Nr. 13/02273 Mr. Harteveld Zitting 19 mei 2015 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, zitting houdende te ‘s-Hertogenbosch, heeft verdachte bij arrest van 23 april 2013 vrijgesproken van het hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Ter zake van het onder 4 tenlastegelegde, waarvan verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, is de officier van justitie niet ontvangen in het hoger beroep. 2. Het beroep in cassatie is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof, mr. J.W.M. Grimbergen. Advocaat-Generaal mr. M.E. de Meijer heeft een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingezonden. 3.1. De onderhavige zaak is zowel waar het gaat om de overwegingen van het Hof, leidende tot vrijspraak van het tenlastegelegde als de beide daartegen door het Openbaar Ministerie ingediende middelen geheel vergelijkbaar met die tegen de medeverdachte [medeverdachte 4] (nr. 13/04715), in welke zaak de Hoge Raad reeds op 17 juni 2014 arrest heeft gewezen (ECLI:NL:HR:2014:1451). Ik citeer uit dat arrest de volgende overwegingen van de Hoge Raad, die ook op de onderhavige zaak van toepassing zijn: “2.3. Het oordeel van het Hof dat voornoemd door [betrokkene 1] opgesteld rapport van 25 september 2007 alsmede de over dat rapport afgelegde verklaringen en het door [betrokkene 2] uitgebrachte rapport van 2 februari 2009 moeten worden aangemerkt als 'resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen' als bedoeld in art. 359a, eerste lid onder b, Sv, is ontoereikend gemotiveerd, nu de omstandigheid dat als gevolg van enig verzuim het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemde materiaal, kort gezegd, in het ongerede is geraakt, niet meebrengt dat de verkrijging van voornoemd bewijsmateriaal als 'resultaat' van dat in het ongerede raken en reeds op die grond als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. 2.4.1. Voor zover het Hof voorts heeft geoordeeld dat het tot het bewijs bezigen van het hiervoor bedoelde bewijsmateriaal ondanks de onmogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek in de onderhavige zaak in de weg staat aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in art. 6 EVRM, moet worden vooropgesteld dat de vraag of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering in de weg staat afhankelijk is van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.