Zaaknummer: 14/03816 Roldatum: 22 mei 2015 mr. Wuisman CONCLUSIE inzake: [eiser], eiser tot cassatie, advocaat: mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, tegen: Grenkefinance N.V., verweerder in cassatie, niet verschenen. 1. Procesverloop 1.1 Tussen eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) en verweerster in cassatie (hierna: Grenkefinance) is een geschil gerezen in verband met een door eerstgenoemde van laatstgenoemde gehuurd ‘radiancy skin’–apparaat. Grenkefinance heeft in verband met dit geschil bij dagvaarding van 30 juli 2013 tegen [eiser] een procedure aangespannen bij de rechtbank Oost-Brabant, kanton ’s-Hertogenbosch. Bij vonnis van 19 december 2013 heeft de kantonrechter in conventie [eiser] veroordeeld om genoemd apparaat aan Grenkefinance te retourneren op straffe van een dwangsom en om aan Grenkefinance een geldbedrag van € 16.764,28 en wettelijke rente te betalen, en in reconventie de vorderingen van [eiser] afgewezen. 1.2 [eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s Hertogenbosch. In het betrokken dagvaardingsexploot heeft zij Grenkefinance opgeroepen om ter zitting van 7 maart 2014() van het hof te verschijnen ten einde alsdan te horen eis doen en concluderen zoals in het petitum van de appeldagvaarding is vermeld. 1.3 Eerst is aan [eiser] op 7 maart 2014 op de voet van het ‘Procesreglement voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch’ (hierna: het pilotreglement) een termijn van zes weken voor het nemen van de memorie van grieven verleend. Deze termijn verstreek op 22 april 2014. Op deze laatste datum heeft hij nog eenmaal een uitstel tot op 20 mei 2014 voor het nemen van de memorie van grieven gekregen. Op de rol van 20 mei 2014 heeft [eiser] niet van grieven gediend. De rolraadsheer heeft toen meteen ambtshalve akte van niet-dienen verleend.() 1.4 Het hof heeft [eiser] vervolgens bij arrest van 24 juni 2014 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat geen grieven zijn aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. 1.5 [eiser] heeft tegen dit arrest op 30 juni 2014, en daarmee tijdig, cassatieberoep ingesteld. Tegen de niet verschenen Grenkefinance is verstek verleend. 2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het aangevoerde cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen met klachten tegen het toepassing geven door het hof aan het pilotreglement en het op die voet [eiser] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep. Voorafgaande aan de bespreking van deze klachten worden eerst enige algemene opmerkingen over en naar aanleiding van het pilotreglement gemaakt. 2.2 Het pilotreglement is een reglement dat in het kader van een pilot bij het hof ’s-Hertogenbosch met ingang van 1 januari 2013 van toepassing is verklaard op dagvaardingszaken bij dat hof. Het reglement bevat afwijkingen van het landelijk procesreglement voor dagvaardingsprocedures bij de gerechtshoven (hierna: het landelijk procesreglement). Deze afwijkingen strekken ertoe om de doorloop van de appelprocedure sterk te bekorten. Zij hebben onder meer betrekking op de termijnen voor het nemen van memories en het daarvoor te verlenen uitstel na verloop van die termijnen. Aan de pilot is bekendheid gegeven door middel van een Nieuwsbericht van 19 november 2012 op de website www.rechtspraak.nl. In dat bericht wordt vermeld dat het pilotreglement op dezelfde website is te vinden.() In de bij het pilotreglement behorende considerans wordt opgemerkt dat de pilot in beginsel 1 jaar duurt. De pilot is echter per 1 januari 2014 en 2015 verlengd. Ook hiervan is door berichten op genoemde website kennisgegeven. De verlenging per 1 januari 2014 is aangekondigd in een Nieuwsbericht van 22 november 2013. 2.3 Een zelfde pilot als hiervoor in 2.2 genoemd is ook vanaf 1 januari 2013 bij het hof Amsterdam gestart met eveneens verlengingen per 1 januari 2014 en 2015. Het bij dat hof ingevoerde pilotreglement is niet geheel gelijk aan het pilotreglement van het hof ’s-Hertogenbosch. Zo is de regeling van uitstel voor het nemen van een memorie na het verstrijken van de zes-weken termijn daarvoor verschillend geregeld. 2.4 Op 17 april 2015 heeft de Hoge Raad twee arresten uitgesproken, waarvan het ene arrest betrekking heeft op het pilotreglement van het hof ’s-Hertogenbosch - (zaak met het nummer 14/04533) - en het andere arrest op het pilotreglement van het hof Amsterdam - (zaak met het nummer 14/01534).() In het arrest inzake het pilotreglement van het hof ’s-Hertogenbosch staat de Hoge Raad stil bij de vraag van de geldigheid van het pilotreglement én bij de vraag of aan het reglement een met de goede procesorde strijdige toepassing is gegeven. Omtrent de eerste vraag overweegt de Hoge Raad in rov. 3.6.2 het volgende: “(…). Een procesreglement dat door een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan is vastgesteld en behoorlijk is bekendgemaakt, moet worden aangemerkt als recht in de zijn van artikel 79 RO. Het hof heeft met juistheid overwogen dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een procesreglement als het onderhavige voortvloeit uit art. 133 Rv. Voorts staat art. 35 lid 1 Rv niet aan de geldigheid van het pilotreglement in de weg. Die bepaling opent de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot door de rechter te stellen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen en het verlenen van uitstel daarvoor. Anders dan het onderdeel veronderstelt, delegeert deze bepaling geen bevoegdheden aan de (landelijke) rechterlijke macht, maar opent het de mogelijkheid tot het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur. De omstandigheid dat art. 35 Rv uniformering tot doel heeft, doet niet af aan de geldigheid van een bevoegdelijk vastgesteld procesreglement dat afwijkt van het landelijk procesreglement.” De tweede vraag geeft de Hoge Raad aanleiding om in rov. 3.8 onder meer het volgende te overwegen: “(…). Het pilotreglement wordt toegepast bij wijze van experiment en wijkt aanmerkelijk af van het landelijk procesreglement in die zin , dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.