14/03457 Mr. L. Timmerman Zitting: 17 april 2015 Conclusie inzake: [eiseres] eiseres tot cassatie tegen N.V. Eneco Beheer (hierna: Eneco) verweerster in cassatie 1. Feiten 1.1 Tussen Etis B.V. (hierna: Etis) en DVO Projectenbureau B.V. (hierna: DVO P) is op 24 februari 1999 een ‘aanneemovereenkomst’ gesloten. Uit hoofde van die overeenkomst heeft DVO P in ieder geval de volgende aan Etis gerichte facturen opgemaakt: - factuur [001] van 1 juni 1999 voor een bedrag van NLG 14.549,26; - factuur [002] van 2 augustus 1999 voor een bedrag van NLG 16.761,26; - factuur [003] van 1 september 1999 voor een bedrag van NLG 6.916,81; - factuur [004] van 30 september 1999 voor een bedrag van NLG 556,83. Op deze facturen is een termijn van betaling van 30 dagen opgenomen. 1.2 Etis is op 2 oktober 1999 door een juridische fusie opgegaan in Citytec B.V. (hierna: Citytec). Deze fusie is op 2 oktober 1999 in het handelsregister opgenomen, waarna op 8 oktober 1999 de registratie van Etis in het handelsregister is beëindigd vanwege het verdwijnen van die rechtspersoon ten gevolge van de fusie met Citytec. 1.3 Eneco had voor Etis een aansprakelijkheidsverklaring als bedoeld in art. 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW afgegeven. Voor Citytec was een dergelijke verklaring afgegeven door Eneco Holding. 1.4 Na 2 oktober 1999 heeft DVO P nog facturen aan Etis verstuurd. 1.5 DVO P is op 20 juni 2001 in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is op 15 juni 2004 opgeheven bij gebrek aan baten. 1.6 Bij brief van 30 juni 2005 heeft mr. Fontijn namens [eiseres] bij Etis aanspraak gemaakt op betaling van de facturen met nummers [002] en [001]. Bij brief van 20 maart 2006 heeft hij Eneco tot betaling aangeschreven. 2Procesverloop 2.1 [eiseres] heeft de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 maart 2009. [eiseres] vordert in dit geding, samengevat, veroordeling van Eneco tot betaling van € 14.212,67 met wettelijke rente en van € 1.189,92 met wettelijke (handels)rente (zie rov. 4). 2.2 [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag, samengevat, dat de facturen die DVO P aan Etis heeft gestuurd, (deels) onbetaald zijn gebleven. Volgens [eiseres] heeft zij een pandrecht op de vorderingen waarop de facturen betrekking hebben, terwijl Eneco op grond van haar verklaring op de voet van art. 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW aansprakelijk is voor de schulden van Etis (zie rov. 4). 2.3 De Rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 12 januari 2011 de vorderingen van [eiseres] afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de aanspraken van [eiseres] in elk geval verjaard zijn. Volgens de rechtbank bleek uit het handelsregister dat Etis gefuseerd was met Citytec. Dat Eneco een aansprakelijkheidsverklaring voor Etis had afgegeven was eveneens kenbaar, zodat het voor [eiseres] en/of DVO P kenbaar was dat Eneco (als moedermaatschappij) aansprakelijk was voor de schulden van Etis/Citytec. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de gefactureerde bedragen opeisbaar zijn geworden op respectievelijk 1 juli 1999 (factuur [001]), 1 september 1999 (factuur [002]), 1 oktober 1999 (factuur [003]) en 30 oktober 1999 (factuur [004]), en dat de verjaringstermijn derhalve afliep op respectievelijk 2 juli 2004, 2 september 2004, 2 oktober 2004 en 31 oktober 2004. Het beroep op verjaring is naar oordeel van de rechtbank niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (zie rov. 5). 2.4 [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof Den Haag. Het hof heeft bij arrest van 18 maart 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:892) het hoger beroep verworpen en het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelde, evenals eerder de rechtbank, dat het beroep van Eneco op verjaring slaagde (zie rov. 7 t/m 17). 2.5 [eiseres] heeft bij dagvaarding van 16 juni 2014 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 18 maart 2014. Eneco heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eiseres] nog gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot repliek. 3Bespreking van het cassatiemiddel Onderdeel 1 3.1 Onderdeel 1.1 klaagt, naar ik begrijp, dat het hof in rov. 6 t/m 11 van het bestreden arrest ten onrechte heeft aangenomen dat de vorderingen op Eneco uit hoofde van de door Eneco afgegeven aansprakelijkheidsverklaring, tegelijkertijd opeisbaar zijn geworden met de samenhangende vorderingen van DVO P op Etis. Voor zover het onderdeel nog verdere klachten bevat, voldoet het onderdeel niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv (vgl. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, RvdW 2013/892). 3.2 Onderdeel 1.2 klaagt, kort samengevat, dat het hof in rov. 9 van het bestreden arrest miskend heeft dat de verjaringstermijn voor de vorderingen op Eneco uit hoofde van de door Eneco afgegeven aansprakelijkheidsverklaring, niet eerder dan op 20 maart 2006 is gaan lopen. [eiseres] heeft, zo stelt het onderdeel, immers pas op 20 maart 2006 bij Eneco aanspraak gemaakt op betaling. 3.3 De klachten van onderdelen 1.1 en 1.2 zijn ongegrond. Het hof heeft geoordeeld dat de door Eneco afgegeven aansprakelijkheidsverklaring aldus uitgelegd dient te worden dat er ingevolge die verklaring op het tijdstip van ontstaan van de vorderingen op Etis, tevens opeisbare vorderingen op Eneco ontstonden uit hoofde van die aansprakelijkheidsverklaring. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de verjaringstermijn voor een op die aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering aanving op het moment waarop die vordering ontstond. Zie rov. 7 t/m 9 van het bestreden arrest. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De tegen deze oordelen gerichte klachten van onderdelen 1.1 en 1.2 falen derhalve. 3.4 Onderdeel 1.3 klaagt dat het hof in rov. 7 t/m 11 miskend heeft dat Eneco voor wat betreft de vorderingen uit hoofde van de door haar afgelegde aansprakelijkheidsverklaring, geen beroep toekomt op een verweer dat Etis op grond van haar rechtsverhouding met DVO P had kunnen voeren. Het onderdeel wenst daarmee kennelijk te betogen dat uit het gegeven dat de vorderingen van DVO P op Etis verjaard waren, nog niet volgt dat ook de (op de aansprakelijkheidsverklaring van Eneco gebaseerde) vorderingen van DVO P op Eneco verjaard zijn. 3.5 De klachten van onderdeel 1.3 zijn ongegrond. Uit het slot van rov. 8 blijkt dat het hof, in tegenstelling tot hetgeen het onderdeel veronderstelt, niet heeft aangenomen dat het enkele feit dat de vorderingen op Etis verjaard zijn noodzakelijkerwijs ook betekent dat de vorderingen uit hoofde van de door Eneco afgegeven aansprakelijkheidsverklaring verjaard zijn. Het hof heeft in de genoemde rechtsoverweging juist toegelicht dat het de stellingen van Eneco aldus begrijpt dat Eneco zich beroept op verjaring van de vorderingen uit hoofde van de aansprakelijkheidsverklaring. Dat beroep op verjaring van de vorderingen tegen Eneco is naar oordeel van het hof gegrond (zie rov. 9 t/m 14). 3.6 Onderdeel 1.4 klaagt dat het hof in rov. 6 t/m 11 miskend heeft dat de vorderingen van DVO P op Etis niet door verjaring zijn tenietgegaan. Het onderdeel stelt dat de extinctieve verjaring van een rechtsvordering immers zwakke werking heeft en dat de verbintenissen derhalve zijn blijven bestaan. 3.7 De klacht van onderdeel 1.4 faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Niet blijkt dat het hof bij zijn oordeel is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het rechtskarakter van de bevrijdende verjaring. 3.8 Onderdeel 1.5 bevat geen zelfstandige klachten en slaagt om die reden evenmin. 3.9 Onderdeel 1.6 richt zich, naar ik begrijp, tegen de vaststelling van het hof dat partijen ervan uitgaan dat door verjaring van de vordering op Etis ook de vordering op Eneco is verjaard (zie rov. 11 en rov. 8). Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof daarmee getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en dat het oordeel althans onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel stelt: “Immers dat oordeel en/of die uitleg laat zich niet verenigen met het rechtskarakter van het verpande (onafhankelijk) recht en/of de stelling van [eiseres] dat de verjaring ten opzichte van Eneco niet eerder ging lopen dan op 20 maart 2006, wat de datum is waarop zij Eneco voor het eerst aansprak. […]” 3.10 De klachten van onderdeel 1.6 zijn ongegrond. De feitelijke vaststelling van het hof (in rov. 8 en 11) dat partijen ervan uitgaan dat door verjaring van de vordering op Etis ook de vordering op Eneco is verjaard, geeft als zodanig geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Zie in dit verband ook hetgeen hierboven vermeld is bij de bespreking van onderdelen 1.1 t/m 1.3. Verder merk ik op dat het hof heeft overwogen dat voor zover in de stelling van [eiseres] dat de verjaring niet eerder is aangevangen dan 20 maart 2006, een grief moet worden gelezen tegen het oordeel van de rechtbank omtrent het tijdstip waarop de verjaringstermijn in beginsel eindigde, die grief afstuit op hetgeen eerder overwogen is omtrent het karakter van de door Eneco afgelegde aansprakelijkheidsverklaring. Dat karakter bracht, aldus het hof, namelijk mee dat de vordering op Eneco tegelijkertijd met de vordering op Etis opeisbaar was (zie rov. 9). 3.11 Onderdeel 1.7 bevat geen zelfstandige klachten. Ook dit onderdeel wordt derhalve tevergeefs aangedragen. 3.12 Onderdeel 1.8 klaagt: “Bij een juiste rechtstoepassing met betrekking tot het verpande onafhankelijk recht aan [eiseres] kon en diende het Hof immers met voorbij gaan aan de vraag of er sprake is van verjaring, te beslissen of het gevorderde aan [eiseres] toewijsbaar was op de grond dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.