15/01417 Mr. L. Timmerman Zitting 8 mei 2015 Conclusie inzake: [verzoekster], verzoekster tot cassatie (hierna: [verzoekster]). 1. Inleiding 1.1 De rechtbank Noord-Holland heeft [verzoeksters] verzoek van 5 december 2014 tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bij vonnis van 22 januari 2015 afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank had [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen. [verzoekster] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 17 maart 2015 het bestreden vonnis bekrachtigd en daartoe in rov. 2.3 en 2.4 het volgende overwogen: “2.3 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen. De financiën van [verzoekster] en haar partner zijn onvoldoende op orde dan wel inzichtelijk en de kans is te groot dat tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden zullen ontstaan. [verzoekster] en haar partner zijn samen pleegouder van een jongen van vijf jaar ten behoeve van wie zij een pleegkindvergoeding ontvangen. Deze vergoeding wordt gestort op de rekening waarvan ook alle vaste lasten en boodschappen worden betaald, terwijl deze gelden strikt gescheiden behoren te blijven, althans duidelijk en inzichtelijk moet zijn hoe deze gelden worden besteed. Voorts blijkt uit de bankafschriften dat meerdere keren per dag kleine bedragen worden gepind, hetgeen de financiën eveneens onoverzichtelijk maakt. Verder staat vast dat [verzoekster] en haar partner vlak voor hun verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling een eindafrekening van Essent hebben ontvangen, die zij niet konden voldoen, omdat zij daarvoor geen reserve hadden opgebouwd. De gestelde positieve ontwikkeling, te weten dat [verzoekster] en haar partner zich bereid hebben getoond de pleegkindvergoeding te scheiden van hun overige inkomsten en zich hebben aangemeld bij Budgetbeheer teneinde meer overzicht te krijgen in hun financiën, is weliswaar een stap in de goede richting, maar - gezien het feit dat [verzoekster] en haar partner op 6 maart 2015 hun eerste intake gesprek hebben gehad - nog van te recente datum, zodat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de persoonlijke situatie van [verzoekster] reeds zodanig is gestabiliseerd dat op grond daarvan nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldoende is gewaarborgd. Daarvoor zijn de veranderingen nog van te korte duur en onvoldoende bestendig. 2.4 [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw. Een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan alleen op vorenbedoelde grond worden gehonoreerd, als sprake is van in dat artikel genoemde gevallen en ook overigens aan alle andere in dat artikel gestelde vereisten is voldaan. Nu het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen vanwege het niet voldoen aan het vereiste in artikel 288, eerste lid, onder c, Fw en deze afwijzingsgrond niet behoort tot de in artikel 288, derde lid, Fw, bedoelde gevallen, komt het hof aan toepassing van de hardheidsclausule niet toe.” 1.2 Met een op 25 maart 2015 ingekomen verzoekschrift en derhalve binnen de daarvoor gestelde termijn heeft [verzoekster] tegen het zo-even genoemde arrest beroep in cassatie ingesteld. Op 14 april 2015 is een aanvullend cassatieverzoekschrift ingediend naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting bij het hof. 2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel telt twee onderdelen. Onderdeel 1 richt zich tegen de overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen (rov. 2.3). Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen en zijn oordeel niet toereikend heeft gemotiveerd (rov. 2.4). 2.2 Ik beoordeel de onderdelen tegen de volgende achtergrond. Art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw bepaalt dat een verzoek tot toelating slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De ratio van deze bepaling is het beperken van de toegang tot de schuldsaneringsregeling tot de schuldenaren die ‘er klaar’ voor zijn: schuldenaren die ten tijde van het verzoek de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden onder controle hebben gekregen en zich, eventueel met hulp van derden, in een stabiele leefsituatie bevinden om aan hun saneringsverplichtingen te kunnen voldoen. Het is aan de schuldenaar om aan de hand van voldoende gegevens en bescheiden voldoende aannemelijk te maken dat aan het vereiste van art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw is voldaan (vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 19). Het betreft hier een imperatieve afwijzingsgrond. Dat betekent dat wanneer de rechter van oordeel is dat niet aan art. 288 lid 1 aanhef en onder c is voldaan – welk oordeel een overwegend feitelijk karakter draagt, aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden en in cassatie slechts op een toereikende motivering kan worden getoetst – het verzoek moet worden afgewezen. Alleen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen, kan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in afwijking van art. 288 lid 1 aanhef en onder b (het vereiste van de ‘goede trouw’) en art. 288 lid 2 aanhef en onder c (de afwijzingsgrond ‘onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen’) toch worden toegewezen op grond van de hardheidsclausule in art. 288 lid 3 Fw. 2.3 De in rov. 2.3 door het hof gegeven motivering bestaat uit drie kernoverwegingen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.