Nr. 14/00996 Zitting: 10 maart 2015 (bij vervroeging) Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte]
(2)een kentekenbewijs van een Opel Corsa op naam van [betrokkene 8] (proces-verbaalnummer 2009365020-326, documentcode 1001261205.AMB, p. 58-59 zaakdossier Almere en proces-verbaalnummer 1003230925.AMB, p. 143-144, zaakdossier Almere). Het hof ziet in het aantreffen van deze stukken een belangrijke, objectieve ondersteuning voor de hierboven weergegeven inhoud van de verklaring van de aangever [slachtoffer 2] alsmede van de getuige [betrokkene 8]. Tijdens een latere doorzoeking diezelfde dag werd op voornoemd adres tevens een paspoort van de medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen en medicatie op diens naam (proces-verbaalnummer 1002050930.AMB, p. 62-63, zaakdossier Almere). De aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard ook eenmaal een nacht in deze woning te hebben moeten verblijven, nadat hij daar door de verdachte en de medeverdachten [betrokkene 4] en [medeverdachte] naartoe was gebracht. De woning was van een man die door de verdachten 'oom' werd genoemd, aldus [slachtoffer 2] (proces-verbaal van verhoor d.d. 18 februari 2010, proces-verbaalnummer 2009365020, documentcode l001181230.AO7, p. 112-121, in het bijzonder p. 116). Deze verklaring van de aangever wordt deels ondersteund door de verklaring van de bewoner zelf, zijnde de getuige/verdachte [getuige 2] (proces-verbaalnummer 2009365020, documentcode 1002231230.G71, p. 159-167 zaakdossier Almere). Hij heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte] een sleutel van zijn woning heeft en hij heeft bevestigd dat hij door [medeverdachte] en de verdachte 'oom' wordt genoemd. Op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien, waaruit naar het oordeel van het hof blijkt dat voor de juistheid van de verklaringen van de aangever [slachtoffer 2] in het dossier objectieve aanknopingspunten zijn te vinden en dat de door hem afgelegde verklaringen niet op zichzelf staan maar voldoende steun vinden in andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zodat tevens is voldaan aan het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven bewijsminimum, acht het hof de verklaringen van de aangever [slachtoffer 2] voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Anders dan de raadsman betoogt acht het hof het op basis van vorenstaande overwegingen ook niet ongeloofwaardig dat [slachtoffer 2], zoals door hem is verklaard, is misbruikt. De verweren van de verdediging dienen in zoverre te worden verworpen. Ten aanzien van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de psychiatrische ziekten waaraan de aangever [slachtoffer 2] en de getuige [betrokkene 8] zouden lijden en hun drugsgebruik, de consequenties die dat voor de beoordeling van de geloofwaardigheid dan wel de betrouwbaarheid van hun verklaringen zou moeten hebben en het door de verdediging voorwaardelijk gedane verzoek, overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat als gevolg van die stoornissen en/of het gebruik van drugs per definitie geen geloofwaardige of betrouwbare verklaring kan worden afgelegd. Nog daargelaten dat het dossier geen objectieve informatie bevat waaruit blijkt dat de aangever [slachtoffer 2] en de getuige [betrokkene 8] daadwerkelijk zijn gediagnosticeerd als lijdende aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) respectievelijk schizofrenie en de aangever [slachtoffer 2] ter terechtzitting in hoger beroep op 29 mei 2013 heeft verklaard dat hij ten tijde van het ten laste gelegde niet meer verslaafd was, heeft de raadsman niet aangegeven waar die ongeloofwaardigheid dan wel onbetrouwbaarheid in dit concrete geval als gevolg van de door hem genoemde stoornissen dan wel het drugsgebruik uit zou bestaan. Derhalve is het verzoek tot het horen van de verzochte getuige en deskundigen en van de aangever [slachtoffer 2] zelf naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet en nauwkeurig onderbouwd. Het hof ziet, gelet hierop, dan ook geen noodzaak tot het horen van de door de verdediging verzochte getuige en deskundigen en wijst het verzoek af. Ten aanzien van hetgeen de raadsman voorts heeft aangevoerd wordt verwezen naar de nadere bewijsoverweging hierna.” 7Het eerste middelvalt in twee klachten uiteen.
- Allereerst wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat verzoeker zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in art. 282 Sr.
- Voor wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet nodig dat fysieke verplaatsing absoluut onmogelijk is. Ook als bijvoorbeeld de dader bij het slachtoffer opzettelijk de indruk heeft gevestigd dat het onmiddellijk zou worden neergeschoten indien het slachtoffer zou proberen zich te verwijderen is er een dwang om te blijven en daarmee een vrijheidsberoving in de zin van art. 282art. 282 Sr.[4]
- Anders dan de steller van het middel meent, blijkt uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen dat op verschillende momenten in de bewezenverklaarde periode de aangever [slachtoffer 2] onder werking van de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden is gedwongen om met verzoeker en diens medeverdachten mee te gaan en (tweemaal) in een situatie kwam te verkeren waarin hij zich redelijkerwijs niet kon onttrekken. Hij werd vastgepakt en in een auto geduwd. Er is op verschillende momenten gedreigd met geweld. Er werd een vuurwapen getoond en daarbij gezegd dat hij geen gekke dingen moest doen. De aangever kon op diverse momenten niet gaan en staan waar hij wilde. Daar zorgden “twee kleerkasten” wel voor. Voorts is er daadwerkelijk geweld toegepast. Zo werd de aangever door een van hen beetgepakt en in een soort armklem gezet, toen hij trachtte weg te komen. Voorts is de vriendin van de aangever door verzoeker opgehaald en zijn er deuren op slot gedraaid.
- Het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval meermalen sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in art. 282 Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
- De tweede klacht van het eerste middel luidt dat het Hof samenloop van wederrechtelijke vrijheidsberovingen heeft aangenomen, maar in het midden heeft gelaten welke uit de bewijsmiddelen af te leiden situaties naar zijn oordeel precies als overtreding van art. 282 Sr zijn te kwalificeren, zodat het arrest op dit punt onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
- Dit onderdeel faalt mijns inziens reeds omdat het recht, voor zover mij bekend, enkel als eis stelt dat bij samenloop van misdrijven, meer in het bijzonder op de voet van art. 57 Sr, uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het misdrijf meermalen is gepleegd. Alleen bij overtredingen dient het aantal overtredingen te worden vastgesteld. Uit de bewijsconstructie van het Hof blijkt overduidelijk dat de aangever op tenminste twee uiteenlopende momenten (op twee verschillende dagen) slachtoffer is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving door verzoeker en zijn medeverdachten.
- Het eerste middel faalt in beide onderdelen. 15 Het tweede middel valt uiteen in drie klachten.
- De eerste klacht houdt in dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [betrokkene 8] over het zoekraken van de autopapieren, de autosleutel en het rijbewijs gissingen, vermoedens of veronderstellingen behelzen.
- Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij er achter kwam dat het rijbewijs en het kentekenbewijs van [betrokkene 5] waren gestolen, waarschijnlijk door verzoeker en [betrokkene 4]. [betrokkene 5] heeft verklaard dat het bijna niet anders kan dan dat “die jongens” de autopapieren hebben meegenomen, en dat bij de autopapieren ook een autosleutel zat en dat zij haar rijbewijs kwijt is. Bij een doorzoeking in een woning waar ook verzoeker en zijn medeverdachte [medeverdachte] over de vloer kwamen is het kentekenbewijs van [betrokkene 8] aangetroffen.
- Het Hof heeft de, allerminst op lucht gebaseerde, vermoedens van beide aangevers kennelijk tot de zijne gemaakt. De gissing, het vermoeden of de veronderstelling is een conclusie geworden die het Hof op basis van de feiten en omstandigheden heeft kunnen trekken. Overigens ontgaat mij welk belang deze klacht tot uitdrukking bedoelt te brengen.
- De tweede deelklacht van het tweede middel klaagt dat art. 342, tweede lid, Sv is geschonden omdat de aangifte van [slachtoffer 2] onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen op de door de verdediging betwiste onderdelen.
- Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen. De verklaringen van de aangever [slachtoffer 2] vinden voldoende steun in het overige bewijsmateriaal. Ik wijs in de eerste plaats op de verklaringen van onderscheidenlijk [betrokkene 5], [getuige 1] en [getuige 2]. Voorts houden de verklaringen van [slachtoffer 2] en ook die van [betrokkene 8] een aantal objectief controleerbare onderdelen in. Ik noem de beschrijving van de huizen door [slachtoffer 2] en de verklaring van [betrokkene 8] dat zij aangifte heeft gedaan van vermissing van haar rijbewijs. Deze objectief en controleerbare elementen zijn in de (eveneens voor het bewijs gebruikte) relazen van verbalisanten onderzocht en waarheidsgetrouw bevonden (bewijsmiddelen 3, 5 en 8), hetgeen voorts niet onbegrijpelijk heeft bijgedragen aan het oordeel van het Hof dat de door de aangever en [betrokkene 8] op die onderdelen afgelegde verklaringen als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.
- De derde klacht van het tweede middel klaagt dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige 1] (bewijsmiddel 6) zozeer van elkaar afwijken nu in de verklaring van [getuige 1] de aanwezigheid van “twee kleerkasten” ontbreekt, dat ’s Hofs oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] toereikend wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] onbegrijpelijk is.
- Ik meen dat bedoeld oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is, en dat in het licht van het voorgaande deze klacht geen nadere bespreking behoeft.
- Het tweede middel faalt in alle onderdelen.
- Het derde middel klaagt dat het Hof ongemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 2] vanwege ongeloofwaardigheid, althans onbetrouwbaarheid, van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten.
- Naar blijkt uit hetgeen hierboven onder 6 is weergegeven, heeft het Hof voldoende gereageerd op dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Daarbij hoefde het Hof niet op alle details in te gaan. Aldus heeft het Hof voldaan aan het bepaalde in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Van schending van art. 6 EVRM zoals door de steller van het middel is aangevoerd, is geen sprake.
- Het vierde middel klaagt over ’s Hofs afwijzing om deskundigen te benoemen en om de case manager, de psychiater van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 2] zelf te horen.
- Het Hof heeft de (voorwaardelijke) verzoeken afgewezen op de gronden zoals hiervoor onder 6 weergegeven.
- In het aan de afwijzing ten grondslag gelegde oordeel van het Hof ligt besloten dat het Hof geen noodzaak heeft gezien een neuroloog, een psychiater en een psycholoog te benoemen die (mede) op basis van het dossier kunnen verklaren over de volgens de verdediging “geconstateerde ziektes” van [slachtoffer 2] en [betrokkene 8]. Met betrekking daartoe heeft het Hof geoordeeld dat de raadsman zijn verzoeken onvoldoende concreet en nauwkeurig heeft onderbouwd waardoor het Hof van enige noodzaak om deze personen te horen en, naar ik begrijp, deskundigen te benoemen, niet is gebleken. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Overigens merk ik op dat [slachtoffer 2], nog voordat het (voorwaardelijke) verzoek als bedoeld was gedaan, ter terechtzitting van het Hof op 29 mei 2013 als getuige een verklaring heeft afgelegd in aanwezigheid van verzoeker en zijn raadsman.
- Voor zover het middel de klacht bevat dat het Hof ter zake is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid, mist het doel.
- Het vierde middel faalt eveneens. Het vijfde middel
- Het vijfde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Dit middel slaagt nu er tussen het instellen van cassatie op 19 februari 2014 en het binnenkomen van het dossier ter griffie van de Hoge Raad op 20 oktober 2014 acht maanden en een dag zijn verlopen. Door een voortvarende behandeling van de zaak kan schending van deze inzendtermijn worden gecompenseerd, indien Uw Raad binnen zestien maanden nadat het beroep in cassatie is ingesteld (dus uiterlijk 19 juni 2015) uitspraak doet. Met het oog op de samenhangende zaak, waarin de verzoeker nog voorlopig is gehecht en de desbetreffende termijnen in cassatie dus korter zijn, wordt (ook) de onderhavige conclusie bij vervroeging genomen.
- Het eerste tot en met het vierde middel falen en kunnen naar mijn inzicht alle worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt maar zal ingeval van een voortvarende behandeling in cassatie niet hoeven te leiden tot vermindering van de opgelegde straf.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Aldus Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 bij art. 282 Sr (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt tot 2 april 2013). Zie ook HR 15 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8416, NJ 1990/668 m.nt. Van Veen en HR 15 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4746, NJ 2009/
- Zie voorts: Tekst & Commentaar Strafrecht 2014, aant. 8b bij art. 282 Sr (bewerkt door P.P.J. van der Meij). Daarmee zeg ik niet dat bij voortduring sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving; zie de tweede klacht van het middel. Vgl. aant. 2 bij art. 57 en aant. 2 bij art. 62 in Tekst & Commentaar, Strafrecht 2014 (bewerkt door C.M. Pelser). Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. Vgl. de aan het Hof overgelegde en de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 januari 2014 gehechte pleitnotitie, punt 50, p. 14.