Nr. 15/02294 B Zitting: 11 oktober 2016 Mr. T.N.B.M. Spronken Nadere conclusie inzake: [klaagster 4] [klager 3] [klager 1] [klaagster 5] en [klager 2] De Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 28 april 2015 verlof verleend (met het voorbehoud ex art. 552p, derde lid, Sv) aan de rechter-commissaris om inbeslaggenomen stukken in handen te stellen van de officier van justitie teneinde de overdracht daarvan te bewerkstelligen aan de bevoegde Zwitserse autoriteiten. Voorts heeft de rechtbank de klaagschriften ex art. 552a Sv ongegrond verklaard. Namens de klagers [klaagster 4] ( verder aangeduid met [klaagster 4] ), [klager 1] en [klager 3] hebben mrs. Th.O. Dieben en J. Kuijper, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de klagers [klaagster 5] en [klager 2] heeft mr. T. Arkesteijn, advocaat te Rotterdam, in twee schrifturen telkens vier middelen van cassatie voorgesteld. Op 7 juni 2016 heb ik een conclusie genomen in deze zaak waarin ik concludeerde tot vernietiging van de bestreden beschikking. Inmiddels heeft zich een aantal feiten en omstandigheden voorgedaan waarin ik aanleiding heb gezien om aanvullend te concluderen. Het gaat om het volgende. Bij akte rechtsmiddel van 18 juli 2016 heeft mr. T. Arkesteijn namens [klaagster 5] en [klager 2] de cassatieberoepen (552a en 552p) ingetrokken, kennelijk omdat het rechtshulpverzoek van de Zwitserse autoriteiten op 7 juli 2016 is ingetrokken, hetgeen op 15 augustus 2016 door het Ministerie van Veiligheid en Justitie, afdeling AIRS aan de strafgriffie van de Hoge Raad per fax is bevestigd. Daarop zijn op 1 augustus 2016 en op 7 september 2016 alle inbeslaggenomen voorwerpen aan klager [klager 2] teruggegeven. Bij brief van 8 juli 2016 heeft mr. Dieben namens [klaagster 4] , [klager 1] en [klager 3] de Hoge Raad bericht dat de Zwitserse autoriteiten het rechtshulpverzoek hebben ingetrokken. In de brief staat tevens dat met betrekking tot het antwoord op de vraag of en, zo ja, welke gevolgen een en ander dient te hebben voor de door hen ingestelde cassatieberoepen, [klaagster 4] , [klager 1] en [klager 3] zich refereren aan het oordeel van de Hoge Raad. Deze klagers hebben het cassatieberoep dus niet ingetrokken. Uit het voorgaande vloeit voort dat de klagers geen belang meer hebben bij het beroep tegen de beschikking van de rechtbank zodat zij daarin niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.