Nr. 14/01216 Zitting: 12 mei 2015 (bij vervroeging) Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 21 februari 2014 de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven” en “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, onder aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. 2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 14/02725. In beide zaken zal ik vandaag concluderen. 3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. E.G.C. Groenendaal, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld. 4. Het eerste middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal getuigen (verbalisanten), alsmede op het verzoek tot het voegen van de foto’s die aan getuige [getuige 1] zijn getoond. 5. De (tijdige) appelschriftuur van de verdediging (mr. Quint) dateert van 11 maart 2013 en houdt o.a. omtrent het in het middel bedoelde verzoek – voor zover hier van belang – het volgende in: “(…) De verdediging is van oordeel dat om die reden in hoger beroep de navolgende onderzoekshandelingen dienen te worden verricht. I horen getuigen 1. [getuige 2] 2. [getuige 3] Toelichting 1 & 2: (…) 3. Verbalisanten betrokken bij fotobewijsconfrontaties [getuige 1] en [getuige 4] Toelichting: De verdediging heeft bij pleidooi uitgebreid en gemotiveerd betoogd dat de herkenningen van genoemde [getuige 1] en [getuige 4] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Enerzijds omdat niet conform de richtlijnen is gehandeld en anderzijds omdat getuigen twijfelachtig verklaren omtrent de beweerdelijke herkenning van cliënt. De rechtbank heeft op deze verweren niet of nauwelijks gerespondeerd. Sterker nog, ten aanzien van de meervoudige fotoconfrontaties met getuige [getuige 4] overweegt de rechtbank: [getuige 4] herkende daarbij [verdachte] als de man die hij in de eerdere verklaring de lange had genoemd.” In het geheel gaat de rechtbank voorbij aan het betreffende proces-verbaal in het dossier waarin staat dat [getuige 4] met betrekking tot de foto van cliënt heeft gezegd: “ik denk die”. De rechtbank heeft ook in het geheel geen aandacht besteed aan de verklaring van [getuige 4] bij de rechter-commissaris inhoudende dat hij bij de politie erg twijfelde over de beweerdelijke herkenning. Voorts heeft de verdediging betoogd dat de getuigen onvoldoende objectieve keuzemogelijkheden hadden gelet op de geselecteerde foto’s. De rechtbank overweegt in haar vonnis: “de rechtbank heeft aan de hand van de processen-verbaal van politie met betrekking tot de meervoudige fotoconfrontaties ([getuige 4] en [getuige 1]) geconstateerd dat de uitvoering daarvan overeenkomstig de bepalingen van het voornoemde Besluit heeft plaatsgehad. De getoonde foto’s beantwoorden – in tegenstelling tot wat de verdediging heeft betoogd – naar het oordeel van de rechtbank in grote lijnen aan de beschrijving, die de getuige [getuige 4] tevoren van de verdachten heeft gegeven.” In de optiek van de verdediging een onjuiste constatering hetgeen noodzakelijk maakt dat de bij de fotoconfrontaties betrokken verbalisanten dienen te worden bevraagd omtrent de gevolgde procedure. II toevoegen stukken dossier De verdediging is van oordeel dat de foto’s die aan de getuige [getuige 1] zijn getoond aan het dossier dienen te worden toegevoegd. Op die wijze kan het gerechtshof oordelen, zoals door de verdediging betoogd, of de gevolgde procedure conform lege artis is geschied.” 6. Ter terechtzitting van 16 augustus 2013 heeft de verdediging het woord gevoerd volgend de aldaar overgelegde pleitnotities. In genoemde pleitnotities zijn de verzoeken als volgt herhaald: “Onderzoekswensen Daar kan ik korter over zijn. (…) [getuige 2]/[getuige 3], zie appelschriftuur mr. Quint. Voegen foto’s getoond aan [getuige 1] idem. Betrokken opsporingsambtenaren bij fotoconfrontaties [getuige 1] en [getuige 4] idem. (…)” 7. In de toelichting op het middel wordt - naar ik begrijp - uiteengezet dat op bovenstaand verzoek tot het horen van de bij de fotoconfrontaties van [getuige 4] en [getuige 1] betrokken verbalisanten, en op het verzoek tot het voegen van de aan [getuige 1] getoonde fotoserie, door het hof in het geheel geen beslissing is genomen, noch bij zijn tussenarrest van 30 augustus 2013, noch bij zijn eindarrest van 21 februari 2014. Nu het hof heeft verzuimd te beslissen, is het gehele onderzoek ter terechtzitting nietig, aldus het middel. 8. Het middel is vruchteloos voorgesteld. In het overzichtsarrest van Uw Raad van 1 juli 2014 is onder rechtsoverweging 2.41 het volgende overwogen: “Aan de opgave van getuigen bij appelschriftuur worden zekere eisen gesteld. (…) Voorts kan niet worden volstaan met de opgave van bijvoorbeeld ‘alle personen, onder wie degenen doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt’. Op verzoeken die in een dergelijke schriftuur zijn vervat, behoeft dus niet te worden beslist. Zo’n schriftuur kan ook niet worden aangemerkt als een opgave van getuigen bedoeld in art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263 Sv waaromtrent door de advocaat-generaal een beslissing dient te worden genomen.” 9. Hieruit volgt dat een verzoek, al dan niet bij appelschriftuur gedaan, tot het (doen) horen van getuigen niet ‘te vaag’ mag worden geformuleerd, op straffe van het ontbreken van een responsieplicht van de rechter. Dit sluit ook aan bij de tekst van art. 263 Sv welke eist dat, zo veel als mogelijk, getuigen bij naam en toenaam dienen te worden opgegeven. De vraag of een verzoek te vaag is geformuleerd en derhalve niet heeft te gelden als een opgave van getuigen als bedoeld in de wet, is ter beoordeling aan de feitenrechter. Dit oordeel kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. 10. Kennelijk heeft het hof (impliciet) het verzoek tot het (doen) horen van de bij de fotoconfrontaties van [getuige 4] en [getuige 1] betrokken verbalisanten niet aangemerkt als een verzoek tot oproeping van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv in verbinding met art. 263, tweede lid, Sv. Noch is het verzoek aangemerkt als een verzoek in de zin van art. 414 Sv dat ter terechtzitting is herhaald en nader onderbouwd. Dit oordeel is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Uit de stukken kon blijken welke verbalisanten betrokken waren bij de bedoelde fotoconfrontaties en het lag dan ook in de eerste plaats op de weg van de verdediging om de gewenste getuigen in de appelschriftuur bij naam op te geven, en vervolgens voor iedere getuige afzonderlijk toereikend te beargumenteren waarom het verhoor is aangewezen. Nu de verdediging een en ander heeft verzuimd en zij op de terechtzitting van 16 augustus 2013 zonder nadere onderbouwing slechts heeft verwezen naar de appelschriftuur, behoefde op het verzoek niet te worden beslist. 11. Terzijde nog het volgende. In de appelschriftuur is een – ondermaats – begin van onderbouwing te vinden van het verzoek tot het oproepen van “verbalisanten betrokken bij fotobewijsconfrontaties”. Die onderbouwing houdt in essentie niets meer in dan dat de uitkomst van de betreffende fotoconfrontaties naar het oordeel van de verdediging niet betrouwbaar is. Die omstandigheid zal naar verwachting meebrengen dat de verdediging zich bij pleidooi zal verzetten tegen het gebruik van het resultaat van die fotoconfrontaties tot het bewijs. Tot het verhoor van deze getuigen noopt dit echter geenszins. 12. Alhoewel het (begrijpelijkheids-)oordeel aangaande de afwijzing van het verzoek om de aan [getuige 1] getoonde fotoserie te voegen ietwat anders in elkaar steekt, moet het tot hetzelfde, voor het middel negatieve, resultaat leiden. Bij eindarrest van 21 februari 2014 heeft het hof immers wel degelijk beslist op dit verzoek. Ook in zoverre is het eerste middel, dat immers klaagt over het (geheel) uitblijven van een respons van het hof, vruchteloos voorgesteld. 13. Het middel faalt. 14. Het tweede middel bevat, naar ik begrijp als vervolg op het eerste middel, twee deelklachten. Ten eerste klaagt het middel dat het hof (ook) in zijn eindarrest van 21 februari 2014 heeft verzuimd te beslissen op het in de appelschriftuur gedane en op de terechtzitting van 16 augustus 2013 herhaalde verzoek tot het horen van de bij de fotoconfrontaties van [getuige 4] en [getuige 1] betrokken verbalisanten. Ten tweede klaagt het middel dat het hof een verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij zijn afwijzing van het bij pleidooi van 7 februari 2014 gedane verzoek (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.