Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. C.M. Ettema Advocaat-Generaal Conclusie van 17 oktober 2016 inzake: HR nr. 15/02924 [X] B.V. Hof nr. 14/00165 Rb nr. AWB 13/1835 Derde Kamer A tegen Douanerechten 1 mei 2009 - 24 september 2009 staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Deze procedure heeft betrekking op een terugbetalingsverzoek ex artikel 239 van het Communautair douanewetboek (CDW). Belanghebbende heeft in de periode van 1 mei 2009 tot en met 24 september 2009, 27 aangiften ten invoer gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van scheepscasco’s (hierna ook: goederen). Zij heeft deze goederen aangegeven onder postonderverdeling 8901 90 10 van de Gecombineerde nomenclatuur (GN) als ‘andere schepen voor het vervoer van goederen en andere schepen die zowel bestemd zijn voor het vervoer van personen als van goederen: zeeschepen’ (tarief 0%). 1.2 De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de scheepscasco’s onder postonderverdelingen 8901 20 90 (tankschepen, andere dan zeeschepen), 8901 90 91 (andere dan zeeschepen, bestemd voor het vervoer van goederen (en personen), zonder mechanische voortbeweging) en 8901 90 99 (andere dan zeeschepen, bestemd voor het vervoer van goederen (en personen), met mechanische voortbeweging) van de GN moeten worden ingedeeld (tarief 1,7%) en heeft een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) aan belanghebbende uitgereikt. Belanghebbende heeft de Inspecteur op grond van artikel 239 van het CDW verzocht om terugbetaling van douanerechten. 1.3 Om in aanmerking te komen voor terugbetaling of kwijtschelding ingevolge artikel 239 van het CDW moet zijn voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden:
(2)die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van belanghebbende inhouden. 1.4 Belanghebbende heeft in eerste aanleg en in hoger beroep een aantal omstandigheden genoemd die naar haar mening elk een ‘bijzondere situatie’ als hiervoor bedoeld opleveren. Zowel rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) als hof Amsterdam (het Hof) hebben echter geoordeeld dat van een bijzondere situatie geen sprake is. Aan de vraag of sprake is van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid zijn beide instanties niet toegekomen. 1.5 Met haar cassatiemiddel komt belanghebbende met name op tegen het oordeel van het Hof dat van een bijzondere situatie geen sprake is. 1.6 Nu het bedrag van de onderhavige utb een bedrag van € 500.000 overschrijdt, valt de onderhavige situatie in beginsel onder het toepassingsbereik van artikel 905, lid 1, van de UCDW. Uit de bewoordingen van de artikelen 899, lid 2, eerste alinea en 905, lid 1, van de UCDW en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) en de Hoge Raad leid ik voor het onderhavige geval af dat de douaneautoriteiten zelfstandig – dat wil zeggen zonder tussenkomst van de Europese Commissie – moeten beoordelen of is voldaan aan de twee hiervoor genoemde cumulatieve voorwaarden. Alleen indien de douaneautoriteiten menen dat aan deze voorwaarden is voldaan, moet het verzoek om terugbetaling naar de Europese Commissie worden gezonden. Belanghebbendes cassatiemiddel faalt in zoverre. 1.7 Uit vaste rechtspraak van het HvJ volgt dat zich een bijzondere situatie als hiervoor bedoeld voordoet wanneer de omstandigheden van dien aard zijn dat het niet billijk is de belastingschuldige een nadeel te berokkenen dat hij normaliter niet zou hebben ondergaan. Voorts is volgens vaste jurisprudentie het bestaan van een bijzondere situatie aangetoond wanneer uit de omstandigheden van het concrete geval volgt dat de belastingschuldige in een uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten, en hij zonder de bijzondere omstandigheden het nadeel niet zou hebben ondervonden. 1.8 Belanghebbende heeft een aantal omstandigheden aangevoerd die in haar visie elk als een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW kunnen worden beschouwd. Ik kom tot de conclusie dat geen van de genoemde omstandigheden ‘bijzonder’ is als hiervoor bedoeld. Het Hof heeft mijns inziens de juiste beslissing genomen. Het oordeel is voorts voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Dit brengt mee dat het cassatieberoep van belanghebbende faalt. 2Feiten en procesverloop 2.1 Belanghebbende heeft in de periode van 1 mei 2009 tot en met 24 september 2009 27 aangiften ten invoer gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van scheepscasco’s (hierna ook: goederen). Zij heeft deze goederen aangegeven onder postonderverdeling 8901 90 10 van de GN als ‘andere schepen voor het vervoer van goederen en andere schepen die zowel bestemd zijn voor het vervoer van personen als van goederen: zeeschepen’ (0%). 2.2 In februari en maart 2012 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een controle na invoer (hierna: cni) uitgevoerd als bedoeld in artikel 78 van het CDW. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de scheepscasco’s onder postonderverdelingen 8901 20 90 (tankschepen, andere dan zeeschepen), 8901 90 91 (andere dan zeeschepen, bestemd voor het vervoer van goederen (en personen), zonder mechanische voortbeweging) en 8901 90 99 (andere dan zeeschepen, bestemd voor het vervoer van goederen (en personen), met mechanische voortbeweging) van de GN moeten worden ingedeeld. Voor de goederen die onder deze laatstgenoemde postonderverdelingen vallen, geldt een tarief van 1,7%. De Inspecteur heeft een utb met dagtekening 27 april 2012 voor de verschuldigde douanerechten (€ 617.498,87) aan belanghebbende uitgereikt. 2.3 Met dagtekening 27 april 2012 heeft belanghebbende op grond van artikel 239 van het CDW de Inspecteur verzocht om terugbetaling van douanerechten. Bij beschikking (gedateerd 13 februari 2013) heeft de Inspecteur het verzoek afgewezen. 3Het geding in feitelijke instanties De Rechtbank 3.1 Belanghebbende heeft tegen de hiervoor in punt 2.3 genoemde beschikking op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht rechtstreeks beroep ingesteld bij de Rechtbank. Voor de Rechtbank was in geschil of belanghebbendes verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen. 3.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een bijzondere situatie, waardoor niet wordt voldaan aan een van de twee cumulatieve voorwaarden van voor terugbetaling of kwijtschelding van de voldane rechten bij invoer. Zij overwoog daartoe als volgt, waarbij de term ‘eiseres’ ziet op belanghebbende en de term ‘verweerder’ op de Inspecteur: “4.4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van een bijzondere situatie. Er is sprake van een groot aantal aangiften voor een groep marktdeelnemers, zodat het om een groot belang gaat. De invoer van de scheepscasco’s heeft veel media-aandacht getrokken. Er heeft één maal een fysieke opname plaatsgevonden, in maart 2009, bij een andere aangever. Al deze omstandigheden hadden voor de Douane aanleiding moeten zijn om regelmatig controles te houden. In plaats daarvan heeft de Douane al die jaren stilgezeten. Het beroep van eiseres gaat verder dan een beroep op het vertrouwensbeginsel van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW. Eiseres stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling van een beroep op artikel 239 van het CDW een soepelere benadering op haar plaats is. Verweerder bestrijdt het standpunt van eiseres. De Douane controleert aan de hand van een controlestrategie, die is gebaseerd op een risicoanalyse. De gebruikelijke controlestrategie is toegepast. Op een gegeven moment komen scheepscasco’s in beeld. Er is geen sprake van een bijzondere situatie. 4.5. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiseres dat sprake is van een bijzondere situatie. De rechtbank stelt voorop dat de woorden ‘bijzondere omstandigheden’ of ‘een bijzondere situatie’ erop duiden dat bij het verlenen van een teruggaaf op grond van artikel 239 van het CDW een strikte – en niet een soepele – beoordeling bedoeld is. Er moet dus sprake zijn van omstandigheden die afwijken van wat normaal of gebruikelijk is. Dergelijke omstandigheden zijn niet gebleken. Dat verweerder jarenlang de aangiften niet heeft gecontroleerd, is niet als een bijzondere situatie aan te merken. Anders dan de gemachtigde van eiseres heeft bepleit, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat selectie op basis van risicoanalyse in plaats van een 100%-controle voor een goede balans zorgt tussen de risico’s die de diverse betrokkenen lopen. Het is niet in het belang van het bedrijfsleven dat alle aangiften ten invoer vooraf worden gecontroleerd. Media-aandacht en de omvang van het belang zijn geen overwegingen die de risicoanalyse noodzakelijkerwijs beïnvloeden in die zin dat standaard een controle vooraf dient plaats te vinden, zoals eiseres kennelijk wenst. Professionele marktdeelnemers, zoals eiseres, dienen zich ervan bewust te zijn dat het (laten) doen van aangiften ten invoer bepaalde risico’s inhoudt. Deze marktdeelnemers dienen zich er eveneens van bewust te zijn dat de controle van een aangifte ten invoer als regel achteraf plaatsvindt. Tot de navorderingstermijn is verstreken, bestaat de kans dat te weinig geheven douanerechten alsnog worden nagevorderd. Deze kans is een normaal bedrijfsrisico. Het aantal aangiften, het aantal betrokken marktdeelnemers en de omvang van het bedrag maken nog niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Niet is gebleken dat verweerder de aangiften van eiseres om een bijzondere reden niet heeft gecontroleerd of eiseres op enige wijze heeft benadeeld. Van een uitzonderlijke positie ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten is evenmin gebleken. 4.6. Aangezien van een bijzondere situatie geen sprake is, behoeft de vraag of eiseres al dan niet klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld, wat daar verder ook van zij, geen behandeling. 4.7. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW terecht afgewezen.” 3.3 Bij uitspraak van 14 februari 2014, nr. AWB 13/1835, niet gepubliceerd, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het Hof 3.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Voor het Hof was (eveneens) in geschil of belanghebbende voldoet aan de voorwaarden die artikel 239 van het CDW, gelezen in samenhang met artikel 905, lid 1, van de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: UCDW), stelt om voor terugbetaling of kwijtschelding in aanmerking te komen. 3.5 Het Hof komt – net als de Rechtbank – tot het oordeel dat geen sprake is van een bijzondere situatie, zodat belanghebbende niet in aanmerking komt voor de gevraagde terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW. Het Hof overwoog het volgende: “5.2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) is sprake van een bijzondere situatie indien de belastingschuldige zich in een uitzonderlijke positie bevindt ten opzichte van de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten (vgl. HvJ EU 17 februari 2011, zaak C-494/09, Bolton Alimentari SpA, punt 60). Belanghebbende betoogt dat zij in een dergelijke bijzondere situatie verkeert, omdat de inspecteur heeft ‘stilgezeten’, in die zin dat hij geen van de door belanghebbende ingediende aangiften heeft gecontroleerd. Zij verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar het oordeel van de Europese Commissie in de REM-beschikkingen 3-2009, 4-2009 en 19-2002. Het Hof overweegt ter zake als volgt. 5.3. De inspecteur is verplicht om aangiften die alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven onmiddellijk te aanvaarden (art. 63 CDW). Alvorens tot aanvaarding over te gaan dient de inspecteur na te gaan of de aangifte alle vereiste vermeldingen bevat. Deze aanvaardingscontrole vindt op geautomatiseerde wijze plaats. Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur de onderwerpelijke aangiften niet had mogen aanvaarden omdat daarin vereiste vermeldingen ontbraken. 5.4. Op de inspecteur rust niet de verplichting om de juistheid van de vermeldingen in de door hem aanvaarde aangiften te verifiëren. Artikel 68 van het CDW geeft de inspecteur daartoe wel de bevoegdheid. Daarbij is van belang dat de zesde overweging van de considerans van het CDW luidt: Overwegende dat het wenselijk is de douaneformaliteiten en -controles af te schaffen of deze ten minste zoveel mogelijk te beperken in verband met het grote belang dat de buitenlandse handel voor de Gemeenschap heeft; Onder verwijzing naar het in deze overweging uitgedrukte doel om de douaneformaliteiten en -controles zoveel mogelijk te beperken, heeft het HvJ EU geoordeeld dat het CDW de inspecteur niet de verplichting oplegt om stelselmatig dergelijke verificaties te verrichten (vgl. HvJ EU 15 september 2011, C-138/10, DP grup EOOD, punt 37). In overeenstemming hiermee bepaalt artikel 71, lid 2, van het CDW, dat indien geen verificatie van de douaneaangifte wordt uitgevoerd, de toepassing van het bepaalde in de douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst, plaatsvindt aan de hand van de vermeldingen in die aangifte. 5.5. In het onderwerpelijke geval heeft het geautomatiseerde systeem van de inspecteur geen van de in de uitnodiging tot betaling betrokken aangiften voor een verificatie van de daarin opgenomen vermeldingen geselecteerd. Ook eerdere aangiften van belanghebbende zijn niet gecontroleerd. De inspecteur heeft ter zake onweersproken gesteld dat aangiften voor verificatie worden geselecteerd op basis van risicoanalyses in het kader van risicobeheer als bedoeld in artikel 4, punt 26, van het CDW en dat – tot medio 2011 – geen risico’s werden onderkend ten aanzien van de invoer van scheepscasco’s, zodat geen aanleiding bestond om deze aangiften voor een controle te selecteren. Deze handelwijze van de inspecteur is naar ’s Hofs oordeel in overeenstemming met de bedoeling van de Uniewetgever, zoals tot uitdrukking gebracht in de tweede overweging van de preambule van Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, houdende wijziging van het CDW. 5.6. Gelet op het vorenoverwogene vormt het niet verifiëren van de aanvaarde aangiften geen bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW en artikel 905 van de UCDW. 5.7. Ook anderszins is het Hof niet gebleken van een bijzondere situatie, zodat in het midden kan blijven of al dan niet sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid.” 3.6 Bij uitspraak van 11 juni 2015, nr. 14/00165, ECLI:NL:GHAMS:2015:3994, DR 2015/68, heeft het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. 4Geding in cassatie 4.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Zij stelt het volgende cassatiemiddel voor: “Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, doordat het Hof in zijn vonnis ten onrechte, dan wel onbegrijpelijk, dan wel ongemotiveerd heeft geoordeeld dat het stilzitten van de Douane, althans het jarenlang niet controleren van aangiften, geen bijzondere situatie is in de zin van artikel 239 van het CDW en artikel 905 van het TCDW.” 4.2 Belanghebbende komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat het stilzitten van de Inspecteur te dezen geen bijzondere situatie is in de zin van artikel 239 van het CDW. Zij licht haar standpunt als volgt toe: (
- a)Uit diverse REM-beslissingen van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) volgt dat het stilzitten van de douaneautoriteiten wel wordt gezien als een bijzondere omstandigheid. Belanghebbende verwijst onder meer naar de REM-beslissing 19/2002 van 17 juni 2004. In de onderhavige periode werd geen enkele aangifte van belanghebbende of van andere aangevers (vertegenwoordigden) gecontroleerd, waardoor belanghebbende – ook met inachtneming van de kennis van haar vertegenwoordiger [A] – er op vertrouwde dat de aangegeven goederencode juist was. (
- b)Belanghebbende begrijpt dat niet iedere aangifte door de douaneautoriteiten kan worden geverifieerd en dat aangiften voor verificatie worden geselecteerd op basis van risicoanalyses in het kader van risicobeheer. Dit betekent echter nog niet dat het niet-controleren van aangiften om deze reden niet een bijzondere situatie kan vormen, aldus belanghebbende. (
- c)De douaneautoriteiten hebben aan de vertegenwoordiger van belanghebbende, [A], na controle bevestigd dat de gehanteerde goederencode juist was. Deze cni was niet algemeen bekend, waardoor belanghebbende in een andere positie zat dan een aantal andere aangevers van scheepscasco’s. 4.3 Voorts komt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat ook anderszins niet is gebleken van een bijzondere situatie, zodat in het midden kan blijven of al dan niet sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid. Belanghebbende is van mening dat zij heeft aangetoond dat sprake is van een bijzondere situatie. Zij noemt de volgende omstandigheden: (
- d)De douane heeft aan haar vertegenwoordiger, [A], medegedeeld dat onduidelijkheid bestond over de indeling van scheepscasco’s. [A] heeft een mondelinge inlichting ontvangen van de douaneautoriteiten en heeft belanghebbende daarover ingelicht. Uit REM-beslissing 20/2002 van 6 november 2003 leidt belanghebbende af dat een dergelijke kwestie van groot belang kan zijn en dat aan de inlichting vertrouwen kan worden ontleend. (
- e)Uit diverse REM-beslissingen van de Commissie, waaronder REM 03/2009, 04/2009, 06/2008, 02/2003, 03/2003, 04/2003, 05/2002, leidt belanghebbende af dat sprake is van een bijzondere situatie. Zij meent dan ook dat de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden een taak is van de Commissie. De Inspecteur had het verzoek moeten doorsturen naar de Commissie. 4.4 De staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend en merkt het volgende op: Ad (
- a)Het onderhavige geval is volgens de Staatssecretaris niet vergelijkbaar met de casus in de zaak REM 19/2002. In deze REM-zaak hebben de bevoegde autoriteiten na een publicatie van een verordening zes maanden lang 29 onjuiste aangiften met documentaire controle en in een enkel geval fysieke controle aanvaard zonder opmerkingen te formuleren over de indeling van het product. Ad (
- b)De Inspecteur heeft geen van de onderwerpelijke aangiften na aanvaarding onderworpen aan een verificatie van de daarin opgenomen vermeldingen. De aangiften werden voor controle geselecteerd op basis van risicoanalyses in het kader van risicobeheer als bedoeld in artikel 4, lid 26, van het CDW. Tot medio 2011 werden geen risico’s onderkend ter zake van de invoer van scheepscasco’s, zodat er voor de douaneautoriteiten geen aanleiding bestond de aangiften voor controle te selecteren. Deze handelswijze van de Inspecteur is in overeenstemming met de bedoeling van de Uniewetgever, zoals tot uitdrukking is gebracht in de tweede overweging van de preambule van Verordening (EG) nr. 648/2005 van 13 april 2005. Aan het handelen van de Inspecteur – het stilzitten – is geen in rechte te honoreren vertrouwen te ontlenen. Er is evenmin sprake van een bijzondere situatie. Ad (
- c)Met betrekking tot het handelen van belanghebbendes vertegenwoordiger, [A], merkt de Staatssecretaris op dat de afhandeling van een aangifte van een andere importeur geen gedraging vormt jegens belanghebbende, zodat zij reeds om die reden geen vertrouwen aan deze gedraging kan ontlenen. Hij merkt vervolgens op dat de ambtenaar die de fysieke controle heeft uitgevoerd uitsluitend beschikte over de aangiftegegevens, met als goederenomschrijving enkel het woord ‘scheepscasco’, zodat niet kan worden gezegd dat de ambtenaar zich heeft vergist doordat hij niet heeft onderkend dat geen sprake was van een zeeschip. De enkele afhandeling van de aangifte van een andere importeur kan gelet op het arrest Sonygeen vertrouwen wekken. Ad (
- e)De Staatssecretaris meent dat de overige door belanghebbende genoemde REM-beslissingen in de onderhavige zaak geen rol kunnen spelen, omdat de betreffende situaties zich in het onderhavige geval niet voordoen. 4.5 Belanghebbende heeft bij conclusie van repliek gereageerd op het verweerschrift van de Staatssecretaris. 4.6 De Staatssecretaris heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid tot het indienen van een conclusie van dupliek. 5Artikel 239 van het CDW - billijkheidsclausule Verzoek om terugbetaling of kwijtschelding ex artikel 239 CDW 5.1 Hoofdstuk 5 van Titel VII van het CDW bevat de bepalingen op grond waarvan terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of rechten bij uitvoer kan worden verleend (de artikelen 236 tot en met 240). In Nederland/Commissie overwoog het HvJ dat terugbetaling of kwijtschelding een uitzondering vormt, waardoor de bepalingen inzake de terugbetaling of kwijtschelding strikt moeten worden uitgelegd: “91. Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten alleen mogelijk is onder bepaalde voorwaarden en in specifiek omschreven gevallen, en dus een uitzondering vormt op de normale regeling inzake in- en uitvoer, wat meebrengt dat de bepalingen die in een dergelijke terugbetaling of kwijtschelding voorzien, strikt moeten worden uitgelegd (arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C-48/98, Jurispr. blz. I-7877, punt 52).” 5.2 Op grond van artikel 239, lid 1, van het CDW kan tot terugbetaling of kwijtschelding worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236 tot en met 238 van het CDW (met mijn cursivering): “- welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld; - welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.” 5.3 Ingevolge het tweede lid van artikel 239 dient het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten uiterlijk twaalf maanden na de datum waarop de douaneschuld aan de schuldenaar is medegedeeld bij de douaneautoriteiten te zijn ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende binnen deze termijn om terugbetaling heeft verzocht. 5.4 Artikel 239 van het CDW is ook bekend als de billijkheidsclausule. Zo overwoog het HvJ in British American Tobaccoover de voorloper van artikel 239 van het CDW, artikel 13 van Verordening 1430/79 van 2 juli 1979 (met mijn cursivering): “62. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft beklemtoond, is artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 een algemene billijkheidsclausule die is bedoeld voor andere situaties dan die welke in de praktijk meestal aan de dag treden en waarvoor bij de vaststelling van de verordening een bijzondere regeling kon worden getroffen (zie onder meer arresten van 12 maart 1987, Cerealmangimi en Italgrani/Commissie, 244/85 en 245/85, Jurispr. blz. 1303, punt 10, en 18 januari 1996, SEIM, C-446/93, Jurispr. blz. I-73, punt 41).” 5.5 Artikel 13 van Verordening 1430/79 luidde (ik citeer en cursiveer): “Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in andere bijzondere situaties dan die welke zijn bedoeld in de afdelingen A tot en met D, die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden (…)” 5.6 Hetgeen voor artikel 13 van Verordening 1430/79 geldt, geldt ook (nog steeds) voor artikel 239 van het CDW. Ik verwijs hier naar Söhl & Sölke (met mijn cursivering): “Ten slotte blijkt, dat in het douanewetboek de douanerechtelijke bepalingen zijn bijeengebracht die vroeger verspreid waren in tal van verschillende gemeenschapsrechtelijke verordeningen en richtlijnen. Bij die gelegenheid is artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 (…) in essentie overgenomen in artikel 239 van het douanewetboek. De rechtspraak van het Hof betreffende voormeld artikel 13 dient dus eveneens te gelden voor artikel 239 van het douanewetboek.” 5.7 Om in aanmerking te kunnen komen voor terugbetaling of kwijtschelding moet dus zijn voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden: - er moet sprake zijn van een bijzondere situatie; - die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de betrokkene inhouden. 5.8 De eerste voorwaarde, dat sprake moet zijn van een bijzondere situatie, vinden we niet terug in de tekst van artikel 239 van het CDW, maar wel in (het hierna nog te noemen) artikel 905 van de UCDW. Het valt op dat in artikel 13 van Verordening 1430/79 de term ‘bijzondere situatie’ wordt gebruikt, terwijl de UCDW het over ‘bijzondere omstandigheden’ heeft. Mijns inziens wordt met beide termen hetzelfde bedoeld. In deze conclusie zal ik deze termen door elkaar gebruiken. De tweede voorwaarde – dat geen sprake mag zijn van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid – is in min of meer gelijke bewoordingen neergelegd in artikel 239 van het CDW en geldt ook nog steeds. Uitvoeringsbepalingen CDW 5.9 Artikel 239 van het CDW is nader uitgewerkt in de artikelen 899 tot en met 909 van de UCDW. Op grond van artikel 899, lid 1, eerste gedachtestreepje, van de UCDW staan de douaneautoriteiten in ieder geval terugbetaling of kwijtschelding toe indien de gevallen zoals genoemd in de artikelen 900 tot en met 903 van de UCDW zich voordoen, mits de tot staving van het verzoek aangevoerde argumenten beantwoorden aan een van de omstandigheden bedoeld in deze artikelen en geen sprake is van frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van belanghebbende. 5.10 Uit het eerste lid van artikel 899 van de UCDW volgt dat de douaneautoriteiten bevoegd zijn te beoordelen of zich een omstandigheid als bedoeld in de artikelen 900 tot en met 904 van de UCDW voordoet en zelf over de terugbetaling of kwijtschelding te beslissen. 5.11 Voor de andere gevallen, met uitzondering van die waarin het dossier overeenkomstig artikel 905 naar de Commissie moet worden verwezen, bepaalt artikel 899, lid 2, van de UCDW dat (met mijn cursivering): “(…) de beschikkende douaneautoriteit zelf [beslist] of zij terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of uitvoer verleent wanneer het gaat om bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden.” 5.12 In het geval waarin het dossier overeenkomstig artikel 905 naar de Commissie moet worden verwezen, zijn de douaneautoriteiten dus niet zelfstandig bevoegd over de daadwerkelijke terugbetaling of kwijtschelding te beslissen. 5.13 In cassatie stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de Inspecteur niet dient te beoordelen of sprake is van een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW, maar dat deze taak is weggelegd voor de Commissie. Volgens belanghebbende mogen de douaneautoriteiten dus noch beoordelen noch beslissen. In mijn visie is dit standpunt onjuist. Ik licht dit toe aan de hand van de tekst van artikel 905 van de UCDW en de gewezen jurisprudentie van het HvJ. 5.14 Artikel 905 van de UCDW – zoals gewijzigd bij de Verordening (EG) nr. 1335/2003 van 25 juli 2003 (hierna: Vo. 1335/2003) – omschrijft welke gevallen door de douaneautoriteiten moeten worden doorverwezen naar de Commissie. Het eerste lid van dat artikel luidt als volgt (met mijn cursivering): “Indien het in artikel 239, lid 2, van het wetboek bedoelde verzoek om terugbetaling of kwijtschelding vergezeld gaat van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, verwijst de lidstaat waaronder de beschikkende douaneautoriteit ressorteert de zaak door naar de Commissie ter behandeling volgens de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909 wanneer: - deze autoriteit van oordeel is dat de bijzondere situatie het gevolg is van een verzuim van de Commissie, of - de omstandigheden in het betrokken geval verband houden met de resultaten van een communautair onderzoek op grond van Verordening (EG) nr. 515/97, dan wel op grond van enige andere communautaire bepaling of door de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen gesloten overeenkomst die in de mogelijkheid van dergelijke communautaire onderzoeken voorziet, of - het bedrag waarvoor de belanghebbende ingevolge dezelfde bijzondere omstandigheden aansprakelijk is en dat, in voorkomend geval, met meerdere in- en uitvoerverrichtingen verband houdt, hoger is dan of gelijk is aan 500 000 EUR.” 5.15 Het bedrag van de onderhavige utb is meer dan € 500.00, zodat de onderhavige situatie onder het toepassingsbereik van artikel 905, lid 1, van de UCDW valt. 5.16 Verwijzing naar de Commissie vindt – op grond van het tweede lid van artikel 905 van de UCDW – in ieder geval niet plaats wanneer (cursivering CE): “- de Commissie overeenkomstig de procedure van de artikelen 906 tot en met 909 reeds een beschikking heeft genomen in een zaak waarin zich feitelijk en juridisch vergelijkbare omstandigheden hebben voorgedaan; - reeds een zaak die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is bij de Commissie is ingeleid.” 5.17 Vóór Vo. 1335/2003 luidde artikel 905 van de UCDW (oud) als volgt (cursivering CE): “Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, van het Wetboek [CE: het CDW] ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen èn indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de Lid-Staat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909. Behalve in geval van twijfel kan de douaneautoriteit die het besluit moet nemen zelf tot de kwijtschelding of terugbetaling van de rechten overgaan, wanneer zij van oordeel is dat aan de voorwaarden van artikel 239, lid 1, van het wetboek is voldaan, mits het bedrag ten gevolge van eenzelfde buitengewone situatie die eventueel op meer in- of uitvoertransacties betrekking heeft, per bedrijf niet hoger is dan 50 000 ECU. (…) In alle andere gevallen wijst de beschikkende douaneautoriteit het verzoek af.” 5.18 De reden voor het wijzigen van artikel 905 van de UCDW, zo leid ik uit de considerans van de hiervoor genoemde verordening af, is dat de inning van de douanerechten een taak van de lidstaten is. De tweede en derde overweging van de considerans luiden (cursivering CE): “