14/00364 mr. G.R.B. van Peursem 3 april 2015 Conclusie inzake: 1. [eiseres 1], 2. [eiseres 2], (hierna gezamenlijk: [eiseressen] en afzonderlijk: [eiseres 1] en [eiseres 2]), eiseressen tot cassatie in het principaal cassatieberoep, tevens verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, tegen 1. [verweerder 1], 2. [verweerster 2], (hierna gezamenlijk: [verweerders] en afzonderlijk: [verweerder 1] en [verweerster 2]) verweerders in cassatie in het principaal cassatieberoep, tevens eisers in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Het gaat in deze zaak om door een derde, [A], van [eiseressen] gekochte vrachtwagencombinaties die door [A] voordat deze betaald waren zijn doorgeleverd aan [verweerster 2], die de koopprijs vervolgens heeft verrekend met een bestaande schuld van [A] aan [verweerster 2]. In het principaal cassatieberoep is aan de orde de feitenvaststelling door het hof en de vraag of de (hoofdregel uit
(1986)12, p. 790-796. Ontleend aan de brochure van de RDW, te vinden op https://www.rdw.nl/SiteCollectionDocuments/brochures/Uw%20voertuig%20en%20het%20kenteken.pdf. Zie de conclusie van A-G Huydecoper (onder 9) vóór HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3057, NJ 2011/494, onder verwijzing naar de conclusie van A-G Franx (onder 8) vóór het arrest Apon/Bisterbosch. Zie voor een mooi overzichtsartikel: Salomons, De onderzoeksplicht van de verkrijger van een tweedehands auto, N.a.v. HR 7 oktober 2005, RvdW 2005, 112 ([D]/[E]), VrA 2006-3, p. 101-124. Dit is Apon/Bisterbosch. Het artikel luidt thans: “1. In verband met de tenaamstelling van een voertuig in het kentekenregister wordt een kentekencard en een kentekenbewijs deel II afgegeven en een tenaamstellingscode verstrekt. De Dienst Wegverkeer houdt het kentekenbewijs deel II in bewaring. 2. Het kentekenbewijs deel II wordt aan de eigenaar of houder van een voertuig uitgereikt ten behoeve van het voorgoed buiten Nederland brengen van het voertuig. 3. In afwijking van eerste lid wordt geen kentekenbewijs deel II afgegeven voor voertuigen waarvoor een kenteken is opgegeven: a. als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, b. dat bestaat uit de lettergroep AA, CD, CDJ dan wel de lettergroep BN, GN, of GV en twee groepen van twee cijfers; c. dat bestaat uit de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W, X of Z en twee groepen van twee cijfers, of d. dat bestaat uit de lettergroep FH, HA, HF, HC of OA en twee groepen van twee cijfers. 4. In afwijking van het tweede lid wordt geen deel II uitgereikt aan de eigenaar, respectievelijk de houder van een voertuig, indien uit het kentekenregister blijkt dat het recht op uitreiking van het kentekenbewijs deel II is voorbehouden aan de eigenaar, respectievelijk de houder. 5. De afgifte van een kentekenbewijs geschiedt niet elektronisch. 6. In bij ministeriële regeling te bepalen gevallen kan worden afgeweken van het vijfde lid, indien de aanvraag van een kentekenbewijs betrekking heeft op een kenteken als bedoeld in artikel 4.” HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3057, NJ 2011/494 (DFM/Mobile Lease) rov. 3.4: “(…) Zoals is beslist in HR 4 april 1986, LJN AB9446, NJ 1986/810 en HR 7 oktober 2005, LJN AU2555, NJ 2006/351, is voor een geslaagd beroep op goede trouw in de zin van (thans) art. 3:86 leden 1 en 2 BW vereist dat degene die een tweedehands auto verkrijgt, de autopapieren heeft onderzocht, waaronder, thans, kentekenbewijs deel II. De tenaamstelling van het kenteken van de auto kan immers uitsluitend worden overgeschreven met dit bewijs, dat speciaal daartoe door de wetgever in het leven is geroepen, zulks teneinde de niet rechtmatige vervreemding van motorvoertuigen tegen te gaan. De tenaamstelling van kentekenbewijs deel IB en de registratie bij de RDW betekenen niet zonder meer dat sprake is van eigendom of onbezwaarde eigendom. (…)”. Zie ook Salomons, Beschikkingsbevoegdheid bij de verkoop van een tweedehands auto: derdenbescherming nu geheel uitgesloten? N.a.v. HR 21 oktober 2011, NJ 2011, 494, WPNR 2011/6907, p. 939-940 HR 11 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4361, NJ 2003/399, m.nt. WMK. “aangenomen” ook in noot zelf kennelijk weggevallen. Zie voor andere mogelijke uitzonderingen de hiervoor genoemde artikelen van Salomons. Maar het lijkt mij in deze zaak niet nodig over de door [verweerders] bepleite heroverweging van de Apon/Bisterbosch-maatstaf bij derdenbescherming in het recht van reclame te beslissen, alleen al niet omdat dat niet bij wege van (onvoorwaardelijke) incidenteel cassatieberoep aan Uw Raad wordt voorgelegd door [verweerders] Dat is later allemaal niet doorgegaan. Ik citeer voor de context ook het voorafgaande nummer van die conclusie: “6 Als invalshoek voor de bespreking van die vraag kies ik het commentaar op het arrest Apon/Bisterbosch uit Ars Aequi[8]. In dat commentaar slaat de schrijver, Nieuwenhuis, denk ik, de spijker op de kop: het gaat erom, een redelijk evenwicht te vinden tussen de twee (voornaamste) motieven die aan de regel van art. 3:86 BW ten grondslag liggen[9]. Als zodanig identificeert Nieuwenhuis het verkeersbelang, dat zich verzet tegen tijdrovend en kostbaar onderzoek daar waar er op het eerste gezicht geen reden is om te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder, aan de ene kant; en het argument dat hij aanduidt met het trefwoord 'misdaadbestrijding'[10], aan de andere kant. 7 Daarbij dekt, denk ik, het door Nieuwenhuis bedoelde 'verkeersbelang' de lading overigens maar ten dele. Het gaat hier om één van de manifestaties van het verschijnsel dat de deelnemer aan het rechtsverkeer die te goeder trouw afging op een schijnbaar aanwezige rechtstoestand (en aan wie dus niet valt toe te rekenen dat hij niet heeft bemerkt dat de zaken in werkelijkheid anders waren), vaak verdient te worden beschermd in het vertrouwen dat hij daarbij aan de dag legde. Dat dat — vaak — zo is, komt inderdaad voor een belangrijk deel omdat het verkeersbelang dat eist; maar voor een ander deel is dat zo, omdat de andere uitkomst niet met de billijkheid zou stroken. Dat (laatste) is dan met name het geval, wanneer het feit dat zich een misleidende schijn voordeed, eerder moet worden toegerekend aan de wederpartij van degeen die in vertrouwen op de schijn is afgegaan, dan aan die persoon zelf. Dát verklaart waarom aan de bescherming van degeen die in goed vertrouwen op een valse schijn afging, meestal een tweeledige voorwaarde wordt gesteld: aan de betrokkene moet zelf niets zijn te verwijten (oftewel: hij moet 'te goeder trouw' zijn); en aan de andere partij moet het feit dat er een valse schijn kon ontstaan wèl zijn te verwijten, of zijn toe te rekenen.” Vgl. de Bull’s Eye/Chrysler-uitspraak. De cassatiedagvaarding verwijst hierbij naar mvg onder 76, i.h.b. i, iii-v: “Onder betwisting dat op haar een bewijslast rust, biedt [eiseressen] aan haar stellingen en weren te bewijzen, resp. tegenbewijs te leveren, met alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen, met name de volgende stellingen, door onder meer na te noemen getuigen (of deskundigen), die kunnen verklaren als volgt (…): 1) De heren [eiseres 1], [H], [verweerder 1], [A], de controlers van de firma’s die partij zijn in deze procedure, hun accountants:
- i)[verweerders] wist resp. behoorde te weten ten tijde van de koopovereenkomst tussen [B] en [verweerders] resp. de aflevering aan [verweerders] dat de opleggers resp. trekkers die [B] kocht en dat [B] niet eigen middelen had om deze te betalen en evenmin op korte termijn verhaal zou bieden voor de schadevergoeding. voorts dat op bedoelde tijdstippen bedoelde trekkers en opleggers niet betaald waren. (…) iii) [verweerder 1] heeft [A] overgehaald onder valse voorwendselen om de overschrijfpapieren van de 7 trekkers en 7 opleggers zo vroeg mogelijk resp. bij aflevering aan hem te verschaffen.
- iv)[verweerder 1] had in september 2009 al maanden een tot dan toe oninbare vordering op [A] van meer dan € 500.000 wegens het geld dat [A] vergokt had in plaats van aan [verweerder 1] af te dragen, hetwelk [verweerder 1] [A] kwalijk nam.
- v)[verweerder 1] heeft niet [eiseres 1] en of [eiseres 2] gewaarschuwd voor of bij het aangaan van de transactie tussen [A] en [eiseres 1] resp. [eiseres 2] dat zij resp. hij een omvangrijke vordering had op [A], die nog openstond. Ook anderszins waren [eiseres 1] resp. [eiseres 2] ten tijde van de transactie met [A] niet van de vordering van [verweerder 1] op [A], met name omvang en grondslag daarvan, op de hoogte. [verweerder 1] wist ten tijde van de transactie tussen [A] en [eiseres 1] en [eiseres 2], bij wie [A] de trekkers resp. opleggers zou kopen, om aan [verweerder 1] te verschaffen.” [tikfouten en onvolledige zinnen heb ik laten staan, A-G]) en naar het bewijsaanbod bij pleidooi in hoger beroep, pleitnotitie onder 35, i.h.b. i en iii: “
- i)[verweerders] wist resp. behoorde te weten ten tijde van de koopovereenkomst tussen [B] en [verweerders] resp. de (af)levering aan [verweerders] dat de opleggers resp. trekkers die [B] kocht om te leveren aan [verweerders] niet betaald waren door [B], en [verweerders] moest(
- en)redelijkerwijs verwachten dat deze tegenover [A] een beroep zouden doen op reclamerecht. (…) iii) [verweerders] heeft geen contact gehad met [eiseres 1] of [eiseres 2] rondom 21 september 2009 om te vragen of [eiseres 1] en [eiseres 2] ermee accoord waren dat [A] de combinaties overdroeg in eigendom aan [verweerders] en of dat [verweerders] zouden aanspreken, omdat [A] de koopprijs niet aan [eiseres 1] resp. [eiseres 2] zou betalen, resp. indien [verweerders] [A] niet zou betalen.” [tikfouten en onvolledige zinnen heb ik ook hier laten staan, A-G]). De cassatiedagvaarding verwijst naar mvg 76 m.n. onder i), iii) en
- v)en de pleitnota in appel nr. 35 onder
- ii)en iii) - op pleitnota 35 onder
- ii)na hiervoor al geciteerd in voetnoot 26; pleitnota 35 onder
- ii)luidt zo: “
- ii)[verweerders] wist resp. behoorde te weten ten tijde van de koopovereenkomst tussen [B] en [verweerders] resp. de (af)levering aan [verweerders] dat de opleggers resp. trekkers die [B] kocht om te leveren aan [verweerders] niet betaald waren door [B] en niet in volle eigendom aan hem overgedragen, en [verweerders] moet(
- en)redelijkerwijs verwachten dat dezen tegenover [A] een beroep zouden doen op eigendomsvoorbehoud.” Achtergrond voor een verkoper kan (o.a.) zijn dat hij uiteindelijk mede uit de opbrengst van de doorverkochte en -geleverde zaken zal worden voldaan. Vgl. Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/545, Del Corral en Geurts, Het eigendomsvoorbehoud in de Belgische Pandwet en het Nederlandse BW, NTBR 2014/31, afl. 7, i.h.b. onder 4 “Doorverkoop” en Hennis, Het eigendomsvoorbehoud in Nederland, België en Duitsland en de betekenis van het internationaal privaatrecht, Juridisch up tot date 2014-7, p. 16-24. Vgl. Reehuis, Eigendomsvoorbehoud (Mon. BW nr. B6c) 2013/95. Verwezen wordt hier in de cassatiedagvaarding naar mvg 76 m.n. onder i), iii),
- iv)en v), hiervoor al geciteerd in voetnoot 26. De formulering onder 61 is gemankeerd: “Het hof heeft miskend dat bij de beoordeling van een beroep op de actio Pauliana tot vernietiging van een rechtshandeling wegens benadeling in de verhaalsmogelijkheden van een of meer crediteuren van een schuldenaar in verband met de wetenschap van benadeling onder wetenschap van de schuldenaar ten tijde van de rechtshandeling omtrent begrepen is een samenstel van rechtshandelingen het aankomt op beoordeling of de schuldenaar wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden tot gevolg zou zijn.” Ik heb moeite te doorgronden wat hier wordt bedoeld. Vgl. Hijma, T&C BW, art. 3:45 BW, aant. 2 onder c, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/595, Mon. BW B4 (Van Dijck), nr. 24 en Mellema-Kranenburg, Vermogensrecht (losbl.), art. 3:45 BW, aant. 69. Zie voor verdere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur de laatst vermelde verwijzingen. Zie ook het citaat van Van Hees in Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/595: “Het is niet onoorbaar om een rechtshandeling te verrichten in de wetenschap dat áls de schuldeisers tot verhaalsuitoefening overgaan, deze minder zullen ontvangen. Het is pas onoorbaar indien partijen weten of behoren te weten dát verhaalsuitoefening met het beschreven gevolg zal gaan plaatsvinden.” Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/595 onder verwijzing naar HR 1 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1081, NJ 1994/257, m.nt. WMK (Ontvanger/KMP) en HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8357, NJ 2001/272, m.nt. PvS ([I] q.q./[J]). Ik merk daarbij op dat de vraag of er wetenschap van benadeling is, in cassatie beperkt toetsbaar is, omdat dat verweven is met waarderingen van feitelijke aard. Cassatiedagvaarding 83-85. In de cassatiedagvaarding onder 68 wordt nog geklaagd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof heeft vastgesteld dat [verweerders] bij pleidooi in hoger beroep hebben toegegeven dat [verweerders] de prijs voor de combinaties niet aan [A] wilden betalen maar wilden verrekenen. Ook dat hoeft vanwege het ontbreken van wetenschap bij [A] geen behandeling meer. Andermaal verwijst de cassatiedagvaarding hier naar mvg 76 m.n. i), iii),
- iv)en v), hiervoor al geciteerd in voetnoot 26. HR 16 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6234, NJ 2000/578, m.nt. PvS. Dit is andermaal slecht te volgen, alleen al vanwege het gebrekkige Nederlands, reden waarom ik deze klacht letterlijk citeer. [verweerders] kwalificeren dit bij s.t. 91 als een obscuur libel. De relevante rov. 3.6: “Onderdeel 2 is gericht tegen de hiervoor in 3.4.3 weergegeven overwegingen van het Hof. Zoals in 3.4.3 reeds is aangegeven, moeten deze overwegingen bezien worden in het licht van 's Hofs oordeel dat de vestiging van de hypotheken niet vernietigbaar is op grond van art. 47 en 42F. Het Hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door als uitgangspunt te nemen dat alsdan slechts bijzondere omstandigheden de hypotheekvestiging onrechtmatig zouden kunnen doen zijn. In de bedoelde artikelen liggen immers — naar het Hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen — mede regels besloten ten aanzien van hetgeen in de periode vóór het faillissement tussen de aanstaande gefailleerde en zijn schuldeisers geoorloofd is. Het onderdeel gaat uit van een andere lezing van de overwegingen van het Hof en kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. (…)” Zie de NJ annotatie van Van Schilfgaarde (onder 5) onder [F] q.q./ABN AMRO. [verweerders] ook niet, vgl. s.t. 87 , 89 en 90. Vgl. cassatiedagvaarding onder 95-96, s.t. onder 32 en repliek onder 18. Ook [eiseressen] hebben bij brief opmerkingen gemaakt over de inhoud van het proces-verbaal: “(…) - in de alinea, welke begint met “De voorzitter vraagt [verweerder 1] […….]” In de slotzin: [verweerder 1] heeft aangegeven dat het vanaf het begin af aan zijn bedoeling is geweest dat hij de verschuldigde koopprijs zou verrekenen met zijn vordering op [A]; - in de daarop volgende alinea: ik heb opgemerkt dat het verhaal over de samenwerking onjuist is. De tweede en derde zin van die alinea zijn juist. Voorts heb ik nog aangevuld dat [verweerder 1] zijn bedoeling de aan [A] verschuldigde koopprijs te verrekenen niet heeft meegedeeld aan [A]; (…).” Vgl. de brief van 29 augustus 2013: “[verweerder 1] heeft zowel tijdens de comparitie in eerste aanleg als tijdens het pleidooi in hoger beroep aangegeven dat het in eerste instantie de bedoeling was de van [A] gekocht trucks en opleggers in de vorm van een sale en lease back constructie aan Amstel Lease te verkopen zodat de heer [A] de auto’s kon gaan leasen teneinde daarmee inkomsten te generen waarmee hij mede de schuld aan [verweerder 1] kon aflossen. Het is wel juist dat de verkoopopbrengst met betrekking tot de verkoop aan Amstel Lease aan [verweerder 1] zou toekomen als gedeeltelijke aflossing van het door [A] aan [verweerder 1] verschuldigde bedrag. Pas nadat bleek dat [A] niet voldeed aan de gestelde eisen voor het kunnen uitoefenen van een transportbedrijf in Nederland heeft [verweerder 1] aan [A] aangegeven dat hij de trucks met opleggers aan derden zou verkopen en deze opbrengst zou aanwenden ter aflossing van de schuld van [A] aan [verweerder 1].” Naar aanleiding van die brief heeft het hof bij brief van 4 september 2013 partijen bericht dat hun brieven aan het proces-verbaal van de pleidooizitting zullen worden gehecht.