Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. M.E. van Hilten Advocaat-Generaal Conclusie van 21 april 2015 inzake: HR nr. 14/04113 Hof nr. 12/00834 Fiscale eenheid [X] B.V. c.s. Rb nr. AWB 11/2748 Derde Kamer A tegen Omzetbelasting 1 mei 2005 – 30 juni 2008 staatssecretaris van Financiën en vice versa 1Inleiding 1.1 Sinds 1 juli 2008 worden in Nederland kansspelautomatenspelen als kansspelen in de zin van de Wet op de kansspelbelasting (hierna: Wet KSB) aangemerkt en valt de daarmee behaalde omzet onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel l, van de Wet op de omzetbelasting 1968 Voordien golden deze op automaten gespeelde kansspelen in Nederland niet als ‘kansspelen’ in de zin van de kansspelbelasting. Dat betekende enerzijds dat de op kansspelautomaten gewonnen prijzen niet in de heffing van kansspelbelasting werden betrokken, maar anderzijds dat de (door de exploitant behaalde) opbrengst uit kansspelautomaten in de heffing van omzetbelasting werd betrokken. 1.2 In de zaken die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad van 27 juni 2014, nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523, BNB 2014/219, m.nt. Meussen en nr. 12/04123, ECLI:NL:HR:2014:1524, BNB 2014/220, m.nt. Meussen stond – heel kort gezegd – de vraag centraal of de heffing van kansspelbelasting ter zake van speelautomaten vanaf 1 juli 2008 in strijd is met het eigendomsgrondrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. In déze zaak gaat het erom of de Nederlandse heffing van omzetbelasting ter zake van kansspelautomaten vóór 1 juli 2008 in strijd is met de Europese (omzetbelasting)regelgeving en/of met het beginsel van fiscale neutraliteit. 2De feiten 2.1 Belanghebbende exploiteerde in de periode 1 mei 2005 tot en met 30 juni 2008 in eigen casino’s, in gokhallen en in horecagelegenheden kansspelautomaten, dat wil zeggen automaten waarop kansspelen – en niet behendigheidsspelen – worden gespeeld. Het gaat daarbij zowel om automaten die zijn bestemd voor een individuele speler als om automaten waarop verschillende spelers tegelijkertijd een kansspel, zoals bijvoorbeeld roulette, kunnen spelen. In het navolgende duid ik de in geding zijnde kansspelautomaten ook wel aan als ‘speelautomaten’. 2.2 De minimale inzet bij de speelautomaten van belanghebbende bedraagt € 0,20. De maximale inzet is € 80. Bij Holland Casino (hierna: HC) bedraagt de minimale inzet aan de (speel)tafel € 2 en is er geen maximuminzet. HC heeft verschillende soorten tafels, met een minimale inzet die oploopt van € 2 tot € 100 per fiche. 2.3 Over de tijdvakken in de periode 1 mei 2005 tot en met 30 juni 2008 heeft belanghebbende op aangifte omzetbelasting voldaan en om teruggaven van omzetbelasting verzocht. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane omzetbelasting alsmede tegen de beschikkingen tot teruggaaf van omzetbelasting. De Inspecteur heeft de bezwaren bij in één geschrift vervatte uitspraken ongegrond verklaard. 3Geding in feitelijke instanties 3.1 De Rechtbank 3.1.1 Tegen de uitspraken op bezwaar is afzonderlijk bij Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) beroep ingesteld namens de tot belanghebbende behorende [X1] Holding B.V. respectievelijk [X2] B.V. (zie voetnoot 2). 3.1.2 Voor de Rechtbank is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende omzetbelasting verschuldigd is over de opbrengst behaald met speelautomaten in de tijdvakken vanaf 1 mei 2005 tot en met 30 juni 2008. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het belasten van de omzet uit kansspelautomaten in strijd is met het recht van de Unie en het beginsel van fiscale neutraliteit. 3.1.3 De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. Naar haar oordeel heeft de wetgever het neutraliteitsbeginsel en daarmee het EU-recht niet geschonden door speelautomaten uit te zonderen van de vrijstelling van omzetbelasting en casinospelen en internetkansspelen niet. De Rechtbank heeft daartoe overwogen: “5.10. (…) dat het voor de gemiddelde consument die roulette wil spelen via een speelautomaat, gekoppeld aan een roulettetafel waarin een balletje rolt, geen verschil maakt of dat balletje mechanisch dan wel handmatig aan het rollen wordt gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die twee vormen voor de gemiddelde consument in zoverre gelijksoortig en direct concurrerend. Dat betekent echter niet dat de Nederlandse wet dan onverbindend is. De rechtbank acht aannemelijk dat nagenoeg alle casinospelen plaatsvinden aan tafels (…) en dat het roulette spelen via een speelautomaat in casino's niet in betekende mate voorkomt. De nadruk ligt bij casinospelen immers op het gebeuren met meerdere personen aan de speeltafel. Er van uitgaande dat deze vorm van gokken via een speelautomaat bij casinospelen niet in betekende mate voorkomt, was de wetgever naar het oordeel van de rechtbank niet verplicht daarvoor een uitzondering in de wet te maken. In zoverre heeft de wetgever ook onder EU-recht enige beleidsvrijheid. Daar komt nog bij dat aannemelijk is dat er een relevant verschil is in de hoogte van de inzetten. In het algemeen zijn de inzetten bij casinospelen immers niet in hoogte beperkt, in tegenstelling tot het spelen met speelautomaten (…). 5.11. Rest de vraag of internetkansspelen, die niet zijn en waren uitgezonderd in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de kansspelbelasting en derhalve vrijgesteld zijn van omzetbelasting, gelijksoortig zijn aan en concurreren met gokken via speelautomaten. De inspecteur heeft gesteld dat het onderscheid met de heffing bij speelautomaten gerechtvaardigd is omdat personal computers (PC'
(83)426 van 14 september 1983, blz. 50-51: “Under Article 13(B)(f), Member States must exempt ‘betting, lotteries and other forms of gambling, subject to conditions and limitations laid down by each Member State’. The wording of this provision merely confirms the existing position, largely justified by the difficulty, both theoretical and practical, of determining the turnover of the activities in question, which are generally more suited to the application of specific taxes than to VAT. However, the Directive clearly states that the scope of this exemption may be reduced by each Member State, which leaves open the possibility of divergences within the Community. Symptomatic divergences have emerged in particular in respect of one-armed bandits. Some Member States stress the gambling aspect of these machines (which in principle implies their exemption from VAT), while others consider that their gaming aspect does not exclude a certain degree of mechanical and mental dexterity, at least sufficient for them to be considered as more than simply gambling machines, and therefore exclude them from the exemption. The Commission notes that discussions in the VAT Committee have produces abroad majority in favour of the latter viewpoint and it intends to continue its efforts to eliminate divergences in this area. The procedure of Article 169 of the EEC Treaty has been initiated in respect of one Member State which, in the Commissions’ view, is applying the exemption broadly to all mechanical games.” 5.2.4 De tekst van en de toelichting op de richtlijn suggereren dat de vrijstelling in principe geldt voor alle kansspelen, hoe deze ook gespeeld worden. Daarbij rijst in de eerste plaats de vraag wat onder ‘kansspelen’ moet worden verstaan. Dat begrip is immers Unierechtelijk en dat betekent dat het Hof van Justitie (hierna: HvJ) over de uitlegging daarvan het laatste woord heeft. In de tweede plaats is het de vraag wat de reikwijdte is van de voorwaarden en beperkingen die de lidstaten kennelijk mogen stellen en die in acht moeten worden genomen, dit mede in de context van artikel 131 van de btw-richtlijn, waarin is bepaald dat de vrijstellingen van toepassing zijn: “(…) onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.” 5.2.5 Om met de eerste vraag te beginnen: ondanks het feit dat ‘kansspel’ een Unierechtelijk begrip is en ondanks de keur aan arresten van het HvJ over de vrijstelling van artikel 13, onder B, sub f, van de Zesde richtlijn, respectievelijk artikel 135, lid 1, sub i, van de btw-richtlijn, over de maatstaf van heffing ter zake van speelautomaten, en over (met name) schending van het vrije dienstenverkeer, heeft het HvJ nog nooit een definitie hoeven te geven van het begrip ‘kansspel’. In geen van de desbetreffende zaken stond namelijk ter discussie of sprake was van een kansspel, en het HvJ stelt die vraag ook uit eigener beweging in geen van de zaken aan de orde. Gezien de arresten waarin kansspelautomaten centraal staan, meen ik dat er gevoeglijk van kan worden uitgegaan dat op deze automaten – ook in Unierechtelijke zin – kansspelen in de zin van het Unierecht worden beoefend. 5.2.6 Dat brengt ons bij de vraag of het de lidstaten op basis van de richtlijnbepaling is toegestaan speelautomaten uit te sluiten van de vrijstelling. Uit de rechtspraak van het HvJ leid ik af dat dit het geval is. Zo exploiteerde Glawe Spiel- und Unterhaltungsgeräte Aufstellingsgesellschaft mbH & Co. KG (hierna kortweg Glawe), in het gelijknamige arrest van 5 mei 1994, C-38/93, ECLI:EU:C:1994:188, kansspelautomaten waarmee geld kon worden gewonnen. In Duitsland waren deze automaten aan de heffing van omzetbelasting onderworpen, en de vraag lag voor hoe de maatstaf van heffing moest worden bepaald. Anders dan het HvJ, die er in zijn arrest geen woorden aan vuil maakt en het kennelijk boven elke twijfel verheven acht, besteedt A-G Jakobs enige woorden aan de vraag of speelautomaten (überhaupt) in de heffing van omzetbelasting mogen worden betrokken (opmaak origineel): “10. Het lijkt mij verdedigbaar, de Zesde richtlijn aldus uit te leggen, dat zij BTW-heffing op de exploitatie van speelautomaten mogelijk maakt. Het is duidelijk, dat een Lid-Staat volgens de betrokken bepaling althans sommige kans- en geldspelen van de vrijstelling mag uitsluiten, aangezien het de Lid-Staten met zoveel woorden is toegestaan, de vrijstelling te beperken. Bovendien is het aantal kans- en geldspelen dat mag worden uitgesloten, niet uitdrukkelijk beperkt. Het is evenwel twijfelachtig, of een Lid-Staat alle kans- en geldspelen aan BTW mag onderwerpen.” 5.2.7 In het arrest van 17 februari 2005, Linneweber en Akriditis, gevoegde zaken C-453/02 en C-462/02, ECLI:EU:C:2005:92 (hierna: arrest Linneweber), spreekt het HvJ zich wel uit: “23. (…) dat uit artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn volgt dat de exploitatie van kansspelen en kansspelautomaten in beginsel van BTW moet worden vrijgesteld, waarbij de lidstaten evenwel bevoegd blijven om de toepassingsvoorwaarden en beperkingen van deze vrijstelling vast te stellen (…)”. 5.2.8 En ook in de arresten van 10 juni 2010, Leo-Libera, C-58/09, ECLI:EU:C:2010:333 (verder: arrest Leo-Libera) en van 10 november 2011, The Rank Group, gevoegde zaken C-259/10 en C-260/10, ECLI:EU:C:2011:719 (hierna: arrest Rank), overweegt het HvJ expliciet dat de lidstaten de vrijheid hebben om (sommige) kansspelen niet onder de vrijstelling te brengen. Ik citeer uit het arrest Leo-Libera (met mijn cursivering): “26. Om te beginnen blijkt uit de tekst zelf van artikel 135, lid 1, sub i, van (…)[de btw-richtlijn] dat de lidstaten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken om de betrokken handelingen vrij te stellen of te belasten, aangezien zij aan de vrijstelling voorwaarden en beperkingen kunnen stellen. 27. Voorts bevat artikel 135, lid 1, sub i, van (…) [de btw-richtlijn] niets waaruit kan worden afgeleid dat de gemeenschapswetgever enigerlei kwantitatieve beperking wilde invoeren om met name te verzekeren dat ten minste 50% van de in een lidstaat georganiseerde en geëxploiteerde kans- en geldspelen of ten minste 50% van de daaruit verkregen omzet onder de in dit artikel bedoelde btw-vrijstelling valt. 28. De omstandigheid dat (…) de organisatie en de exploitatie van kansspelen en kansspelautomaten in beginsel van btw moeten worden vrijgesteld (…) kan (…) niet aldus worden opgevat dat wordt afgedaan aan de hiervoor genoemde vaststelling.” 5.2.9 De conclusie van het HvJ was dan ook dat: “39. (…) artikel 135, lid 1, sub i, van (…) [de btw-richtlijn] aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten op grond van hun bevoegdheid om voorwaarden en beperkingen te verbinden aan de daarin voorziene btw-vrijstelling, is toegestaan om slechts bepaalde kans- en geldspelen van deze belasting vrij te stellen.” 5.2.10 Uit het voorgaande concludeer ik dat het Nederland vrij stond om speelautomaten uit te zonderen van de vrijstelling, in die zin dat het Koninkrijk ervoor kon kiezen om deze kansspelen in de heffing van omzetbelasting te betrekken. De Hoge Raad is daar kennelijk ook altijd van uit gegaan, althans zo betogen Bijl, Van Vliet en Van Hilten: “De Hoge Raad gaat er kennelijk van uit dat het buiten elke redelijke twijfel is dat Nederland het recht heeft speelautomaten van de vrijstelling uit te zonderen. In de verschillende zaken (kans)spelautomaten betreffende, is namelijk arrest gewezen zonder vragen op dit punt te stellen aan het Hof van Justitie, onder meer HR 10 februari 1999, nr. 33 653, BNB 1999/114 (…) HR 13 mei 1998, nr. 33378, BNB 1998/246 en HR 4 september 1996, nr. 31456, BNB 1997/43 (…)” 5.2.11 De omstandigheid dat uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat het de lidstaten – en dus ook Nederland – vrij staat om niet alle kansspelen in de vrijstelling te betrekken, en zij derhalve in principe (bijvoorbeeld) speelautomaten mogen uitzonderen van die vrijstelling, is echter geen blanco cheque. De keuzevrijheid van de lidstaten om kansspelen vrij te stellen of te belasten is geclausuleerd door het (in de btw niet weg te denken) beginsel van fiscale neutraliteit; om met het HvJ te spreken (cursivering MvH): “27. De in artikel 13 B voorzien vrijstellingen moeten worden toegepast met inachtneming van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijk BTW-stelsel (…) Dit vereiste geldt eveneens, wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 13 B, sub f, gebruik maken van de mogelijkheid om de voorwaarden en grenzen van de vrijstelling te regelen. Met de erkenning van deze bevoegdheid heeft de gemeenschapswetgever de lidstaten immers niet toegestaan, inbreuk te maken op het beginsel van fiscale neutraliteit, dat aan de Zesde richtlijn ten grondslag ligt.” 5.3 ( (Ongeschreven) Unierecht: fiscale neutraliteit 5.3.1 Het beginsel van fiscale neutraliteit heeft vele gezichten. In de onderhavige context gaat het om de uit dit beginsel voortvloeiende verplichting soortgelijke prestaties gelijk te behandelen. Dat betekent niet dat alle kansspelen (toch) vrijgesteld moeten worden. Het neutraliteitsbeginsel (cursivering van mijn hand): “35. (…) kan immers niet, zonder dat artikel 135, lid 1, sub i, van (…) [de btw-richtlijn] en de daarin aan de lidstaten verleende ruime beoordelingsvrijheid hun nuttig effect verliezen, aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat bepaalde kans- en geldspelen van btw worden vrijgesteld, terwijl dat voor andere niet het geval is. Voorwaarde is wel dat de vrijgestelde en niet-vrijgestelde spelen niet met elkaar in concurrentie staan.” 5.3.2 Van soortgelijke prestaties – en daarmee van gelijk te behandelen prestaties – is derhalve sprake wanneer prestaties (in casu: vrijgestelde en niet-vrijgestelde kansspelen) met elkaar in concurrentie staan (cursivering MvH): “24. (….) dienen de lidstaten echter het beginsel van fiscale neutraliteit in acht te nemen. Zoals uit de rechtspraak van het Hof volgt, verzet dit beginsel zich er met name tegen dat soortgelijke goederen of diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de BTW ongelijk worden behandeld (…)” 5.3.3 Uit de ‘kansspelenrechtspraak’ van het HvJ volgt dat de vraag of sprake is van concurrerende prestaties moet worden bezien vanuit de consument en dat niet van belang is wie de uitbater is, noch de legaliteit van het spel. 5.3.4 Aan het arrest van het HvJ van 11 juni 1998, Fischer, C-283/95, ECLI:EU:C:1998:276 (hierna: arrest Fischer), ontleen ik dat het neutraliteitsbeginsel zich verzet tegen een onderscheid tussen legale en illegale kansspelen: “21. (…) dat het beginsel van fiscale neutraliteit zich echter [verzet] tegen een algemeen onderscheid tussen legale en illegale transacties bij de heffing van BTW. (…) 28. (…) Hieruit volgt, dat de lidstaten de vrijstelling niet alleen aan legale kansspelen mogen voorbehouden. 29. Hiertegen kan niet worden aangevoerd (…) dat de voorwaarden waaronder de legale kansspelen plaatsvinden, niet vergelijkbaar zijn met die van illegale kansspelen (…)” 5.3.5 In het arrest Linneweber benadrukte het HvJ dat voor de toepasbaarheid van de vrijstelling niet ter zake mag doen wie de uitbater van een kansspel is (cursivering MvH): “25. Volgens deze rechtspraak, alsook het arrest van 7 september 1999, Gregg (C-216/97 (…) punt 20), en voormeld arrest Fischer, zijn de identiteit van de producent of dienstverrichter en de rechtsvorm waarin zij hun activiteit uitoefenen, in beginsel irrelevant om na te gaan of de goederen of diensten soortgelijk zijn. (…) 29. Hieruit volgt dat de lidstaten bij de uitoefening van de hun bij artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn toegekende bevoegdheden, namelijk die om de toepassingsvoorwaarden en beperkingen vast te stellen van de in die bepaling voorziene BTW-vrijstelling voor de exploitatie van kansspelen en kansspelautomaten, die vrijstelling niet op goede gronden afhankelijk kunnen stellen van de identiteit van de uitbater van die spelen en automaten.” 5.3.6 En wat betreft het perspectief van waaruit de soortgelijkheid moet worden bepaald, spreekt het HvJ in het arrest Rank boekdelen (met mijn cursivering): “43. Of twee dienstverrichtingen soortgelijk zijn in de zin van de in voormeld punt aangehaalde rechtspraak moet voornamelijk worden bepaald vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument (…), met vermijding van kunstmatige onderscheiden op basis van onbeduidende verschillen (zie in die zin arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punten 22 en 23). 44. Twee dienstverrichtingen zijn dus soortgelijk wanneer zij overeenkomstige eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen – waarbij het vergelijkbare gebruik de maatstaf is – en wanneer de verschillen die zij vertonen de beslissing van de consument om van de ene of van de andere dienst gebruik te maken niet aanmerkelijk beïnvloeden (zie in die zin arrest van 3 mei 2001, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 27, en, naar analogie, arresten van 11 augustus 1995, Roders e.a., C‑367/93–C‑377/93, Jurispr. blz. I‑2229, punt 27, en 27 februari 2002, Commissie/Frankrijk, C‑302/00, Jurispr. blz. I‑2055, punt 23).” 5.3.7 Bij de beantwoording van de vraag of verschillende diensten voldoen aan dezelfde behoeften van de consument kunnen relevante factoren (factoren die de beslissing van de consument om voor het ene of het andere spel te kiezen aanmerkelijk kunnen beïnvloeden) zijn: “(…) verschillen op het gebied van minima en maxima van de inzet en de prijzen, de kansen om te winnen, de beschikbare formats en de mogelijke interactie tussen de speler en de gokautomaat (…)” Het valt overigens op dat in het dictum de ‘beschikbare formats en de mogelijke interactie tussen speler en de gokautomaat’ niet meer terugkomt: in het dictum (en in punt 58 van het arrest) wordt alleen nog gesproken over het in de beschouwing betrekken van ‘de minima en de maxima van de inzet en de kansen om te winnen’. 5.3.8 Bij de beoordeling of het neutraliteitsbeginsel in een gegeven geval is geschonden, is de toets die in het hiervoor geciteerde punt 44 van het arrest Rank is geformuleerd, voldoende. Voor schending van het neutraliteitsbeginsel is niet ook nog nodig dat wordt aangetoond dat daadwerkelijk sprake is van mededinging tussen de betrokken diensten of verstoring daarvan wegens het verschil in behandeling (zie punt 30 van het arrest Rank). 5.4 Met de munitie van het in dit onderdeel besprokene moet (kunnen) worden beoordeeld of de oordelen van het Hof inzake de (niet-)schending van de fiscale neutraliteit in cassatie standhouden. 6 De oordelen van het Hof omtrent het fiscale lot van belanghebbendes speelautomaten 6.1 Laat ik vooropstellen dat mij – gezien hetgeen ik in onderdeel 5.2 van deze conclusie heb betoogd – evident lijkt dat het Nederland op zichzelf vrij stond om speelautomaten uit te zonderen van de omzetbelastingvrijstelling. Het lijkt mij dat de (in dat onderdeel aangehaalde) Europese jurisprudentie daarover wel duidelijk is. In zoverre heeft het Hof mijns inziens derhalve terecht niet geoordeeld dat het Nederland niet vrij stond om kansspelautomaten uit te zonderen van de omzetbelastingvrijstelling. Daarmee faalt het eerste cassatiemiddel van belanghebbende. 6.2 Is de Europese rechtspraak duidelijk over de ‘basisvrijheid’ van de lidstaten om de kansspelvrijstelling te beperken, evenzeer is die jurisprudentie er echter duidelijk over dat de door een lidstaat gemaakte selectie van (niet-)vrijgestelde kansspelen de toets van het neutraliteitsbeginsel moet kunnen doorstaan. Alleen dán is de selectie ‘houdbaar’. 6.3 Naar volgt uit hetgeen ik aan de orde stelde in onderdeel 5.3 van deze conclusie moet bij de toets van het neutraliteitsbeginsel worden bezien of er – vanuit het perspectief van de gemiddelde consument en zijn behoeften – vergelijkbare kansspelen zijn die anders worden behandeld. Het Hof heeft bij zijn beoordeling onderscheid gemaakt tussen roulette, gespeeld via multiplayer-automaten enerzijds en poker en blackjack dat (naar ik begrijp) op singleplayer-automaten wordt gespeeld. 6.4 Mij moet van het hart dat partijen – evenals de feitenrechters – veel bekend veronderstellen omtrent (de soort kansspelautomaten
- en)de spelen die op de kansspelautomaten worden aangeboden, respectievelijk de daarmee vergeleken spelen bij HC worden gespeeld. 6.5 Omtrent de feitelijk op de kansspelautomaten te spelen kansspelen is niet heel veel meer vastgesteld dan dat roulette bij belanghebbende kennelijk in een multiplayer-versie (meer speelautomaten rond een rouletteschijf, zie onderdeel 6.8) wordt gespeeld. Wat betreft de kennelijk ook in geding zijnde spelen blackjack en poker leid ik uit de stukken af dat deze individueel op een apparaat (‘singleplay’) worden gespeeld. Hoe laatstbedoelde spelen zich verhouden tot de spelen blackjack en poker zoals deze bij HC worden gespeeld, wordt mij uit de stukken niet duidelijk. Evenmin is mij duidelijk of er nog ándere kansspelen (en zo ja: welke) op de speelautomaten worden gespeeld. 6.6 Het lijkt erop dat belanghebbende álle kansspelautomaten – ongeacht het daarop gespeelde spel – soortgelijk aan casinospelen acht en meent dat derhalve álle kansspelautomaten onder de omzetbelastingvrijstelling moeten vallen, terwijl met name het Hof een vergelijking maakt tussen bepaalde automaten- en casinospelen, waarbij niet helemaal duidelijk is of die vergelijking uitputtend is in die zin dat daarmee alle spelen op de kansspelautomaten van belanghebbende zijn behandeld. Het lijkt er overigens op dat dit niet het geval is. In haar pleitnota voor de tweede mondelinge behandeling van de zaak door het Hof op 13 juni 2014 heeft belanghebbende (punt 2.6) gesteld dat ook niet-roulettespelen ‘zoals fruitautomaten, poker, black jack, bingo etc., welke allen zowel als singleplayer en als multiplayer kunnen voorkomen (net als overigens roulette ook als singleplayer kan voorkomen’ onderdeel van het geding zijn. Dit suggereert op zijn minst dat er meer spelen zijn dan blackjack en poker, die het Hof – naast roulette – noemt. 6.7 Ik merk hierbij op dat de vergelijking en toespitsing van het Hof mij in zoverre juist voorkomt, dat mijns inziens niet alle speelautomatenspelen als één geheel over één kam kunnen worden geschoren met alle casinospelen c.q. ‘fysieke’ kansspelen. Het lijkt mij dat op spelniveau de vergelijking c.q. de beoordeling van soortgelijkheid moet plaatsvinden, dat wil zeggen ‘casinoroulette’ tegenover ‘automatenroulette’ en ‘casinopoker’ tegenover ‘automatenpoker’. Ik zou overigens van fruitautomaten – die volgens belanghebbendes verklaring tijdens de eerste mondelinge behandeling van de zaak door het Hof op 8 januari 2014, ook deel uitmaken van het geding – geen ‘fysieke’ c.q. ‘casino’ variant weten. 6.8 Roulette 6.8.1 Roulette is, kort gezegd, een spel waar een metalen balletje in tegengestelde richting op een draaiende rouletteschijf wordt gelanceerd en waarbij de deelnemers moeten aangeven (c.q. inzetten) waar op de schijf het balletje zal blijven liggen. De speler die die plek correct heeft voorspeld, wint. Traditioneel gezien nemen de deelnemers rondom een tafel plaats en wordt de metalen bol in het spel gebracht door de croupier. 6.8.2 Belanghebbende exploiteert speelautomaten waarbij de rol van de croupier – zo leid ik af uit de overwegingen van het Hof en de gedingstukken – is geautomatiseerd. Het systeem heeft geen croupier nodig om het balletje in het spel te brengen of de gewonnen bedragen uit te betalen. Het Hof heeft in zijn overwegingen een beschrijving gegeven van de wijze waarop een roulettespel middels een dergelijke speelautomaat gaat: “4.9. (…) Bij belanghebbende wordt roulette gespeeld via het multiplayer-systeem waarbij deelnemers – achter een terminal – maar rond de rouletteschijf, die is geplaatst onder een koepel, plaatsnemen. Daarnaast is het mogelijk achter elders opgestelde terminals plaats te nemen, waarbij het spel is gekoppeld aan dezelfde roulettekoepel (de zogenoemde tweede en derde rij). Spelers plaatsen hun inzet via de terminal. Het rouletteballetje wordt via een compressor in de roulettekoepel geblazen. Uitbetaling geschiedt automatisch via het systeem. In HC wordt roulette gespeeld aan speeltafels, waarbij de spelers om de speeltafel staan.” 6.8.3 Ik maak op uit de gedingstukken dat de speler die deelneemt vanaf de eerste rij, uitzicht heeft op de koepel met daarin de rouletteschijf. De deelnemers op de eerste rij hebben, evenals de deelnemers die niet op de eerste rij zitten, ook uitzicht op deze koepel via schermen waarop - zo neem ik aan - live de gang van het balletje te volgen is. 6.8.4 Ter vergelijking heeft het Hof tevens de wijze waarop roulette wordt gespeeld bij het HC weergegeven: “4.9. (…) In HC wordt roulette gespeeld aan speeltafels, waarbij de spelers om de speeltafel staan. Het spel kan bij HC ook worden gespeeld via het zogenoemde Multi Roulette, waarbij spelers achter een terminal hun inzet plaatsen en uitbetaling ook plaatsvindt via die terminal. De Multi Roulette is gekoppeld aan een bepaalde speeltafel. Er kunnen bij Multi Roulette meerdere spelers tegelijkertijd via een eigen terminal deelnemen aan het spel. Bij het roulettespel bij HC wordt het balletje door een croupier ingebracht en vindt de uitbetaling aan de tafels plaats door de croupier. Zowel het roulettespel aan de tafel als via de Multi Roulette wordt bij HC aangemerkt als een kansspel in de zin van artikel 2 van de Wet KSB, waardoor de omzet is vrijgesteld van omzetbelasting.” 6.8.5 Het enige verschil tussen de door belanghebbende aangeboden roulette via multiplayers en die van HC via ‘Multi Roulette’ is, als ik het goed zie, gelegen bij de wijze waarop het balletje in het spel wordt gebracht en het sein dat niet meer mag worden ingezet. Het plaatsen van de inzet, het uitbetalen en het volgen van het spel gebeurt bij beide spelen op dezelfde wijze. De winkansen zijn bij beide spelen gelijk, de minimale en maximale inzetten daarentegen niet. 6.8.6 Het Hof heeft geoordeeld dat de (‘belaste’) multiplayer-roulette-speelautomaten van belanghebbende soortgelijk zijn aan het Multi Roulettespel en het ‘gewone’ tafelroulette dat (vrijgesteld) bij HC wordt gespeeld. Gezien de eisen van het Europese recht, weergegeven in de onderdelen 5.2 en 5.3 van deze conclusie, meen ik dat het Hof bij de motivering – in punt 4.10 van de uitspraak (geciteerd in punt 3.2.4 van deze conclusie) – van dit oordeel is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting en de juiste toets heeft aangelegd. Ik acht het oordeel niet onvoldoende gemotiveerd en ook niet onbegrijpelijk. 6.8.7 Dat betekent dat het cassatieberoep van de Staatssecretaris faalt. 6.8.8 In haar vierde cassatiemiddel komt belanghebbende op tegen het (impliciete) oordeel van het Hof dat roulette dat ‘singleplay’ wordt gespeeld op een speelautomaat niet soortgelijk is aan roulette dat bij HC wordt gespeeld. Bij dergelijke ‘stand-alone’ apparaten zit de speler, althans dat leid ik uit de gedingstukken af, achter een automaat waarvan op het computerscherm op ooghoogte van de speler een rouletteschijf is afgebeeld. Op het scherm daaronder kan de speler kennelijk het vakje kiezen waarop hij verwacht dat de bol zal komen stil te liggen. Op dit gedeelte van de speelautomaat is een gedeelte gereserveerd waar de speler zijn inzet kan invoeren en waar de eventuele uitbetaling plaatsvindt. Hét verschil tussen de multiplayer-roulette en de singleplayervariant is, lijkt mij, gelegen in het feit dat de singleplayer individueel speelt. Ik acht niet onbegrijpelijk dat deze vorm van spelen een andere consument trekt dan degene die multiplayer wenst te spelen. In het licht daarvan komt het mij voor dat het Hof – impliciet – met juistheid heeft beslist dat (alleen) de multiplayer roulettespeelautomaten vergelijkbaar c.q. concurrerend zijn met casinoroulette. 6.8.9 Dat betekent dat belanghebbendes vierde middel faalt en dat het door belanghebbende aangeboden singleplayer roulettespel dient te worden uitgezonderd van de vrijstelling in de omzetbelasting. 6.9 Poker en blackjack 6.9.1 Anders dan roulette, zijn poker en blackjack in ‘fysieke vorm’ kaartspelen die door een groep(
- je)spelers en/of de bank wordt gespeeld, en waarbij interactie tussen de spelers en de bank bestaat – te denken valt aan de uit het pokerspel komende uitdrukking ‘pokerface’. Zie ik het goed, feitelijk is namelijk niets vastgesteld, dan wordt op de speelautomaten van belanghebbende poker respectievelijk blackjack gespeeld als ‘singleplay’ variant: de ene speler speelt tegen de bank. Het komt mij voor dat dit, in ieder geval met betrekking tot het pokerspel toch wat anders is ( in andere behoeften c.q. in de behoeften van verschillende soorten consumenten voorziet) dan het meedoen aan een ‘klassiek’ pokerspel met meer spelers. Ten aanzien van blackjack – bij mijn weten een vorm van het kaartspel ‘eenentwintigen’ – moet ik bekennen dat ik de verschillen niet zo zie. 6.9.2 Uitgaande van de juistheid van het voorgaande, en in aanmerking nemende dat op belanghebbende – die vrijstelling van omzetbelasting voorstaat – de last rust te bewijzen dat sprake is van soortgelijke (concurrerende) spelen, acht ik begrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd ’s Hofs oordeel (zie punt 4.11 van de bestreden uitspraak) dat speelautomaten-poker dermate verschillend is aan poker aan een speeltafel bij HC, dat zij niet als soortgelijk kunnen worden aangemerkt en dat derhalve het neutraliteitsbeginsel niet eraan in de weg staat dat de speelautomaten-spelen voor de heffing van omzetbelasting (en kansspelbelasting) anders worden behandeld dan de gelijknamige casinospelen. Ten aanzien van het spel blackjack acht ik ’s Hofs oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, echter niet begrijpelijk. 6.9.3 Dat betekent dat belanghebbendes tweede cassatiemiddel gedeeltelijk slaagt. 7Reikwijdte van het geschil 7.1 In het derde en vierde middel speelt belanghebbende parten dat de feiten en hetgeen precies tussen partijen in geschil is, niet goed uitgekristalliseerd zijn: afgezien van de multiplayer-roulette-automaten, blijft in het midden welke kansspelautomatenspelen met welke (wel vrijgestelde) kansspelen moeten worden vergeleken. Belanghebbende werpt van meet af aan alle speelautomaten (dat wil zeggen alle kansspelen die op haar speelautomaten (kunnen) worden gespeeld) in de strijd. Gelet op de vergelijking die zij maakt met casinospelen, ligt het voor de hand daaruit af te leiden dat belanghebbende haar pijlen met name richt op automatenspelen die in andere vorm (fysiek) in casino’s van HC worden gespeeld, doch kennelijk zonder onderscheid naar spel. De Rechtbank heeft dit ook op deze manier opgevat, althans dat begrijp ik uit haar uitspraak (met name punten 5.7 en 5.8 van de rechtbankuitspraak). 7.2 Tegen de aldus uitgelegde geschilomschrijving heeft belanghebbende zich in hoger beroep niet gekeerd. 7.3 In hoger beroep is belanghebbendes uitgangspunt ook de vergelijking tussen (alle) casinospelen en (alle) kansspelautomaten. Het lijkt mij dat ook hier bedoeld is casinospelen te vergelijken met ‘casinoachtige’ automatenspelen. 7.4 Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof van 8 januari 2014, zijn vooral, maar niet uitsluitend, roulette en poker ter zitting ‘onderwerp van gesprek’ geweest. Blijkens dit proces-verbaal heeft belanghebbende verklaard dat: “Het geschil (…) zowel betrekking [heeft] op automaten (roulette, blackjack) als op fruitautomaten en tafelspelen. Op een automaat kun je ook roulette spelen.” Het proces-verbaal van de tweede mondelinge behandeling biedt geen gezichtspunten omtrent de reikwijdte van het geschil. Het verzoek om nadere informatie dat het Hof belanghebbende bij brief van 15 januari 2014 heeft gedaan, suggereert dat het Hof onderscheid heeft willen maken naar multiplayer-roulette en – naar ik vermoed – (alle) andere kansspelautomatenspelen. Belanghebbende werd althans verzocht een overzicht te geven van de bedragen waarop zij recht heeft, indien: “