Nr. 15/04441 Zitting: 6 september 2016 mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 18 september 2015 door het hof Arnhem-Leeuwarden wegens “verduistering”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en hierbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest is weergegeven. Namens de verdachte heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat: “zij in de periode van 15 november 2014 t/m 27 mei 2015 in de gemeente Goirle, opzettelijk een auto, toebehorende aan [A], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten door (bruik)lening en/of (het maken van) een proefrit, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.” 4. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een rechtsgeldige betekening van de dagvaarding in hoger beroep. 5. De zaak is in hoger beroep ter terechtzitting van 4 september 2015 inhoudelijk behandeld. Verdachte is daar niet verschenen. Namens verdachte is mr. Weldam als gevolmachtigd raadsman opgetreden. Het proces-verbaal van die zitting houdt - voor zover hier van belang - onder meer het volgende in: “(…) De oudste raadsheer deelt mede dat verdachte blijkens de ID-staat SKDB op 17 juni 2014 geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande meer heeft en vertrokken is met onbekende bestemming. De dagvaarding in hoger beroep is op 21 augustus 2015 aan de griffier betekend, waarbij een afschrift is verstuurd naar de [b-straat 1] te Tilburg. Voorts is er een afschrift is verstuurd naar [c-straat 1] te Assen. De raadsman merkt - zakelijk weergegeven - op; Ik heb eerder deze week stukken toegestuurd naar het hof. Dit betreft aanvullende processen-verbaal welke betrekking hebben op de verduistering van dezelfde Opel Corsa als waarvoor zij thans in hoger beroep wordt vervolgd. Uit deze stukken (p. 32) blijkt dat mijn cliënte verblijft aan de [a-straat 1] te Voorthuizen. Mijn cliënte heeft toen bij de politie verklaard dat dit haar postadres is. Gelet hierop ben ik van mening dat sprake is van een ongeldige betekening. De advocaat-generaal merkt - zakelijk weergegeven - op; Mijns inziens is er sprake van een geldige betekening. Verdachte heeft dit adres niet genoemd tijdens het eerste politieverhoor in deze zaak. De raadsman merkt - zakelijk weergegeven - op; In de door mij nader toegezonden processen-verbaal staat het juiste adres. Volgens mij gaat het hier om dezelfde zaak, namelijk de vermeende verduistering van de Opel Corsa. Mijn cliënte is hiervoor opnieuw aangehouden. De advocaat-generaal heeft echter geweigerd deze processen-verbaal aan dit dossier toe te voegen. Ik heb wel contact gehad met mijn cliënte, maar niet over de zitting van vandaag of over dit punt. Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat sprake is van een rechtsgeldige betekening. Ingevolge artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering wordt in drie gevallen bovendien een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte toegezonden aan het laatste door verdachte opgegeven adres, namelijk indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, ten tweede indien de verdachte bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden en ten derde indien de verdachte bij het instellen van het hoger beroep een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Geen van deze drie situaties is in casu van toepassing, nu het door de raadsman naar voren gebrachte verblijfadres ziet op een in het kader van een ander dossier opgegeven adres in Voorthuizen. Van een adreswijziging zoals bedoeld in artikel 588a tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is in casu eveneens geen sprake geweest. De raadsman verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De advocaat-generaal draagt de zaak voor. (…)” 6. Voorts houden de ter terechtzitting overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities van de raadsman onder meer het volgende in: “(…) Nietigheid appeldagvaarding Uit het proces-verbaal van politie met registratienummer PL2600-2015023259 (o.a. pagina 32, 40, 59, 65 en 69) blijkt dat bij de justitiële autoriteiten bekend is dat cliënte een postadres heeft. Cliënte heeft bij de politie op 28 mei 2015 verklaard (pag. 59) dat gerechtelijke stukken kunnen worden toegestuurd naar haar postadres: [a-straat 1] Voorthuizen. Dit is tevens het adres waarop cliënte op 28 mei 2015 is aangehouden. Volgens de politie zou cliënte op dit adres verblijven (pag. 32). Dit betekent dat er sprake is van een adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van cliënte geldt. Nu de appeldagvaarding op dit adres niet is aangeboden is de appeldagvaarding nietig. (…)” 7. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Uit artikel 588 Sv en vaste rechtspraak volgt dat wanneer een verdachte niet is gedetineerd en niet is ingeschreven in een GBA, op straffe van nietigheid getracht moet worden de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden (art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 2, Sv). Anders kan de onbekendheid van een feitelijke woon-of verblijfplaats niet worden aangenomen en kan betekening aan de griffier van de rechtbank als bedoeld in art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3, Sv niet geldig plaatshebben. Of sprake is van een adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. 8. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich onder meer: - het (eind-) proces-verbaal van politie met nummer PL0900-2015075890, met daarbij behorende bijlagen, doorgenummerd en met op pagina 56 de opgave door verdachte op 7 januari 2015 van de ‘[b-straat 1] te Tilburg als feitelijke woon- of verblijfplaats; - een ID-staat SKDB van 4 augustus 2015 onder meer inhoudende dat verdachte vanaf 17 juni 2014 is ‘Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)’ en dus geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft hier te lande; - een dagvaarding in hoger beroep van 4 augustus 2015 met als adressering ‘Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande’, met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat deze dagvaarding op 4 augustus 2015 is betekend aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland en op die datum tevens een afschrift is verzonden aan de [b-straat 1] te Tilburg; - een dagvaarding in hoger beroep van 4 augustus 2015 met als adressering [b-straat 1] Tilburg, met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat deze dagvaarding op 7 augustus 2015 tevergeefs is aangeboden op voornoemd adres, vervolgens tot 15 augustus 2015 op het postkantoor heeft gelegen en niet is afgehaald binnen de gestelde termijn en dat de gerechtelijke brief op 21 augustus 2015 na een nieuwe SKDB-controle aan de griffier is betekend waarbij op die datum tevens een afschrift is verzonden aan de [b-straat 1] te Tilburg; - een dagvaarding in hoger beroep van 14 augustus 2015 met als adressering [c-straat 1] Assen, met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat deze dagvaarding op 20 augustus 2015 tevergeefs is aangeboden op voornoemd adres, vervolgens tot 28 augustus 2015 op het postkantoor heeft gelegen en niet is afgehaald binnen de gestelde termijn en dat de gerechtelijke brief op 4 september 2015 na een nieuwe SKDB-controle aan de griffier is betekend waarbij op die datum tevens een afschrift is verzonden aan het adres [c-straat 1] te Assen; - een brief van de raadsman van verdachte mr. Weldam van 31 augustus 2015, gericht aan het hof, met in bijlage het doorgenummerde proces-verbaal van politie met registratienummer PL2600-2015023259, onder meer inhoudende: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.