Nr. 11/01602 E Zitting: 10 maart 2015 Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 21 maart 2011 de verdachte ter zake van 2. “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het vals of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, (oud) van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”, 4 primair “medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud), opzettelijk begaan, meermalen gepleegd” en 5 primair “medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (oud), opzettelijk begaan, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, volgens in het arrest nader bepaalde maatstaf. Verder heeft het Hof een geldbedrag van € 17.697,43 verbeurd verklaard. 2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (12/01191 E) waarin ik vandaag eveneens concludeer. 3. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur zeven middelen van cassatie voorgesteld. 4. Het eerste en tweede middel klagen dat ter zake van de feiten 4 primair en 5 primair het recht tot strafvervolging wegens verjaring is komen te vervallen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 5. Ten laste van de verdachte is onder 4 primair en 5 primair bewezenverklaard dat: “-feit 4 primair- zij in de periode van december 2000 tot en met 16 augustus 2001 te Hilversum en op andere plaatsen in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar in Nederland diensten heeft aangeboden aan en verricht voor natuurlijke personen, te weten: -[betrokkene 1] en -[betrokkene 2] immers hebben zij, verdachte, en haar mededaders opzettelijk telkens - bovengenoemde personen een beleggingsconstructie, zijnde het hypotheek reductieplan, aangeboden en - een overeenkomst gesloten, waarbij werd overeengekomen dat voornoemde personen een bepaald geldbedrag van minimaal fl. 10.000,00 moesten inleggen, waarmee verdachte en/of haar mededaders zouden beleggen en met deze inleg effecten zouden kopen en zouden verkopen. -feit 5 primair- zij in de periode van 1 december 2000 tot en met 16 augustus 2001 te Hilversum en op andere plaatsen in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden van het publiek heeft aangetrokken verkregen en ter beschikking heeft gehad.” 6. Feit 4 primair was ten tijde van het tenlastegelegde strafbaar gesteld bij artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995), dat als volgt luidde: “Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten.” 7. Feit 5 primair was ten tijde van het tenlastegelegde strafbaar gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen (Wtk 1992), dat als volgt luidde: “Het is een ieder verboden bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden. “ 8. De relevante bepalingen uit de Wet op de Economische Delicten (WED) luidden ten tijde van het ten laste gelegde als volgt: - artikel 1 “ Economische delicten zijn: (…) 2° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de artikelen 3, eerste lid, 4, tweede lid, 5, eerste en derde lid, 6, tweede lid, 7, eerste, derde en zevende lid, 10, tweede lid, 11, eerste en vijfde lid, 11a, derde, vierde en zesde lid, 12, tweede en vierde lid, 13, zesde en achtste lid, 16, eerste, achtste, negende, elfde, twaalfde en dertiende lid, 17, eerste en tweede lid, 18, tweede lid, 19, tweede lid, 22, eerste, derde en vijfde lid, 24, eerste en derde lid, 25, tweede lid, 26a, eerste, vijfde en zesde lid, 27, derde lid, 28, derde lid, 29, vijfde lid, 31, eerste en tweede lid, 36, tweede en derde lid, 37, tweede lid, 45, vierde lid, 46a, eerste lid, 46b, eerste, derde en vijfde lid, eerste volzin, en 46d; de Wet toezicht kredietwezen 1992, de artikelen 6, 14, 15, vierde en vijfde lid, 16, eerste, zevende en achtste lid, 19, eerste lid, 23, eerste, vierde en vijfde lid, 24, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, vierde en vijfde lid, 31, eerste lid, onder a en eerste lid, onder b, 32, eerste lid, onder a, en eerste lid, onder b, 36, 38, 43, 55, vierde, zesde en zevende lid, 56, eerste en tweede lid, 56a, 58, tweede lid, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 64, tweede lid, 66, tweede en derde lid, 66a, tweede lid, 69, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste en vierde lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede en vierde lid en 85; “ - artikel 2 “ 1. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen. “ - artikel 6 “ Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft: 1° in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie; 2° in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie; “ 9. De verjaringsregeling is neergelegd in de artikelen 70 t/m 72 Sr, welke bepalingen ingevolge artikel 91 Sr ook gelden voor de in de Wte 1995, Wtk 1992 en WED strafbaar gestelde feiten en – voor zover relevant – als volgt luiden: - artikel 70 “ 1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring: (…) 2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld; “ - artikel 71 “De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (…) “ - artikel 72 “ (…) 2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. “ 10. Het Hof heeft de – met twee jaar gevangenisstraf bedreigde – misdrijfvarianten (“opzettelijk begaan”) van het onder 4 primair en 5 primair tenlastegelegde bewezenverklaard. Sinds de Wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 595 (i.w.tr. 1 januari 2006) beloopt de verjaringstermijn in een dergelijk geval op grond van artikel 70, eerste lid aanhef en onder 2, Sr in verbinding met artikel 72, tweede lid, Sr ten hoogste twee maal zes jaren (twaalf jaren). Nu de onderhavige misdrijven volgens de bewezenverklaring zijn begaan in de periode van 1 december 2000 tot en met 16 augustus 2001, is sprake van een geval waarin de feiten zijn gepleegd vóór inwerkingtreding van voornoemde wet en de absolute termijn van verjaring daarvoor is aangevangen. De vraag of artikel 72, tweede lid, Sr in een dergelijk geval mag worden toegepast, is door de wetgever niet onder ogen gezien. Evenwel verzet noch de overgangsregeling noch de tekst van de wet of de wetsgeschiedenis zich hiertegen. Het uitgangspunt van de Hoge Raad is dat een verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring – waaronder de regeling van artikel 72 Sr valt – direct van toepassing is. Dat de toepassing van artikel 72, tweede lid, Sr op een geval als het onderhavige mogelijk is en niet altijd nadelig voor de verdachte hoeft uit te pakken, volgt reeds uit HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2535. 11. De onder 4 primair en 5 primair bewezenverklaarde feiten zijn begaan in de periode van 1 december 2000 tot en met 16 augustus 2001. De verjaringstermijn is ingevolge artikel 71 Sr aangevangen op 17 augustus 2001 en beliep op grond van artikel 70, eerste lid aanhef en onder 2, Sr in verbinding met artikel 72, tweede lid, Sr maximaal twaalf jaar. Het recht tot strafvervolging is derhalve voor beide feiten wegens verjaring vervallen. 12. Het eerste en tweede middel zijn terecht voorgesteld. 13. Het derde middel dat klaagt dat het Hof in strijd met artikel 341, eerste lid, Sv een verklaring voor het bewijs heeft gebezigd die een ontoelaatbare conclusie en/of gissing inhoudt, is kansloos. De in de toelichting op het middel genoemde zinsnede behelst een opgave van hetgeen door verdachte zelf is gezien (dat de haar getoonde salarisstroken niet juist zijn), zijnde een waarneming die voldoet aan het ‘eigen wetenschap’-criterium dat in artikel 341 Sv is verwoord. Mede gelet op de overige passages van de verklaring alsmede de context waarin deze moeten worden geplaatst, moet bovendien de mededeling dat zij zich niet herinnert ƒ 5.000 verdiend te hebben worden begrepen als de opgave van een ‘negatief feit’. 14. Het vierde middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastelegde in strijd met artikel 341, vierde lid, Sv uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van verdachte. Het vijfde middel klaagt dat in verband met het onder 2 bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de voor de aanvraag van een hypotheek gebruikte werkgeversverklaring valselijk is opgemaakt. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 15. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat: “ zij in de periode van 1 april 2000 tot en met 1 juli 2000 te Laren, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring en loonopgave, te weten: een werkgeversverklaring van [A] Ltd. d.d. 17 april 2000 en loonopgaven van [A] Ltd. betreffende verdachte over de maanden maart 2000 en mei 2000 zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in strijd met de waarheid in die werkgeversverklaringen staat vermeld dat zij, verdachte, werkzaam was bij [A] Ltd. tegen een bruto jaarsalaris van fl. 131.565,00 en in die loonopgaven staat vermeld dat zij, verdachte, een bruto maandsalaris ontvangt van respectievelijk fl. 7.836,88 en fl. 8.057,62, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte, en haar mededader die werkgeversverklaring en loonopgaven heeft versterkt aan de Rabobank te Laren ten behoeve van het aanvragen en/of verkrijgen van een hypotheekofferte en/of een hypothecaire lening. “ 16. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: i. een proces-verbaal inhoudende de namens Rabobank Laren-Blaricum gedane aangifte (bewijsmiddel 6); ii. een geschrift zijnde een werkgeversverklaring van 17 april 2000 (bewijsmiddel 7); iii. een geschrift zijnde een salarisspecificatie over de periode maart 2000 (bewijsmiddel 8); iv. een geschrift zijnde een salarisspecificatie over de periode mei 2000 (bewijsmiddel 9); v. een proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] (bewijsmiddel 10). 17. Anders dan het vierde middel stelt, heeft het Hof het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan geenszins uitsluitend aangenomen op de verklaring van verdachte, maar daartoe tevens de bewijsmiddelen 6 tot en met 9 gebruikt. Deze bewijsmiddelen geven voldoende steun aan de verklaring van verdachte. Voor zover het middel nog de klacht behelst dat het Hof artikel 341, vierde lid, Sv heeft geschonden doordat de valsheid van de werkgeversverklaring (opgenomen onder bewijsmiddel 7) en loonopgaven (opgenomen onder bewijsmiddelen 8 en 9) van [A] Ltd. enkel uit de verklaring van verdachte (bewijsmiddel 10) volgt, gaat de steller van het middel eraan voorbij dat het vaste rechtspraak is dat dit voorschrift – gelijk het voorschrift van artikel 342, tweede lid, Sv – betrekking heeft op de tenlastelegging in zijn geheel en dat onderdelen van de tenlastelegging op slechts één bewijsmiddel gebaseerd mogen worden. 18. Ook het vijfde middel keert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van de valsheid van de werkgeversverklaring van [A] Ltd. d.d. 17 april 2000. Volgens de toelichting kan uit de verklaring van verdachte dat zij zich niet kan herinneren of zij in de maanden maart tot en met mei 2000 NLG 5000 netto per maand heeft verdiend niet ‘automatisch blijken’ dat daarmee de werkgeversverklaring vals was. Bepalend is wat in de overige maanden van het jaar is verdiend en daarover blijkt niets uit de bewijsmiddelen. 19. De steller van het middel heeft te weinig oog voor de samenhang tussen de bewijsmiddelen. Verdachte heeft verklaard tot de zomer van 2000 een à twee uurtjes per dag gewerkt te hebben voor [A]/[B]. De werkgeversverklaring is gedateerd 17 april 2000. In de gebezigde bewijsmiddelen ligt besloten dat verdachte in periode maart 2000 niet een salaris van 7.989,38 heeft verdiend en in de periode mei 2000 niet een salaris heeft verdiend van 8.057,62. Voorts heeft verdachte verklaard dat haar moeder – medeverdachte [medeverdachte] – geen hypotheek kon krijgen, en dat daarom is gekozen voor deze ‘constructie’. Bovendien heeft het Hof ook een proces-verbaal inhoudende de verklaring van getuige [getuige] tot het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 5), waarin deze verklaart dat er bij [B] valse werkgeversverklaringen werden opgemaakt voor het verkrijgen van hypotheken. Hieruit heeft het Hof kunnen afleiden dat in de werkgeversverklaring van [A] Ltd. in strijd met de waarheid is vermeld dat verdachte werkzaam was bij [A] Ltd. tegen een bruto jaarsalaris van ƒ 131.565,-- en dat deze verklaring valselijk is opgemaakt. De bewezenverklaring is dus naar de eis der wet met redenen omkleed. 20. Het vierde en vijfde middel zijn tevergeefs voorgesteld. 21. Het zesde middel richt zich tegen de kwalificatiebeslissing van hetgeen onder 2 ten laste van de verdachte bewezen is verklaard. 22. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder 2 ten laste gelegd dat: “ feit 2- zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2000 tot en met 1 juli 2000 te Hilversum en/of te Laren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (onder meer): - een werkgeversverklaring van [A] Ltd. d.d. 17 april 2000 en/of - een of meer loonopgaven van [A] Ltd. betreffende verdachte over (onder meer) de maand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.