a-straat 1] te [plaats]. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij dit pand onderverhuurde aan ene [betrokkene 1]. Hij weet niet waar deze [betrokkene 1] woont en heeft geen telefoonnummer van hem omdat hij zijn telefoon twee dagen voor zijn aanhouding heeft vervangen. De huur werd elke maand contant door deze [betrokkene 1] betaald. De verdachte heeft verklaard dat hij een paar keer naar de [a-straat 1] is gegaan om daar het door [betrokkene 1] verschuldigde geld op te halen. De verdachte heeft verklaard dat hij nooit heeft geweten of gemerkt dat er in het pand een hennepkwekerij aanwezig was. Tenslotte heeft de verdachte verklaard dat hij op 27 januari 2009 heeft waargenomen dat er met de electriciteitsmeter was geknoeid. Het hof acht de verklaring van de verdachte omtrent de onderverhuur van het appartement ongeloofwaardig. Uit de stukken in het dossier noch ter terechtzitting in hoger beroep is op enigerlei wijze het bestaan van [betrokkene 1] aannemelijk geworden. De verdachte heeft, behalve een naam, geen nadere gegevens over deze [betrokkene 1] kunnen verstrekken. Voorts heeft de getuige [betrokkene 2], de buurman op nummer [2] aan de [a-straat] te [plaats], verklaard dat de man die op 27 januari 2009 de deur opende van de woning van nummer [1] en door de politie werd aangehouden, te weten de verdachte, de man is die zich samen met een andere man, eerder aan hem had voorgesteld als de nieuwe bewoner van dat pand en zijn zoon en dat die hem een andere keer een fles rosé had cadeau gedaan. Die laatste keer had hij de verdachte en zijn zoon samen uit het appartement op nummer [1] zien komen. [betrokkene 2] verklaarde dat het hem was opgevallen dat er in de woning op nummer [1] licht bleef branden en dat er ramen open stonden. Ook rook hij af en toe een henneplucht in het portiek. De verdachte is in het appartement aangehouden. Het hof is van oordeel dat, het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, vast is komen te staan dat de verdachte het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] huurde en zich ook daadwerkelijk regelmatig in en in de omgeving van dat pand bevond, zodat hij ook afwist van de hennepkwekerij en de daarmee samenhangende elektriciteitsafname ten behoeve van die hennepkwekerij in die woning. Derhalve is het hof van oordeel dat de feiten onder 1, 2 en 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezenverklaard. Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.” 7. Aldus heeft het hof te kennen gegeven dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij het door hem gehuurde appartement aan ene [betrokkene 1] had onderverhuurd, als ongeloofwaardig ter zijde moet worden geschoven. Voorts moet worden geconstateerd dat het hof de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij het appartement aan [betrokkene 1] heeft onderverhuurd, niet voor het bewijs heeft gebruikt. In zoverre is het arrest niet innerlijk tegenstrijdig. 8. Wel kan de vraag worden gesteld in hoeverre de onderdelen van de verklaring van de verdachte waarin aan [betrokkene 1] wordt gerefereerd (“Ik kan nu niet meer aantonen dat [betrokkene 1] bestaat. Ik heb geen gegevens meer van hem”) redengevend kunnen worden geacht voor de bewezenverklaring. In de reeks van elf bewijsmiddelen nemen de twee zinnen echter een uiterst bescheiden plaats in. De bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3 is –als de twee geciteerde zinnen worden weggedacht – zonder meer toereikend gemotiveerd, zodat het middel reeds wegens het ontbreken van voldoende in rechte te respecteren belang niet tot cassatie kan leiden. 9. Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat, ondanks de overschrijding van de inzendingstermijn, geen grond bestaat voor strafvermindering, gelet op de voortvarende behandeling van de procedure in hoger beroep. 10. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.