← Nederland

ECLI:NL:PHR:2015:991

15/01266 Mr. F.F. Langemeijer 26 juni 2015 Conclusie inzake: [de man] tegen [de moeder] In deze familierechtelijke zaak heeft de verwekker tevergeefs verzocht om vervangende toestemming tot de erkenni

m to have ensured that the rights and interests of the applicant have been given due consideration. 79. To sum up, when making the assessment of the case the Court had regard to the circumstances of the case

n as a whole. Hence, it has taken into consideration, firstly, the lack of any directly accessible procedure by which the applicant could claim to have his legal paternity established (

§ 73above).

Secondly, the Court noted the absence, in the domestic law, of any guidance as to the manner in which discretionary powers vested on the authorities in deciding whether to challenge legal paternity established by way of a declaration made by another man should be exercised (

§ 76above).

Thirdly, the Court considered the perfunctory manner in which the authorities exercised their powers when dealing with the applicant's requests to challenge this paternity (

§ 77above).

Having examined the manner in which all these elements taken together affected the applicant's situation, the Court concludes that, even having regard to the margin of appreciation left to the State, it failed to secure to the applicant the respect for his family life to which he is entitled under the Convention (Mizzi v. Malta, no. 26111/02 § 114, mutatis mutandis). 80. There has therefore been a violation of Article 8 of the Convention.” 2.16. De procedurele kant van de zaak is in het cassatiemiddel niet ter discussie gesteld. In de toepassing door het hof van de maatstaf van HR 12 november 2004 ligt besloten dat in het nationale recht voldoende guidance bestaat ten aanzien van de maatstaf die de rechter toepast. Waar het hof uitdrukkelijk vaststelt dat dat de man geruime tijd de gelegenheid heeft gehad om een verzoekschrift tot het verkrijgen van vervangende toestemming in te dienen doch van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, kan in zijn algemeenheid niet worden volgehouden dat het hof aan de rechten en belangen van de man onvoldoende aandacht heeft besteed (in de woorden van het EHRM: ‘due consideration’ heeft gegeven). Onderdeel 1.d faalt. Onderdeel 2 (omgang) 2.17. Onderdeel 2 is gericht tegen de afwijzing van de verzochte omgangsregeling. De klacht is gericht tegen rov. 12 en 13 en meer in het bijzonder tegen de slotsom dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de man en de dochter aan te nemen. 2.18. Onderdeel 2.a klaagt dat het hof miskent dat indien de man vóór de geboorte een relatie met de moeder had die op één lijn valt te stellen met een huwelijk, door het enkele feit van de geboorte van een kind uit deze relatie het family life zich uitstrekt ook over de relatie tussen de verwekker en het kind. Nu in dit geding is vastgesteld dat de man een affectieve relatie met de moeder heeft gehad, had het hof behoren te onderzoeken of deze heeft geleid tot ‘family life’ van de man met het kind. Onderdeel 2.b sluit hierbij aan met een subsidiaire motiveringsklacht. 2.19. Het enkele feit van de biologische verwantschap (d.w.z. het feit dat vaststaat dat de man de verwekker

  1. is)wordt naar vaste rechtspraak niet toereikend geacht voor het vestigen van family life in de zin van art. 8 EVRM. In gelijke zin heeft het hof, in cassatie onbestreden, geoordeeld (in rov. 12 van zijn beschikking). Wel is mogelijk dat de geboorte van het kind in combinatie met bijkomende omstandigheden noopt tot het aannemen van family life. Het is dan aan de man (de biologische vader) om deze bijkomende omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken. De bijkomende omstandigheden moeten gelegen zijn hetzij in de aard van zijn relatie met de moeder en in zijn betrokkenheid bij het kind voor en na de geboorte (in welk geval die omstandigheden moeten wijzen op voorgenomen gezinsleven), hetzij in de band die na de geboorte tussen hem als vader en het kind is ontstaan. 2.20. Het middelonderdeel heeft het oog op gevallen waarin de biologische vader een relatie met de moeder heeft gehad die op één lijn te stellen is met een huwelijk. Zo opgevat, mist de klacht doel. Het vastgestelde bestaan van een ‘affectieve’ relatie tussen de man en de moeder betekent immers nog niet dat sprake is geweest van een relatie die op één lijn kan worden gesteld met een huwelijk. Volgens de vrouw is nooit sprake geweest van enig gezinsleven van partijen; volgens de man wel. Het hof constateert dat partijen van mening verschillen over de duur van hun relatie, over de vraag of zij wel of niet hebben samengewoond, over de gebeurtenissen rondom de zwangerschap en de geboorte, over de verzorging van de dochter en over de aanwezigheid van de nieuwe partner bij de moeder. 2.21. Mede gelet op het feit dat het aantal huwelijken geleidelijk afneemt in verhouding tot het aantal gevallen waarin levenspartners ongehuwd samenwonen, wil ik de klacht in ruimer zin opvatten. Art. 8 EVRM beschermt niet alleen gezinsleven maar ook privéleven van personen tegen overheidsinmenging. Hierdoor komt ook een intended family life binnen het bereik van artikel 8. Zoals gezegd, rust de stelplicht ten aanzien van de benodigde bijkomstige omstandigheden op de man. In rov. 13 is het hof tot de slotsom gekomen dat per saldo er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de dochter. Hieruit volgt dat het hof hééft onderzocht of de relatie tussen de man en de moeder in combinatie met de geboorte van de dochter uit die relatie een ‘family life’ tussen de man en het kind heeft opgeleverd, maar die vraag ontkennend heeft beantwoord. De rechtsklacht van onderdeel 2.a faalt om deze reden. 2.22. Het hof heeft bij zijn onderzoek naar bijkomende omstandigheden aandacht besteed aan de aard van de relatie van de man met de moeder, aan zijn eventuele betrokkenheid bij het kind voor en na de geboorte (wijzen de omstandigheden op voorgenomen gezinsleven?) en aan de mogelijkheid dat na de geboorte een band tussen de man en de dochter is ontstaan. In rov. 13 komt het hof tot de slotsom dat noch de rechter noch de Raad voor de Kinderbescherming hierover duidelijkheid heeft kunnen krijgen. Waar de stelplicht op de man rust, was daarmee de beslissing gegeven. Het hof heeft blijkbaar geen heil gezien in een aanhouding van de zaak om nadere inlichtingen hierover in te winnen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk voor de lezer. Het hof overweegt in dit verband dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat de voorzieningenrechter in 2013 tot tweemaal toe heeft geoordeeld dat niet is komen vaststaan dat sprake is van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ tussen de man en de dochter en dat de man in dit hoger beroep geen andere feiten heeft aangedragen dan hij reeds in die kort gedingprocedures had gedaan. De door de man aangedragen feiten en omstandigheden heeft het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, niet voldoende geacht om van een inbreuk op zijn recht op family life (of, zo voeg ik toe, op zijn recht op private life) te kunnen spreken. De slotsom is dat ook de motiveringsklacht faalt. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, a. – g. Zie de bestreden beschikking, blz. 2/3 en rov. 7. Partijen verschillen van mening over de datum van beëindiging van hun relatie (vóór of na de geboorte van de dochter); het hof heeft dit in het midden gelaten in rov. 7. Gerechtshof Den Haag 17 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4153. De categorie genoemd onder (
  2. b)is toegevoegd bij wet van 25 november 2013, Stb. 480. Zie over deze wetswijziging onder meer: A. Mollema, “Wie wordt de tweede ouder? De biologische vader en de duomoeder in juridische strijd verwikkeld, nu en in de toekomst”, in: T. Greverdinck e.a. (red.), Wetenschappelijk Bijdragen, 2014, blz. 207 - 222. HR 16 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0032, NJ 2001/571 m.nt. J. de Boer; zie onder het vroegere afstammingsrecht: HR 22 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0159, NJ 1991/376 m.nt. E.A.A. Luijten. Zie voorts: Groene Serie, Personen- en familierecht, ad art. 1:204 BW (W.M. Schrama); Asser/De Boer 1*, 2010 nrs. 715 e.v. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0745, NJ 2002/470 m.nt. J. de Boer. rov. 3.5. Erkenning is reeds mogelijk vóór de geboorte; zie art. 1:2 en art. 1:5 BW. De doorhaling van de vermelding in een akte van de burgerlijke stand is geregeld in art. 1:24 BW. HR 12 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ7386, NJ 2005/248 m.nt. J. de Boer. HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4496. Zie blz. 2 van de beschikking van de rechtbank van 7 april 2014. Vgl. Asser-De Boer I*, 2010, nr. 717 - 718. EHRM 18 mei 2006 (appl.no. 55339/00), EHRC 2006/84. Zie ook: EHRM 12 februari 2013 (Tóth/Hongarije, no. 48494/06), EHRC 2013/100 m.nt. F.K. van Wijk. Het middelonderdeel verwijst in dit verband naar: EHRM 26 mei 1994 (Keegan), NJ 1995/247; EHRM 27 oktober 1994 (Kroon), NJ 1995/248; EHRM 15 september 2011 (Schneider/Duitsland), appl.no. 17080/07, EHRC 2011/19 m.nt. J.H. Gerards. Zie voor een uitgebreid rechtspraakoverzicht: Asser/De Boer I*, 2010, nr. 13a. HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5798, NJ 2013/122 m.nt. S.F.M. Wortmann. Voor nadere gegevens: ECLI:NL:PHR:2012:BW7010, voetnoot 14. Zie: S.F.M. Wortmann, punt 6 van de reeds aangehaalde annotatie in NJ 2013/122. Vgl. EHRM 15 september 2011 (Schneider, reeds aangehaald), punt 81.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.