Nr. 13/04822 Zitting: 3 maart 2015 Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte]
(05261)elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid H: te doen voorkomen dat de overeenkomst op of na 31 augustus 2000 ondertekend is, terwijl de handtekening van mevrouw [C] geplaatst is voorafgaand aan de overeenkomst. I: een huurovereenkomst te suggereren terwijl er feitelijk sprake was van koop/verkoop J: een huurovereenkomst te suggereren terwijl er feitelijk sprake was van koop/verkoop K: een huurovereenkomst te suggereren terwijl er feitelijk sprake was van koop/verkoop L: een transactie te vermelden die niet heeft plaatsgevonden M: een leaseovereenkomst te suggereren terwijl er feitelijk sprake was van koop/verkoop, althans van een andere rechtsverhouding aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;” De drie huurovereenkomsten uit het “Dossier [betrokkene 4]” waarop de feiten 2I, 2J en 2K betrekking hebben, vertonen samenhang. Het gaat blijkens de bewijsmiddelen 19, 20 en 21 om drie huurovereenkomsten gesloten door [betrokkene 4] met [A]. Uit deze bewijsmiddelen blijkt voorts dat deze overeenkomsten, hierna in chronologische volgorde weergegeven, betrekking hebben op drie verschillende auto’s. - huurovereenkomst d.d. 1 juli 1999 (feit 2J; bewijsmiddel 20): BMW 540i Touring, cataloguswaarde 210.000 gulden, huurprijs 2.836,58 per maand, ingangsdatum 1 juli 1999, huurperiode 12 maanden; - huurovereenkomst d.d. 3 januari 2000 (feit 2K, bewijsmiddel 21): BMW540i, kenteken [AA-00-BB], cataloguswaarde 210.000 gulden, huurprijs 2.836,58 per maand, ingangsdatum 1 juli 1999, huurperiode 6 maanden; - huurovereenkomst d.d. 21 maart 2000 (feit 2I, bewijsmiddel 19): Mercedes CLK200, kenteken [CC-00-DD], cataloguswaarde 127.500 gulden, huurprijs 2.836,58 per maand, ingangsdatum 1 januari 2000, huurperiode 6 maanden. De beide eerste huurovereenkomsten lijken betrekking te hebben op dezelfde auto, maar dat is blijkens het slot van bewijsmiddel 22 niet het geval. De auto met kentekennummer [AA-00-BB] is niet een BMW 540i Touring, maar een BMW 540i Sedan. 6.
- Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de in bewijsmiddel 22 weergegeven berekeningen betrekking hebben op de drie hiervoor genoemde auto’s. Duidelijk is dat die berekeningen niet te rijmen zijn met de inhoud van de huurcontracten, zodat die berekeningen steun bieden aan de stelling dat die contracten vals zijn en dat in feite sprake was van verkoop. Het Hof heeft zich daarbij niet aan een nadere duiding van die berekeningen gewaagd. Ik vermoed, mede gelet op de chronologische volgorde van de verschillende transacties, dat [betrokkene 4] de in juli 1999 aangeschafte BMW 540i Touring in januari 2000 heeft ingeruild voor de BMW540i Sedan. Aangezien de Sedan 109.000 gulden moest kosten, en de Touring nog een restwaarde had van 145.000 gulden, kreeg [betrokkene 4] 36.000 gulden terug. In maart 2000 werd de BMW540i Sedan, die toen nog een restwaarde van 100.000 gulden had, ingeruild voor de Mercedes CLK
- Aangezien die meer kostte, moest [betrokkene 4] hier nog 17.752 bijbetalen. Of dit vermoeden juist is, kan in het midden blijven. Het Hof heeft zich begrijpelijk genoeg niet aan speculaties gewaagd. Waar het om gaat, is dat de berekeningen hoe dan ook steun bieden aan de bewezenverklaring die inhoudt dat in feite sprake was van koop en verkoop. 6.
- Ik merk op dat de in het cassatiemiddel gewraakte passage uit bewijsmiddel 22 alleen betrekking heeft op de beide BMW’s en dus niet op de Mercedes CLK
- Dat betekent dat de bewezenverklaring van feit 2I niet op die passage steunt. Daarop berusten dus alleen de feiten 2J en 2K. Dat zijn twee van de in totaal zes onder 2 bewezenverklaarde gevallen van valsheid in geschrift. 6.
- Niet onbelangrijk is voorts dat het bij de gewraakte passage om steunbewijs gaat. Het bewijs van feit 2 berust ook op de bewijsmiddelen 1 t/m 12, waarvan een deel reeds is weergegeven bij de bespreking van het derde middel. In bewijsmiddel 11 gebruikt [betrokkene 1], de administrateur van [verdachte] Auto’s BV, “mevrouw [C]”(feit 2H) als “voorbeeld” om de gang van zaken binnen het bedrijf uit te leggen. Na gesteld te hebben dat het desbetreffende huurcontract “fake” was (“het is gewoon een kooptransactie”), verklaart [betrokkene 1]: “[verdachte] handelde op deze manier, omdat zijn klanten de auto’s niet konden verantwoorden. Feitelijk was [verdachte] de administrateur en was ik slechts degene die registreerde en uitvoerde in zijn opdracht. De klanten waar het bij het toepassen van deze constructie om gaat zijn: [C], [betrokkene 6], [betrokkene 2]/[betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 2]. Daar waar operational leasenota’s of huurnota’s worden opgemaakt, kunt u er vanuit gaan dat er auto’s zijn verkocht. De verklaring van [betrokkene 1] dat het bij alle huurovereenkomsten die met [betrokkene 4] zouden zijn gesloten in feite om een transactie van koop en verkoop gaat, vindt steun in bewijsmiddel
- Dat zou ook het geval zijn als de gewraakte passage daaruit zou zijn weggelaten. Dat de verklaring in één geval blijkt te kloppen, vergroot immers de betrouwbaarheid van de gehele verklaring. 6.
- Maar er is meer. De eerste berekening die in bewijsmiddel 22 wordt weergegeven, stond blijkens dat bewijsmiddel op een A4-blad dat zich bevond achter het in een plastic mapje aangetroffen huurcontract met betrekking tot de Mercedes CLK
- Een blik achter de papieren muur leert dat dit onderdeel van bewijsmiddel 22 is terug te voeren op p. 004065 van het desbetreffende proces-verbaal van bevindingen (alwaar verslag wordt gedaan van het aantreffen en de inbeslagneming van onder meer een hangmap met de naam “[betrokkene 4]” waarin zich vier plastic hoesjes met stukken bevonden) en de volgende passage op p. 004066 van dat proces-verbaal: “In het plastic mapje betreffende de MERCEDES CLK 200 zat achter het huurcontract: - (…) - een A-4 blad, waarop een berekening stond. Deze berekening wordt hieronder (ingescand) weergegeven. 540 sed 109000 540 com -145000 retour 36000 betaald clk 200 117.752 inruil bmw 100.000 bij te betalen 17.752 nog te betalen door [betrokkene 4]” Uit het voorgaande blijkt dat de berekening die in bewijsmiddel 22 aan het EnCase-rapport is ontleend, in essentie ook voorkomt op het A4-blad waaraan in bewijsmiddel 22 de eerste berekening is ontleend. Het is dan ook een beetje een raadsel waarom het Hof het EnCase-rapport heeft gebruikt en niet eenvoudig de gehele berekening zoals die op het A4-blad was te vinden. Mogelijk is sprake van een vergissing bij het uitwerken van het arrest. In elk geval geldt dat het belang van de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak op grond van de gesignaleerde tekortkoming uiterst beperkt is. Het gedane verzoek had immers geen betrekking op de in de administratie aangetroffen gegevens. Als het Hof, in plaats van de berekening die op de harde schijf stond, gebruik had gemaakt van de gehele berekening op het A4-blad, had de verdachte niets te klagen gehad. 6.
- Het voorgaande brengt mee dat de verdachte eveneens onvoldoende belang heeft bij vernietiging van de betreden uitspraak ten aanzien van de feiten 3 en
- De bewijsvoering ten aanzien van die feiten bouwt voort op onder meer de bewezenverklaring onder 2 van de zes gevallen van valsheid in geschrifte. Het is alleen daarom waarop het Hof bewijsmiddel 22 ook voor de feiten 3 en 4 heeft gebezigd. 6.
- Het middel kan niet tot cassatie leiden. 7Middel 4 7.
- Het vierde middel klaagt over de motivering van het onder 3 bewezenverklaarde. 7.
- Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 3 bewezenverklaard dat: “De fiscale eenheid [D] c.s. in de periode 1 januari 2000 tot en met 1 maart 2002 in Nederland, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers werden boekingstukken buiten de boekhouding gelaten en werden boekingen bijgehouden in een schaduwboekhouding aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;” Ik merk hier op dat onder feit 3 ook ten laste was gelegd dat valse facturen in de boekhouding waren opgenomen, maar daarvan heeft het Hof de verdachte vrijgesproken. 7.
- Ter zitting van 22 mei 2013 hebben de raadslieden van verdachte blijkens hun aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitaantekeningen ten aanzien van feit 3 primair bepleit dat de tenlastelegging nietig is. Over de verwerping van dat verweer klaagt het middel niet. Het middel klaagt evenmin over de verwerping van het verweer op een fiscale eenheid geen administratieplicht rust. Voor de beoordeling van het middel zijn daarom alleen de volgende onderdelen van de pleitaantekeningen van belang. “FEIT 3, FISCALE ADMINISTRATIEPLICHT (…) A. Boekingstukken buiten de boekhouding gelaten
- [verdachte] is van oordeel dat alle relevante stukken in de administratie waren opgenomen. Uit het dossier komt naar voren dat de verbalisanten selectief hebben geput uit de administratie van de ondernemingen van [verdachte]. Zoals bij de bespreking van feit 2 een aantal malen aan de orde is gekomen, komt het niet zelden voor dat een verwijt met betrekking tot een factuur lijkt te zijn gebaseerd op de omstandigheid dat aanvankelijk niet alle (correctie)facturen in het strafdossier waren opgenomen.
- Wat daar ook van zij uit het reeds aangehaalde rapport van Schaap volgt dat de correcte facturen waren verwerkt in het boekhoudprogramma Exact. Vanzelfsprekend bestaat er geen plicht om onjuiste facturen als zodanig te verwerken. Dat laat overigens onverlet dat er wel een plicht kan bestaan die facturen te bewaren. B. Boekingen werden bijgehouden in een ‘schaduwboekhouding’
- In de eerste plaats zij erop gewezen dat [verdachte] betwist dat er sprake was van een schaduwboekhouding. Zoals reeds toegelicht, betrof het deels kopieën uit de financiële administratie (diskettes) en deels documenten die niet buiten de administratie zijn gehouden.
- De term 'schaduw' dekt de lading dan ook niet. In de eerste plaats omdat, zoals de verdediging al aangaf, de stukken uit de administratie waren verwerkt in het boekhoudprogramma Exact.
- De administratieplicht staat er niet aan in de weg dat er vrijheid bestaat om die administratie op verschillende locaties te bewaren. Het komt in de praktijk ook veelvuldig voor dat een gedeelte van de administratie zich bij een derde (bijvoorbeeld een belastingadviseur of accountant) bevindt. Dat mag ook zolang de administratie maar zodanig is ingericht en de gegevensdragers zodanig worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.
- Op de administratieplichtige rust in dat kader de plicht om de benodigde medewerking te verlenen met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie. Die medewerking is evenwel nooit gevraagd. De administratie is niet ter inzage gevraagd door de Inspecteur maar is tijdens een doorzoeking gevonden.
- Dat de administratie deels was opgeslagen op een onconventionele locatie maakt derhalve niet dat er strijdigheid bestaat met de verplichtingen ingevolge artikel 52 AWR. Tot de administratie behoren immers alle stukken tot de administratie waar deze zich ook bevinden. In die zin vormen de reguliere administratie en de plafondadministratie tezamen de administratie in de zin van artikel 52 AWR. Indien deze twee administraties gezamenlijk als compleet/voldoende moeten worden beschouwd is daarmee niet in strijd met artikel 52 AWR gehandeld.” 7.
- De bewezenverklaring steunt op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen 1 t/m
- Van belang is voorts de volgende overweging uit het verkorte arrest: “Ten slotte oordeelt het hof, dat de wonderlijke plekken waar delen van de administratie zijn aangetroffen, ook bevestiging vormen voor de stelselmatige valsheden die onder regie van verdachte in de administratie zijn aangebracht. [betrokkene 1] verklaart hierover, dat er twee verborgen bergplaatsen waren; in het magazijn achter plafondplaten, en boven de WC van verdachte (waarvoor een PVC-pijp moest worden verwijderd). Bij de tweede huiszoeking is, nadat hierover was verklaard, ook de tweede bergplaats - leeg overigens – aangetroffen. In de bergplaats boven de WC werden datadragers bewaard inzake een aantal bijzondere klanten, waaronder [betrokkene 2] en [C]. Een dergelijke wijze van bewaren van documenten, waarbij men op de bril van de WC moet gaan staan, en een PVC-pijp verwijderen om erbij te komen, is zo ongebruikelijk, dat het hof ervan overtuigd is, dat hier belastende gegevens werden verborgen.” Met betrekking tot feit 3 bevat het arrest voorts nog een overweging die, voor zover hier van belang, luidt: “Aan de stelling, dat uit de verklaring van de deskundige Schaap blijkt, dat “de correcte facturen waren verwerkt in het boekhoudprogramma Exact” gaat het hof voorbij; diens onderzoek kon slechts vaststellen, òf bepaalde facturen op boekhoudkundig juiste wijze zijn ingeboekt, maar of die facturen werkelijkheidswaarde hadden en een juiste weergave vormden van de onderliggende rechtshandelingen, kon Schaap niet vaststellen. Het hof komt tot het oordeel, dat het daaraan ernstig schortte.” 7.
- Op grond van art. 69 lid 1 AWR jo. art. 68 lid 1 onderdeel d AWR is “degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen” wegens misdrijf strafbaar als hij die administratie opzettelijk niet voert, indien dat feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Voor de vraag wat de bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen zijn, is art. 52 lid 1 AWR bepalend. Dat artikel luidt en luidde destijds: "Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken." 7.
- Het middel betoogt allereerst onder verwijzing naar het ter terechtzitting gevoerde verweer dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer is af te leiden dat boekingsstukken buiten de boekhouding werden gelaten en dat boekingen werden bijgehouden in een schaduwboekhouding. Deze klacht faalt. Uit in het bijzonder bewijsmiddel 7, voor zover inhoudende de verklaring van administrateur [betrokkene 1] dat verdachte hem “opdracht [heeft] gegeven om alle huurkoopconstructies op een schijfje te zetten en de gegevens in onze administratie te verwijderen” heeft het Hof kunnen afleiden dat boekingsstukken buiten de administratie werden gelaten. Anders dan het middel wil, doet daaraan niet af dat het Hof als bewijsmiddel 3 de verklaring van de verdachte heeft gebruikt, inhoudende onder meer dat “wij” al het contante geld aanpakken en verantwoorden in de administratie. Daarmee is immers niet gezegd dat het geld op zodanige wijze werd verantwoord dat de rechten en verplichtingen alsmede de overige voor de belastingheffing relevante gegevens van de beide bedoelde B.V’s uit de gevoerde administratie duidelijk bleken. Het verweer dat geen sprake was van een schaduwboekhouding maar van een op een aparte locatie bewaard onderdeel van de administratie, vindt zijn weerlegging in de geenszins onbegrijpelijke, onder 7.4 weergegeven bewijsoverweging. 7.
- Het middel klaagt voorts dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het niet voeren van een administratie ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Ik stel voorop dat ten aanzien van feit 3, anders dan ten aanzien van feit 4, op dit punt geen verweer is gevoerd, zodat het Hof zijn oordeel daarover niet nader hoefde te motiveren. Ik merk voorts op dat de middelen niet klagen over de verwerping door het Hof van het ten aanzien van feit 4 gevoerde verweer. Ik volsta daarom met opmerking dat het oordeel van het Hof dat per tenlastegelegde belastingaangifte bezien moet worden of is voldaan aan het strekkingsvereiste (zodat niet van belang is of over de gehele tenlastegelegde periode te weinig belasting werd geheven), niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet daarop meen ik dat het Hof uit de bewijsmiddelen geredelijk de conclusie heeft kunnen trekken dat het objectief gezien waarschijnlijk was dat de niet-naleving van de administratieplicht ertoe zou leiden dat over de maanden waarin verkopen van auto’s niet als zodanig in de administratie werden verwerkt, te weinig belasting wordt geheven. 7.
- Het middel faalt. 8Middel 5 8.
- Het vijfde middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde feit. 8.
- Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 4 bewezenverklaard dat: “De fiscale eenheid [D] c.s. op tijdstippen in de periode van 29 april 1999 tot en met 24 april 2001 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de maanden maart 1999 en juni 1999 en maart 2000 en juni 2000 en september 2000 en/of maart 2001 onjuist heeft gedaan, immers heeft die fiscale eenheid [D] cs telkens opzettelijk op de bij de belastingdienst te Enschede ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde kalendermaanden telkens een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;” 8.
- Het Hof heeft een door de verdediging met betrekking tot feit 4 gevoerd verweer (zie de punten 279 t/m 291 van de pleitnotities van mrs. De Bree en Speijdel) als volgt samengevat en verworpen: “Strekkingsvereiste De verdediging heeft betoogd dat het bestanddeel ‘terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting werd geheven‘ niet bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft hiertoe in het bijzonder aangevoerd dat er over de gehele looptijd geen nadeel is ontstaan. Nu in het kader van het strekkingsvereiste verschillende met elkaar samenhangende belastingaangiftes in ogenschouw moeten worden genomen, kan niet worden gezegd dat het in strijd met de werkelijkheid kwalificeren van een koopovereenkomst als huurkoop of lease ertoe strekt dat te weinig omzetbelasting wordt geheven, aldus de verdediging. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof zal – anders dan de verdediging – per ten laste gelegde belastingaangifte bekijken of is voldaan aan het strekkingsvereiste. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat op elk van de ten laste gelegde aangiften een te laag bedrag aan omzetbelasting staat vermeld. Het vermelden van te weinig omzetbelasting op een belastingaangifte strekt er toe dat te weinig belasting wordt geheven. De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat de belastingdienst in de gehele ten laste gelegde periode (uiteindelijk) geen nadeel heeft ondervonden, maakt dat niet anders. Elke afzonderlijke aangifte dient op zichzelf immers juist te zijn.” 8.
- Uit de aanvulling op het verkorte arrest blijkt dat de bewijsmiddelen 1 tot en met 26 in meer of mindere mate op de bewezenverklaring van feit 4 betrekking hebben. Een belangrijke verklaring in dit verband is die van [betrokkene 1], die (zo blijkt uit bewijsmiddel 4) van 15 mei 2000 tot 1 maart 2002 bij [A] te Deurningen heeft gewerkt. Het gaat om bewijsmiddel 12: “Met betrekking tot de huurovereenkomsten kan ik zeggen dat de administratie niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. De huur is in werkelijkheid dus koop, wat betekent dat over de borgsommen, op het moment van ontvangst van de geldsom en de feitelijke overdracht van de auto, omzetbelasting afgedragen had moeten worden. De winst is dus ook niet juist weergegeven. Dit houdt in dat er te weinig vennootschapsbelasting is betaald. Ik heb de administratie altijd in opdracht van [verdachte] bijgewerkt, op de manier zoals hij dus aan mij opdroeg. [verdachte] weet ook dat hij (naar het hof begrijpt: meer) omzetbelasting en vennootschapsbelasting had moeten betalen en dat hij dat bewust niet heeft gedaan. De aangifte omzetbelasting over de maand september 2000, op naam van Fiscale eenheid [D] heb ik ingevuld, in opdracht van [verdachte]. Ik heb deze aangifte ondertekend. Ik heb deze opgestuurd naar de belastingdienst, in opdracht van [verdachte]. Deze aangifte is niet juist. Er is in kolom 1a, leveringen en diensten belast met 17,5%, te weinig omzet aangegeven. In kolom 5g staat dus een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting. Alle aangiften omzetbelasting op naam van Fiscale Eenheid [D] zijn dus valselijk opgemaakt, indien het de maanden betreft waarin borgsommen zijn geboekt voor de hierboven genoemde [betrokkene 6], [C], [betrokkene 4] en [betrokkene 2]/[betrokkene 3]. Ik heb dit allemaal gedaan in opdracht van [verdachte]. De ander die mogelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft opgemaakt is [betrokkene 7]. Ook zij heeft gehandeld in opdracht van [verdachte].” Ik volsta voor het overige met de weergave van de bewijsmiddelen die “in het bijzonder” op feit 4 betrekking hebben en de bewijsoverweging die daarop volgt: “
- Geschriften als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering, te weten aangiften voor omzetbelasting van de fiscale eenheid [D] over de maanden maart 1999, juni 1999, maart 2000, juni 2000, september 2000 en maart 2001 (Doos 4, ordner FIOD-documenten).
- Het in de wettelijke vorm opgemaakte overzichtsproces-verbaal (Doos 4, ordner FIOD ambtshandelingen, pagina 25), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven: De aangiften omzetbelasting over de maanden maart 1999, juni 1999, maart 2000, juni 2000, september 2000 en maart 2001 zijn respectievelijk op 29 april 1999, 30 juli 1999, 27 april 2000, 31 juli 2000 en 24 april 2001 binnengekomen bij de belastingdienst te Enschede. Overwegingen hof: Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat in de gehele bewezen verklaarde periode huurovereenkomsten – tussen de onderneming van verdachte enerzijds en [betrokkene 6], [betrokkene 8], [betrokkene 4], en [betrokkene 2]/[betrokkene 3] anderzijds – in de administratie van [verdachte] zijn opgenomen. Die huurovereenkomsten betroffen in werkelijkheid koopovereenkomsten. In alle maanden van de bewezen verklaarde periode zijn maandbedragen van die valse huurcontracten in de administratie opgenomen en/of koopsommen ten onrechte niet in die administratie opgenomen. Alle bewezen verklaarde aangiften over de omzetbelasting zijn opgemaakt en ingediend op grond van die onjuiste administratie. Het hof is van oordeel dat die aangiften daarmee telkens opzettelijk onjuist zijn gedaan omdat een onjuist bedrag aan omzetbelasting is opgegeven.” 8.
- Het middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht is dat de aanvulling op het verkorte arrest niet de inhoud van bewijsmiddel 25 behelst. Die klacht faalt omdat het Hof de door de steller van het middel gemiste inhoud van de in bewijsmiddel 25 genoemde belastingaangiften niet voor het bewijs heeft gebruikt. De beperkte functie die in de bewijsconstructie aan bewijsmiddel 25 toekomt, is dat dit bewijsmiddel, in samenhang bezien met bewijsmiddel 26, bewijst dat over de in de bewezenverklaring genoemde maanden door de fiscale eenheid [D] aangifte omzetbelasting is gedaan. Men kan ook zeggen dat de inhoud van de bedoelde geschriften voor zover die voor het bewijs is gebruikt, namelijk dat door de genoemde fiscale eenheid over de desbetreffende maand telkens een aangifte omzetbelasting is ingevuld, door het Hof zakelijk is weergegeven. Zo gezien faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. 8.
- De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaring van feit 4 niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid omdat daaruit niet volgt dat elke in de bewezenverklaring van feit 4 genoemde aangifte op opzettelijk onjuist was gedaan doordat daarin een te laag bedrag aan belasting werd opgegeven. Die klacht slaagt. De overweging van het Hof dat in alle maanden van de bewezenverklaarde periode maandbedragen van valse huurovereenkomsten in de administratie zijn opgenomen, vindt geen steun in de bewijsmiddelen, terwijl daarmee bepaald niet is gezegd dat de opneming van die maandbedragen leidde tot een te laag bedrag aan opgegeven belasting. Wat uit de bewijsmiddelen wel kan worden afgeleid, is dat over de maanden waarin auto’s werden verkocht onder de valse vlag van een huurovereenkomst te weinig omzetbelasting weinig aangegeven. Dat de verdachte daarop telkens opzet had, heeft het Hof daarbij uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden, hetgeen geen nadere motivering behoefde aangezien de verdediging op dit punt geen verweer heeft gevoerd. Het probleem is echter dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de bedoelde transacties plaatsvonden in alle maanden die in de bewezenverklaring worden genoemd. 8.
- De vraag is wat hiervan de consequentie moet zijn. Met het oog daarop merk ik in de eerste plaats op dat de bewezenverklaring ten aanzien van twee van de zes genoemde maanden stand houdt. Uit bewijsmiddel 14 volgt dat [betrokkene 2] in juni 2000 een Porsche heeft gekocht over welke verkoop, zo volgt uit de andere bewijsmiddelen, geen omzetbelasting is aangegeven. En uit de dagtekening van de huurovereenkomst genoemd in bewijsmiddel 19 heeft het Hof in combinatie met bewijsmiddel 22 (vgl. punt 6.12) kunnen afleiden dat [betrokkene 4] in maart 2000 een Mercedes CLK200 heeft gekocht welke koop als huur werd voorgesteld. Uit de bewijsmiddelen kan, voeg ik daaraan toe, wel worden afgeleid dat in meer dan deze twee gevallen een onjuiste aangifte werd gedaan, maar voor zover al duidelijk is om welke maanden het daarbij ging, zijn dat niet maanden die in de bewezenverklaring worden genoemd. In aansluiting op dit laatste merk ik in de tweede plaats op dat het in wezen gaat om een ongelukkig uitgevallen tenlastelegging, waarover pas in cassatie wordt gevallen. In feitelijke aanleg is niet aangevoerd dat het bewijs ten aanzien van specifiek de in de tenlastelegging genoemde maanden ontbrak. Het probleem zou dan ook na verwijzing of terugwijzing eenvoudig opgelost kunnen worden door wijziging van de tenlastelegging (“althans aangiften voor de omzetbelasting over een of meer maanden vallende in de periode van 1 maart 1999 tot en met 24 april 2001”), zodat de verdachte met terug- of verwijzing weinig zal opschieten. Ik merk in de derde plaats op dat de onder 4 bewezenverklaarde feiten nauw verweven zijn met, en bijna inherent zijn aan, de feiten die onder 1, 2 en 3 zijn bewezenverklaard. Veel (extra) gewicht zal feit 4 bij de straftoemeting dan ook niet in de schaal hebben gelegd. 8.
- Het voorgaande voert mij tot de slotsom dat de verdachte bij een partiële vernietiging van de bestreden uitspraak op de aangedragen grond onvoldoende belang heeft nu de aard en de ernst van al hetgeen in deze zaak ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, door een verbeterde lezing van het bewezenverklaarde niet zou veranderen, terwijl bovendien niet te verwachten valt dat na terug- of verwijzing een wezenlijk andere bewezenverklaring zal volgen. 8.
- Het middel faalt. 9Middel 6 9.
- Het zesde middel klaagt over de motivering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf. Die zou zo zeer afwijken van de door de advocaat-generaal gevorderde straf, dat zich het geval voordoet dat de strafoplegging zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. 9.
- Ik zie dat, mede gelet op de door de Rechtbank opgelegde straf, anders. Het Hof maakt in de strafmotivering voldoende duidelijk waarom de ernst van de bewezenverklaarde feiten naar zijn oordeel een zwaardere straf rechtvaardigt dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Onbegrijpelijk is dat oordeel, gelet op de waarderingsvrijheid die het Hof toekomt, niet. De klacht dat het Hof geen aandacht heeft besteed aan de door de belastingfraude veroorzaakte (geringe) financiële schade, ziet eraan voorbij dat die belastingfraude blijkens de strafmotivering slechts een ondergeschikte rol heeft gespeeld bij de straftoemeting. 9.
- Het middel faalt.
- Alle middelen falen en kunnen, behalve het eerste middel, worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Zie HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA
- Zie voor een overzicht van het procesverloop in hoger beroep tot dan toe het proces-verbaal van de zitting van 6 februari 2013 met daarin de beoordeling door het Hof van een door de verdediging gedaan aanhoudingsverzoek. Zie p. 9-11 van het proces-verbaal van de zitting van 3 oktober
- Het onderzoek wordt onderbroken tot de zitting van 3 juli 2013, op welke zitting het onderzoek wordt gesloten en waarop meteen uitspraak wordt gedaan. Daaruit volgt dat het Hof in strijd met bepaalde in de artt. 422, 348 en 350 Sv heeft beraadslaagd en beslist voordat het onderzoek ter zitting was gesloten. De middelen klagen daarover niet. In het dossier trof ik een kopie van handgeschreven aantekeningen van mr. De Bree aan met daarop een “geeltje” waarop staat “bijlage 5”. De handgeschreven aantekeningen - één A-4tje lang - zijn gedateerd op 22 mei 2013 en hebben betrekking op feit
- Ik ga er vanuit dat in het proces-verbaal van de zitting met “bijlage V” deze aantekeningen worden bedoeld. Mr. Speijdel spreekt zelf van een “bouwsteen in het niet-ontvankelijkheidsverweer” (zie p. 45 van de pleitnotities van mr. Speijdel zoals die (als bijlage III) aan het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2013 zijn gehecht). Zie onderdeel F van het niet-ontvankelijkheidsverweer. De correspondentie tussen de voorzitter van de strafkamer van het Hof en de raadslieden - gedateerd respectievelijk 28 september 2012, 1 oktober 2012 en 3 oktober 2012 – over de beperking van de pleittijd behoort ook tot het aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden dossier. Zie p. 39 tot en met 45 van de pleitnotities van mr. Speijdel zoals die zijn gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van 22 mei
- Vgl. HR 23 maart 1993, LJN ZC9251, NJ 1993, 696 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI
- HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897 HR 23 maart 1982, NJ 1982, 627, dat betrekking had op het laatste woord van de verdachte (art. 311 lid 4 Sv), maar verschil zal dat niet maken. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat een redelijke uitleg van dit artikellid meebrengt dat de verdachte daaraan niet het recht kan ontlenen “om gedurende onbeperkte tijd” te spreken (rov. 8). Zie de jurisprudentie genoemd in voetnoot
- Corstens-Borgers, 8ste druk, p.
- De verklaring is vermoedelijk dat de cassatieakte bepalend is voor de vraag waartegen het beroep zich richt. De cassatieakte vermeldt doorgaans dat het zich richt tegen de einduitspraak en tegen eventuele tussenuitspraken van het hof. Aangezien de voorzittersbeslissing geen tussenarrest van het hof is, richt het beroep zich daar doorgaans niet tegen, zodat voor een partiële niet-ontvankelijkheid geen plaats is. Dat is alleen anders indien de cassatieakte expliciet vermeldt dat het beroep zich (ook) tegen de beslissing van de voorzitter richt. Vgl. Minkenhof-Reijntjes, 11e druk, p.
- HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers. Kortheidshalve verwijs ik hier naar de punten 4.12 en 4.13 van de conclusie die ik op 6 januari 2015 nam in de zaak met nummer 13/
- In deze zaak doet de Hoge Raad heden uitspraak: HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:
- Rb ’s-Gravenhage 3 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV
- Hof ‘s-Hertogenbosch 28 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU
- Zie o.m. Taru Spronken, Verdediging, diss. 2001, p. 255; P.H.P.H.M.C. van Kempen, in Melai-Groenhuijsen, aant. 5.3 op art. 311; Corstens-Borgers, 8ste druk, p.
- Ik merk op dat in deze laatste druk in een voetnoot wordt verwezen naar het na te noemen artikel van Kraniotis. Of dat betekent dat met diens standpunt wordt ingestemd, is de vraag, maar een krachtige afwijzing daarvan levert het in elk geval niet op. Ik ontleen dit aan het artikel van C.J. van der Wilt, De mammon in de rechtszaal, in Trema 2011, p.
- De auteur verwijst in voetnoot 12 naar: Projectteam Deloitte, ‘Samen sterk’. Eindrapportage onderzoek gerechtshoven. Opbrengstverhogende en kostenverlagende maatregelen ter verbetering van de financiële positie van de gerechtshoven, 25 november
- Te vinden op www.rijksoverheid.nl. Zie HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD
- en HR 7 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8914 Van die instemming behoeft daarbij niet expliciet te blijken. Voor de Hoge Raad is het proces-verbaal van de terechtzitting nu eenmaal de enige kenbron. Als dat vermeldt dat is gepleit overeenkomstig de overgelegde pleitnota, moet het er in cassatie voor gehouden worden dat die pleitnota geheel is voorgedragen. Of met instemming van de raadsman met het enkel overleggen van de pleitnota kan worden volstaan, is een vraag die hier onbesproken kan blijven. Wel kan worden opgemerkt dat over een dergelijke handelwijze in de regel niet in cassatie kan worden geklaagd, omdat het ervoor gehouden zal moeten worden dat de pleitnota is voorgedragen (zie de vorige noot). Het tijdschema mag voorts niet zo krap zijn dat de raadsman geen gelegenheid heeft om zijn – van tevoren opgestelde – pleitnota aan te vullen of aan te passen naar aanleiding