Nr. 13/04328 B Zitting: 10 maart 2015 Mr. Knigge Conclusie inzake: [klager]
(3)heb opgemerkt, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Voor zover al sprake is van gebreken, liggen die in de sfeer van de formaliteiten. Er is geen enkele aanwijzing dat de onderscheiden bewindslieden zich niet vooraf of achteraf met het gegeven advies respectievelijk de gegeven machtiging hebben kunnen verenigen. 5.7. Het tweede middel kan voorts niet slagen omdat het feitelijke grondslag mist. In het middel wordt namelijk gesteld dat “klager uitgebreid gemotiveerd heeft aangegeven dat de (vermeende) machtiging die zich in het dossier bevindt niet ziet op het rechtshulpverzoek waarin om de betreffende dwangmiddelen is verzocht”, terwijl uit de processen-verbaal van de zittingen in raadkamer dan wel uit de aangehechte pleitnota niet blijkt dat namens de klager een dergelijk verweer is gevoerd. 5.8. Dit alles evenwel ten overvloede. Zoals reeds aangegeven falen beide middelen op de onder 5.4 aangedragen grond. 6Het derde middel 6.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank in strijd met een dienaangaand gevoerd verweer en ten onrechte dan wel ontoereikend en onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de rechter-commissaris ter voldoening aan een rechtshulpverzoek gebruik kan maken van de hem in art. 125i Sv gegeven bevoegdheid. 6.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting in raadkamer van 8 april 2013 aangehechte pleitnota heeft de raadsman van klager aldaar onder meer aangevoerd: “Klager stelt zich op het standpunt dat de digitale gegevens niet mogen worden verstrekt. Artikel 552h Sv spreekt slechts over “documenten, dossiers of stukken van overtuiging”. Het vastleggen van digitale informatie wordt geregeld in artikel 125i Sv. Dit artikel is niet van toepassing in een van de in artikel 552oa Sv genoemde bepalingen. Derhalve kan verstrekking van de digitale informatie niet plaatsvinden.” 6.3. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “Aangevoerd is door Baghus en Brioen B.V. dat digitale gegevens en gegevensdragers geen stukken van overtuiging zijn als bedoeld in artikel 552h Sv. Uit de vordering uitvoering rechtshulpverzoek van 26 augustus 2011 blijkt dat de vordering tevens omvat doorzoeking van een plaats ter vastlegging van gegevens als bedoeld in artikel 125i Sv. Nu voornoemde vordering door de rechter-commissaris is toegestaan zoals gevorderd, kon tevens doorzoeking ingevolge artikel 125i Sv plaatsvinden. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt, blijkens het proces-verbaal van ambtshandeling van 12 september 2011. Hieruit blijkt immers dat een aantal digitale bestanden zijn gekopieerd van een server, naar een usb-stick en vervolgens weer naar een cd-rom. Deze voorwerpen zijn aan te merken als gegevensdragers. Onder gegevensdragers kunnen worden verstaan voorwerpen waarop onstoffelijke en abstracte gegevens kunnen worden opgeslagen, die om te kunnen worden vastgelegd, moeten zijn verbonden met een drager. Deze voorwerpen kunnen op grond van artikel 552oa lid 4 Sv worden overgedragen aan buitenlandse autoriteiten, nadat daartoe verlof is verleend. Deze categorie voorwerpen wordt niet met zoveel woorden in artikel 552h genoemd, maar gelet op de vermelding in artikel 552oa lid 4 Sv kunnen deze worden ingelezen in voornoemd artikel. Voorts blijkt uit artikel 552p lid 2 Sv dat, mits daartoe verlof is verleend, door de rechter-commissaris ter beschikking van de officier van justitie kunnen worden gesteld in beslag genomen stukken van overtuiging en onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid. Ook hieruit volgt dat de wetgever heeft bedoeld gegevensdragers onder het bereik van artikel 552h Sv te laten vallen.” 6.4. Voor zover het verweer en het daarop aansluitende middel berusten op de opvatting dat van een rechtshulpverzoek in de zin van art.552h lid 2 Sv geen sprake is voor zover dat verzoek ziet op de overdracht van gegevensdragers en wel omdat die gegevensdragers niet kunnen worden aangemerkt als “documenten, dossiers of stukken van overtuiging”, geldt het volgende. Uit de door de Rechtbank genoemde bepalingen (art. 552oa lid 4 en art. 552p lid 2) volgt zonneklaar dat een dergelijke restrictieve uitleg niet langer als juist kan worden aanvaard. Het ware beter geweest als art. 552h lid 2 gelijke tred had gehouden met de wijzigingen die de regeling van de ‘kleine rechtshulp’ sinds 1967 heeft ondergaan, maar een reden om tegen de onmiskenbare bedoeling van de (latere) wetgever in te gaan, levert dat niet op. 6.5. Als ik het goed begrijp bevat het middel echter ook de klacht dat art. 125i Sv toepassing mist in een rechtshulpprocedure als de onderhavige, zodat de Rechtbank geen verlof had mogen verlenen de met toepassing van deze bevoegdheid vergaarde gegevens ter beschikking te stellen van de officier van justitie. Ik laat hier in het midden of de Rechtbank het gevoerde verweer in deze zin heeft verstaan of had moeten verstaan. Ik laat ook in het midden of juist is dat de Rechtbank, zoals het middel lijkt te suggereren, heeft geoordeeld dat art. 125i Sv ingelezen kan worden in art. 552oa lid 4 Sv en dat de rechter-commissaris dus aan dat artikellid de bevoegdheid kan ontlenen om art. 125i Sv toe te passen. De rechtsvraag die het middel opwerpt, is naar het mij voorkomt belangrijk genoeg om te bespreken. Daarom laat ik ook in het midden of de klager, die door de Rechtbank kennelijk als belanghebbende is aangemerkt omdat hij als verdachte is aangemerkt, wel belang heeft bij de klacht over de onrechtmatige gegevensvergaring, nu de desbetreffende gegevens niet onder de klager, maar onder [B] B.V.(van welke B.V. klager werknemer was) zijn vergaard. 6.6. Ik stel voorop dat de Rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat het onderhavige rechtshulpverzoek gegrond is op verdragen. Ik zal daarom bij de bespreking van de opgeworpen rechtsvraag alleen zijdelings aandacht besteden aan verzoeken die een verdragsgrondslag missen. 6.7. Ik stel eveneens voorop dat aan art. 552p lid 2 Sv – waaruit blijkt dat verlof kan worden verleend ten aanzien van onder de rechter-commissaris (of onder de officier van justitie) berustende gegevensdragers “waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid” – niet de bevoegdheid tot toepassing van art. 125i Sv kan worden ontleend. Weliswaar valt onder de hier gegeven omschrijving ook een gegevensdrager waarop gegevens zijn vastgelegd die door middel van toepassing van art. 125i Sv zijn verkregen, maar daarmee is niet veel gezegd. Van welke bevoegdheden gebruik mag worden gemaakt ter voldoening aan een rechtshulpverzoek, wordt namelijk niet door art. 552p Sv bepaald. Het volgende om dit te illustreren. Ook diskettes die gegevens bevatten die door een telefoontap zijn verkregen, zijn gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid zijn vergaard. Toch is art. 552p Sv niet op deze gegevensdragers van toepassing. Voor zover het om de eerste volzin van art. 552p lid 2 Sv gaat, stuit de toepassing reeds af op het feit dat dergelijke diskettes normaal gesproken niet onder de rechter-commissaris berusten, en wel omdat diens bemoeienis met de telefoontap zich beperkt tot het verlenen van een machtiging. De tweede volzin van het artikellid lijkt wel toepassing te kunnen vinden, maar toch is dat niet het geval. In art. 552oa Sv is namelijk een specifieke regeling getroffen met betrekking tot de bijzondere opsporingsbevoegdheden. De verlofverlening voor de afgifte van “voorwerpen” die zijn verkregen door toepassing van (onder meer) art. 126m Sv is daardoor eveneens apart geregeld, en wel in art. 552oa lid 4 Sv. Aandacht daarbij verdient dat een bepaling als vervat in art. 552p lid 4 Sv ontbreekt. De mogelijkheid voor de indiening van een klaagschrift lijkt niet geboden te hoeven worden, naar ik aanneem omdat het gewenst kan zijn dat de verdachte van de toepassing van de desbetreffende bevoegdheid vooralsnog onkundig blijft. Doordat art, 552d Sv niet van overeenkomstige is verklaard, is cassatieberoep tegen de verlofverlening evenmin mogelijk. Als dus juist zou zijn dat art. 125i Sv ingelezen moet worden in art. 552oa lid 4 Sv, is daarvan de consequentie dat de klager in het onderhavige cassatieberoep niet ontvangen kan worden voor zover dat betrekking heeft op gegevens die door toepassing van art. 125i Sv zijn vergaard. 6.8. De vraag welke bevoegdheden mogen worden ingezet om aan een rechtshulpverzoek als hier bedoeld te voldoen – en dus de vraag of sprake is van gegevens “die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid” als bedoeld in art. 552p lid 2 Sv – , vindt beantwoording in de art. 552n e.v. Sv. Art. 552n Sv bepaalt de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de officier van justitie de rechter-commissaris moet (eerste lid) of kan (tweede lid) inschakelen. Zo bepaalt art. 552n, eerste lid, onder d Sv dat de officier van justitie een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris stelt indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen en de rechter-commissaris daartoe bevoegdheden dient uit te oefenen. Wie art. 552n Sv beziet met in het achterhoofd de bevoegdheidsverdeling die tegenwoordig in het voorbereidend onderzoek geldt tussen officier van justitie en rechter-commissaris, zou daarin gemakkelijk kunnen lezen dat de officier van justitie het rechtshulpverzoek maar in een beperkt aantal uitzonderingsgevallen in handen hoeft te stellen van de rechter-commissaris en dat hij in de andere gevallen met gebruikmaking van zijn eigen bevoegdheden aan het verzoek kan voldoen, zij het dat hij in die andere gevallen de rechter-commissaris wel mag inschakelen (art. 552n lid 2 Sv). Strekt bijvoorbeeld het verzoek tot het laten verrichten van DNA-onderzoek, dan verplicht art. 552n lid 1 Sv bij deze lezing niet tot het in handen stellen van het verzoek aan de rechter-commissaris, zodat de officier van justitie zelf het DNA-onderzoek kan laten verrichten op grond van art. 151a Sv. 6.9. Zo echter schijnt het artikel niet gelezen te moeten worden. Het uitgangspunt van de wetgever is in elk geval oorspronkelijk geweest dat inschakeling van de rechter-commissaris steeds nodig is als ter voldoening aan het verzoek dwangmiddelen moeten worden toegepast. De MvT stelde destijds dat de toepassing van dwangmiddelen “slechts in beperkte mate is toegestaan, en dan alleen ten aanzien van verzoeken die op een verdrag zijn gegrond”. De regeling beperkte zich destijds tot dwangmiddelen met betrekking tot het horen van onwillige personen (voorgeleiding en gijzeling) en tot inbeslagneming. Dat alleen de rechter-commissaris deze dwangmiddelen mocht toepassen, lag besloten in de wettelijke regeling. Uit art. 552n lid 1 Sv volgde dat als een op een verdrag gebaseerd verzoek strekte tot toepassing van één van deze dwangmiddelen, de officier van justitie het verzoek in handen moet stellen van de rechter-commissaris. Dit met bijbehorende vordering (art. 552n lid 3 Sv) ten aanzien waarvan art. 552o lid 1 Sv bepaalde dat die gelijkgesteld werd met een vordering gerechtelijk vooronderzoek voor wat betreft (kort gezegd) de bevoegdheden van de rechter-commissaris met betrekking tot het horen van getuigen en de inbeslagneming. Dat de in art. 552o lid 1 Sv gegeven opsomming van dwangmiddelen limitatief was bedoeld, werd onderstreept door het derde lid van art. 552o Sv, dat inhield dat geen gebruik van dwangmiddelen kan worden gemaakt “anders dan overeenkomstig de voorgaande leden”. Deze bepaling sloot uit dat dat de officier van justitie dwangmiddelen kon toepassen, laat staan andere dwangmiddelen dat die in art. 552o lid 1 Sv werden genoemd. De officier van justitie kon het verzoek gezien deze wettelijke regeling dus alleen zelf afhandelen als de betrokkenen daaraan vrijwillig meewerkten. De facultatieve bevoegdheid van art. 552n lid 2 Sv had dan ook slechts een beperkte betekenis. Gedacht moest worden aan gevallen waarin de desbetreffende getuige bereid was om een verklaring af te leggen, en waarin een beëdigde verklaring gewenst voorkwam, hoewel daarom niet uitdrukkelijk was gevraagd. Mogelijk moest ook gedacht worden aan verzoeken die niet op een verdrag waren gebaseerd, en waarin het horen (op vrijwillige basis) door de rechter-commissaris gewenst was. Op andere dwangmiddelen dan die in art. 552o lid 1 Sv waren opgesomd, had het artikellid in elk geval geen betrekking. 6.10. De oorspronkelijke opzet van de regeling is in de huidige art. 552n en 552o Sv nog steeds goed te herkennen. Ik wijs in het bijzonder op art. 552o lid 4, dat nog steeds bepaalt dat, andersluidend verdragsrecht daargelaten, toepassing van dwangmiddelen alleen plaats vindt op de wijze die in art. 552o Sv is voorzien. Dat neemt niet weg dat de wetgever die oorspronkelijke opzet wat uit het oog lijkt te zijn verloren. Ter sprake kwam reeds de bevoegdheid tot het laten verrichten van DNA-onderzoek, dat tegenwoordig in art. 552o lid 1 wordt genoemd, maar geen geval oplevert waarvan art. 552n lid 1 voorschrijft dat de officier van justitie de rechter-commissaris moet inschakelen. Dat kan gezien worden als een misslag waaruit weinig bloed voortvloeit. Een op een verdrag gegrond verzoek tot toepassing van DNA-onderzoek kan beschouwd worden als een ander geval als bedoeld in art. 552n lid 2 Sv, zodat de officier van justitie dat verzoek in handen ‘kan’ – en gezien art. 552k lid 1 Sv eigenlijk ‘moet’ – stellen van de rechter-commissaris. Inzichtelijker is de regeling er zo niet op geworden. Een wezenlijk verschil tussen de gevallen van het eerste en het tweede lid van art. 552n Sv lijkt er niet meer te zijn. 6.11. Ook op een ander punt is inbreuk gemaakt op het oorspronkelijke stelsel. De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet van 27 mei 1999, Stb. 1999, 245) leidde zoals bekend tot een verschuiving in de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter-commissaris en de officier van justitie. Zo werd de telefoontap een bevoegdheid van de officier van justitie, zij het dat daarvoor een machtiging was vereist van de rechter-commissaris. Het gevolg was dat in art. 552o lid 1 Sv voor de telefoontap (die eerder in dat artikellid was ingevoegd als een door de rechter-commissaris toe te passen dwangmiddel) geen plaats meer kon zijn weggelegd. De telefoontap kreeg, samen met alle andere bijzondere opsporingsbevoegdheden, een plaats in het nieuwe art. 552oa Sv. De vraag die dat oproept, is wat nog de betekenis is van art. 552o lid 4 Sv. Dat geen dwangmiddelen mogen worden toegepast anders dan overeenkomstig het bepaalde in art. 552o Sv klopte immers niet meer. Dat is alleen anders als men er vanuit zou willen gaan dat bijzondere opsporingsbevoegdheden geen dwangmiddelen zijn in de zin van genoemd artikellid. Maar als het louter een terminologische kwestie is (de telefoontap was vóór de inwerkingtreding wel een - in art. 552o Sv ondergebracht - dwangmiddel), kan moeilijk volgehouden worden dat het artikellid een fundamenteel, systeembepalend kenmerk van de wettelijke regeling vormt. Hoe dan ook, de officier van justitie beschikt sinds de inwerkingtreding van art. 552oa Sv over een groot arsenaal aan ingrijpende bevoegdheden dat door hem ingezet kan worden ter voldoening aan een rechtshulpverzoek. En passant werd daarbij ook met een andere uitgangspunt gebroken. Een verdragsgrondslag is niet vereist als het gaat om een niet in het eerste lid van art. 552oa Sv genoemde bevoegdheid, dat wil zeggen als voor de desbetreffende bevoegdheid geen machtiging van de rechter-commissaris is vereist (art. 552oa lid 2 Sv). Daarbij geldt ook hier dat van een fundamenteel principe geen sprake kan zijn als de gelding ervan afhangt van de gekozen terminologie. 6.12. Aandacht verdient dat de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden ook art. 552n lid 1 sub c Sv wijzigde. Dit artikelonderdeel luidde destijds, voor zover hier van belang, als volgt: “De officier van justitie stelt een (…) verzoek (…) in handen van de rechter-commissaris: (…) c. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is, dat andere dan openbare plaatsen tegen de wil van de rechthebbende worden betreden, of dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen.” De zinsnede “dat andere dan openbare plaatsen tegen de wil van de rechthebbende worden betreden, of” werd geschrapt. Dit werd als volgt toegelicht: “Dit wetsvoorstel geeft de officier van justitie in veel gevallen de bevoegdheid andere dan openbare plaatsen te laten betreden. Een wijziging van artikel 552n lid in onder c stelt zeker, dat de officier deze bevoegdheden ook heeft in geval van een rechtshulpverzoek.” Het probleem waarvoor hier een oplossing werd gezocht, werd als ik het goed begrijp gevormd door de inkijkoperatie. Enerzijds gold dat de officier van justitie aan art. 552oa Sv de bevoegdheid ontleende een dergelijke operatie te gelasten, terwijl anderzijds op grond van art. 552n lid 1 sub c Sv leek te gelden dat het verzoek – nu dat strekte tot het betreden van een niet openbare plaats tegen de wil van de rechthebbende – in handen van de rechter-commissaris moest worden gesteld. Aan deze tegenstrijdigheid werd inderdaad door de schrapping van de bedoelde zinsnede een einde gemaakt. Maar de vraag is of de consequenties voor de gevallen waarin aan art. 552oa Sv niet de bevoegdheid kan worden ontleend om een bepaalde plaats te betreden, voldoende zijn doordacht. Gold voortaan dat ook als het verzoek strekte tot het al dan niet tegen de wil van de rechthebbende betreden van een openbare plaats (bijvoorbeeld voor het houden van een schouw), de rechter-commissaris moest worden ingeschakeld? Of was de gedachte dat de schrapping tot gevolg had dat voor het betreden van plaatsen (al dan niet openbaar; al dan niet tegen de wil van de rechthebbende) nimmer nodig was dat het verzoek in handen van de rechter-commissaris wordt gesteld (omdat art. 552n lid 1 Sv dat niet langer voorschreef) en dat de officier van justitie “dus” zelf mocht optreden? In dat laatste geval is sprake van een breuk met de oorspronkelijke opzet van de regeling. 6.13. De Wet versterking positie rechter-commissaris (Wet van 1 december 2011, Stb. 2011, 600) wijzigde het genoemde artikelonderdeel (inmiddels vernummerd tot art. 552n lid 1 sub
- d)opnieuw. Toegevoegd werd de zinsnede “en de rechter-commissaris daartoe bevoegdheden dient uit te oefenen”, waardoor het artikelonderdeel kwam te luiden zoals het thans luidt. Deze wijziging werd als volgt toegelicht: “In het eerste lid van artikel 552n Sv wordt in onderdeel d tot uitdrukking gebracht, dat de rechter-commissaris niet meer in alle gevallen bij inbeslagneming of doorzoeking in het kader van een verzoek om rechtshulp behoeft te worden betrokken. In het vervolg is de vraag bepalend of de bevoegdheidsuitoefening nodig is, die op voet van de reguliere regeling met betrekking tot de inbeslagneming van stukken (artikel 94 e.v. Sv) en doorzoeking (artikel 96 e.v. Sv) is voorbehouden aan de rechter-commissaris. Wanneer de verzoekende staat heeft aangegeven belang te hechten aan de uitvoering van de handeling door en rechter (vgl. artikel 4 van de EU Rechtshulpovereenkomst, staat niets eraan in de weg dat de officier van justitie het verzoek toch in handen stelt van de rechter-commissaris.” Evident is dat dit niet te rijmen valt met het oorspronkelijke uitgangspunt dat dwangmiddelen alleen door de rechter-commissaris in door de wet bepaalde gevallen mogen worden toegepast. Het nieuwe uitgangspunt lijkt te zijn dat de OvJ van zijn eigen bevoegdheden tot inbeslagneming gebruik mag maken als de wet niet voorschrijft dat de rechter-commissaris wordt ingeschakeld. Het bepaalde in art. 552o lid 4 Sv strookt, ook als de term dwangmiddelen beperkt wordt uitgelegd, in elk geval niet meer met het geldende recht. 6.14. De vraag is of gezegd kan worden dat de wetgever bij de opeenvolgende wetswijzigingen het stelsel van de wet heeft miskend. Misschien moet de conclusie wel zijn dat dit stelsel in de loop van de tijd door die wijzigingen is veranderd en dat tegenwoordig inderdaad voor juist moet worden gehouden wat bij onbevangen lezing uit art. 552n Sv lijkt te volgen (hiervoor, punt 6.8). Ik laat dit hier verder rusten, omdat het voor de beoordeling van het middel uiteindelijk niet van belang is. 6.15. Om dat duidelijk te maken, ga ik terug naar de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. Die wet schrapte zoals gezegd de telefoontap uit het rijtje dwangmiddelen in art. 552o lid 1 Sv, maar voegde aan dat rijtje ook een dwangmiddel toe, namelijk “het onderzoeken van gegevens in geautomatiseerde werken”. Die zinsnede verwees naar de al bestaande Zevende Afdeling (van Titel IV van Boek I), die als opschrift droeg: “Onderzoek van gegevens in geautomatiseerde werken”. De MvT hield over deze wijziging het volgende in: “Toegevoegd zijn de bevoegdheden van de rechter-commissaris tot het onderzoeken van gegevens in geautomatiseerde werken, geregeld in de artikelen 125i tot en met 125n van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 552p ging reeds van die toepasselijkheid uit.” Of die laatste toevoeging juist is, valt gelet op het voorgaande te betwijfelen. Zij lijkt te bevestigen dat het oorspronkelijke wettelijke stelsel voor de wetgever destijds al niet langer een levende werkelijkheid was. Maar dat terzijde. Hier van belang is dat het artikel 125i waarvan in de MvT werd gesproken, een andere inhoud had dan thans het geval is. Het ging destijds om een bevoegdheid tot het vorderen van gegevens die in geautomatiseerde werken waren opgeslagen. Aan die bevoegdheid bestond geen behoefte meer toen de in 2006 in werking getreden Wet bevoegdheden vorderen gegevens (Stb. 2005, 390) de materie opnieuw regelde. De nieuw gecreëerde bevoegdheden werden vormgegeven als bijzondere opsporingsbevoegdheden en kregen een plaats in de Titels die daarop zagen. Art. 552oa Sv werd aan die wijziging aangepast, zodat de officier van justitie deze bevoegdheden kon toepassen ter voldoening aan een rechtshulpverzoek. De vermelding in art. 552o lid 1 Sv van “het onderzoeken van gegevens in geautomatiseerde werken” werd dientengevolge weer uit het artikellid geschrapt. 6.16. Dat was op zich logisch, te meer daar het opschrift van de genoemde Zevende Afdeling werd gewijzigd en niet langer sprak van onderzoek van gegevens in geautomatiseerde werken. Voor het oude artikel 125i Sv kwam echter het huidige artikel 125i Sv in de plaats, dat de bevoegdheid geeft een plaats te doorzoeken ter vastlegging van gegevens.. De vraag is waarom een verwijzing naar deze doorzoekingsbevoegdheid in art. 552o lid 1 Sv achterwege is gebleven. Een deel van het antwoord kan denk ik gevonden worden in de toelichting die op het nieuwe artikel werd gegeven: “Artikel 125i wordt vervangen. De nieuwe tekst van artikel 125i houdt in dat aan de rechter-commissaris, de officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar op gelijke voet als mogelijk is ter inbeslagneming van voorwerpen, de bevoegdheid toekomt tot het in het belang van het onderzoek doorzoeken van plaatsen ter vastlegging van gegevens. Het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens houdt in dat – met het oog op het ter beschikking krijgen van gegevens die nodig zijn voor het opsporingsonderzoek – een plaats wordt betreden, teneinde de gegevens te zoeken en op een gegevensdrager vast te leggen zodat deze ten behoeve van het opsporingsonderzoek gebruikt kunnen worden. Ook bij de uitoefening van de bestaande bevoegdheden tot doorzoeking ter inbeslagneming van een voorwerp mogen gegevens worden vastgelegd en meegenomen. (Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, blz. 10–13). De voorgestelde regeling strekt ertoe te bepalen dat doorzoeking mogelijk is uitsluitend ter vastlegging van gegevens, bijvoorbeeld indien vooraf vaststaat dat inbeslagneming van voorwerpen niet nodig is, omdat volstaan kan worden met het ter plekke inzien van de computer en het vervaardigen van kopieën van de gezochte gegevens door deze op een gegevensdrager vast te leggen. Dit laatste is minder belastend voor degene die op de plaats van de doorzoeking dagelijks van de computer gebruik maakt, zeker wanneer de computer deel uitmaakt van een netwerk. Met de term «vastlegging van gegevens» wordt aangesloten bij de terminologie die thans reeds wordt gebruikt, onder andere in artikel 125j, eerste lid, tweede volzin, Sv. De normering van de doorzoeking ter vastlegging van gegevens sluit aan bij de normering van de doorzoeking ter inbeslagneming van voorwerpen.” 6.17. Uit deze toelichting blijkt dat de wetgever ervan uitging dat de bevoegdheid tot het doorzoeken van plaatsen ter inbeslagneming van voorwerpen de bevoegdheid impliceerde om gegevens vast te leggen die in geautomatiseerde werken zijn opgeslagen. Dat betekent dat voor de vastlegging van gegevens die bij een gewone doorzoeking plaatsvindt, geen aparte vermelding in art. 552o lid 1 Sv nodig is. De bevoegdheid daartoe ligt immers besloten in de in dat artikellid al vermelde bevoegdheid tot het betreden van plaatsen, het doorzoeken van plaatsen en het in beslag nemen van stukken van overtuiging. Iets soortgelijks lijkt mij te gelden als de officier van justitie op grond van art. 552n lid 1 sub d Sv gebruik maakt van eigen doorzoekingsbevoegdheden. Ook daarin ligt de bevoegdheid om gegevens vast te leggen, besloten. 6.18. De vraag waarom art. 125i Sv niet in art. 552o lid 1 Sv werd vermeld, staat op scherp in de gevallen waarvoor het artikel volgens de MvT was bedoeld: de gevallen waarin de doorzoeking uitsluitend gericht was op de vastlegging van gegevens. Is hier sprake van een wettelijke leemte? Die vraag moet bevestigend worden beantwoord als het “doorzoeken van plaatsen” in art. 552o lid 1 Sv wordt gelezen als enkel een steunbevoegdheid bij het daaropvolgende “in beslag nemen van stukken van overtuiging”. Koppelt men daarentegen de doorzoeking los van de inbeslagneming, zodat de “doorzoeking van plaatsen” in art. 552o lid 1 Sv ook de doorzoeking ter vastlegging van gegevens omvat, dan is van een wettelijke leemte geen sprake. Hoewel die laatste uitleg niet strookt met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever en ook iets ongemakkelijks heeft (want waarom zou de inbeslagneming in art. 552o lid 1 Sv wel apart vermeld moeten worden en de vastlegging van gegevens niet?), kan denk ik aangenomen worden dat de wetgever in 2006 meende dat een aanvulling van art. 552o Sv achterwege kon blijven omdat hij van die laatste, ruime uitleg uitging. Want waarom anders zou die aanvulling achterwege zijn gelaten? Een goede reden waarom in het kader van de rechtshulp geen gebruik zou mogen worden gemaakt van art. 125i Sv valt moeilijk te bedenken. Van de gedachte die in 1967 nog voorzat, namelijk dat de dwangmiddelen die ten behoeve van de rechtshulp mogen worden gebruikt, beperkt in aantal zijn, is tenslotte in de loop van de tijd niets overgebleven. 6.19. Rest de vraag of de officier van justitie ter voldoening aan een rechtshulpverzoek van zijn eigen – hem in art. 125i Sv gegeven – bevoegdheid gebruik mag maken om plaatsen uitsluitend ter vastlegging van gegevens te doorzoeken. Een direct beroep op art. 552n lid 1 sub d Sv is niet goed mogelijk omdat het daarin gaat om bevoegdheden die gericht zijn op inbeslagneming (“daartoe”). Indien men evenwel aanneemt dat deze wetsbepaling bevestigt dat het wettelijk uitgangspunt ten aanzien van in ieder geval bevoegdheden die nauw aan de inbeslagneming zijn verwant, inmiddels is geworden dat de officier van justitie de rechter-commissaris alleen hoeft in te schakelen als hij zelf de desbetreffende bevoegdheid mist (vgl. hiervoor, punt 6.14), dient de gestelde vraag bevestigend te worden beantwoord. 6.20. In casu speelt deze vraag niet omdat het ging om een doorzoeking die door de rechter-commissaris werd verricht. Uit de beschikking van de Rechtbank blijkt voorts dat de doorzoeking mede strekte tot de inbeslagneming van bescheiden, en dus niet uitsluitend tot de vastlegging van gegevens, zodat het onderhavige kopiëren van gegevens niet berustte op art. 125i Sv. Het middel kan reeds daarom niet slagen (zie punt 6.17). 6.21. Het middel faalt. 7Het vierde middel 7.1. Het middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag van een onjuiste rechtsopvatting getuigt althans onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien “de digitale gegevens geen strafvorderlijk belang dienen – onder meer omdat de rechter-commissaris geen verlof heeft gevraagd voor de betreffende gegevens”. 7.2. Nu het middel zich keert tegen de beschikking van de Rechtbank waarin diens klaagschrift ex de 552a-Sv ongegrond is verklaard, dient het middel, gelet op hetgeen ik over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep heb uiteengezet, buiten bespreking te blijven. 7.3. Het middel kan reeds hierom niet tot cassatie leiden. 8Het vijfde middel 8.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank niet heeft gerespondeerd op “specifiek gemotiveerde verweren van klager dat bepaalde documenten geen strafvorderlijk belang dienen en derhalve dienen te worden geretourneerd aan klager”. 8.2. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de verwerping van de Rechtbank van de bedoelde verweren ontoereikend is gemotiveerd, nu uit HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4301, NJ 2010/563 volgt dat de Rechtbank zich een oordeel had moeten vormen over de vraag of het beslaggoed kan bijdragen aan de waarheidsvinding. Uit deze beschikking volgt echter eveneens dat er heel concreet verweer moet zijn gevoerd, wil de Rechtbank tot nadere motivering zijn gehouden. De toelichting op het middel maakt niet duidelijk op welke specifieke verweren wordt gedoeld, terwijl ik dergelijke verweren noch in de tijdens de raadkamerbehandeling overgelegde pleitnota, noch in de processen-verbaal van de verschillende raadkamerbehandelingen heb aangetroffen. 8.3. Het middel faalt. 9. Alle middelen falen en kunnen, met uitzondering van het derde middel, worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering.. 10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Deze zaak hangt samen met de zaken met nrs. 14/01318 B en 14/01319 B, die klaagschriften betreffen die door [A] B.V. zijn ingediend. In deze zaken concludeer ik vandaag eveneens. In de beschikking die betrekking heeft op het klaagschrift ex art. 552a Sv is tevens beslist op het klaagschrift dat is ingediend door [A] B.V. (de klaagster in de samenhangende zaken). Aldus de Hoge Raad in HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:227. Het huidige art. 552m, derde lid, Sv verschilt slechts in zoverre van zijn voorganger dat “de Minister van Justitie” is vervangen door “Onze Minister van Veiligheid en Justitie”. Blijkens art. 1 sub c van de “Mandaatregeling directie Juridische en Operationele Aangelegenheden i.o. DGRR i.o. Justitie” (Stscr. 15 juni 2007, nr. 113, p. 10) wordt van het aan de directeur Juridische en Operationele Aangelegenheden i.o. verleende ondermandaat ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het hoofd van de afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (IRS) i.o.. Blijkens de “Mandaatregeling hoofd van de afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken i.o. DGRR i.o. Justitie” is [betrokkene 3] het hoofd van de afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken. Art. 1 van deze mandaatregeling bepaalt dat van het aan het hoofd van de afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken verleende ondermandaat de bevoegdheid de brieven van de afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken i.o., behorende tot hun aandachtsveld, te ondertekenen namens de Minister van Justitie, wordt doorgegeven aan de senior juridisch medewerkers met schaal 13 van deze afdeling. Vgl. HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927, NJ 2002/580 en HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4255, NJ 2004/40. Uit het proces-verbaal van de zitting in raadkamer van 4 februari 2013 blijkt wel dat mr. De Boer (raadsvrouw van medeklager [A] B.V.) onder meer heeft aangevoerd “dat niet duidelijk is op basis waarvan overleg heeft plaatsgevonden met de Minister van Financiën, dat men bij dat overleg wel de beschikking moet hebben gehad over het rechtshulpverzoek en dat dat nergens uit blijkt”. Anders dan hij bij sommige andere verweren wel deed, heeft de raadsman van klager zich bij dit verweer echter niet aangesloten. De overwegingen van de Rechtbank kunnen zo gelezen worden dat het beroep op art. 552oa lid 4 Sv enkel is gedaan ter weerlegging van de restrictieve uitleg van art. 552h lid 2 Sv die door het verweer werd voorgestaan. Met de bevoegdheid van de rechter-commissaris was de Rechtbank snel klaar: nu de (toegewezen) vordering van de officier van justitie daartoe mede strekte, kon de rechter-commissaris toepassing geven aan art. 125i Sv. Vgl. art. 552oa lid 5 Sv, dat in de tweede volzin bepaalt dat de betrokkene “op enig moment” inzage moet worden geboden. Kamerstukken II 1964-1965, 8054, nr. 5, p. 23. Het geval van art. 552n lid 1 sub b (thans art. 552n lid 1 sub
- c)Sv doet zich dan niet voor. In die zin H. Abbink en S.J.S Bakker, Enige aspecten van kleine rechtshulp, DD 1981, p. 657. Kamerstukken II, 1996-1997, 25403, nr. 3, p. 92. Kamerstukken II, 1996-1997, 25403, nr. 3, p. 93. Kamerstukken II , 2003-2004, 29441, nr. 3 (MvT), p. 27 en nr. 6 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 16. Kamerstukken II, 2003/04, 29 441, 3, p. 18. Ik biecht daarbij op dat ik dit bij eerdere gelegenheden over het hoofd heb gezien. Zie o.m. ECLI:NL:PHR:2013:1201, punten 4.11 e.v.