← Nederland

ECLI:NL:PHR:2015:268

Nr. 13/02346 Zitting: 3 februari 2015 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 15 mei 2012 door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch wegens “Diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet ingevolge art. 590, derde lid, Sv heeft geschorst. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: ‘De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [plaats A], [a-straat 1], is niet verschenen. De voorzitter stelt vast dat zich geen akte van uitreiking van de dagvaarding in het dossier bevindt. Het onderzoek wordt onderbroken om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen na te gaan of de dagvaarding aan de verdachte is betekend. Na hervatting van het onderzoek deelt de advocaat-generaal onder overlegging van de akte van uitreiking mede dat de dagvaarding op 20 april 2012 via de griffie aan het GBA-adres van verdachte is betekend en op diezelfde datum tevens per gewone post aan dat adres is verzonden. De advocaat-generaal verzoekt het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte te verlenen. Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.’ 5. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende stukken:

  1. i)ID-staten SKDB van 19 maart 2012 en 20 april 2012 waaruit blijkt dat sinds 16 mei 2011 het GBA-adres van de verdachte is de [a-straat 1], [plaats A];
  2. ii)een brief van de verdachte d.d. 19 juli 2011 welke is opgevat als een machtiging tot het instellen van hoger beroep en welke onder meer inhoudt ‘Als u mij een brief stuurt, kunt u die dan naar mijn moeder sturen, dan weet ik tenminste zeker dat ik de brief krijg [verdachte] [b-straat 1] [plaats B]’; iii) een akte rechtsmiddel inhoudende dat op 2 augustus 2011 een ambtenaar ter griffie van de rechtbank te Maastricht namens de verdachte beroep heeft ingesteld tegen het vonnis d.d. 16 maart 2011. Op deze akte is met pen bijgeschreven ‘p/a [plaats B] [b-straat 1]’ alsmede ‘kopie van akte naar [verdachte] (p./a.) gestuurd d.d. 2-8-2011’. In deze akte zijn in de zin ‘De verdachte geeft desgevraagd op dat hij/zij wel/niet een afschrift van de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting toegezonden wil hebben naar een ander adres in Nederland dan naar bovengenoemd adres, te weten’ de keuze mogelijkheden opengelaten. Voorts is daar geen alternatief adres opgenomen;
  3. iv)een akte van uitreiking voor de terechtzitting van 1 mei 2012 inhoudende dat na een tevergeefse uitreiking op 21 maart 2012 op het GBA-adres van de verdachte ([a-straat 1], [plaats A]) deze op 30 maart 2012 is teruggezonden naar de afzender en op 20 april 2012 is uitgereikt aan de griffier en op die datum als gewone brief naar het GBA-adres van de verachte is verzonden. 6. De hiervoor onder (
  4. ii)vermelde omstandigheid maakt mijns inziens dat de verdachte bij het instellen van hoger beroep in de onderhavige zaak een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden als bedoeld in art. 588a, eerste lid onder c, Sv. 7. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan uit moet worden gegaan dat dit niet is geschied. De stukken van het geding houden ook niets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Het hof was gelet op het bepaalde in art. 590, derde lid, Sv dan ook gehouden de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te bevelen. 8. Het middel treft doel. 9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.