Nr. 13/03899P Zitting: 10 februari 2015 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 maart 2013 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 197.101,09 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. 2. Namens de betrokkene heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. 3. Alvorens de middelen te bespreken geef ik, voor zover van belang, een aantal van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en de daarop gebaseerde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel weer. 4. Het Hof heeft de schatting en de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op onder meer de volgende, in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen: “Bouwdepot [betrokkene 1]/[betrokkene 2]: (…) 3. Een kopieconform schriftelijk stuk, te weten een verzoek om uitbetaling uit depot m.b.t. [a-straat] 44 te Lelystad bij de Westland Utrecht d.d. 13 december 2004, ondertekend met de naam [betrokkene 1], voor het bedrag € 47.992,-- (pagina 2079 van het onderzoek "Dinar"). 4. Een kopieconform schriftelijk stuk, te weten een factuur van [A] d.d. 2 december 2004 gericht aan het adres [a-straat] 44 te Lelystad en voor gezien getekend met de naam [betrokkene 1] (pagina 2080 van het onderzoek "Dinar"), onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -: [A] Behandeld door: [getuige 1]… TOTAAL € 47.992,00 11. Een kopieconform schriftelijk stuk, te weten een aangifte van [betrokkene 3], Onderzoeker Bancaire Criminaliteit van de ING bank d.d. 29 januari 2007 (pagina 1990-1994 van het onderzoek "Dinar"), inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van aangever [betrokkene 3]: De uitbetalingen uit het bouwdepot van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn als volgt gedaan: (…) - Op 22-12-2004 is € 47.992,00 overgemaakt op rekening [001] ten name van [A]. (…) 15. Een kopieconform in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 13 februari 2007 (pagina 2150-2155 van het onderzoek "Dinar"), inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 1], afgelegd op 13 februari 2007: Ik ben eigenaar van [A] geweest van 1989 tot vorig jaar juni 2006. U toont mij een kopie factuur d.d. 2 december 2004 van € 47.992,00 mbt diverse werkzaamheden aan pand [a-straat] 44 te Lelystad. Dit bedrag is het bedrag dat ik als voorschot van [betrokkene] heb ontvangen. Ik had openstaande rekeningen van [betrokkene]. Ik heb het voorschotbedrag verrekend met de openstaande facturen. Het bedrag dat ik als voorschotbedrag van [betrokkene] heb ontvangen was niet afkomstig van [betrokkene] maar van een of andere bank. Bouwdepot [B] en [betrokkene 4]/[betrokkene 5]: 16. Een kopieconform schriftelijk stuk, te weten een declaratielijst (ver)bouwdepot m.b.t. [betrokkene 6] bij [C] B.V. d.d. 15 juli 2006, ondertekend met de naam [betrokkene 6], voor het bedrag € 47.992,-- (pagina 2290 van het onderzoek "Dinar"). 17. Een kopieconform schriftelijk stuk, te weten een factuur van [A] d.d. 15 juli 2006 gericht aan [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en voor akkoord getekend met de naam [betrokkene 6] (pagina 2243 van het onderzoek "Dinar"), onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -: [A] Behandeld door: [getuige 1]… TOTAAL € 47.992,00 18. Een kopieconform in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 november 2006 (pagina 2254-2256 van het onderzoek "Dinar"), inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van aangeefster [betrokkene 8] namens Bank of Scotland, afgelegd op 21 november 2006: In 2006 is aan ons administratiekantoor [C] te Amersfoort een verzoek tot uitbetaling bouwdepot binnengekomen. Dit zou zijn gebeurd in opdracht van [betrokkene 6]. De Bank of Scotland heeft hiertoe een nota ontvangen die afkomstig zou zijn van [A]. Derhalve is de bank tot uitkeren overgegaan. 19. Een kopieconform in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 december 2006 (pagina 2236 - 2240 van het onderzoek "Dinar"), inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 1], afgelegd op 5 december 2006: Ik ben eigenaar geweest van het bedrijf [A] te Lelystad. [betrokkene] was toen een klant van mij. Rond 15 augustus 2006 vertelde [betrokkene] dat er geld op mijn rekening werd gestort. [betrokkene] vertelde mij dat ik het geld onmiddellijk moest doorstorten. Het geld, een bedrag van 47.992,00 euro moest ik doorstorten naar rekeningnummer [002] ten name van [betrokkene 9]. Ik zei tegen [betrokkene] dat ik het geld met aftrek van de nog openstaande facturen naar deze rekening zou overmaken. Op 16 augustus 2006 zag ik dat er een bedrag van 47.992,00 euro was gestort op mijn rekening door de Bank of Scotland. Op 17 augustus 2006 heb ik het geld in het bijzijn van [betrokkene] overgemaakt. Ik had een bedrag van 44.800,00 euro overgemaakt. 20. Een kopieconform schriftelijk stuk, te weten een bankafschrift Girorekening Postbank t.n.v. [getuige 1] d.d. 11 september 2006 (pagina 2266 van het onderzoek "Dinar"), onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -: Girorekening [003] 16 AUG SPOEDOPDRACHT BANK OF SCOTLAND BIJ €47.992,00 [B] 15-07-2006 (…) 17 AUG [002] [betrokkene 9] SPOEDOPDRACHT AF €44.800,00 21. Een kopieconform in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 6 mei 2007 (pagina 2401-2406 van het onderzoek "Dinar"), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 9], afgelegd op 6 mei 2007: [betrokkene] heeft mij gezegd dat er een groot bedrag van [betrokkene 10] op mijn bankrekening zou worden gestort. [betrokkene] heeft rond de overboeking van de 44.800 euro mijn pas en pincode gekregen.” 5. Voorts heeft het Hof ter zake overwogen: “De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 12 februari 2013 (parketnummer 24-000265-09) (onder meer) ter zake van medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd en oplichting veroordeeld tot straf. Deze feiten houden - kort samengevat - in dat ten behoeve van veroordeelde drie bouwdepots respectievelijk op naam van het echtpaar [betrokkene 1] - [betrokkene 2], [betrokkene 6] en het echtpaar [betrokkene 4] - [betrokkene 5], leeggehaald zijn. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 197.101,09 (honderdzevenennegentigduizend honderdéén euro en negen cent). Het hof komt als volgt tot deze schatting: Voordeelberekening: Op grond van het dossier stelt het hof het volgende vast: Wederrechtelijk verkregen voordeel bouwdepot [betrokkene 1]/[betrokkene 2] Door middel van valselijk opgemaakte facturen van diverse bedrijven is een bedrag van in totaal € 78.009,09 uit het bouwdepot op naam van [betrokkene 1]/[betrokkene 2] uitbetaald. Het betrof de navolgende valse facturen: (…) Factuur [A] d.d. 22 december 2004 € 47.992,-- (…) Het bedrag van € 47.992,- is uit het bouwdepot gestort op de rekening van [A]. [getuige 1], eigenaar van [A], heeft verklaard dat hij het bedrag op zijn rekening heeft ontvangen en dat hij dit bedrag verrekend heeft met bij zijn bedrijf openstaande facturen van veroordeelde. Het hof is van oordeel dat dit door [getuige 1] verrekende bedrag aan veroordeelde ten goede is gekomen, aangezien hem dit kwijt van de plicht van betaling van de openstaande facturen inzake [A]. (…) Wederrechtelijk verkregen voordeel bouwdepot [B] Door middel van een valselijk opgemaakte factuur van het bedrijf [A] d.d. 15 juli 2006 ten bedrage van € 47.992,- is uit het bouwdepot op naam van [B] voornoemd bedrag uitbetaald op de rekening van voornoemd bedrijf. Eigenaar [getuige 1] heeft verklaard dat hij het genoemde bedrag op zijn rekening gestort heeft gekregen en dat hij van veroordeelde de opdracht kreeg dit bedrag door te storten op de rekening van [betrokkene 9], zijnde de broer van veroordeelde. Omdat bij [A] nog sprake was van openstaande facturen van veroordeelde heeft [getuige 1] een bedrag van € 44.800,- naar het bankrekeningnummer van [betrokkene 9] overgemaakt en het resterende deel van (€ Al.992,- -/- € 44.800,- =) € 3.192,-- verrekend. (…) Het hof is van oordeel dat ook het door [getuige 1] verrekende deel van het bedrag aan veroordeelde ten goede is gekomen, aangezien hem dit kwijt van de plicht van betaling van de openstaande facturen inzake [A]. Eindberekening wederrechtelijk verkregen voordeel Op grond van het voorgaande komt het hof tot de volgende eindberekening voor het wederrechtelijk verkregen voordeel: WVV Bouwdepot [betrokkene 1]/[betrokkene 2] € 59.009,09 WVV Bouwdepot [B] € 25.592,-- WVV Bouwdepot [betrokkene 4]/[betrokkene 5] € 112.500,-- Totaal WVV: € 197.101,09” 6. Het eerste middel behelst, mede gezien de toelichting daarop, de klacht dat het Hof het verweer van de verdediging dat de verklaringen van de inmiddels overleden getuige [getuige 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu zij in strijd met het bepaalde in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM niet in staat is (geweest) deze getuige (nader) te horen heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, “aangezien verzoeker blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, na geconfronteerd te zijn met getuigenverklaringen, zijn hoedanigheid van pleger en medepleger heeft betwist met de woorden “zij hebben financiële problemen gekregen en zij hebben iemand nodig om als schuldige aan te wijzen”, terwijl het steunbewijs opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen deze aantijging niet weerlegt”, zodat in zoverre het oordeel dat sprake is van in voldoende mate aanwezig steunbewijs niet zonder meer begrijpelijk is en op grond daarvan de bewezenverklaring niet naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed. Voorts is voormelde weerlegging ontoereikend, aldus de steller van het middel, nu het Hof heeft verzuimd compensatoire maatregelen te treffen, die het ontbreken van het ondervragingsrecht in voldoende mate zouden kunnen compenseren; het Hof had procedurele compensatie moeten bieden in een (ambtshalve) oproeping en getuigenverhoor van de betrokken aangevers aangezien de betrokkene hen van vals spel beschuldigt. 7. Ik heb het eerste middel hiervoor vrijwel woordelijk weergegeven om aldus te laten zien dat het middel – waarin wordt gerept van begrippen als de bewezenverklaring en de hoedanigheid van “verzoeker” als pleger en medepleger – enkel lijkt te klagen over ’s Hofs beslissing in de hoofdzaak, ook omdat het middel en de toelichting letterlijk overeenkomen met het middel en de toelichting in de schriftuur betreffende de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende hoofdzaak. 8. Dat dwingt tot de vraag of hetgeen in de onderhavige schriftuur als eerste middel wordt gepresenteerd wel een cassatiemiddel is in de zin der wet. Als zodanig valt immers niet aan te merken een klacht in een ontnemingszaak die zich op de keper beschouwd keert tegen een beslissing van het Hof in een daarmee samenhangende hoofdzaak. 9. Zover wil ik echter niet gaan. Ik meen dat het middel, welwillend gelezen, opkomt tegen ’s Hofs verwerping van het verweer in de bestreden ontnemingszaak, en wel op grond van het volgende. 10. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2013 zijn de hoofdzaak en de ontnemingszaak gelijktijdig behandeld zonder deze te voegen en heeft de betrokkene, voor zover hier van belang, verklaard: “U vraagt mij waarom meerdere getuigen mij aanwijzen als schuldige. Zij hebben financiële problemen gekregen en zij hebben iemand nodig om als schuldige aan te wijzen.” En is gezien de toen overgelegde pleitnota namens de betrokkene het volgende aangevoerd: “Het openbaar ministerie stelt dat de door [getuige 1] verrekende bedragen ook als voordeel aangemerkt kunnen worden. Deze stelling wordt gebaseerd op de verklaring van [getuige 1]. Ik ben van mening dat die verklaring uitgesloten dient te worden van het bewijs, nu de verdediging niet in staat is (geweest) deze getuige (nader) te horen.” 11. De ontnemingsuitspraak in hoger beroep houdt onder meer in: “Ter terechtzitting van het hof d.d. 29 januari 2013 heeft de raadsman van veroordeelde aangevoerd dat de verklaringen van de inmiddels overleden getuige [getuige 1] uitgesloten dienen te worden van het bewijs nu de verdediging niet in staat is (geweest) deze getuige (nader) te horen. De raadsman verwijst hierbij (onder meer) naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak Vidgen tegen Nederland inzake artikel 6, derde lid, onder d, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat de ontnemingsprocedure een ander karakter heeft dan de strafprocedure. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de rechter in de ontnemingsprocedure voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan artikel 51lf van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat de rechter de schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de bewijsgaring in een ontnemingsprocedure in beginsel aan dezelfde regels is onderworpen als de bewijsgaring ten behoeve van de tenlastelegging van een strafbaar feit, echter enige bijzondere voorschriften over de bewijskracht van die bewijsmiddelen gelden niet in de ontnemingsprocedure. In het licht van het voorgaande beoordeelt het hof het verweer van de raadsman als volgt. Op grond van het derde lid aanhef en onder d van artikel 6 EVRM heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht om een belastend verklarende getuige te ondervragen. Uit de jurisprudentie van het EHRM (waaronder ook de door de raadsman genoemde zaak Vidgen tegen Nederland) blijkt (onder meer) dat een verklaring van een niet ondervraagde getuige niet aan een veroordeling ten grondslag mag worden gelegd, indien zij het enige of het doorslaggevende bewijs vormt voor het ten laste gelegde. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad, gewezen in verband met voormelde Europese jurisprudentie, is van schending van het ondervragingsrecht (als bedoeld in art 6 lid 3 aanhef en onder d EVRM) geen sprake, indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een niet ter terechtzitting afgelegde voor de verdachte belastende verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een getuige die een niet ter terechtzitting afgelegde voor de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van deze verklaring niet in de weg, mits de betreffende verklaring in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring die door verdachte worden betwist. Hoewel voornoemde jurisprudentie geformuleerd is in het kader van een strafprocedure, begrijpt het hof deze aldus dat de daaruit voortvloeiende regels tevens van toepassing zijn in de ontnemingsprocedure. Op grond van het dossier stelt het hof vast dat de verdediging bij schrijven d.d. 14 juni 2010, nader onderbouwd in de brief d.d. 19 maart 2012, heeft verzocht tot het horen van (onder meer) getuige [getuige 1]. Blijkens de brief van de advocaat-generaal d.d. 27 maart 2012 was [getuige 1] echter niet meer op te roepen als getuige aangezien deze onlangs was overleden. De verdediging heeft derhalve niet in enig stadium van het geding de gelegenheid gehad de getuige [getuige 1] (die bij de politie voor veroordeelde belastende verklaringen heeft afgelegd) te (doen) ondervragen. Desondanks kunnen de verklaringen van [getuige 1] gebezigd worden voor het bewijs, aangezien deze - voor zover relevant voor het bewijs van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel - naar het oordeel van het hof bezien in het licht van de bewijsregels voor ontneming zoals hiervoor aangegeven in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring die door verdachte worden betwist (zoals uit de later eventueel op te maken aanvulling op deze uitspraak blijkt). Het verweer van de raadsman wordt verworpen.” 12. Gelet op dit een en ander meen ik dat kan worden gezegd dat het middel is gericht tegen een beslissing van het Hof in de ontnemingszaak en kom ik tot de slotsom dat het eerste middel voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel in de zin der wet worden gesteld. 13. Nu dan de beoordeling van dat middel naar zijn inhoud. 14. Over het oordeel van het Hof dat de door hem aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad en de daaruit voortvloeiende regels ook van toepassing zijn in de ontnemingsprocedure wordt (logischerwijs) in het middel niet geklaagd. Of zulks inderdaad het geval is, is overigens een rechtsvraag die voor zover mij bekend nog niet expliciet door de Hoge Raad is beantwoord. Wellicht geeft deze ontnemingszaak Uw Raad aanleiding om aan dat punt een overweging te wijden. 15. Zelf denk ik dat de opgeworpen vraag niet anders dan in bevestigende zin kan worden beantwoord. De ontnemingsvordering staat immers niet op zichzelf maar is een sequeel – een vertakking - van de strafvervolging in de hoofdzaak. De vervolging loopt door in de ontnemingszaak. Nog weer anders gezegd: aan de hoofdzaak en de ontnemingszaak liggen dezelfde verdenking en criminal charge in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM ten grondslag. Die betekenis heeft de wetgever, na toetsing aan het Hauschildt-arrest van het EHRM van 24 mei 1989 (nr. 10486/83), in zoveel woorden aan de ontnemingsvordering gegeven ten einde strijdigheid met het ‘nemo debet bis vexari-beginsel’ (of zoals de minister van Justitie het wat algemener noemde: het ‘ne bis in idem’-beginsel) te pareren. Aldus laat zich ook verklaren dat in art. 311, eerste lid voorlaatste volzin, Sv het voorschrift is opgenomen dat de officier van Justitie bij het overleggen van zijn vordering in de hoofdzaak in eerste aanleg, kenbaar maakt of hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken. Deze verwevenheid van de ontnemingsvordering met de strafvervolging wordt naar vaste rechtspraak door de Hoge Raad onderschreven. 16. Uit het voorgaande volgt dat het bepaalde in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM onverkort op de ontnemingsprocedure van toepassing is. Deze bepaling luidt in de Nederlandse vertaling: “Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (…) d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen (…).” 17. In het arrest van 15 december 2011, nr. 26766/05, NJ 2012/283 m.nt. Schalken en Alkema (Al-Khawaja & Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk) heeft de grand chamber van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (verder: EHRM) de betekenis van het ondervragingsrecht van art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EHRM uiteengezet. Ik merk daarbij op dat - evenals in het onderhavige geval - in de zaak Al-Khawaja het slachtoffer nadat hij een belastende verklaring had afgelegd overleed en om die reden niet meer door de verdediging kon worden ondervraagd. In de zaak-Tahery hoefde het slachtoffer niet als getuige op de terechtzitting te verschijnen omdat sprake was van vrees. In beide zaken voerde de verdediging aan dat het derde lid aanhef en onder d in verbinding met het eerste lid van art. 6 EVRM was geschonden, omdat de klagers in hun eigen strafzaak het betreffende slachtoffer niet als getuige hadden kunnen ondervragen terwijl het bewijs solely or to decisive extent op de belastende verklaring van het slachtoffer was gebaseerd. Voor zover hier van belang kan uit het Al-Khawaja & Tahery-arrest worden afgeleid dat het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudend een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende getuigenverklaring niet onverenigbaar is met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Deze verfijning van zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot het recht op een fair trial, waarvan het beginsel van a fair and public hearing deel uitmaakt, komt voort uit de vooropstelling dat de ‘sole or decisive rule’ onder de werking van de overall fairness of the proceedings op een flexibele manier behoort te worden uitgelegd. Wanneer in dit kader de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad in enig stadium van het strafgeding de getuige te ondervragen, is sprake van het ontbreken van “an adequate and proper opportunity to question a witness against him either when he or she was testifying or at a later stage of the proceedings”. In dat geval dienen blijkens het Al-Khawaja & Tahery-arrest ten minste twee punten te worden onderzocht: “119.(…) First, there must be a good reason for the non-attendance of a witness. Second, when a conviction is based solely or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the accused has had no opportunity to examine or to have examined, whether during the investigation or at the trial, the rights of the defence may be restricted to an extent that is incompatible with the guarantees provided by Article 6 (the so-called “sole or decisive rule”).” Daarbij benadrukt het EHRM dat de vraag of een veroordeling “solely or to a decisive extent” is gebaseerd op een verklaring van een getuige die niet is verschenen, pas aan de orde komt als is vastgesteld dat hij een aanvaardbare reden had om niet ter terechtzitting te verschijnen. Met betrekking tot de uitleg van “decisive” heeft het EHRM in het Al-Khawaja & Tahery-arrest als volgt overwogen (paragraaf 131): “‘Decisive’ (or ‘déterminante’) in this context means more than ‘probative’. It further means more than that, without the evidence, the chances of a conviction would recede and the chances of an acquittal advance, a test which, as the Court of Appeal in Horncastle and others pointed out (see paragraph 54 above), would mean that virtually all evidence would qualify. Instead, the word ‘decisive’ should be narrowly understood as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supportive evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive.” 18. Tot slot blijkt uit de rechtspraak van het EHRM dat, indien de veroordeling “solely or to a decisive extent” is gebaseerd op de verklaring van een niet ondervraagde getuige, onderzocht moet worden of de restrictie voor de verdediging - bestaande uit de onmogelijkheid de getuige te ondervragen - in voldoende mate gecompenseerd is. 19. In de vorengenoemde rechtspraak van het EHRM tekent zich met betrekking tot het ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6 EVRM het volgende toetsingskader af: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.