Rolnr. 14/02902 Mr M.H. Wissink Zitting: 10 april 2015 conclusie in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie, (hierna: [eiser]) tegen Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, verweerster in cassatie, (hierna: Dexia) In deze effectenlease-zaak spelen in cassatie twee kwesties: (
(2011), p. 130 e.v. Aan rechtsdwaling is recent ook aandacht besteed door M.A. Loth en E. Tjong Tjin Tai: ‘Wat niet weet, dat niet deert?’, in: Preadviezen voor de Vergelijkende Studie van het Recht van België en Nederland, Den Haag, BJu 2014, nrs. 55-58. De Jong alsmede Loth en Tjong Tjin Tai bepleiten op onderdelen (maar niet de onderhavige kwestie) aanpassing van de rechtspraak. A-G Spier, conclusie sub 4.22 voor HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739, JA 2005/4 m.nt. J.L. Smeehuijzen, NJ 2006/115 m.nt. C.E. du Perron (Bosman/G.). Daarom vind ik de tegenwerping in de s.t. nr. 3.4, dat hetgeen het hof vaststelt in rov. 3.6 “alleszins compatibel is met spaar- c.q. pensioenproposities” niet overtuigend. A-G Wuisman nam in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2011:BQ5068 nr. 2.15, waarnaar de s.t. verwijst, overigens geen ander standpunt in. Naar aanleiding van HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/196 m.nt. C.E. du Perron (Bemoti), rov. 3.6. HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, BH2811 en BH2822, NJ 2012/182, 183 en 184, m.nt. J.B.M. Vranken ([De T.]/Dexia, Levob/[B] en Stichting Gesp/Aegon). Hof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4012 en BP4003, NJ 2013/40 en 41, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2013/41 ([Van der H.]/Dexia en [C]/Dexia). Voor het geval wel sprake is van een dergelijke last komen ook de reeds betaalde termijnen in beginsel als schade, die niet voor rekening van de afnemer dient te blijven, voor vergoeding in aanmerking. Hierop ziet de prejudiciële vraag van hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3569: “Wat is de ingangsdatum van de wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg? Het gaat hierbij om termijnbetalingen en eventuele aflossingen (minus dividenduitkeringen) die de afnemer voorafgaande aan de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst(
- en)uit hoofde van die effectenleaseovereenkomst(
- en)heeft betaald.” Zie ook Hof Amsterdam 15 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3359, rov. 3.33; Hof Amsterdam 3 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4475, rov. 3.6; Hof Amsterdam 24 december 2013, GHAMS:2013:4781. Hof ‘s-Hertogenbosch 10 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1736, rov. 4.15.3; Hof ‘s-Hertogenbosch 8 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2077, rov. 4.16.3; Hof ‘s-Hertogenbosch 15 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2159, rov. 3.8; Rb. Den Haag (kantonrechter Den Haag) 16 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3079, rov. 20; Rb. Noord-Nederland (kantonrechter Leeuwarden) 7 oktober 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:4812, rov. 5.13. Vgl. de MvA nr. 31. Zie onder meer de arresten Aziz (HvJEU 14 maart 2013, C-415/11, ECLI:EU:C:2013:164, NJ 2013/374 m.nt. M.R. Mok, rov. 46); Barclays Bank (HvJEU 30 april 2014, C-280/13, ECLI:EU:C:2014:279, rov. 34); Banco Bilbao (HvJEU 17 juli 2014, C-169/14, EHRC 2014/11 m.nt. C. Mak, rov. 24) en Asbeek Brusse en De Man Garabito/Jahani (HvJEU 30 mei 2013, C-488/11, NJ 2013/487 m.nt. M.R. Mok, rov. 45). HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans, AA 2014, p. 358 m.nt. W.H. van Boom, JBPR 2014/2 m.nt. F.J.H. Hovens, JIN 2013/179 m.nt. F. Oostlander, TvC 2013/6 m.nt. R.R.M. de Moor (Heesakkers/Voets). Zie over dit arrest ook F.J.P. Lock, ‘Ambtshalve toetsing in hoger beroep. Over de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied’, TCR 2014/2; C.M.D.S. Pavillon, ‘Het Heesakkers/Voets-arrest en de twee stadia van de ambtshalve oneerlijkheidstoets’, TvPp 2014/3; het herziene Rapport Ambtshalve toetsing II van november 2014 (raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl). Vgl. de conclusie van de plv. procureur-generaal sub 9-10 voor HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:682 (art. 81 RO). HvJEU 30 mei 2013, C‑488/11, EU:C:2013:341 (Asbeek Brusse en de Man Garabito), rov. 30; HvJEU 15 januari 2015, C-537/13 (Birutė Šiba /Arūnas Devėnas), rov. 21. Zie over het begrip kernbeding HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:282, NJ 2014/355 m.nt. M.R. Mok (Árpád Kásler, Hajnalka Káslerné Rábai/OTP Jelzálogbank Zrt); HvJEU 26 februari 2015, C-143/13 (Bogdan Matei en Ioana Ofelia Matei /SC Volksbank România SA). HvJEU 3 april 2014, zaak C-342/13, ECLI:EU:C:2014:1857 (Katalin Sebestyén/Zsolt Csaba Kővári en anderen), verwijzend naar met name HvJEU 14 maart 2013, C-415/11, ECLI:EU:C:2013:164, NJ 2013/374 m.nt. M.R. Mok (Aziz). Vgl. voorts HvJEU 15 januari 2015, C-537/13 (Birutė Šiba/ Arūnas Devėnas), rov. 33. HvJEU 16 januari 2014, C-226/12, ECLI:EU:C:2014:10, JOR 2014/153 m.nt. R.W.E. van Leuken (Constructora Principado/Menéndez Álvarez), rov. 22 en 23. Zie daarover A.G.F. Ancery, ‘Toetsing van oneerlijke bedingen: de fictieve toets terug op de kaart?’, MvV 2014, p. 106 en C.M.D.S. Pavillon, ‘Wat maakt een beding oneerlijk? Het Hof wijst ons (eindelijk) de weg’, TvC 2014/4, p. 165. Zie over ambtshalve toetsing van bedingen volgens welke bij tekortschieten van de consument een bepaalde (boete)rente over het achterstallige bedrag verschuldigd is onder meer het Rapport Ambtshalve toetsing II, par. 3.4.1 en de daar vermelde rechtspraak; Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2101; Hof Amsterdam 3 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:165. HvJEU 21-1-2015, Gevoegde zaken C-482/13, C-484/13, C-485/13, C-487/13 (Unicaja Banco). Zo ook Hof ’s-Hertogenbosch 8 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2077, rov. 4.17.1 e.v. De zaak is aanhanging onder rolnummer 14/04914. Zie ook het tussenarrest Hof Den Haag 2 september 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2877, rov. 3.5. Mij is uit bij de griffie van het gerechtshof ingewonnen inlichten bekend dat in de bij 3.30.3 en 3.30.4 bedoelde zaken door het hof nog geen nader arrest is gewezen.