14/04304 mr. G.R.B. van Peursem 20 maart 2015 (bij vervroeging) Conclusie inzake [de vrouw] (hierna: de vrouw), verzoekster tot cassatie tegen [de man] (hierna: de man), verweerder in cassatie In cassatie gaat deze zaak alleen nog over de partneralimentatie. Het hof heeft volgens de vrouw haar verkapte incidentele grief daarover gemist dat die door de rechtbank veel te laag is vastgesteld. Ik denk dat dat slaagt in dit geval. 1. Feiten en procesverloop 1. Partijen zijn op 31 maart 1994 te Leidschendam gehuwd onder het aangaan van huwelijkse voorwaarden. 2. Partijen hebben thans nog twee minderjarige kinderen: [kind 1] (geboren [geboortedatum] 1997) en [kind 2] (geboren [geboortedatum] 1999). Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen en de kinderen hebben hun gewone verblijfplaats bij de vrouw. 3. In de beschikking van 12 juni 2013 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de kinderalimentatie vastgesteld op € 625,- per maand per kind en de partneralimentatie voor de vrouw op € 560,- per maand. De vrouw had verzocht om een bedrag van € 6.500,- per maand als bijdrage in haar levensonderhoud. De echtscheidingsbeschikking is op 1 juli 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een aanvullende behoefte van de vrouw van netto € 5.300,- per maand en een gemiddeld inkomen van de man van € 15.000,- bruto per maand. Daarbij is rekening gehouden met een ten laste van de man komen post hypotheekrente van € 7.433,- bruto per maand en zijn overige lasten. 5. De man is hiervan op 6 september 2013 in hoger beroep gekomen. De vrouw heeft verweer gevoerd in hoger beroep maar geen expliciet incidenteel appel ingesteld. De man heeft het hof onder meer verzocht de kinder- en partneralimentatie af te wijzen, dan wel als partneralimentatie een lager bedrag dan € 560,- bruto per maand vast te stelen. De vrouw heeft het hoger beroep van de man inhoudelijk bestreden, haar stellingen inzake haar behoefte en de draagkracht van de man uit de eerste aanleg opnieuw aan de orde gesteld en belangrijk nader onderbouwd en uitgebreid en het hof verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn grieven ongegrond te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en de kinder- en partneralimentatie vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht, kosten rechtens. 6. De man heeft bij brieven van 7 oktober 2013 en 28 februari 2014 (ingekomen op 3 maart 2014) nadere producties in het geding gebracht. De laatste brief (van 12 bladzijden met 20 deels omvangrijke producties) bevat in wezen een integrale nadere uiteenzetting over de begroting van de partneralimentatie, in die brief als volgt ingeleid: “Tevens ziet de man aanleiding om zijn stellingen ter zake de partneralimentatie aan te vullen met nieuwe feiten. Hierop wordt later in de brief teruggekomen.” De vrouw heeft bij brief van 4 maart 2014 producties overgelegd ten behoeve van de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 14 maart 2014. Van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Daaruit blijkt dat de vrouw tevergeefs bezwaar heeft gemaakt tegen de laattijdige overlegging door de man van veel nieuwe financiële stukken elf dagen voor de mondelinge behandeling. Ter zitting in hoger beroep is overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie en die overeenstemming is inhoudelijk in de eindbeschikking vastgelegd. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank voor wat de kinderalimentatie betreft vernietigd en deze vastgesteld op de door partijen daarover bereikte overeenstemming (voor het verleden als gedaan, vanaf 1 april 2014 € 550,- per kind per maand). Het hof heeft de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen, voor het overige bekrachtigd onder compensatie van proceskosten en al het meer of anders verzochte in hoger beroep afgewezen. 7. Relevant voor de partneralimentatievaststelling door het hof is dat in rov. 15 wordt geconstateerd dat de vrouw geen incidenteel appel heeft ingesteld ter zake van haar aanvullende behoefte, zodat het hof zich bij het door de rechtbank daarvoor vastgestelde bedrag aansluit. Voor de draagkracht van de man heeft de vrouw in hoger beroep gesteld dat uitgegaan moet worden van tenminste een bruto jaarinkomen van de man van € 215.083,-, de man had bepleit € 1 ton. In rov. 16 stelt het hof het jaarinkomen van de man daartoe vast op € 130.211,- bruto per jaar op grond van zijn concept IB-aangifte 2012 (prod. 41 bij genoemde brief van 28 februari 2014). In rov. 17-19 stelt het hof vast dat de voormalige echtelijke woning inmiddels was verkocht en somt het de in aanmerking te nemen lasten van de man op, met inbegrip van de kinderalimentatie. Voor de behoefte van de man gaat het hof uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, rekening houdend met de gebruikelijke kortingen en belastingen. 8. De vrouw heeft bij verzoekschrift van 21 augustus 2014 cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 21 mei 2014. De man heeft verweer gevoerd in cassatie. 2. Bespreking van het cassatiemiddel 9. Het cassatieberoep bestaat uit twee onderdelen, waarvan het eerste subonderdelen bevat. Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 20 van de eindbeschikking: “Het hof gaat uit van een bijstandsnorm voor een alleenstaande. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting en de gebruikelijke belastingen, komt het hof tot de conclusie dat de draagkracht van de man het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan partneralimentatie, te weten € 560,-- per maand, toelaat met ingang van 1 juli 2013. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.” Het onderdeel klaagt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in appel hier te beperkt trekt door te oordelen dat de draagkracht van de man de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie van € 560,- toelaat. Daarmee heeft het hof niet onderzocht of de draagkracht van de man een hogere partneralimentatie toelaat. Het hof meende kennelijk dat dat laatste niet tot de rechtsstrijd in hoger beroep behoorde. Daarmee is het verkapt incidenteel appel van de vrouw miskend in dit geval (subonderdeel 1.1), of zijn daar te hoge eisen aan gesteld (subonderdeel 1.2.1), of is sprake van een motiveringsgebrek ter zake (subonderdeel 1.2.2), of is gelet op het partijdebat sprake van een verrassingsbeslissing van het hof door deze rechtsstrijd zo beperkt op te vatten, wat strijd met de goede procesorde oplevert (subonderdeel 1.3). Wat minder kort samengevat: Subonderdeel 1.1 bevat de rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat een incidenteel appel impliciet in een verweerschrift in appel besloten kan liggen. Ten onrechte heeft het hof zich niet afgevraagd of ondanks dat het verweerschrift in hoger beroep niet expliciet aangeeft dat incidenteel wordt geappelleerd, door de vrouw stellingen zijn betrokken waaraan zij de conclusie verbindt dat de appelrechter tot een ander oordeel moet komen dan de rechtbank over de partneralimentatie. In haar verweerschrift onder 4 verzoekt zij het hof de grieven van de man ongegrond te verklaren/af te wijzen “en voorts te bepalen dat de hoogte van de kinder- en partneralimentatie wordt vastgesteld op een bedrag dat het hof juist acht aan de hand van de door de vrouw onderbouwde stellingen.” Het subonderdeel wijst op de volgende stellingen van de vrouw dienaangaande: verweerschrift onder 7: vanwege de devolutieve werking van het appel moet het hof een volledige heroverweging maken van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man met verdiscontering van alle feiten en omstandigheden tot en met heden; verweerschrift onder 20 en 21: het door de rechtbank vastgestelde gemiddelde maandelijkse inkomen van de man van € 15.000,- is nog te laag; zijn werkelijke inkomen in de periode 2009-2012 is door een commissariaat en levensloopregelingsuitkering op € 215.038,- te stellen (€ 17.920,- per maand) en als je rekening houdt met het in de reserves van de holding van de man overgespaarde inkomen kom je zelfs op een bruto jaarinkomen van € 326.371,-; verweerschrift 48: de grief van de man tegen zijn bruto inkomensvaststelling en draagkracht is ongegrond (verweerschrift 18-47), zodat dit inkomen en die draagkracht opnieuw moeten worden vastgesteld, wat ertoe leidt (verweerschrift onder 48) dat de man aan partneralimentatie € 6.176,- of € 6273,- kan betalen (afhankelijk van de toe te passen alimentatienorm en ervan uitgaande dat de voormalige echtelijke woning bij het geven van de beschikking zal zijn verkocht, onderbouwd met vier draagkrachtberekeningen in prods. 4-7 bij verweerschrift). De vrouw verzocht daarop (verweerschrift onder 49) het hof voor de partneralimentatie een trapsbeschikking te geven voor alimentatie voor en na verkoop van de woning (met een hypotheeklast van € 7.433,- bruto per maand). Subonderdeel 1.2.1 formuleert als tweede rechtsklacht dat wanneer dit niet is miskend, het hof te hoge eisen heeft gesteld aan het formulieren van een verkapte incidentele grief als deze. Waar voor beide partijen van belang is dat de partneralimentatievaststelling stoelt op een juiste en volledige waardering van alle feiten en omstandigheden ten tijde van de uitspraak, kunnen aan de formulering van de grieven geen hoge eisen worden gesteld, zeker wanneer de wederpartij heeft begrepen/behoren te begrijpen welke bezwaren tegen de eerste aanleguitspraak worden gebracht. Het subonderdeel verwijst daarvoor naar de pleitaantekeningen zijdens de man in hoger beroep onder 3: “(…) de vrouw (wil) op alle punten het onderste uit de kan (…)” en “(…) zij wil een hogere alimentatie (…)” en op de omstandigheid dat de man bij pleidooi heeft aangegeven dat de woning inmiddels was verkocht met een restschuld, waar bij zijn draagkrachtbepaling rekening mee moet worden gehouden (pleitaantekeningen onder 5 en 6 en prod. 38 van de man, een draagkrachtberekening zonder de bijzonder forse maandelijkse hypotheekrentelast). Volgens het onderdeel is de rechtsstrijd ook zo aanvaard door de man, nu hij bij pleidooi in appel dit aanvoert (pleitaantekeningen onder 7): “Om proceseconomische redenen dient de gewijzigde omstandigheid van de verkoop van de woning (…) aan uw Hof te worden voorgelegd in plaats van het starten van een aparte wijzigingsprocedure bij de rechtbank. Partijen hebben al zo veel en zo uitvoerig geprocedeerd dat de man thans tot afsluiting wenst te komen en ook op korte termijn duidelijkheid wenst terzake de aspecten die partijen verdeeld houden, waaronder de alimentatie.” Subonderdeel 1.2.2 vervolgt met de motiveringsklacht dat gelet op de stellingen van de vrouw (hiervoor weergegeven bij subonderdeel 1.1
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.