Nr. 14/04940 Mr. Harteveld Zitting 20 januari 2015 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 september 2014 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van, kort gezegd, rijden onder invloed. Ten laste was gelegd overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994). 2.1. Het beroep is ingesteld door mr. J.J.J. Wubben, Advocaat-Generaal bij het Hof. Mr. H.H.J. Knol, eveneens Advocaat-Generaal bij het Hof, heeft bij schriftuur van 2 december 2014 een middel van cassatie voorgesteld. 2.2. Namens verdachte is het beroep schriftelijk tegengesproken door mr. P.T. Verweijen en mr. C.W. Noorduyn, beiden advocaat te Den Haag, bij schrijven dat alhier op 14 januari 2015 is ingekomen. 3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 68 Sr in de weg staat aan de strafrechtelijke vervolging van de verdachte ter zake van art. 8 WVW1994 nadat aan haar de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (ASP) was opgelegd. Voorts heeft volgens de steller van het middel het Hof ten onrechte de oplegging van de alcoholslotmaatregel als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM aangemerkt. 3.2. In de onderhavige zaak en de twee andere, daarmee samenhangende zaken die speelden bij het Hof Den Haag is de belangrijke vraag aan de orde of de oplegging van de verplichting om deel te nemen aan het alcoholslotprogramma – een maatregel die gebaseerd is op de Wegenverkeerswet 1994 en die van oorsprong administratiefrechtelijk is – consequenties heeft voor een latere strafrechtelijke procedure. In strafrechtelijke termen is het de vraag of de latere strafvervolging in strijd is met het “ne bis in idem”. Over deze vraag is in de praktijk van de strafrechtstoepassing tot nu toe niet eenduidig geoordeeld. In de literatuur is daarover inmiddels ook discussie ontstaan. Het belang van een antwoord van de Hoge Raad op deze vraag is (vooralsnog) groot; niet alleen voor de rechtspraktijk, maar ook omdat de principieel belangrijke vraag aan de orde is hoe bepaalde administratiefrechtelijke maatregelen die een zeker bestraffend karakter kunnen hebben zich verhouden tot het eigenlijke strafrecht. 3.3. De drie zaken verschillen onderling enigszins. In de onderhavige zaak heeft de verdachte wel deelgenomen aan het alcoholslotprogramma, maar dat was opgelegd naar aanleiding van een hoger geconstateerd ademalcoholgehalte (805 microgram), nadat psychiatrisch onderzoek had uitgewezen dat zij niet (zonder meer) ongeschikt was motorrijtuigen te besturen. In de twee andere zaken (nr. 14/05401 en 14/05402) ging het om een ademalcoholgehalte van 655 ug/l respectievelijk 775 ug/l; de verdachten in die zaken hebben niet deelgenomen aan het opgelegde alcoholslotprogramma, met de ongeldigverklaring van het rijbewijs voor de duur van vijf jaar tot gevolg. In zaaknr. 14/05402 had de verdachte zijn rijbewijs B nodig voor zijn baan in verband met het besturen van een bedrijfsbus. Van een wezenlijk verschil tussen de drie zaken bij de bespreking van het middel is geen sprake: zowel bij wel als bij geen deelname aan het alcoholslotprogramma gaat het om de oplegging van die maatregel in verhouding tot de strafrechtelijke weg die vanwege het rijden onder invloed wordt bewandeld. 3.4. Vanwege het belang van de zaak en de complexiteit van de betrokken materie is deze conclusie uitgebreider van omvang dan in de meeste andere zaken. Dat wordt ook veroorzaakt door het feit dat ik – anders dan in sommige ‘gewone’ zaken – de rechtsvragen die aan de orde zijn op een aantal punten wat ruimer bespreek dan waartoe het middel, als het strikt genomen zou worden, verplicht. Die aanpak komt overigens wel overeen met de kennelijke strekking van het middel, dat erop gericht is de (principiële) vragen die aan de orde zijn zoveel mogelijk door de Hoge Raad te laten beantwoorden. 3.5. De onderhavige conclusie is als volgt opgezet. Onder 4. volgt een weergave van de belangrijkste onderdelen van het arrest van het Hof Den Haag, waartegen het cassatieberoep is gericht. Onder 5. besteed ik aandacht aan de tot op heden tot stand gekomen uitspraken van de (lagere) strafrechter over het alcoholslot in verhouding tot het strafrecht. Onder 6. ga ik – nog wat uitgebreider dan het Hof Den Haag – in op de alcoholslotmaatregel, de wettelijke regeling van het alcoholslotprogramma en op enkele praktische aspecten daarvan. Onder 7. geef ik een overzicht van de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over het alcoholslot, voor zover van belang voor het strafrecht. Onder 8. ga ik in op het beginsel ne bis in idem en de vraag of die regel in het onderhavige vraag toegepast moet worden. Onder 9. volgt de slotsom van deze conclusie. 4De bestreden uitspraak 4.1. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: “zij op of omstreeks 22 februari 2013 te ’s-Gravenhage als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 805 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn”. 4.2. Het arrest van het Hof bevat met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie de volgende overwegingen: “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient worden te verklaard. Hiertoe heeft de raadsman - verkort weergegeven - aangevoerd dat, nu de aan de verdachte opgelegde maatregel van het alcoholslotprogramma (hierna ook te noemen: de maatregel, of: het ASP) een 'criminal charge' is in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), de strafrechtelijke vervolging van de verdachte door het openbaar ministerie in strijd is met het ne bis in idem beginsel, dat is neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Door het openbaar ministerie is daarentegen overeenkomstig het overgelegde en in het procesdossier gevoegde requisitoir gemotiveerd betoogd dat het alcoholslotprogramma geen criminal charge is als hiervoor bedoeld en dat het openbaar ministerie mitsdien ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het hof zal bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte achtereenvolgens behandelen wat het alcoholslotprogramma inhoudt, wat de wetsgeschiedenis ter zake is, of het alcoholslotprogramma een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM is, en tot slot of en in hoeverre artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 1. Het alcoholslotprogramma en de wetsgeschiedenis 1.1 Het alcoholslotprogramma bestaat sinds 1 december 2011 en wordt opgelegd aan bestuurders van motorvoertuigen – niet zijnde bromfietsen - die worden aangehouden met een ademalcoholgehalte tussen de 1,3 en 1,8 promille (resp. 570-785 ug/
- l)en aan beginnende bestuurders met een ademalcoholgehalte tussen de 1,0 en 1,8 (resp. 435 en 785 ug/l), of bij weigering van de blaastest. Het is een bestuursrechtelijke maatregel die wordt opgelegd door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).De deelnemer aan het programma krijgt - nadat hij dit zelf heeft aangevraagd - een rijbewijs B met de code 103 ‘rijden met een alcoholslot’. Het ‘oude’ rijbewijs B wordt overeenkomstig artikel 132b, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 ongeldig bij de oplegging van de maatregel. Voor alle andere categorieën rijbewijzen, met uitzondering van categorie AM (het bromfietsrijbewijs), wordt het rijbewijs eveneens ongeldig. Het programma duurt (ten minste) twee jaar en betrokkenen betalen zelf de kosten van deelname aan het programma. Het alcoholslot is een startonderbreker die van overheidswege wordt ingebouwd in de auto van een bestuurder aan wie de maatregel is opgelegd. De bestuurder moet voor het starten in het apparaat blazen. Het slot meet vervolgens de hoeveelheid alcohol in de adem en zorgt ervoor dat de auto niet start wanneer te veel alcohol in de adem wordt gemeten (meer dan 0,2 promille of 88 ug/l). Tijdens de rit vraagt het apparaat op een aantal willekeurige momenten om een herhaling van de blaastest. De deelnemer moet de geregistreerde gegevens om de 46 dagen laten uitlezen bij een uitleesstation. Daarna analyseert het CBR de data. Houdt de deelnemer zich aan de spelregels, dan kan het slot voortaan om de 92 dagen worden uitgelezen. Wanneer niet correct wordt meegewerkt aan het programma, kan de programmaduur worden verlengd of verdere deelname aan het programma worden ontzegd. 1.2 Tot de invoering van het ASP is blijkens de wetsgeschiedenis (TK 2008-2009, 31896, nr. 3) besloten omdat de wetgever het aantal ongevallen, veroorzaakt door het rijden onder invloed van alcohol, wilde terugdringen en de huidige bestuurlijke maatregelen onvoldoende effectief heeft bevonden. De wetgever heeft daarom nieuwe instrumenten nodig geacht. Een dergelijk instrument is het ASP. De maatregel is door de wetgever in het bestuursrecht ondergebracht. Doel ervan is het aantal alcohol gerelateerde verkeersslachtoffers te verminderen door de zware overtreders bewust te maken van de grote gevaren van rijden onder invloed van alcohol en hen te leren een scheiding te maken tussen alcoholgebruik en het besturen van een motorrijtuig. 2 Wanneer is sprake van een criminal charge? 2.1 Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het opleggen van de maatregel is aan te merken als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM. De beantwoording van die vraag dient – onder meer in verband met de rechtszekerheid - in zijn algemeenheid en derhalve los van de omstandigheden van het geval te geschieden; dus ook zonder dat daarbij de concrete omstandigheden van de betrokken bestuurder/verdachte worden betrokken. 2.2 Indien de genoemde vraag ontkennend wordt beantwoord, moet ervan worden uitgegaan dat naast de bestuursrechtelijke procedure van de ongeldigverklaring van het rijbewijs en de oplegging van de maatregel in beginsel een strafrechtelijke vervolging van de betrokken bestuurder als verdachte door het openbaar ministerie mogelijk is. 2.3 Indien het antwoord op deze vraag daarentegen bevestigend luidt, geldt dat de uit artikel 6, eerste lid van het EVRM voortvloeiende waarborgen voor punitieve sancties, zoals de onschuldpresumptie, het legaliteitsbeginsel en de eisen van berechting binnen een redelijke termijn, in rechte kunnen worden ingeroepen. Daarbij kan vervolgens ook het ne bis in idem beginsel een rol spelen, te weten bij de (beoordeling van
- de)beslissing van het openbaar ministerie, tot strafrechtelijke vervolging van een bestuurder als verdachte. Dit zou kunnen leiden tot het oordeel dat het door de overheid gelijktijdig of achtereenvolgens inzetten van een bestuursrechtelijke maatregel van het ASP en een strafrechtelijke vervolging, een verboden “dubbele vervolging” ter zake van hetzelfde feitencomplex oplevert. 2.4 In de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) zijn in de loop der tijd maatstaven geformuleerd voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM. Zo dienen blijkens (onder andere) het arrest van het EHRM in de zaak Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976 NJ 1978, 223, de volgende vragen bij die beoordeling te worden betrokken: 1.Is de handhaving van de overtreden norm naar nationaal recht als strafrechtelijk aangemerkt?; met andere woorden: wat is de classificatie naar nationaal recht?; 2.Wat is de aard van het delict?; 3.Wat is de aard en zwaarte van de maatregel, die met de overtreding wordt geriskeerd?. Deze toetsingscriteria van het EHRM worden bij de beoordeling van het ASP als bestuursrechtelijke maatregel ook gehanteerd in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vergelijk de uitspraak van 23 oktober 2013, 2013301126/1/A3; ECLI:NL:RVS:2013:1643). 2.5 Uit de genoemde en uit andere uitspraken van de Afdeling komt als vaste lijn naar voren dat het opleggen van de maatregel, indien deze wordt opgelegd aan houders van een rijbewijs voor uitsluitend het besturen van motorrijtuigen van categorie B (kort gezegd: personenauto’s), geen maatregel gebaseerd op een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM inhoudt, omdat de betrokkenen dat rijbewijs (met de hiervoor genoemde code 103) gedurende het ASP kunnen behouden. Ten aanzien van de hiervoor weergegeven vragen overweegt het hof als volgt. Ad 2.4. onder 1. Blijkens de eerder onder 1.2 genoemde MvT is het opleggen van de maatregel door de wetgever in het bestuursrecht ondergebracht. Ad 2.4. onder 2. Het rijden onder invloed van alcohol is een gedraging die de veiligheid van de verkeersdeelnemers in gevaar brengt en daarom door de wetgever als misdrijf is gekwalificeerd. Ad 2.4. onder 3. De aard en zwaarte van de alcoholslotmaatregel worden naar het oordeel van het hof bepaald door de volgende factoren, die het hof in onderling verband beschouwt: - de maatregel treft betrokkene vergaand in zijn rijbewijs of portemonnee; - het ontbreken van een redelijke keuze voor de betrokkene, die immers ófwel dient deel te nemen aan het alcoholslotprogramma ófwel wordt geconfronteerd met ongeldig verklaring van zijn rijbewijs voor de duur van vijf jaren; - met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene en met de overige (eventuele verzachtende) omstandigheden waaronder het feit is begaan, wordt bij oplegging van de maatregel geen rekening gehouden; - de kosten voor betrokkene bij deelname aan het programma zijn zeer hoog; - de persoonlijke gevolgen bij niet deelname aan het programma, leidend tot verlies van het rijbewijs voor de duur van vijf jaar, zijn mogelijk (zeer) vergaand; - reeds bij een eerste overtreding wordt de maatregel opgelegd; - er is geen opschortende werking in geval van beroep; - het programma en/of de gevolgen van het niet deelnemen aan het programma zijn beduidend zwaarder dan de strafrechtelijke maatstaven zoals neergelegd in de LOVS-richtlijnen en het zogenoemde Bos/Polaris-systeem dat door het openbaar ministerie wordt gehanteerd; - de omstandigheid dat een vrijspraak in de onderliggende strafzaak geen invloed behoeft te hebben op het bestuursrechtelijke besluit tot het al dan niet opleggen van de maatregel; - de in de strafzaak op te leggen sancties kunnen aanmerkelijke gevolgen voor het ASP hebben. 3.2 In de zaak Nilsson tegen Zweden van het EHRM van 13 december 2005 (ECLI:NL:XX:2005:AV3572) is geoordeeld dat de zwaarte van de maatregel van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden zo ingrijpend is dat op zichzelf reeds sprake is van een als ‘criminal’ te kwalificeren sanctie. 3.3 Het hof stelt vast dat indien een bestuurder om financiële of andere redenen niet deelneemt aan het ASP het rijbewijs voor de duur van vijf jaren ofwel 60 maanden ongeldig wordt verklaard. 3.4 De wetgever heeft ervoor gekozen om aan de beslissing tot oplegging van de maatregel geen discretionaire bevoegdheid te verbinden. Dit betekent dat door het CBR tot oplegging van de maatregel wordt besloten indien aan de wettelijke criteria is voldaan, zonder dat daarbij de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene worden meegewogen, waaronder met name ook zijn of haar draagkracht. 3.5 Voor de bestuurders die door de politie in het verkeer zijn aangehouden en die in aanmerking komen voor het alcoholslot bestaat geen redelijke keuze, in dier voege dat de bestuurder ofwel deelneemt aan het ASP of zijn rijbewijs voor de duur van vijf jaren kwijt is. 3.6 Het openbaar ministerie houdt, - gelet op de geldende LOVS-richtlijnen alsmede op het eerdergenoemde Bos/Polaris-systeem, in zijn strafeis rekening met de aan een verdachte opgelegde alcoholslotmaatregel indien opgelegd voorafgaand aan de strafzitting. In die gevallen wordt – voor zover hier van belang - een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden geëist. Het hof leidt hieruit af, mede gelet op de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 augustus 2014, dat het openbaar ministerie op het standpunt staat dat het opleggen van de maatregel weliswaar geen ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM is, maar dit wel door de betrokkene in zodanige mate als punitief wordt ervaren dat het om die reden niet opportuun is om, naast de reeds opgelegde maatregel van het ASP, in de strafzaak een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen te eisen. 3.7 De kosten verbonden aan deelname aan de maatregel van het ASP komen voor rekening van de deelnemer en zijn opgedeeld in kosten die betaald dienen te worden aan het CBR en overige kosten. De kosten die aan het CBR betaald dienen te worden kunnen worden onderverdeeld in twee soorten. De kosten van het opleggen van het ASP en de kosten van de uitvoering van het ASP. Tot de overige kosten worden gerekend de kosten met betrekking tot het alcoholslot zelf zoals het in- en uitbouwen van het alcoholslot, de lease van het alcoholslot, het uitlezen van het alcoholslot bij het uitleesstation en de aanschaf van het rijbewijs B met code 103. Voornoemde kosten dienen betaald te worden aan de betreffende leverancier. De geraamde kosten aan het CBR en de overige kosten bedragen tussen de € 4.000,- en € 5.000,-. 3.8 Een vrijspraak in een aan de strafrechter voorgelegde strafzaak behoeft geen gevolg te hebben voor het al dan niet doorzetten van de maatregel. Nu de wetgever heeft bepaald dat het ASP op bestuursrechtelijke gronden wordt opgelegd, speelt een in het strafrecht gegeven vrijspraak in beginsel geen rol. In de bestuursrechtelijke beroepsprocedure wordt – indien van die procedure gebruik wordt gemaakt - de evenredigheid van de beslissing tot oplegging van het ASP marginaal getoetst, in die zin dat wordt beoordeeld of het CBR in redelijkheid tot het opleggen van de maatregel over had kunnen gaan. Bij deze toetsing stelt de bestuursrechter zich in de visie van het hof veelal terughoudend op. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat wanneer de verdachte in de strafzaak is vrijgesproken, hij nog steeds deelnemer is – en blijft – aan het ASP. 3.9 De maatregel wordt ook opgelegd in geval van eerste overtreding en geldt dus niet uitsluitend bestuurders die opnieuw de fout zijn ingegaan. 3.10 De in de strafzaak op te leggen sancties kunnen aanzienlijke gevolgen voor het ASP hebben. Neemt de betrokkene nog niet deel aan het ASP, dan kan hij, ingeval de strafrechter een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid oplegt, daaraan pas deelnemen nadat die ontzegging is beëindigd, waarbij het rijbewijs ongeldig blijft. Is de betrokkene reeds met het ASP gestart, dan wordt het ASP bij een door de strafrechter opgelegde ontzegging beëindigd en kan het ASP na expiratie van de ontzegging opnieuw worden aangevangen, waarbij het gecodeerde rijbewijs ongeldig wordt en voor de herstart van het ASP opnieuw de kosten voor de inbouw van het alcoholslot zijn verschuldigd. 3.11 Naar het oordeel van het hof is het opleggen van de maatregel gelet op al het vorenoverwogene in alle gevallen aan te merken als een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM. Nu hiermee de vraag onder 2.1 bevestigend is beantwoord, geldt dat de uit artikel 6, eerste lid van het EVRM voortvloeiende waarborgen voor punitieve sancties, zoals de onschuldpresumptie, het legaliteitsbeginsel en de eisen van berechting binnen een redelijke termijn, in rechte kunnen worden ingeroepen. 3.12 Vervolgens komt de vraag aan de orde welk gevolg verbonden dient te worden aan het oordeel dat de maatregel een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM is en derhalve als een ‘vervolging’ dient te worden aangemerkt. Hierbij komen de werking en de reikwijdte van het ne bis in idem beginsel in beeld. 4 Ne bis in idem? 4.1 Het ne bis in idem beginsel is in het Nederlands recht gecodificeerd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Voor zover hier van belang kan- behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn - ingevolge dit artikel niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland (…) onherroepelijk is beslist. 4.2 Behalve in het nationale (straf)recht is het ne bis in idem beginsel eveneens neergelegd in het internationale recht. Artikel 14, zevende lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) luidt – voor zover hier van belang - als volgt: “No one shall be liable to be tried or punished again for an offence for which he has already been finally convicted or acquitted in accordance with the law and penal procedure of each country”. Bij de ratificatie van bovengenoemde bepaling is door Nederland het voorbehoud gemaakt dat uit voornoemde verdragsbepaling geen verdergaande verplichtingen worden aanvaard dan die welke voortvloeien uit artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij verdient opmerking dat blijkens de noot van Y. Buruma bij het arrest van het EHRM d.d. 10 februari 2009, NJ 2010, 36 (Zolotukhin tegen Rusland), het ne bis in idem beginsel geen rol speelde bij de beslissing om niet te ratificeren (TK 2004-2005, 29800 VI, nr. 9). In het EVRM zelf ontbreekt een uitdrukkelijke bepaling die de burger beschermt tegen nieuwe vervolging of bestraffing, echter in - het door Nederland niet geratificeerde - artikel 4, eerste lid van het Zevende Protocol bij dat verdrag is de volgende bepaling opgenomen: “No one shall be liable to be tried or punished again in criminal proceedings under the jurisdiction of the same State for an offence for which he has already been finally acquitted or convicted in accordance with the law and penal procedure of that State.” 4.3 Het hof acht bij de beantwoording van de onder 3.12 opgeworpen vraag het zogenoemde una-via beginsel, neergelegd in artikel 243, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, dat van kracht is sinds 1 juli 2009, eveneens van belang. Het una-via beginsel houdt – kort gezegd en voor zover hier van belang – ingevolge deze wettelijke bepaling in dat: “indien ter zake van het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een mededeling als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is verzonden, dit dezelfde rechtsgevolgen heeft als een kennisgeving van niet verdere vervolging”. Het opleggen van een bestuurlijke boete, dan wel de mededeling dat er geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, staat dus gelijk aan een kennisgeving van niet verdere vervolging, en roept de rechtsbescherming van artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering in het leven. Dit impliceert dat het openbaar ministerie alleen in het geval van nieuwe bezwaren, of wanneer het gerechtshof na een klacht op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering de vervolging alsnog beveelt, kan vervolgen voor een feit waarvoor al een bestuurlijke boete is opgelegd. In de memorie van toelichting (hierna: MvT; TK, vergaderjaar 2006-2007, 31124, nr. 3) bij het voorstel van wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, is met betrekking tot het una-via beginsel opgenomen dat er geen strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd indien voor dezelfde overtreding reeds een bestuurlijke boete is opgelegd; in dat geval is het una-via beginsel van toepassing. Voornoemd punt is van groot belang, zo wordt in de MvT toegelicht, omdat het nogal eens voor komt dat de wet op overtreding van een voorschrift zowel een strafsanctie als een bestuurlijke boete stelt. In dat geval, aldus de MvT, zal de overheid moeten kiezen. Het gaat er niet slechts om dat geen twee straffen worden opgelegd. Ook moet worden voorkomen dat iemand nodeloos tweemaal in een sanctieprocedure wordt betrokken voor dezelfde overtreding (Nemo debet bis vexari). 4.4 De Hoge Raad heeft met betrekking tot bovengenoemd vraagstuk in zijn arrest van 12 januari 1999, NJ 1999, 289, het volgende overwogen: “3.3 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat ter zake van de in artikel 2, eerste lid, WAHV (hof: Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) bedoelde gedragingen strafvervolging is uitgesloten. Voorts verzet het wettelijk stelsel zich ertegen enerzijds dat, indien een strafrechtelijke vervolging is ingesteld ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 nadien een administratieve sanctie wordt opgelegd ter zake van een of meer gedragingen die deel uitmaken van het strafrechtelijk verweten verkeersgedrag en anderzijds dat, indien ter zake van een gedraging een administratieve sanctie is opgelegd, die gedraging in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de vraag of het verkeersgedrag als een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 zal worden vervolgd.” 4.5 Voor de beantwoording van de vraag of het ne bis in idem beginsel een rol van betekenis heeft, zoekt het hof aansluiting bij de ratio van dit beginsel. Eén van de in de literatuur genoemde onderdelen van de ratio van het ne bis in idem beginsel is de rechtsbescherming van de verdachte, die erop moet kunnen vertrouwen dat hij na een (afgeronde) procedure niet voor de tweede keer voor hetzelfde feit wordt vervolgd en evenmin dat hij twee keer voor hetzelfde feit wordt gestraft. De individuele rechtszekerheid wordt door het beginsel gediend. 4.6 Het hof heeft onder ogen gezien dat uit de literatuur en de jurisprudentie blijkt dat artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zich in beginsel beperkt tot beslissingen van strafrechtelijke aard - al wordt daar ook wel anders over gedacht - , dat het artikel op zichzelf geen betekenis heeft voor het verbod van cumulatie van strafsancties en administratieve sancties, alsmede dat bovengenoemde twee verdragsbepalingen onder een voorbehoud, respectievelijk niet door Nederland zijn geratificeerd. 4.7 Niettegenstaande het onder 4.6 genoemde uitgangspunt met betrekking tot de oorspronkelijk meer beperkte uitleg en reikwijdte van het ne bis in idem beginsel, zoals neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, komt het hof tot het oordeel dat, gelet op het onder 4.4 genoemde arrest van de Hoge Raad en de invoering in het Wetboek van Strafvordering van het una-via beginsel, genoemd onder 4.3, in de jurisprudentie een beweging zichtbaar is ingevolge welke de reikwijdte van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht naar thans geldend recht verder strekt. 4.8. De Hoge Raad heeft in genoemd arrest van 12 januari 1999 kort gezegd geoordeeld dat strafrechtelijke vervolging en een administratieve sanctie voor hetzelfde feitencomplex niet samen gaan. Daarbij gebruikt de Hoge Raad de ruimere bewoording van ‘administratieve sanctie’ en niet ‘bestuurlijke boete’. In deze ontwikkeling past dat de wetgever bij invoering van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht het una-via beginsel in het Wetboek van Strafvordering heeft geïntroduceerd, waarbij volgens de MvT de wetgever belang hecht aan het ne bis in idem/nemo bis vexari beginsel als het gaat om de verhouding tussen de bestuurlijke boete en de strafrechtelijke sanctie. Al spreekt de MvT van de bestuurlijke boete, naar het oordeel van het hof is de ratio die aan de MvT voor invoering van het una-via beginsel is te ontlenen in dit verband van essentieel belang. Die ratio is het tegengaan van het nodeloos iemand tot tweemaal toe betrekken in een sanctieprocedure voor dezelfde overtreding. 4.9. Op grond van al het vorenstaande is het hof van oordeel dat de oplegging van de maatregel van het alcoholslot door het CBR een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM is, en dat deze maatregel als zodanig gelijk moet worden gesteld aan in de strafrechtspleging op te leggen sancties. Naar het oordeel van het hof is een strafrechtelijke vervolging als in casu, voor hetzelfde feitencomplex als waarvoor reeds de maatregel van het alcoholslot is opgelegd in strijd met het wettelijk stelsel. Hieraan moet de conclusie worden verbonden dat het openbaar ministerie op grond van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Dienovereenkomstig wordt beslist.” 5De feitenrechtspraak over het alcoholslot in verhouding tot het strafrecht 5.1. De gepubliceerde lagere rechtspraak van strafrechters voorafgaand aan het arrest van het Hof Den Haag, waartegen het onderhavige cassatieberoep is gericht, levert op het punt van het alcoholslotprogramma een wisselend beeld op. In drie van de tien uitspraken is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. 5.2. Voor een goed overzicht geef ik kort de belangrijkste overwegingen van de laatstgenoemde drie uitspraken weer. In de (onherroepelijke) uitspraak van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, Locatie Alkmaar, van 2 oktober 2013, ECLI:RBNHO:2013:13109, wordt onder meer overwogen: ‘In deze zaak is niet gebleken dat bij het CBR op dezelfde wijze als in de strafzaak, waarin verweren van verdachte aan de orde komen, onderzoek wordt gedaan naar de feiten die hebben geleid tot het invorderen van het rijbewijs. Het CBR is echter in feite – als derde overheidsinstantie – reeds vóór de behandeling bij de strafrechter overgegaan tot het opleggen van vergaande maatregelen, terwijl het, zo blijkt in deze zaak, nog niet zonder meer vast staat dat het aan de verdachte verweten feit in de strafzaak tot een bewezenverklaring leidt. Dit betekent dat verdachte door twee overheidsinstanties tegelijkertijd wordt bejegend, terwijl de ene overheidsinstantie (het CBR) de andere (de rechter) de vrijheid ontneemt om naar bevind van zaken tot een behoorlijke afdoening van de (straf)zaak over te gaan. Daaraan doet niet af dat het CBR en het OM geheel volgens de aan hun toegekende eigen bevoegdheden handelen, voor de burger blijft het “de overheid” die tegen hem maatregelen treft en hem al straf (niet in strafrechtelijke zin) heeft opgelegd. De mogelijkheden om zich tegen de beslissingen van het CBR te verweren blijken in de praktijk praktisch nihil te zijn, deze worden direct uitgevoerd. De politierechter constateert dat hij door het optreden van het CBR in de onderhavige zaak dermate in zijn beslissingsvrijheid wordt beperkt dat een redelijke en billijke strafrechtstoepassing niet meer mogelijk is. Op grond hiervan verklaart de politierechter het OM in deze zaak niet-ontvankelijk in zijn vervolging.’ 5.3. In de rechtbank Den Haag, 15 mei 2014, ECLI:RBDHA:2014:5980 als ook in de rechtbank Midden-Nederland, 19 december 2013, ECLI:RBMNE:2013:7742 is overwogen – kort gezegd – dat gelet op de overtreden norm, en het doel, de aard en de zwaarte van de genomen maatregel van het alcoholslot hieraan een straffend karakter niet te ontzeggen valt, zodat deze gelijk te stellen is met een sanctie. Nederland heeft art. 4 van het 7e protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet geratificeerd en deze bepaling is volgens de politierechter evenmin van toepassing via art. 50 van het Handvest van de grondrechten van de EU, nu art. 51 bepaalt dat de bepalingen in het Handvest alleen gelden indien sprake is van toepassing van Unierecht, hetgeen hier niet het geval is. Met betrekking tot art. 14 van het IVBPR heeft Nederland het voorbehoud gemaakt dat het deze bepaling slechts aanvaardt voor zover daar geen verplichtingen aan verbonden zijn die verder reiken dan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht voorschrijft. Het uit genoemd beginsel voortvloeiende verbod van dubbele bestraffing is echter wel ingebed in het Nederlands recht. Naar het oordeel van de politierechter in beide bovengenoemde uitspraken houdt het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde ne-bis-in-idem beginsel mede in dat geen strafvervolging ingesteld mag worden tegen een persoon, aan wie ter zake van het feit waarvoor hij vervolgd zou worden reeds definitief een bestuursrechtelijke sanctie opgelegd is, die gelijk te stellen is met een sanctie opgelegd naar aanleiding van een tegen betrokkene ingestelde strafvervolging. Nu daarvan sprake was, is de officier van justitie in beide zaken niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. 5.4. In overige uitspraken van respectievelijk de rechtbanken Den Haag, Rotterdam, Gelderland, Midden-Nederland, alsmede in een uitspraak van het Hof Amsterdam is het openbaar ministerie wel ontvangen in de vervolging. In de uitspraken met de nummers ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7108 en ECLI:RBMNE:2014:1280 is overwogen – kort gezegd – dat de maatregel van het alcoholslotprogramma naar aard en doel daarvan niet kan worden gekwalificeerd als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM en dat geen sprake is van schending van het ne-bis-in-idem beginsel. In ECLI:RBROT:2014:3969 is overwogen dat verdachte voor verkrijging van werk en inkomen afhankelijk is van een rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie C. Door de deelname aan het alcoholslotprogramma is zijn rijbewijs ook voor die categorie ongeldig verklaard. Op grond hiervan is de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs tezamen met de maatregel van het alcoholslotprogramma punitief van aard, zodat daarom sprake is van een ‘criminal charge’. Nu echter het in art. 68 Sr neergelegde ne-bis-in-idem beginsel slechts betrekking heeft op beslissingen van strafrechtelijke aard, is de omstandigheid dat er al een sanctie van bestuursrechtelijke aard is geweest, volgens de rechtbank geen vervolgingsbeletsel voor het openbaar ministerie. Wel is de deelname aan het alcoholslotprogramma ten voordele van verdachte verdisconteerd in de strafoplegging. In ECLI:NL:RBGEL:2013:5372 is vrijwillige deelname van verdachte aan het alcoholslotprogramma bij de bepaling van de op te leggen straf meegenomen. Ook in ECLI:NL:GHAMS:2014:149 heeft het Hof Amsterdam deelname aan het alcoholslotprogramma ten voordele van verdachte in de strafoplegging verdisconteerd. Datzelfde gerechtshof heeft op 16 september 2014 – dus nog net voor de onderhavige uitspraak van het Hof Den Haag - het OM wederom ontvankelijk verklaard in de vervolging (ECLI:NL:GHAMS:2014:3843). In die uitspraak werd aangenomen dat art. 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM weliswaar niet van toepassing is, maar wel reflexwerking heeft. Vervolgens achtte het Hof geen “criminal charge” aanwezig, aangezien de verdachte geen inzicht wenste te geven in zijn financiële situatie. Zodoende was het volgens het Hof niet mogelijk om de zwaarte van de maatregel goed te beoordelen. 5.5. Het Hof Den Haag, dat op 22 september 2014 – als eerste gerechtshof – tot een niet-ontvankelijkverklaring van het OM kwam, is hierin korte tijd later gevolgd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en - nu wel - het gerechtshof Amsterdam. Het Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) overwoog op 5 november 2014: “Artikel 68, eerste lid, Sr, luidt voor zover hier van belang: 'Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onherroepelijk is beslist.' Artikel 50 EU-Handvest luidt: 'Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.' In zijn arrest van 15 mei 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW1566) heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien het verweer wordt gevoerd dat artikel 50 EU-Handvest zich ertegen verzet dat een verdachte, nadat hij reeds eerder is gestraft, wordt vervolgd terzake een strafbaar feit, krachtens de artikelen 68 Sr en 50 EU-Handvest dient te worden onderzocht of er sprake is van een (nieuwe) vervolging, respectievelijk berechting en bestraffing, ter zake van een feit waaromtrent reeds onherroepelijk is beslist zoals in deze bepalingen omschreven. In bedoeld arrest heeft de Hoge Raad aan de uit artikel 51, eerste lid, van het EU-Handvest voortvloeiende eis dat het gaat om de uitvoering van het recht van de Unie niet de gevolgtrekking verbonden dat artikel 50 van het EU-Handvest toepassing mist in de daar aan de orde zijnde casus (te weten een opgelegde disciplinaire straf gevolgd door een vervolging terzake van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel). De Hoge Raad heeft daarbij verwezen naar zijn arrest van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM1902) waarbij de Hoge Raad heeft vastgesteld dat het in artikel 50 van het EU-Handvest gegeven voorschrift blijkens een daarop gegeven toelichting “dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als het overeenkomstige recht van het EVRM”. Het hof zal gelet hierop artikel 68 Sr interpreteren in het licht van (de rechtstreeks werkende bepaling van) artikel 50 EU-Handvest, als aangegeven in genoemde arresten van de Hoge Raad. (…) Het CBR heeft bij besluit van 12 februari 2013 op de voet van artikel 132b, eerste en tweede lid, WVW 1994, het aan verdachte afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard. Voorts is verdachte bij dit besluit verplicht aan het ASP deel te nemen. Door aan het ASP mee te werken kan verdachte in het bezit komen van een rijbewijs voor de categorie B met code 103 'rijden met een alcoholslot'. Aan het besluit ligt weliswaar ten grondslag dat het vermoeden bestaat dat verdachte, als houder van een rijbewijs, niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke gesteldheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dit rijbewijs is afgegeven, maar dit vermoeden is uitsluitend daarop gebaseerd dat bij verdachte, op 19 januari 2013 in Hilversum, in de hoedanigheid van beginnend bestuurder een ademalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is of hoger dan 435 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 130, eerste lid, WVW 1994 juncto artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Het feit waarvoor verdachte thans wordt vervolgd betreft hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 50 van het EU-Handvest. Het besluit van het CBR strekt tot ongeldig verklaring van het rijbewijs B van verdachte ingaande 19 februari 2013. Uit artikel 97, vijfde lid, van het Reglement rijbewijzen volgt dat verdachte niet eerder dan na het verstrijken van een periode van vijf jaren in het bezit kan komen van een rijbewijs B. Verdachte kan hieraan slechts ontkomen door het volgen van het ASP. Verdachte beschikt echter niet over een auto waarin het alcoholslot kan worden ingebouwd en beschikt ook overigens over onvoldoende financiële middelen om aan het ASP te voldoen, zodat verdachte als gevolg van het besluit van het CBR geconfronteerd is met een ongeldigverklaring van het rijbewijs B voor de duur van vijf jaren. Dit besluit is onherroepelijk. Het hof beantwoordt de vraag of deze maatregel van ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte heeft te gelden als onherroepelijke beslissing in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 50 van het EU-Handvest bevestigend. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft, in zijn arrest van 26 februari 2013 (zaaknr. C-617/10, Åkerberg Fransson, LJN BZ3811) op een verzoek om een prejudiciële beslissing overwogen dat het in artikel 50 van het EU-Handvest neergelegde ne bis in idem beginsel niet eraan in de weg staat dat een lidstaat voor dezelfde feiten een combinatie van (in dat geval) fiscale (bestuurlijke) en strafrechtelijke sancties oplegt. Slechts wanneer de fiscale sanctie een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 50 EU-Handvest en definitief is geworden, staat deze bepaling eraan in de weg dat voor dezelfde feiten strafvervolging wordt ingesteld tegen dezelfde persoon. Vervolgens wordt eraan herinnerd dat drie criteria relevant zijn om te beoordelen of fiscale sancties strafrechtelijke sancties zijn. Het eerste criterium is de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, het tweede de aard van de inbreuk en het derde de aard en de zwaarte van de maatregel die aan de betrokkene kan worden opgelegd. Het hof van justitie van de Europese Unie verwijst in dit verband naar (punt 37 van) het arrest van 5 juni 2012, Bonda, C-489/10. In laatstbedoeld arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie, voor zover hier van belang, in punt 37, met betrekking tot het criterium van de aard en de zwaarte van de sanctie verwezen naar arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder andere het Arrest Engel en anderen tegen Nederland. In dat arrest heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens criteria geformuleerd die van belang zijn om te beoordelen of een sanctie als gebaseerd op een 'criminal charge' in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moet worden beschouwd. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het arrest van 13 december 2005, nr. 73661/01 (Nilsson) de schorsing van de geldigheid van een rijbewijs voor de duur van achttien maanden een maatregel gebaseerd op een 'criminal charge' in de zin van artikel 4, eerste lid, van het Zevende protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geoordeeld, reeds om reden van de zwaarte van die maatregel. Aan het begrip 'criminal charge' in deze bepaling komt dezelfde betekenis toe als aan dat begrip in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gezien het voorgaande moet de hier aan verdachte opgelegde maatregel van ongeldigverklaring van het rijbewijs B, gelet op de zwaarte daarvan, worden beschouwd als te zijn gebaseerd op een 'criminal charge', en daarmee als eerdere onherroepelijke strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 50 van het EU-Handvest. Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, in het licht van artikel 50 van het EU-Handvest, verzet zich derhalve tegen vervolging van verdachte voor het feit dat hem is ten laste gelegd. De politierechter heeft derhalve de officier van justitie terecht niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.” 5.6. Het Hof Amsterdam overwoog op 22 november 2014 in dezelfde lijn en kwam eveneens tot een niet-ontvankelijkverklaring van het OM: “Het hof is van oordeel dat het opleggen van de maatregel van het aan de verdachte opgelegde alcoholslotprogramma, mede gelet op de verplichting tot betaling van de met die maatregel gemoeide kosten, de ongeldigverklaring van het (codevrije) rijbewijs van de verdachte en de verdere mogelijk (zeer) vergaande gevolgen van de maatregel, in het licht van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, vanwege de aard en zwaarte ervan als punitief moet worden beschouwd en dat dit mitsdien moet worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Gelet hierop verzet het bepaalde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, bezien in het licht van artikel 50 van het EU-Handvest, zich tegen de vervolging van de verdachte ter zake van het hem in de zaak met parketnummer 96/155374-13 en in de zaak met parketnummer 96/155397-13 onder 1 tenlastegelegde, nu deze feiten mede ten grondslag hebben gelegen aan de oplegging van het alcoholslotprogramma; in zoverre zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging worden verklaard.” 5.7. Na het arrest van het Hof Den Haag zijn ook door enkele rechtbanken nog (gepubliceerde) vonnissen gewezen, waarin – in overwegende mate – is aangeknoopt bij de beslissingen van de gerechtshoven en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard. In afwachting van de behandeling van het onderhavige cassatieberoep zijn geen nieuwe rechterlijke uitspraken te verwachten. Het Openbaar Ministerie heeft de vervolging van “alcoholslotzaken” inmiddels opgeschort. Hetzelfde geldt voor de behandeling van die zaken in hoger beroep. 6. De alcoholslotmaatregel, de wettelijke regeling en enkele praktische aspecten 6.1. Sinds 1 december 2011 is bij wet in de mogelijkheid tot het opleggen van een alcoholslotprogramma (hierna ook wel afgekort tot ‘ASP’) voorzien. In aanvulling op het strafrechtelijke en bestuursrechtelijke instrumentarium bij de aanpak van rijden onder invloed, is het alcoholslotprogramma ingevoerd. 6.2. Het alcoholslotprogramma is ingevoerd vanuit de wens en de noodzaak om het aantal verkeersslachtoffers als gevolg van rijden onder invloed van alcohol terug te dringen. Het ASP ziet primair op degenen op wie de reeds bestaande instrumenten om de combinatie van alcoholgebruik en het besturen van een motorrijtuig zoveel mogelijk tegen te gaan geen blijvend effect heeft. Van alleen een verdere intensivering van de handhaving was waarschijnlijk geen direct resultaat in daling van het aantal verkeersslachtoffers te verwachten en van het ASP wel. Het ASP is een maatregel die qua zwaarte tussen de educatieve maatregel alcohol en verkeer (‘de EMA’) en het psychiatrisch onderzoek naar de geschiktheid in ligt. 6.3. Uit diverse evaluatieonderzoeken van de inzet van het alcoholslot in de Verenigde Staten, Canada en Zweden bleek dat bestuurders met een alcoholslot tijdens het alcoholslotprogramma gemiddeld 80% minder in herhaling vallen en dat is veel minder vaak dan bij bestuurders met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid of een ongeldigverklaring van het rijbewijs. De in het buitenland opgedane ervaringen heeft de wetgever in de introductie van het alcoholslotprogramma betrokken. Wel was het voor de wetgever zaak om zo snel mogelijk het ASP in te voeren en daarmee ervaring op te doen en dan kan vervolgens worden bezien hoe (nog) meer effect voor de verkeersveiligheid kan worden gesorteerd. 6.4. De aard en het doel van de maatregel vond de wetgever beter passen binnen het bestuursrecht dan binnen het strafrecht; het gaat niet om het sanctioneren van het reeds begane delict, aldus de wetgever, maar om het bij twijfel aan de geschiktheid van een bestuurder opleggen van passende maatregelen waardoor deze bestuurder of wél veilig aan het verkeer kan deelnemen of (anders) niet langer aan het verkeer mag deelnemen. Voorts kan via het bestuursrecht de toepassing van het alcoholslotprogramma op uniforme wijze worden geregeld, is vooraf duidelijk in welke gevallen de verplichting zal worden opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma en wordt aldus ongelijkheid bij de toepassing van dit instrument vermeden, aldus de toelichting op de keuze voor het bestuursrecht, naast instandhouding van de strafrechtelijke sanctionering. Ook uit de buitenlandse ervaringen kwam naar voren dat het ASP het best in het kader van het bestuursrecht kan plaatsvinden. 6.5. Deelname aan het ASP is vervat in art. 132b e.v. van de Wegenverkeerswet 1994 en nader uitgewerkt in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna ook: de Regeling) en in het Reglement rijbewijzen (RR). 6.6. Het alcoholslotprogramma neemt ten minste twee jaar in beslag en omvat, zo vermeldt art. 19 lid 1 van de Regeling, de volgende onderdelen: a. de installatie van een alcoholslot van een door de RDW goedgekeurd type (art. 132e WVW94) in de auto door een erkend installateur (de erkenninghouder in de zin van art. 132f WVW94, thans één hier ten lande: de firma Dräger); b. de periodieke uitlezing van de gegevens uit het alcoholslot (zie art. 19 lid 3 e.v. van de Regeling); c. het volgen van een begeleidingsprogramma. 6.7. Bij het besluit tot oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma wordt op grond van art. 132b WVW94 het bestaande rijbewijs van de betrokkene voor alle categorieën, behoudens categorie Am (bromfietsen) ongeldig verklaard. Met een opnieuw uit te geven speciaal rijbewijs B, voorzien van code 103 mag door de betrokkene uitsluitend aan het gemotoriseerd verkeer worden deelgenomen in díe auto, en op een bromfiets (de categorie AM). Het alcoholslot kan vooralsnog enkel in een personenauto worden ingebouwd. Met het alcoholslot kan de auto niet meer starten als de betrokkene alcohol heeft gedronken (de drempelwaarde daarbij is niet nul, maar 0,2 promille of 88 ug/
- l). Ook tijdens de rit moet op onregelmatige, willekeurige momenten worden geblazen om aan te tonen dat er geen alcohol gedronken is. Het alcoholslot moet regelmatig worden gecontroleerd en uitgelezen bij de erkende installateur. Daarnaast dient de betrokkene deel te nemen aan een begeleidingsprogramma, welk programma door de toenmalige Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt is toegelicht: “Het verplichte begeleidingsprogramma bestaat uit een aantal groepssessies die aan het begin van het asp gevolgd moeten worden. Een belangrijk onderdeel daarvan is de screening op alcoholafhankelijkheid. De deelnemer wordt geconfronteerd met de uitkomsten van de screening en hij krijgt inzicht in hoe hij zijn alcoholprobleem moet aanpakken. Als hij verslaafd blijkt te zijn wordt hij doorverwezen naar de verslavingszorg.” Nadat het alcoholslotprogramma met goed gevolg is afgerond, kan de betrokkene opnieuw een rijbewijs aanvragen voor alle categorieën waarvan diegene oorspronkelijk in het bezit was. Niet is vereist dat degene die een ASP krijgt opgelegd beschikt over een eigen personenauto. In elk motorrijtuig van de categorie B kan immers een alcoholslot worden ingebouwd, ook indien de auto een derde toebehoort; dat staat in het bestuursrecht (kennelijk) los van de vraag of de betrokkene wel over die mogelijkheid beschikt. Indien iemand niet bereid of in staat is aan het alcoholslotprogramma deel te nemen, blijft het rijbewijs gedurende vijf jaar ongeldig. Een en ander loopt over de band van de voor de afgifte van een (nieuw) rijbewijs vereiste verklaring van geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. In het rijbewijzenregister wordt bij het niet volgen van het ASP aangetekend dat binnen een periode van vijf jaar slechts een nieuwe verklaring van geschiktheid wordt afgegeven indien alsnog wordt deelgenomen aan het alcoholslotprogramma. Zie art. 97 RR. Wel kan diegene bij de gemeente een rijbewijs aanvragen dat uitsluitend geldig is voor de bromfiets (categorie AM). De eerdere ongeldigverklaring van het rijbewijs strekte zich immers niet uit tot die categorie (art. 132b WVW94) 6.8. De gevallen waarin het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma zijn (niet-discretionair) voorgeschreven in art. 17 van Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. In art. 18 van die Regeling zijn daarop uitzonderingen geformuleerd, voor de gevallen waarin iemand niet in aanmerking komt voor een ASP. Met het oog op de leesbaarheid laten deze voorschriften zich als volgt samenvatten. 6.9. Tot deelname aan het ASP besluit het CBR ingevolge art. 17 lid 1 van de Regeling (dus zonder dat is voorzien in een discretionaire bevoegdheid) indien: a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 μg/l, respectievelijk 1,3‰, maar lager is dan 785 μg/l, respectievelijk 1,8‰; b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 μg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 μg/l, respectievelijk 1,8‰; c. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet; d. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal is opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 μg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 μg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel; e en f. betrokkene niet in aanmerking komt voor een (lichte) educatieve maatregel alcohol en verkeer omdat
(1)hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;
(2)hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen; of
(3)het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid; g. de uitslag van een opgelegd psychiatrisch onderzoek naar de geschiktheid - doorgaans een ‘categorie zwaarder’ dan de ASP-situaties - geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs; ook dan wordt een ASP opgelegd, tenzij dat onderzoek alleen heeft plaatsgevonden omdat blijkt dat betrokkene de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de (lichte) educatieve maatregel alcohol en verkeer (‘(lichte) EMA‘) wordt gegeven niet of niet in voldoende mate beheerst. In de wetsgeschiedenis wordt deze groep waaraan een ASP wordt opgelegd aangeduid als de zware drinkers. Gezien de diversiteit in a t/m g van art. 17 en het doel van het ASP is het misschien beter die aanduiding aldus te verstaan, dat het gaat om een categorie van mensen die aantoonbaar op problematische wijze onvoldoende in staat zijn het zeer benodigde onderscheid te maken tussen het drinken van alcohol en het besturen van een motorrijtuig. 6.
- Ingevolge art. 18 van de Regeling komt iemand niet in aanmerking voor het alcoholslotprogramma indien: a en b. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen of zich heeft moeten onderwerpen aan een psychiatrisch onderzoek naar de geschiktheid, tenzij de doorverwijzing naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt op basis van de uitslag van het opgelegde psychiatrisch onderzoek naar de geschiktheid; een tweede tenzij staat in art. 17 lid 2 van de Regeling: degenen die kort gezegd de juiste taal voor de (lichte) educatieve maatregel alcohol en verkeer niet beheersen en daarom een onderzoek naar geschiktheid hebben ondergaan kunnen wel een ASP opgelegd krijgen; c. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt; d. het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen, anders dan alcohol, gebruikt; e. hij uitsluitend de beschikking had over een rijbewijs voor de categorieën A1, A2 of A, het rijbewijs voor de categorie AM niet meegerekend; f. hij beschikt over een door het daartoe bevoegde gezag in Nederland afgegeven rijbewijs, maar op het moment van het nemen van het besluit van oplegging van het ASP niet in Nederland woonachtig is. Voor de houder van een door het buitenlandse bevoegde gezag uitgegeven rijbewijs geldt – in zekere zin vergelijkbaar – dat deze slechts kan worden onderworpen aan een ASP indien hij in Nederland woonachtig is (zie de gelijkstelling in o.m. art. 132b lid 6 WVW 1994). g. de overtreding waarop de mededeling is gebaseerd, is begaan als bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM (een bromfiets); h. naar het oordeel van het CBR is aangetoond dat betrokkene op het tijdstip van het nemen van het besluit dan wel het nemen van de beslissing op bezwaar voor zijn inkomen afhankelijk was van het rijbewijs voor een of meer van de categorieën C1, C, D1 of D; dit is de per 22 april 2014 voorziene exceptie voor vrachtwagenchauffeurs omdat het alcoholslot (vooralsnog) alleen mogelijk is bij personenauto’s (categorie B). 6.
- Degene die een ASP krijgt opgelegd en daaraan deelneemt, draagt ingevolge art. 21 van de Regeling de volgende kosten: - de kosten van het opleggen van het alcoholslotprogramma, thans bedragend € 318; - de kosten van de uitvoering van het alcoholslotprogramma gedurende twee jaar, thans € 760; - de kosten voor een eventuele verlenging van het alcoholslotprogramma (art. 132d lid 2 WVW94), thans per verlenging € 170; - de kosten van het huren of kopen van het alcoholslot, de inbouw, het periodiek uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhoud en de uitbouw van het ‘typegoedgekeurde’ alcoholslot; - de kosten voor het in stand houden van het alcoholslotregister. Aanvankelijk werd verwacht dat de kosten van deelname aan het alcoholslotprogramma per deelnemer per jaar kunnen variëren tussen € 1.300,- en € 2 000,-, maar die verwachting is vooralsnog niet uitgekomen. Thans bedragen de kosten voor deelname aan het ASP circa € 4.500 (dus ca. € 2.250 per jaar), nog exclusief de reis- en verzuimkosten en de kosten voor het nieuwe rijbewijs. Wordt niet (geheel) meegewerkt aan alle vereisten van het ASP (zie art. 19 en 20 van de Regeling), waaronder ook het tijdig voldoen van de kosten, dan kan dat een verlenging van zes maanden van het ASP met zich brengen, of ook een ongeldigverklaring van het rijbewijs met de code
- Alleen indien daarna alsnog op juiste wijze opnieuw aan het ASP wordt deelgenomen, kan diegene een nieuw rijbewijs verkrijgen. Indien niet wordt deelgenomen aan het ASP dient de betrokkene toch de kosten voor het opleggen van de maatregel (thans: € 318) te voldoen. 6.
- Als naast het bestuursrechtelijk traject in het strafrecht een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd, dan staat dat in de weg aan (verdere) deelname aan het ASP. Deze bijkomende straf houdt immers een generiek verbod in om motorrijtuigen te besturen en staat geheel los van de vraag of de betrokkene enig rijbewijs bezit. Datzelfde heeft te gelden voor de rijontzegging die de officier van justitie ingevolge art. 257a lid 2 onder e Sv met het uitvaardigen van een strafbeschikking kan opleggen (de Wet OM-afdoening, Stb 2006, 330). De ontzegging van de rijbevoegdheid beslaat dan ten hoogste zes maanden. Indien de strafrechter of ingevolge art. 257a Sv de officier van justitie zich nog niet over de zaak heeft uitgesproken, wordt de inschatting in hoeverre deelname aan het ASP zinvol is aan de betrokkene zelf overgelaten. De interferentie tussen de ontzegging en het alcoholslotprogramma lijkt nadelig te zijn voor het nuttig effect van de laatstgenoemde maatregel. Uit de in het buitenland opgedane ervaringen met het alcoholslot volgt dat juist voor het te behalen maximale effect qua daling van het aantal verkeersslachtoffers het zaak is zo snel mogelijk na de overtreding te starten met het alcoholslotprogramma. 6.
- De sinds 1 juni 2011 ingevoerde recidiveregeling kan eveneens aan deelname aan het ASP in de weg staan, al dan niet in tijdelijke zin. De recidiveregeling is vervat in art.123b WVW94 en houdt kort gezegd in dat het rijbewijs in een aantal gevallen van rechtswege ongeldig wordt verklaard. Het gaat dan om recidive binnen vijf jaar in verschillende varianten van handelen, die strafbaar zijn gesteld in art. 6, 8 en 163 WVW94: of tweemaal in de fout, of eenmaal een veroordeling van art. 6 WVW94 in combinatie met een adem- of bloedalcoholgehalte van 570 μg/l resp. 1,3 ‰ of hoger. Het ‘puntensysteem’ van de recidiveregeling geldt voor zowel ervaren als beginnende bestuurders. De ongeldigverklaring van het rijbewijs op grond van art. 123b is – anders dan bij oplegging van het ASP – in de tijd onbegrensd. Wel kan de betrokkene, ondanks de hier bedoelde ongeldigverklaring een ASP opgelegd worden, maar alvorens het daarbij horende rijbewijs B wordt afgegeven zal de betrokkene eerst een verklaring van geschiktheid van na de ongeldigverklaring moeten overleggen maar ook nog een verklaring van rijvaardigheid, van na de datum van ongeldigverklaring (art. 41b RR). Dat betekent opnieuw rijexamen doen. Een bromfietsrijbewijs kan in ieder geval worden afgegeven. 6.
- In 2013 is de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma aan 3886 personen opgelegd. In 2012 was dit aantal iets hoger, namelijk 4252 maal. Tot en met 31 juli 2014 zijn er 10536 besluiten tot oplegging van het ASP genomen. Van de betrokkenen die op 31 juli een alcoholslot is opgelegd hebben 5029 personen – dus iets minder dan de helft - daadwerkelijk deelgenomen aan het ASP. Het alcoholslot in de praktijk 6.
- Zonder naar volledigheid te streven en mij baserend op het evaluatierapport van het ASP maar ook op de feitelijke onderlaag van rechterlijke uitspraken en afgaand op discussiestukken op het internet, noem ik een aantal bezwaren die door deelnemers aan (of beter gezegd: geadresseerden van) het ASP worden geuit. Een eerste groep betreft de bezwaren die men tegen het alcoholslot zelf en de werking er van heeft: het is belastend steeds te moeten blazen, het apparaat is op een (te) zichtbare plek gemonteerd; het blazen onderweg zou ook gevaarlijk zijn en het apparaat geeft een “foute” test als gevolg van het (beweerdelijk) nuttigen van een banaan, een blikje Fanta, door de ruitensproeiervloeistof of mondspray. Volgens het CBR en de fabrikant van het alcoholslot zijn deze bezwaren niet zwaarwegend. Niettemin kan soms twijfel ontstaan over de validiteit van de (her)test. De minister van I&M heeft naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer door de Universiteit van Wageningen onderzoek laten verrichten naar de effecten van een aantal vaak genoemde producten op de test. Onder laboratoriumomstandigheden en bij hoge dosering kunnen sommige producten inderdaad een positieve uitslag genereren. Volgens een praktijktest blijkt dat - als er al een invloed is - deze binnen enkele minuten is verdwenen. Er komt nog een vervolgonderzoek, dat medio 2015 wordt verwacht. Het tijdsbeslag van het laten uitlezen (tijdens de gangbare werkuren), veelal met ook de reisafstand naar de gespecialiseerde (toegelaten) garage die het slot heeft ingebouwd weegt sommigen ook zwaar. In dezelfde lijn, maar dan indringender liggen de problemen die personen ondervinden die de auto met het alcoholslot delen met een ander (of: anderen) en/of die het slot in de auto van een ander laten inbouwen omdat ze niet (meer) de beschikking over een eigen auto hebben. De andere (soms: hoofd-)gebruiker moet dan ook steeds de alcoholtest afleggen en de auto moet ook worden afgestaan voor de periodieke en extra uitlezingen. Denkbaar is dat een andere gebruiker ‘fout’ blaast en dat dit wordt toegerekend aan de ASP-deelnemer. Lastig te weerleggen zijn de bewaren die samenhangen met de kosten van het slot: mensen moeten schulden maken, raken in financiële problemen, ondervinden daardoor moeilijkheden thuis omdat het niet goed is uit te leggen dat door het ASP de vakantie niet doorgaat etc. Serieus zijn in ieder geval de bezwaren die ontstaan in de werksfeer: vooraleerst voor vrachtwagen- of buschauffeurs, die hun rijbewijs C of D gedurende (tenminste) twee jaar kwijt zijn. Ook bezitters van rijbewijs BE verloren tot voor kort het E-gedeelte, zodat de aanhanger van het werk niet meer mee kon. Rijden in de bedrijfsauto (vaak een busje) kan doorgaans niet meer. Een baan met langdurig verblijf in het buitenland gaat niet goed samen met het ASP. Voor vrachtwagen- en buschauffeurs voor wie ontslag dreigt is de Regeling in het voorjaar van 2014 aangepast, maar voor sommige anderen geldt nog steeds de reële mogelijkheid van baanverlies als rechtstreeks gevolg van de oplegging van het ASP. Ten slotte geldt voor diegenen die niet kunnen (of willen) deelnemen aan het ASP dat zij hun rijbevoegdheid voor alle categorieën motorrijtuigen met uitzondering van die waarvoor een rijbewijs Am volstaat kwijt zijn voor een periode van 5 jaar, hetgeen als excessief of onafzienbaar wordt ervaren gelet op de consequenties daarvan, zowel ten aanzien van (toekomstig) werk als privé. 6.
- Uit de evaluatie van het alcoholslotprogramma van eind 2014 blijkt dat sinds de invoering van het ASP door 494 deelnemers het programma succesvol is afgerond. Er waren sinds de invoering 414 uitvallers, waarvan circa de helft (42%) vanwege te veel onjuiste (te hoge) blaasresultaten. Voor de overige gevallen zijn de redenen divers – veelal hebben uiteraard die wel te maken met de verplichtingen die het ASP meebrengt, zoals het tijdig betalen van de termijnen en het laten uitlezen van het slot. Geconstateerde fraude vormt een reden voor 10% van de uitval. Het betreft hier overigens fraude die door het CBR wordt geconstateerd - de politie komt alcoholsloten in de praktijk niet of nauwelijks tegen en het aantal geconstateerde overtredingen met alcoholsloten is minimaal. Inmiddels worden door het CBR geen alcoholslotmaatregelen meer genomen. In een brief van 10 oktober 2014 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu dat meegedeeld aan de Tweede Kamer. Het stilleggen van het ASP is een gevolg van signalen van de Raad van State. Deze signalen betreffen volgens de minister enerzijds het advies van de Raad van State inzake het wetsvoorstel startonderbreker in vrachtwagen en bussen en anderzijds een brief aan het CBR met vragen van de Afdeling Bestuursrechtspraak in een individuele casus. Tevens deelt de minister aan de Tweede Kamer mede dat zij op dit moment samen met de Minister van Veiligheid en Justitie laat onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om te komen tot een stelsel waarbij een belangenafweging kan worden gemaakt bij de oplegging van het ASP. Hierbij wordt gekeken naar mogelijkheden in zowel het bestuursrecht als het strafrecht. Uit een brief aan de Tweede Kamer van dezelfde minister van 12 december 2014 blijkt dat in verband met het huidige cassatieberoep tegen de uitspraken van het Hof Den Haag, waarbij het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard, het College van Procureurs-Generaal heeft besloten om met ingang van 1 december 2014 de officieren van justitie te instrueren om zaken waarin al een ASP is opgelegd door het CBR tot nader order niet op zitting te brengen. De inbedding van het ASP in de wettelijke regeling nader bezien 6.
- De ‘grondnorm’ waarop de oplegging van het alcoholslotprogramma – en de daarmee gepaard gaande initiële ongeldigverklaring van het rijbewijs – rust is art. 130 WVW94, welke bepaling ook al in de voorganger van die wet, de Wegenverkeerswet
(1935)was te vinden. In de verkeersrechtelijke wandeling noemt men dat administratiefrechtelijke kader de ‘vorderingsprocedure’. Van oudsher kan het rijbewijs worden ingevorderd indien het vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven (art. 130 lid 2 WVW94). Behalve de daadwerkelijke vordering kan de politie ook een schriftelijke mededeling doen aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan dat vermoeden ten grondslag liggen. Deze feiten en omstandigheden zijn niet in de (formele) wet zelf opgenomen maar in een ministeriële regeling – thans de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
- Op basis van de oude Wegenverkeerswet leidde een invordering of mededeling tot een nader onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel rijgeschiktheid, in de vorm van en praktijktest en/of een (medisch) onderzoek. In de “nieuwe” Wegenverkeerswet 1994 werd echter de basis gelegd voor het in plaats van een nader onderzoek, opleggen van een educatieve maatregel alcohol en verkeer (de EMA). De gevallen die daarvoor in aanmerking kwamen waren in de voorganger van de huidige Regeling 2011 opgenomen in de Regeling 1996, en komen – in hoofdlijnen – overeen met de gevallen die thans in aanmerking komen voor het ASP. Na de opname van de EMA is de Regeling op educatief gebied uitgebreid, met de lichte EMA en de EMG, de educatieve maatregel gedrag en verkeer. Historisch gezien vinden al deze maatregelen, met art. 130 WVW94 als uitgangspunt, hun oorsprong in het vermoeden, dat de bestuurder niet over de vereiste rijgeschiktheid beschikt. Volgens de regeling en evenzeer volgens de ABRvS is naar de huidige stand van zaken de beoordeling van de gegrondheid van een dergelijk vermoeden, bijvoorbeeld d.m.v. een (medisch) onderzoek echter geen voorwaarde voor oplegging van het ASP. Aldus is voor degene die op basis van art. 131 lid 1 sub b. WVW94 de verplichting tot het volgen van het ASP opgelegd krijgt het onderliggende vermoeden dus geen vervolg in de vorm van een nadere vaststelling van dat vermoeden. Daarmee is dat vermoeden ook niet nader te weerleggen. Dat blijkt in de uitwerking van de regeling in het Reglement Rijbewijzen: een voor continuering van de rijbevoegdheid vereiste verklaring van geschiktheid wordt blijkens art. 103 RR eerst geregistreerd indien de betrokkene aan de vereisten voor deelname aan het ASP heeft voldaan, waarna een rijbewijs B met code 103 wordt afgegeven. Ook als op basis van art. 131 lid 1 sub 3 WVW94 de maatregel van een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid is opgelegd wordt het ASP opgelegd, indien uit dat onderzoek blijkt dat de betrokkene niet als niet rijvaardig of ongeschikt moet worden beoordeeld (art. 134 lid 7 WVW94 in verbinding met art. 17 sub g Regeling). Als sluitstuk wordt op grond van art. 97 RR bij het uitblijven van deelname aan het ASP gedurende vijf jaar in het geheel geen verklaring van geschiktheid geregistreerd door het CBR, hetgeen de onmogelijkheid om enig rijbewijs (behoudens Am) te verkrijgen meebrengt. Dat maakt dat de regeling een hoog “Catch 22” karakter heeft: degene die wordt geverbaliseerd met een alcoholgehalte dat zich bevindt binnen de in de Regeling genoemde grenzen laadt het vermoeden op zich dat hij niet over de vereiste geschiktheid beschikt, welk vermoeden hoe dan ook verplicht tot deelname aan het ASP en zonder deelname aan het ASP gedurende vijf jaar van rechtswege in de weg blijft staan aan de registratie van een verklaring van geschiktheid. De verhouding van het ASP tot het strafrecht in de wetsgeschiedenis. 6.
- Een blik op de geschiedenis van de totstandkoming van de wettelijke regeling van het alcoholslot leert dat de wetgever geen groot probleem zag in het feit dat de oplegging van de verplichting tot deelname aan het ASP samen kan lopen met, of worden gevolgd door een strafrechtelijke afdoening. In de Nota naar aanleiding van het Verslag werd wel, naar aanleiding van vragen van de SP-fractie in de Tweede Kamer of het alcoholslot niet als straf bovenop de bestaande straffen kon worden ingezet, nog eens verduidelijkt hoe de indiener van het wetsvoorstel de nieuwe regeling ziet. “In tegenstelling tot de hier geuite veronderstelling van de leden van de SP-fractie wordt het alcoholslotprogramma niet als straf in het kader van de afdoening van een begaan feit opgelegd. Het alcoholslotprogramma wordt in de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen opgelegd in het kader van de, naast het strafrecht bestaande, vorderingsprocedure. Wordt een rijbewijshouder dus verdacht van een alcoholovertreding waarbij een promillage van, bijvoorbeeld, 1,3 is geconstateerd, dan zal de politie terzake van dat delict overeenkomstig de bestaande regels proces-verbaal opmaken (en het rijbewijs invorderen). De zaak zal vervolgens door de officier van justitie in behandeling worden genomen, waarbij deze dan tevens een beslissing neemt over inhouding dan wel teruggave van het rijbewijs. Verder zal de officier van justitie beslissen over de vervolging van betrokkene. Los hiervan zal de politie een mededeling doen op de voet van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet
- Is de betrokken bestuurder first offender, dan zal hem, gelet op het promillage, de verplichting worden opgelegd deel te nemen aan het alcoholslotprogramma en zal hij voordat hij een nieuw rijbewijs, met codering alcoholslotprogramma, kan aanvragen, aan een aantal verplichtingen moeten voldoen.” Ook in zijn antwoord op de vragen van het CDA gaf de Minister aan de oplegging van het alcoholslotprogramma niet als een strafrechtelijke aangelegenheid te zien: “De leden van de CDA-fractie vroegen zich af waarom de regering heeft gekozen voor inbedding van het alcoholslotprogramma in het bestuursrecht en of er naast het bestuursrecht ook mogelijkheden zijn om via het strafrecht verplichte deelname mogelijk te maken. Bij de voorbereiding van het wetsvoorstel is uitgebreid stilgestaan bij de vraag naar de mogelijke en wenselijke inbedding van de nieuwe maatregel. Daarbij is rekening gehouden met de Nederlandse systematiek en is gekeken hoe een en ander in het buitenland is geregeld. (…) Er bestaat behoefte aan een maatregel tussen de educatieve maatregel alcohol en verkeer (de ema) en het onderzoek naar de geschiktheid. Zo blijkt uit de praktijk van de ema dat die voor de groep zware drinkers eigenlijk een te lichte maatregel is. Verder is bij gelegenheid van de evaluatie de suggestie gedaan om de instroomcriteria aan te passen. Met de invoering van het alcoholslotprogramma kunnen deze aanbevelingen worden uitgevoerd. De aard en de voorgestelde uitvoering van het alcoholslotprogramma past verder naar mijn mening beter in de vorderingsprocedure dan in de strafrechtelijke procedure. De vorderings- procedure beoogt immers bij twijfel aan de geschiktheid van een bestuurder passende maatregelen op te leggen waardoor deze bestuurder veilig aan het verkeer kan deelnemen of maatregelen op te leggen met als resultaat dat betrokkene niet langer aan het verkeer mag deelnemen. Het strafrecht is gericht op het sanctioneren van een delict dat is begaan en dat is niet het doel van het alcoholslotprogramma. Tenslotte is overwogen dat op deze manier toepassing van het alcoholslotprogramma op uniforme wijze kan worden geregeld. Vooraf is immers duidelijk in welke gevallen de verplichting zal worden opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma. Ongelijkheid bij de toepassing van het instrument wordt zo vermeden.” De enige vorm van interferentie tussen beide procedures die werd onderkend betreft de verhouding tussen het ASP en de strafrechtelijke ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM). De Raad van State had in zijn advies op dit punt een opmerking gemaakt: “c. Samenloop met strafrechtelijke maatregelen Ingevolge artikel 132c, eerste lid, onderdeel d, is het bezit van een geldig rijbewijs een voorwaarde voor de deelname aan het alcoholslotprogramma. Op het rijbewijs wordt ten behoeve van het ASP een codering voor het rijden met een alcoholslot vermeld. Door de samenloop van het alcoholslotprogramma met strafrechtelijke maatregelen is het mogelijk dat een deelnemer niet langer beschikt over een geldig rijbewijs. Dit is enerzijds mogelijk indien de rijbevoegdheid tijdelijk wordt ontzegd als bijkomende straf naar aanleiding van een (ander) verkeersmisdrijf. Tevens wordt na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel puntenstelsel, het rijbewijs van rechtswege ongeldig na een tweede onherroepelijke afdoening van een alcoholdelict binnen vijf jaar indien sprake is van een bloedalcoholgehalte van 1,0‰ of meer. Het onderhavig wetsvoorstel verhoogt dit promillage in artikel 123b, eerste lid, van 1.0‰ naar 1.3‰. Met deze wijziging wordt beoogd de samenloop tussen het ASP en het strafrecht te verkleinen. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de samenloop van het ASP met het strafrecht gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Door tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke sancties is uitstel van het ASP onvermijdelijk en zoals uit paragraaf 4.1.d van de toelichting blijkt, zal de deelnamegraad afnemen naar gelang overtreders langer moeten wachten op de aanvang van het alcoholslotprogramma. Een rijontzegging zal afhankelijk van het delict vier tot negen maanden bedragen. Wanneer toepassing van het wetsvoorstel puntenstelsel, na een onherroepelijke afdoening, van rechtswege leidt tot ongeldigheid van het rijbewijs, moet de betrokken persoon allereerst zijn rijvaardigheid bewijzen voordat een nieuw rijbewijs met een alcoholslot codering kan worden aangevraagd. Dit heeft tot gevolg dat een aanzienlijke periode zal verstrijken tussen de overtreding en de aanvang van het ASP, wat een negatieve invloed zal hebben op de deelnamegraad. Voorts merkt de Raad op dat de samenloop van de vorderingsprocedure met strafrechtelijke maatregelen complex is. De bestuurder kan als gevolg van deze samenloop niet goed inschatten wat hem te wachten staat na een alcoholdelict. Zo is het mogelijk dat een rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt op grond van het wetsvoorstel puntenstelsel. Indien de politie geen mededeling aan het CBR doet, kan een bestuurder in het kader van de eigen verklaringsprocedure op grond van het voorgestelde artikel 118, derde lid, alsnog een ASP worden opgelegd. Dit komt de toegankelijkheid van de regeling niet ten goede.” De indiener van het wetsvoorstel onderkende dit probleem: “c. Samenloop met strafrechtelijke maatregelen. Terecht constateert de Raad dat er in bepaalde gevallen samenloop zal kunnen ontstaan tussen het alcoholslotprogramma en maatregelen van strafrechtelijke aard. Allereerst is er de samenloop met een mogelijke strafrechtelijke rijontzegging. Het is aan de officier van justitie om te bepalen welke straf (en dus ook welke bijkomende straf) hij zal vorderen in een strafzaak en of die straf voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk wordt gevorderd. Het is niet aan de regering om daar invloed op uit te oefenen, noch in een concreet geval, noch in algemene zin door aanpassing van de strafvorderingsrichtlijnen te bewerkstelligen. Dit laat onverlet dat in een concreet geval een verdachte of diens raadsman bij de rechter kan pleiten voor oplegging van een voorwaardelijke rijontzegging om de verdachte aldus in staat te stellen op zo kort mogelijk termijn te kunnen beginnen met het alcoholslotprogramma. Het is dan aan de rechter om hierover een beslissing te nemen, waarbij hij dan rekening kan houden met alle omstandigheden van dit concrete geval. Uitval uit het alcoholslotprogramma zou dan een reden kunnen zijn om de voorwaardelijke rijontzegging om te zetten in een onvoorwaardelijke.” In de Memorie van Toelichting is de betreffende problematiek als volgt nog eens uiteengezet door de Minister: “5.3.l Samenloop met de strafrechtelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, de wet puntenstelsel, en enkele andere maatregelen op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wahv 5.3.l.1 Samenloop met de strafrechtelijke rijontzegging Hoewel de vorderingsprocedure en de strafrechtelijke procedure naast elkaar kunnen bestaan, zal, zoals de Raad van State ook in zijn advies opmerkt, het toch onvermijdelijk zijn dat in een aantal gevallen sprake zal zijn van een samenloop. Samenloop is mogelijk tussen de gevallen die enerzijds aanleiding geven tot een strafrechtelijke afhandeling, maar anderzijds tevens de aanleiding zijn voor de mededeling van het vermoeden van ongeschiktheid op grond van artikel 130, eerste lid, van de WVW
- De mogelijke samenloop is beperkt tot de strafrechtelijke rijontzegging (en de veelal daaraan voorafgaande maatregelen van invordering en inhouding van het rijbewijs) en de voorgestelde maatregel van deelname aan het alcoholslotprogramma. De doelgroep voor het alcoholslotprogramma (voor de personen ten aanzien van wie voor het eerste een mededeling wordt gedaan aan het CBR tussen de 1,3 en de 2,1‰, respectievelijk tussen de 1,0 en 1,8 voor de beginnende bestuurder en voor recidivisten tussen 1,0 en 1,8‰ en de recidiverende beginnende bestuurder tussen de 0,8 en de 1,5‰) is immers de doelgroep die in het kader van het strafrecht wegens in aanmerking zal komen voor een rijontzegging van, afhankelijk van het promillage, tussen de vier en negen maanden. Er is in deze gevallen uiteindelijk gekozen voor de volgende procedure: in beginsel zullen beide procedures gelijk op lopen. Hiermee wordt recht gedaan aan het uitgangspunt dat beide procedures naast elkaar kunnen bestaan omdat ze verschillende doelen dienen. Dit betekent dat het CBR zal besluiten tot oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma, onder gelijktijdige ongeldigverklaring van het rijbewijs, terwijl tegelijk ook de strafprocedure zal worden afgewikkeld. Afhankelijk van het promillage zal de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigen of betrokkene dagvaarden om voor de rechter te verschijnen. Het OM zal hierbij ernaar streven de zaak tegen betrokkene zo snel mogelijk af te doen. Na de uitspraak van de rechter, dan wel na de strafbeschikking, kan de rijontzegging ten uitvoer worden gelegd, waarbij de periode dat het rijbewijs voorafgaand aan de zitting is ingehouden geweest, wordt afgetrokken van de uiteindelijk opgelegde rijontzegging. De officier van justitie geleidt het rijbewijs door naar het CBR dat vervolgens, als betrokkene aan alle daarvoor gestelde voorwaarden heeft voldaan, een verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister registreert. Na afloop van de rijontzegging kan betrokkene conform de daarvoor vastgestelde procedure een nieuw rijbewijs aanvragen, met de voor het alcoholslot vastgestelde codering. Er is niet voor gekozen betrokkene alvast te laten starten met het alcoholslotprogramma en dit tijdens de looptijd tijdelijk te schorsen. Dit zou leiden tot extra lasten bij het CBR. Met het oog op een dergelijke schorsing zou moeten worden gerealiseerd dat het CBR wordt geïnformeerd over de voorgenomen begindatum van de rijontzegging zodat dan ook per die datum het alcoholslotprogramma kan worden geschorst. Tevens zal het CBR moeten worden ingelicht over het einde van de rijontzegging, zodat ook het einde van de schorsing van het alcoholslotprogramma kan worden meegedeeld. Evenmin wordt een aanpassing van de strafvorderingsrichtlijnen overwogen teneinde in het kader van de strafzaak in die gevallen waarin betrokkene deelname aan het alcoholslotprogramma opgelegd heeft gekregen, een voorwaardelijke rijontzegging mogelijk te maken. Gelet op de wet OM-afdoening die alleen een onvoorwaardelijke rijontzegging mogelijk maakt en op het feit dat kan worden geconstateerd dat een voorwaardelijke rijontzegging vanwege de geringe controlemogelijkheden weinig tot geen effect heeft, zal in de strafvorderingsrichtlijnen juist steeds meer worden uitgegaan van een onherroepelijke rijontzegging. Bovendien wordt erop gewezen dat als ter zitting een voorwaardelijke rijontzegging zou worden gevorderd, de officier van justitie het rijbewijs niet meer op grond van artikel 164, vierde lid, van de wegenverkeerswet 1994 zal kunnen inhouden. De politie is echter wel verplicht tot invordering van het rijbewijs in veel van de gevallen die tevens voor deelname aan het alcoholslotprogramma in aanmerking zouden komen (vanaf 1,3‰). Een en ander laat overigens onverlet dat tijdens de strafzaak de verdachte kan pleiten voor het opleggen van een voorwaardelijke rijontzegging, om hem zo in staat te stellen zo snel mogelijk te beginnen met het alcoholslotprogramma. In reactie op een daartoe strekkende opmerking van de Rvdr merk ik op dat niet bekend is of de invoering van het alcoholslotprogramma zal leiden tot aanpassing van de strafoplegging door de rechter. Aan de Raad van State kan worden toegegeven dat het, zoals al eerder in de memorie van toelichting is opgemerkt (§ 4.1.d), het vanuit een oogpunt van effectiviteit beter zou zijn, als de betrokken rijbewijshouder zo snel mogelijk zou kunnen beginnen met het alcoholslotprogramma. Dit kan echter niet op korte termijn worden gerealiseerd, terwijl het toch wenselijk is om het alcoholslotprogramma zo snel mogelijk in te voeren. Daarom is gekozen voor een groeimodel. Op deze manier kan ervaring worden opgedaan met de uitvoering van het alcoholslotprogramma en kan ervaring worden opgedaan in de Nederlandse situatie. Daarnaast kan dan, mede aan de hand van de voorgenomen evaluatie, worden bezien op welke wijze verdere verbeteringen kunnen worden aangebracht teneinde de effectiviteit verder te vergroten. 5.3.l.2 Samenloop met de wet puntenstelsel (…)” 6.
- In de wetgeving is dus geen overtuigende oplossing voor de mogelijk conflicterende werking van het ASP en de OBM. In de voorlichtingsbrochure van het CBR, bedoeld voor degenen die een ASP opgelegd gekregen hebben, is daarom de volgende waarschuwing opgenomen: “N.B. Als u verwacht dat er een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid aan u zal worden opgelegd, moet uzelf een inschatting maken of het zinvol is o reeds aan het alcoholslotprogramma deel te nemen.” Deze waarschuwing is niet overbodig, want, zoals in dezelfde brochure wordt uiteengezet, betekent een onvoorwaardelijke OBM de onmiddellijke ongeldigverklaring van het alcoholslot gecodeerde rijbewijs B en het eind van het programma. Daaraan kan na ommekomst van de OBM wel weer opnieuw worden deelgenomen, maar dat betekent een geheel nieuwe start van het ASP, dus inclusief de volledige kosten en wederom voor (minimaal) twee jaar. Richtlijn voor strafvordering en ASP 6.
- Zoals hierboven, bij de bespreking van de wetsgeschiedenis bleek, ging de indiener van het wetsvoorstel er oorspronkelijk van uit dat met name op het punt van de verhouding van het ASP tot de OBM de situatie niet gewijzigd hoefde te worden. Hij was niet van plan een wijziging van de strafvorderingsrichtlijnen te overwegen. Voor overtreders van het verbod van art. 8 lid 2 WVW94 bleef deze richtlijn dus ongewijzigd, met, bijvoorbeeld, bij automobilisten met een AAG van meer dan 570 microgram/l (Schaal V) naast een geldboete van € 850 een OBM van zes maanden. Per 1 januari 2014 is deze situatie echter gewijzigd. De precieze aanleiding voor deze wijziging heb ik niet kunnen achterhalen, maar aannemelijk is dat de rechtspraak van de Afd. Rechtspraak RvSt (daarover dadelijk meer) tot een gewijzigd inzicht bij het OM heeft geleid. Thans is voor dezelfde categorie een geldboete (evt. bij strafbeschikking) voorgeschreven van € 900 en een onvoorwaardelijke OBM van twee maanden. Deze termijn is aanmerkelijk korter dan de oorspronkelijke en zal, in verband met de verplichte invordering en inhouding van het rijbewijs, op het moment van de zitting (of ZSM-afdoening) doorgaans wel verstreken zijn, zodat met het ASP daarna een aanvang gemaakt kan worden. Overigens schrijft de richtlijn voor de gevallen waarin geen ASP zal worden opgelegd (bij houders van een C of D rijbewijs) een “extra” OBM van 6 maanden voor. De strafrechter is uiteraard niet gebonden aan de genoemde richtlijn. Wel worden doorgaans de oriëntatiepunten van het LOVS gehanteerd bij de strafoplegging van standaarddelicten zoals art. 8 WVW94, die evenmin verplichtend zijn. De genoemde oriëntatiepunten zijn niet aangepast. In de versie van mei 2014 geldt voor Schaal V (>570 mu gr/l) nog steeds een geldboete van € 650 en een voorwaardelijke OBM van 6 maanden. Bij schaal VI is dat een onvoorwaardelijke OBM van 6 maanden, terwijl de Richtlijn voor die categorie op twee maanden OBM onvoorwaardelijk uitkomt. 7De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over het alcoholslot 7.
- De wetgever is er, zo kan uit het voorgaande geconcludeerd worden, van uit gegaan dat de oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma een zuiver administratiefrechtelijke aangelegenheid is, die – afgezien van de mogelijke interferentie met een onvoorwaardelijk opgelegde (strafrechtelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid - geen raakvlakken vertoont met de strafrechtelijke handhaving. De juistheid van die opvatting is tenminste genuanceerd door een aantal beslissingen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, vanaf 23 oktober 2013 (hierna: de Afdeling, of ABRvS). De hoogste bestuursrechter is samengevat van oordeel dat ten aanzien van een (beperkt) aantal gevallen art. 6 EVRM van toepassing is op de oplegging van de ASP-maatregel. Onder omstandigheden dient de maatregel als een maatregel gebaseerd op een ‘criminal charge’ te worden aangemerkt, niettegenstaande de administratiefrechtelijke kwalificatie naar nationaal recht. De lagere bestuursrechter was de Afdeling hierin in enkele gevallen al voorgegaan. Ik geef de dragende overwegingen uit de eerste uitspraak van de Afdeling op dit punt hier weer (ABRvS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1643): “3.
- De Afdeling stelt voorop dat, indien de maatregel als een op een "criminal charge" gebaseerde is aan te merken, onder meer de uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende waarborgen voor punitieve sancties, als de onschuldpresumptie, het ne bis in idem-beginsel, het legaliteitsbeginsel en de eisen van behandeling binnen een redelijke termijn, in rechte kunnen worden ingeroepen. Verder brengt dat met zich dat de bestuursrechter de evenredigheid van de maatregel indringend dient te toetsen, indien daartegen in rechte is opgekomen en de juistheid van de maatregel, gelet op de zwaarte ervan, wordt betwist. 3.
- Naar de maatstaven van het EHRM moeten bij de beoordeling of sprake is van een maatregel gebaseerd op een "criminal charge", in aanmerking worden genomen de aard van de overtreden norm, het doel, de aard en de zwaarte van de maatregel, die met de overtreding wordt geriskeerd en de vraag of de handhaving van de overtreden norm naar nationaal recht als strafrechtelijk is aangemerkt. Het EHRM heeft in het arrest van 13 december 2005, nr. 73661/01, de schorsing van de geldigheid van een rijbewijs voor de duur van achttien maanden een maatregel gebaseerd op een "criminal charge", geoordeeld. Daartoe heeft het overwogen dat het doel van de maatregel deels punitief was, gelet op het tijdsverloop van negen maanden tussen het zich voordoen van de feiten waarop met de schorsing werd gereageerd en die schorsing, en op de omstandigheid dat een strafrechtelijke veroordeling grondslag voor deze maatregel was. Het EHRM heeft in dat arrest verder overwogen: "What is more, in the view of the Court, the severity of the measure - suspension of the applicant’s driving licence for 18 months - was in itself so significant, regardless of the context of his criminal conviction, that it could ordinarily be viewed as a criminal sanction (see Mulot v. France (dec.), no. 37211/97, 14 December 1999; Hangl v. Austria (dec.), no. 38716/97, 20 March 2001, and Escoubet v. Belgium, cited above, § 38)". De Afdeling stelt vast dat het EHRM daarmee - anders dan het CBR betoogt, niet ten overvloede - heeft geoordeeld dat de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs voor de duur van achttien maanden reeds om reden van die zwaarte van de maatregel, los van de context van de strafrechtelijke veroordeling, doorgaans als een maatregel gebaseerd op een "criminal charge", dient te worden aangemerkt. Ook uit andere arresten van het EHRM over maatregelen tot schorsing of ongeldigverklaring van een rijbewijs (onder meer van 23 september 1998, Malige tegen Frankrijk, nr. 27812/95, 21 september 2006, Maszni tegen Roemenië, nr. 59892/00 en 24 januari 2012, Mihai Toma tegen Roemenië, nr. 1051/06; www.echr.coe.int), leidt de Afdeling af dat de zwaarte van deze maatregelen naar het oordeel van het EHRM daaraan een punitief karakter kan geven, zodat deze dan als een maatregel gebaseerd op een "criminal charge", zijn aan te merken, niettegenstaande hun administratiefrechtelijke kwalificatie naar nationaal recht. 3.
- Niet bestreden is dat, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, de maatregel, indien deze wordt opgelegd aan houders van een rijbewijs voor uitsluitend het besturen van motorrijtuigen van de categorie B, geen maatregel gebaseerd op een "criminal charge", in de zin van artikel 6 van het EVRM inhoudt, omdat de betrokkenen dat rijbewijs gedurende het asp kunnen behouden. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft de maatregel in het geval van [wederpartij] echter tot gevolg dat hij weliswaar de beschikking over het rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie B kan behouden, maar zijn rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie C, waarvan hij voor zijn inkomen afhankelijk is, voor ten minste vierentwintig maanden ongeldig is verklaard. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling in het licht van voormelde arresten van het EHRM met juistheid geoordeeld dat de aan [wederpartij] opgelegde maatregel vanwege de zwaarte ervan een punitief karakter heeft. Dat oordeel ziet op de oplegging van de maatregel aan alle houders van een rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie C die daarvan voor hun inkomen afhankelijk zijn. Reeds hierom treft het betoog van het CBR dat deze afhankelijkheid een bijzondere omstandigheid van dit concrete geval betreft en de rechtbank daarom ten onrechte het antwoord op de vraag of de maatregel een punitief karakter heeft van die omstandigheid afhankelijk heeft gemaakt, geen doel. In het midden kan blijven of ook ingeval het rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie C ongeldig wordt verklaard van iemand die niet voor zijn inkomen daarvan afhankelijk is, de maatregel als een op een "criminal charge" gebaseerde moet worden aangemerkt. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank de aan [wederpartij] opgelegde maatregel terecht als een maatregel gebaseerd op een "criminal charge", aangemerkt.” 7.
- De overwegingen van de Afdeling beziende, kan meteen worden geconstateerd dat van een algehele van toepassing verklaring van art. 6 EVRM op het alcoholslotprogramma door de Afdeling geen sprake is: alleen dan is in haar opvatting sprake van een ‘criminal charge’ indien de maatregel is opgelegd aan een houder van een rijbewijs C (vrachtwagen) die voor zijn inkomen afhankelijk is van het kunnen blijven gebruikmaken van dat rijbewijs. De ‘opening’ in het door de wetgever gedachte systeem is dus beperkt. Of die beperking houdbaar is, zal ik later bespreken. Maar, zo kan hier al gezegd worden, als wel is voldaan aan de vereisten van een ‘criminal charge’ dan heeft dat, volgens de Afdeling, consequenties voor de waarborgen waarmee de oplegging van de maatregel wordt omkleed. Een eerste – en in de betreffende uitspraak meteen al zichtbare - waarborg is dat “de bestuursrechter de evenredigheid van de maatregel indringend dient te toetsen, indien daartegen in rechte is opgekomen en de juistheid van de maatregel, gelet op de zwaarte ervan, wordt betwist”. Deze vorm van toetsing door de administratieve rechter vloeit voort uit art. 6 EVRM, immers: “Conferring the prosecution and punishment of minor “criminal” offences on administrative authorities is not inconsistent with the Convention provided that the person concerned is enabled to take any decision thus made against him before a tribunal that does offer the guarantees of Article 6 (Öztürk v. Germany, § 56; A. Menarini Diagnostics S.R.L. v. Italy). Therefore, decisions taken by administrative authorities which do not themselves satisfy the requirements of Article 6 § 1 of the Convention must be subject to subsequent review by a “judicial body that has full jurisdiction”. The defining characteristics of such a body include the power to quash in all respects, on questions of fact and law, the decision of the body below (Schmautzer v. Austria, § 36; Gradinger v. Austria, § 44; A. Menarini Diagnostics S.R.L. v. Italy, § 59): for instance, administrative courts carrying out a judicial review that went beyond a “formal” review of legality and included a detailed analysis of the appropriateness and proportionality of the penalty imposed by the administrative authority (see A. Menarini Diagnostics S.R.L. v. Italy, §§ 63-67, in respect of a fine imposed by an independent regulatory authority in charge of competition). Similarly, a judicial review may satisfy Article 6 requirements even if it is the law itself which determines the sanction in accordance with the seriousness of the offence (see Malige v. France, §§ 46-51, in respect of the deduction of points from a driving licence).” 7.
- De Afdeling noemt behalve de eis dat de maatregel proportioneel moet zijn nog enkele andere waarborgen, die voortvloeien uit het bestempelen van de maatregel als een ‘criminal charge’. Het gaat volgens de Afdeling om mede uit art. 6 EVRM voortvloeiende rechten als de onschuldpresumptie, het ne bis in idem-beginsel, het legaliteitsbeginsel en de eisen van behandeling binnen een redelijke termijn. Ook deze moeten in rechte kunnen worden ingeroepen. Een kanttekening daarbij zou kunnen zijn dat deze rechten bepaald niet alle uit art. 6 EVRM zelf voortvloeien. Wél de onschuldpresumptie, die in art. 6 lid 2 EVRM is verwoord, en uiteraard het recht op berechting binnen een redelijke termijn uit lid 1 van art.
- Het ne bis in idem-beginsel maakt echter geen deel uit van art. 6 EVRM. Dat is, binnen het verdragsrechtelijke kader van de Raad van Europa in art. 4 van het Zevende Protocol opgenomen. Het legaliteitsbeginsel is neergelegd in art. 7 EVRM. Wel is het zo – en daar doelt de Afdeling wellicht op – dat het bestempelen van een bepaalde overheidsmaatregel als voortvloeiend uit een “criminal charge” in de zin van art. 6 lid 1 EVRM een systematisch verband schept met die overige waarborgen: er is dan tevens een ‘criminal offence’, in de zin van lid. 2 van art. 6 EVRM (de onschuldpresumptie) en tevens geldt de maatregel als “penalty” in de zin van art. 7 EVRM (het legaliteitsbeginsel). Ten aanzien van het ne bis in idem (beginsel) komt men via art. 4 van het Zevende Protocol uit op “criminal proceedings” respectievelijk een “penal procedure”. Al deze termen moeten autonoom – in de zin van: onafhankelijk van de nationaalrechtelijke inbedding - , maar ook in samenhang worden ingevuld, aldus het EHRM. Zo bezien vloeien de overige door de Afdeling genoemde waarborgen in zekere zin voort uit de toepasselijkheid van art. 6 EVRM. Een kanttekening daarbij is dan weer, dat Nederland het Zevende Protocol bij het EVRM niet heeft geratificeerd, zodat geen rechtstreeks beroep op de daarin, in art. 4, vervatte ne bis in idem-regel kan worden gedaan. 7.
- In de uitspraak van 23 oktober 2013 leverde de toetsing door de Afdeling van de evenredigheid van de opgelegde maatregel voor vrachtwagenchauffeurs, die voor hun inkomen afhankelijk zijn van hun rijbewijs C echter – vooralsnog – geen succes op voor degene die daardoor getroffen wordt. Dat blijkt uit het vervolg van dezelfde uitspraak: “
- Het CBR bestrijdt evenwel met succes het oordeel van de rechtbank dat de voor [wederpartij] nadelige gevolgen van het besluit tot oplegging van de maatregel, dat hij zijn baan zal verliezen en niet meer in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzien, onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het CBR besluit krachtens artikel 132b, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994, gelezen in samenhang met artikel 17, aanhef en onder a, van de Regeling, indien een schriftelijke mededeling is gedaan van een overtreding, als door [wederpartij] begaan, tot oplegging van het asp en ongeldigverklaring van het rijbewijs van de betrokkene voor alle categorieën uitgezonderd de categorie AM. Krachtens artikel 132a, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen wordt een alcoholslot alleen in motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B ingebouwd. Uit de arresten van het EHRM van 23 september 1998, Malige tegen Frankrijk, nr. 27812/95 en 2 juli 2002, Göktan tegen Frankrijk, nr. 33402/96 (www.echr.coe.int) volgt dat artikel 6 van het EVRM een systeem van wettelijk vastgestelde bestraffende sancties niet uitsluit en het bestuur en de rechter in beginsel van de door de wetgever gemaakte vaststelling dienen uit te gaan, mits de wettelijke bepalingen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel tot stand zijn gekomen. Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 31 896, nr. 3, blz. 7-8 en 17) heeft de wetgever voor invoering van de maatregel van het asp gekozen, omdat onderzoek heeft uitgewezen dat ten minste een kwart van de verkeersdoden in Nederland het slachtoffer is van een ongeval door alcoholgebruik. In de jaren 2006 en 2007 komt dat neer op jaarlijks ruim tweehonderd verkeersdoden. Driekwart van deze dodelijke ongevallen wordt veroorzaakt door motorrijtuigbestuurders die met een alcoholgehalte van 1,3 ‰ of meer worden aangehouden. In de afgelopen jaren is het totale aantal overtreders van het verbod onder invloed van alcohol een motorrijtuig te besturen weliswaar afgenomen, maar het aantal bestuurders dat met voormeld of een hoger alcoholgehalte wordt aangehouden niet significant afgenomen. Reeds toegepaste instrumenten in de strijd tegen het rijden onder invloed van alcohol, als voorlichtingscampagnes, gerichte verkeerscontroles, educatieve maatregelen en geschiktheidsonderzoeken, hebben geen blijvend effect op deze groep zware overtreders. Dat kan worden afgeleid uit het feit dat het geregistreerde aandeel van slachtoffers van ongevallen door rijden onder invloed van alcohol - zowel dodelijke slachtoffers als slachtoffers waarbij een ziekenhuisopname noodzakelijk is - tussen 2002 en 2007 geen dalende trend heeft vertoond. De wetgever in formele zin heeft daarom nieuwe instrumenten nodig geacht om de gewenste gunstige trend tot stand te brengen. Een dergelijk instrument is het asp. Doel hiervan is het aantal alcoholgerelateerde verkeersslachtoffers te verminderen door de zware overtreders bewust te maken van de grote gevaren van rijden onder invloed van alcohol en te leren een scheiding te maken tussen alcoholgebruik en het besturen van een motorrijtuig. In het buitenland is reeds veel ervaring met het asp opgedaan en zijn de ervaringen positief. Volgens berekeningen van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid kan de invoering van deze maatregel leiden tot een jaarlijkse reductie van vijfentwintig tot dertig verkeersdoden en tweehonderdvijftig tot driehonderd gewonden die een ziekenhuisopname vereisen, aldus de genoemde memorie van toelichting. Daarbij is het vooralsnog niet maatschappelijk aanvaardbaar geoordeeld dat de betrokken rijbewijshouders gedurende het asp motorrijtuigen van de categorieën C en D kunnen besturen, dan wel dat een uitzondering op dat uitgangspunt wordt gemaakt voor beroepsmatige chauffeurs van deze motorrijtuigen. Expliciet is van belang geacht dat van deze chauffeurs een bijzonder verantwoordelijkheidsgevoel mag worden verwacht en dat algemeen bekend mag worden verondersteld dat verkeersdelicten, ook indien deze buiten werktijd worden begaan, consequenties voor de rijbevoegdheid en daarmee voor de uitoefening van het werk als beroepschauffeur kunnen hebben. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat aan de memorie van toelichting is afgedaan. Gelet op de aldus door de wetgever gemaakte afweging is de Afdeling van oordeel dat artikel 132b, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994, artikel 17 van de Regeling en artikel 132a, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel tot stand zijn gekomen. De maatregel van het asp kan niet worden aangemerkt als niet geschikt voor het bereiken van de daarmee beoogde doelen van het verder vergroten van de verkeersveiligheid en het terugdringen van het aantal verkeersslachtoffers als gevolg van ongevallen door het onder invloed van alcohol besturen van motorrijtuigen. Evenmin gaat de maatregel verder dan ter bereiking van die doelen noodzakelijk is. De keuze van de wetgever om de inbouw van alcoholsloten vooralsnog tot motorrijtuigen van de categorie B te beperken en de betrokken rijbewijshouders, die in belangrijke mate voor voormelde ongevallen en verkeersslachtoffers verantwoordelijk zijn, eerst nadat zij door voltooiing van het asp hebben aangetoond een scheiding tussen alcoholgebruik en het besturen van een motorrijtuig te kunnen aanbrengen toe te staan een vrachtwagen of bus te besturen, ligt primair op diens weg en niet op die van de rechter en is naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. Het voorgaande brengt mee dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, voormelde nadelige gevolgen voor [wederpartij] van het besluit tot het opleggen van de maatregel niet maken dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het betoog van [wederpartij] dat de financiële verplichtingen die met deelname aan het asp samenhangen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de draagkracht van betrokkenen, maken dat het evenredigheidsbeginsel wordt geschonden, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij stelt de Afdeling voorop dat ook dit een bewuste keuze van de wet- en regelgever is. In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 31 896, nr. 4, blz. 7-8) is hierover onder meer het volgende opgemerkt: "Het is genoegzaam en algemeen bekend dat rijden onder invloed van alcohol gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid en daarom absoluut ongewenst is. Ook is genoegzaam bekend dat de regering al enige tijd bezig is om dit verschijnsel hard aan te pakken. Desondanks heeft de betrokkene een motorrijtuig bestuurd onder invloed van een behoorlijk hoog promillage (voor de "first offender" is dat 1,3‰; voor de recidivist 1,0‰). Hem wordt nu door deel te nemen aan het asp toch een laatste gelegenheid geboden om ondanks zijn foute gedrag mobiel te blijven. Het is niet onredelijk dat hij de daaraan verbonden kosten zelf draagt. Hij zal dus voor zichzelf de afweging moeten maken of het mobiel blijven opweegt tegen de kosten". Naar het oordeel van de Afdeling is het gerechtvaardigd te achten dat de minister op basis van artikel 132c, zesde en zevende lid, van de Wvw 1994 is gekomen tot de vaststelling van de in artikel 21, eerste lid, van de Regeling opgenomen kosten. Gesteld noch gebleken is dat deze kosten de werkelijke kosten met betrekking tot het opleggen en de uitvoering van het asp te boven gaan. Artikel 21, eerste lid, van de Regeling voorziet er niet in dat het CBR bij het opleggen van een asp rekening houdt met de financiële draagkracht van de betrokkene. In het betoog van [wederpartij] dat de oplegging van het asp onevenredig nadeel voor hem oplevert, wordt, bezien in het licht van de doelen van het asp en van voormelde, door de betrokkene te maken afweging, geen grond gezien voor het oordeel dat het CBR deze bepaling in dit geval buiten toepassing had dienen te laten.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 juli 2012 alsnog ongegrond verklaren.” 7.
- Het afwegingskader van de Afdeling is, zo valt op, beperkt. Aangeknoopt wordt bij de afwegingen die de wetgever heeft gemaakt, en die zijn, kort samengevat, niet onevenredig. Een toetsing in concreto komt zo niet in beeld. De reden daarvoor geeft de Afdeling zelf aan: de (hoogste) bestuursrechter ziet de opgelegde maatregel als een gefixeerde wettelijke sanctie, waarbij de bestuursrechter van die door de wetgever gemaakte afwegingen moet uitgaan. Het lijkt mij duidelijk dat hier een zekere spanning bestaat tussen dat uitgangspunt en de volgens de Afdeling uit art. 6 EVRM voortvloeiende indringende toetsing van de evenredigheid van de maatregel. 7.
- De door de Afdeling in de zojuist aangehaalde uitspraak uiteengezette lijn is vooraleerst gevolgd in (onder meer) de op dezelfde datum (23 oktober 2013) gewezen uitspraak ECLI:NL:RVS:2013:
- Daarin wordt nog iets explicieter ingegaan op de positie van degene die uitsluitend getroffen worden bij het besturen van voertuigen waarvoor rijbewijs B is vereist (personenauto’s): “3.
- De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het opleggen van de verplichting tot het deelnemen aan een asp aan houders van een rijbewijs voor uitsluitend het besturen van motorrijtuigen van de categorie B een maatregel gebaseerd op een "criminal charge", in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM inhoudt. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 31 896, nr. 3, blz. 7-8 en 17) volgt dat het asp niet ten doel heeft het met leedtoevoeging voorkomen van verwijtbare tekortkomingen, maar ermee is beoogd in het belang van de verkeersveiligheid motorrijtuigbestuurders die met hoge alcoholgehalten worden aangehouden bewust te maken van de grote gevaren van rijden onder invloed van alcohol en te leren een scheiding te maken tussen alcoholgebruik en het besturen van een motorrijtuig. De betrokkenen kunnen gedurende de deelname aan het asp het rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie B behouden. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201301126/1/A3, heeft de wet- en regelgever bewust de keuze gemaakt de kosten die aan het asp zijn verbonden voor rekening van de betrokkene te brengen. In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 31 896, nr. 4, blz. 7-8) is hierover onder meer het volgende opgemerkt: "Het is genoegzaam en algemeen bekend dat rijden onder invloed van alcohol gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid en daarom absoluut ongewenst is. Ook is genoegzaam bekend dat de regering al enige tijd bezig is om dit verschijnsel hard aan te pakken. Desondanks heeft de betrokkene een motorrijtuig bestuurd onder invloed van een behoorlijk hoog promillage (voor de "first offender" is dat 1,3‰; voor de recidivist 1,0‰). Hem wordt nu door deel te nemen aan het asp toch een laatste gelegenheid geboden om ondanks zijn foute gedrag mobiel te blijven. Het is niet onredelijk dat hij de daaraan verbonden kosten zelf draagt. Hij zal dus voor zichzelf de afweging moeten maken of het mobiel blijven opweegt tegen de kosten". Geen grond bestaat voor het oordeel dat de verplichting tot het betalen van de kosten van het asp is gericht op een verdergaande benadeling dan noodzakelijk is om het opleggen en de uitvoering ervan mogelijk te maken. Gelet hierop is de maatregel evenmin vanwege het feit dat de kosten ervan ten laste van de betrokkene komen een maatregel gebaseerd op een "criminal charge", in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.” 7.
- Ten vervolge op deze passage wordt echter nog eens kort herhaald waarom in het ter beoordeling staande geval wel tot een maatregel naar aanleiding van een criminal charge moet worden geconcludeerd: “3.
- In het geval van [appellant] heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit tot gevolg dat hij weliswaar de beschikking over het rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie B kan behouden, maar zijn rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie C, waarvan hij voor zijn inkomen afhankelijk is, voor ten minste vierentwintig maanden ongeldig is verklaard. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201301126/1/A3, heeft de aan [appellant] opgelegde maatregel om die reden, bezien in het licht van de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2005, Nilsson tegen Zweden, nr. 73661/01, 23 september 1998, Malige tegen Frankrijk, nr. 27812/95, 21 september 2006, Maszni tegen Roemenië, nr. 59892/00 en 24 januari 2012, Mihai Toma tegen Roemenië, nr. 1051/06; www.echr.coe.int), vanwege de zwaarte ervan een punitief karakter. Het betoog van [appellant] dat de aan hem opgelegde maatregel als een maatregel gebaseerd op een "criminal charge", in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM moet worden aangemerkt, slaagt (….)” Vervolgens wordt ook in deze zaak de evenredigheid van de maatregel getoetst door de Afdeling, maar dit leidt – met dezelfde redenering als in de eerder genoemde zaak – niet tot gegrondverklaring van het beroep. 7.
- Een toetsing van de evenredigheid van de opgelegde maatregel leidde tot een andere uitkomst in ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:
- Weer betrof het een vrachtwagenchauffeur, die door de ongeldigverklaring van het rijbewijs C in financiële nood geraakte. Daardoor kon hij ook de kosten van het ASP niet voldoen, zodat de ongeldigheid van zijn rijbewijs (voor alle categorieën behalve Am) voor vijf jaar in het verschiet lag. De Afdeling Bestuursrechtspraak komt de betrokkene op dat punt dit keer wel tegemoet, en daarbij wordt aangeknoopt bij de draagkracht van de betrokkene. De Afdeling overwoog: “3.
- Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 31 896, nr. 4, blz. 4 en 7-8) blijkt dat de aan het asp verbonden kosten voorshands zijn geschat op € 1.500,00 tot € 2.250,
- Naar aanleiding van het advies van de Raad van State, inhoudende dat die kosten mogelijk tot gevolg hebben dat de deelnamegraad aan het asp laag zal zijn, waardoor de doelstelling van de maatregel niet wordt bereikt, heeft de minister gesteld dat de raming voor deze kosten in ieder geval op dat moment was bijgesteld naar € 1.300,00 tot € 2.000,00 en dat werd onderzocht of een verdere verlaging van de kosten mogelijk was. Voorts heeft de minister opgemerkt: "Het is genoegzaam en algemeen bekend dat rijden onder invloed van alcohol gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid en daarom absoluut ongewenst is. Ook is genoegzaam bekend dat de regering al enige tijd bezig is dit verschijnsel hard aan te pakken. Desondanks heeft de betrokkene een motorrijtuig bestuurd onder invloed van een behoorlijk hoog promillage (voor de "first offender" is dat 1,3‰; voor de recidivist 1,0‰). Hem wordt nu door deel te nemen aan het asp toch een laatste gelegenheid geboden om ondanks zijn foute gedrag mobiel te blijven. Het is niet onredelijk dat hij de daaraan verbonden kosten zelf draagt. Hij zal dus voor zichzelf de afweging moeten maken of het mobiel blijven opweegt tegen de kosten". Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013 in zaak nr. 201301126/1/A3, is het gerechtvaardigd te achten dat de minister op basis van artikel 132c, zesde lid en zevende lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 is gekomen tot de vaststelling van de in artikel 21, eerste lid, van de Regeling opgenomen kosten. Gesteld noch gebleken is dat deze kosten de werkelijke kosten met betrekking tot het opleggen en de uitvoering van het asp te boven gaan. Ter zitting bij de Afdeling heeft het CBR evenwel desgevraagd bevestigd dat de kosten van deelname aan het asp in totaal € 4.000,00 tot € 5.000,00 bedragen. Veruit het grootste deel hiervan wordt uitgemaakt door de in artikel 132c, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994 bedoelde kosten van het huren of kopen, de inbouw, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhoud en de uitbouw van het alcoholslot. De hoogte van die kosten wordt door de leverancier en de installateur van het alcoholslot bepaald. Gelet op de totale kosten van het asp, die aanzienlijk hoger zijn dan door de wetgever voorafgaand aan de invoering van de maatregel geraamd, kan niet worden gesteld dat een ieder de reële mogelijkheid heeft deze kosten te voldoen en voormelde afweging te maken. Met hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, acht de Afdeling aannemelijk gemaakt dat hij onvoldoende financiële draagkracht heeft om de kosten van het asp te kunnen betalen. Hierdoor kan hij gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar zijn beroep als vrachtwagenchauffeur niet uitoefenen. Voorts is aannemelijk dat [appellant], in ieder geval mede doordat hij sinds het in bezwaar gehandhaafde besluit niet als vrachtwagenchauffeur heeft kunnen werken, problematische schulden heeft en, bij voortduring van deze situatie, in de schuldsanering terecht zal komen en zijn woning gedwongen zal worden verkocht. De Afdeling acht deze gevolgen van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 26 januari 2012 onevenredig zwaar in verhouding tot de met de maatregel te dienen - educatieve - doelen en ziet hierin aanleiding te bepalen dat de toepassing van artikel 97, vijfde lid, van het Reglement rijbewijzen in dit geval onevenredig is voor zover de daarin opgenomen termijn van vijf jaren, gerekend vanaf de ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant], de in artikel 132c, vierde lid, van de Wvw 1994 vermelde duur van het asp van twee jaar overschrijdt.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 31 mei 2012 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, voor zover daaruit volgt dat ten behoeve van [appellant] gedurende een periode van ten hoogste vijf jaren na de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs geen verklaring van geschiktheid wordt geregistreerd zolang hij niet heeft voldaan aan de verplichting zich aan het asp te onderwerpen. Uit het voorgaande volgt dat in plaats daarvan een periode van ten hoogste twee jaar heeft te gelden. Het besluit van 26 januari 2012 zal in zoverre worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.” 7.
- Tot dusver is dit de enige mij bekende uitspraak van de ABRvS waarin een beroep tegen het ASP wegens onevenredigheid van de maatregel (deels) gegrond is verklaard. De wijze waarop dit geschiedt is voorts opvallend: met doorbreking van de wettelijke regeling in art. 97 lid 5 RR - een AMvB - wordt de termijn waarbinnen geen nieuwe verklaring van geschiktheid kan worden geregistreerd gesteld op twee jaar, in plaats van vijf jaar. Over het precieze hoe en waarom van deze constructie laat de Afdeling zich in haar uitspraak niet uit, maar naar ik meen kan dit resultaat slechts bereikt worden door de betreffende bepaling uit de AMvB (het Reglement Rijbewijzen) in dit concrete geval buiten toepassing te laten wegens de kennelijke onredelijkheid van het resultaat. Vgl. ABRvS 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2013:
- Bij een dergelijke “exceptieve toets” dient de rechter – net als bij de toets van de verbindendheid van wettelijke voorschriften – terughoudendheid te betrachten, aldus de Afdeling in de zojuist genoemde uitspraak. Daartegenover staat, zo voeg ik toe, de door de Afdeling zelf aan art. 6 EVRM ontleende verplichting tot ‘indringende toetsing van de evenredigheid’ van de ASP-maatregel. Waar die twee elkaar ontmoeten is niet – of nog niet – helemaal duidelijk. 7.
- Waar de Afdeling een “criminal charge” aanneemt in sommige gevallen van het ASP heeft dat ook in ander opzicht consequenties voor de toetsing door de bestuursrechter van de oplegging van de maatregel. Art. 6 EVRM vereist dat een ‘determination’ van die ‘charge’ aan zekere processuele standaarden tegemoet moet komen, waaronder de (overkoepelende) eis van een ‘fair hearing’. Bij het ASP komt dat erop neer dat de bestuursrechter ook de deugdelijkheid van de feitelijke grondslag voor oplegging van de maatregel toetst. In de eerder al aangehaalde uitspraak van 23 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2013:1671 was door de betrokkene (ook) aangevoerd dat het CBR hem ten onrechte als bestuurder van het motorvoertuig had aangemerkt. Een dergelijk verweer leidt tot volledige toetsing door de (hoogste) bestuursrechter: “
- [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat hij voorafgaand aan de aanhouding op 21 augustus 2012 als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden. Volgens hem heeft de rechtbank aldus onvoldoende betekenis toegekend aan de bij haar ter zitting door twee getuigen onder ede afgelegde verklaringen. Een getuige heeft verklaard dat hij de auto bestuurde, maar voor de politie is gevlucht. De rechtbank heeft deze verklaring ten onrechte gep