15/05286 mr. Hartlief Zitting 2 december 2016 Conclusie inzake [eiser] tegen Mr. Johannes Kalisvaart, in zijn hoedanigheid als curator van de besloten vennootschap I.B.A.S. Ede B.V. (hierna aan te duiden als “de curator”) De bestuurder van een failliete vennootschap die fietsverzekeringen verkocht die bij een op de Nederlandse Antillen gevestigde verzekeraar waren ondergebracht, wordt door de curator op grond van art. 2:248 lid 1 BW aangesproken wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. De financiële problemen vonden een belangrijke oorzaak in het feit dat de verzekeraar reeds geruime tijd geen schades meer uitkeerde aan de vennootschap. Het hof heeft geoordeeld dat inderdaad sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en dat dit handelen van de betrokken bestuurder een belangrijke oorzaak van het faillissement is. In cassatie staat dit laatste niet langer ter discussie. Alle klachten richten zich tegen het oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. 1Feiten 1.1 In rov. 2.1 tot en met 2.19 van haar vonnis van 31 juli 2013 heeft de rechtbank de feiten beschreven. Het hof heeft zich in rov. 3.1 van het bestreden arrest van 14 juli 2015 met deze beschrijving van de feiten verenigd en heeft hiervan een samenvatting gegeven in rov. 4.
(2)de door het hof vastgestelde omstandigheid dat [eiser] als bestuurder van IBAS tevens leiding gaf aan WIC. Dit laatste is bij onderdeel 1 al geadresseerd, aldus het middel, en kan het oordeel dat [eiser] zijn taken als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld niet (mede) dragen. Ook de beslissing in rov. 4.14 dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur ‘temeer klemt’ omdat de verzekeringsconstructie niet voldeed aan de toezichtswetgeving is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk, omdat het antwoord op de vraag of WIC aan het Nederlandse verzekeringstoezicht voldeed geen, althans geen doorslaggevende of beslissende, rol kan spelen bij de beoordeling of [eiser] zijn taak als bestuurder van IBAS onbehoorlijk zou hebben vervuld. 4Uitgangspunten bij de toepassing van art. 2:248 lid 1 BW 4.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] op grond van art. 2:248 lid 1 BW aansprakelijk is voor het faillissementstekort van IBAS, omdat hij zijn taak als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord, tegen welk oordeel in cassatie wordt opgekomen. Alvorens tot bespreking van de cassatieklachten over te gaan, schets ik kort de uitgangspunten die gelden voor de toepassing van art. 2:248 lid 1 BW. Daarbij komen aan de orde: - het karakter van de aansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 1 BW; - de voorwaarden voor aansprakelijkheid op deze grondslag; - de vraag hoe het begrip ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’ dient te worden ingevuld; - de exclusieve bevoegdheid van de curator om een vordering op deze grondslag in te stellen; - de in de wet vastgelegde bewijsvermoedens; en - de ruimte voor toetsing in cassatie van het oordeel dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. 4.2 Art. 2:248 lid 1 schept de mogelijkheid van aansprakelijkheid van iedere bestuurder van een failliete BV voor het faillissementstekort (dat deel van de schulden dat niet door vereffening van de baten kan worden voldaan). Het gaat daarbij om een aansprakelijkheid jegens de boedel, oftewel de gezamenlijke crediteuren. Op grond van art. 2:248 lid 1 kan iedere bestuurder afzonderlijk aansprakelijk worden gesteld, ook al spreekt het artikellid van ‘het bestuur’. Met een bestuurder wordt gelijk gesteld diegene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder (lid 7). Wanneer het bestuur als zodanig aansprakelijk is gesteld, kan een individuele bestuurder zich disculperen door te bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (lid 3). 4.3 Voorwaarde voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 1 BW is dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur waarvan aannemelijk is dat deze een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De onbehoorlijke taakvervulling moet daarbij hebben plaatsgevonden in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement (lid 6). 4.4 Van aansprakelijkheid kan slechts sprake zijn wanneer het bestuur zijn taak ‘kennelijk’ onbehoorlijk heeft vervuld. In de kwalificatie ‘kennelijk’ ligt besloten dat het onbehoorlijke karakter van het handelen buiten kijf moet staan; is dat niet het geval dan verdient het bestuur het voordeel van de twijfel. Uw Raad neemt als uitgangspunt dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. 4.5 Art. 2:248 lid 1 BW en zijn evenknie voor de NV art. 2:138 lid 1 BW hebben hun oorsprong in de zogenaamde antimisbruikwetgeving, die misbruik van BV’s en NV’s beoogt tegen te gaan, onder meer door de invoering van een specifieke grond voor aansprakelijkheid van bestuurders bij faillissement. Het misbruik dat hiermee wordt tegengegaan is het roekeloos omspringen met de belangen van crediteuren. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de regering een ruim begrip van ‘misbruik’ heeft voorgestaan, zodat niet slechts handelingen die met ongeoorloofde doeleinden of voor persoonlijk voordeel worden verricht eronder vallen, maar ook gedragingen die erop gericht zijn of er wel toe moeten leiden dat het ‘ondernemersrisico wordt afgewenteld op de schuldeisers’. Tijdens de parlementaire behandeling werd ook verwezen naar ‘duidelijk onverantwoordelijk, roekeloos, onzorgvuldig gedrag’, duidelijke onbekwaamheid van bestuurders, het zonder voldoende inzicht en informatie nemen van bepaalde risico’s en (zelfs) ook voortdurende besluiteloosheid en inactiviteit. 4.6 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bestuurder moet hebben gehandeld met de – objectief te bepalen – wetenschap dat de schuldeisers zullen worden benadeeld. Dat betekent dat het moet gaan om handelingen waarvan objectief gezien verwacht kan worden dat zij uiteindelijk de schuldeisers zullen duperen. Het gaat dus niet om onzakelijk, ondoordacht of onverstandig bestuur, maar om gedrag dat in het bijzonder ten aanzien van de schuldeisers als onbehoorlijk moet worden aangemerkt. 4.7 Of de bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, moet worden beoordeeld naar hetgeen de bestuurder voorzag of kon voorzien op het moment dat hij de taak vervulde. Het artikel heeft dus geen betrekking op achteraf bezien onjuiste calculaties, verkeerde inschattingen van economische factoren, het bewust nemen van bepaalde risico’s of het zich onvoldoende hebben ingedekt tegen economische tegenslagen, of andere bestuursdaden die wellicht tot het faillissement hebben geleid, maar waarvan niet kan worden gezegd dat zij op het moment dat ze werden verricht als onbehoorlijk bestuur konden worden beschouwd. 4.8 Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur dient de rechter te oordelen op grond van de totaliteit en de samenhang van de aan hem voorgelegde omstandigheden. 4.9 Enkel de curator kan een vordering ex art. 2:248 lid 1 BW instellen; zijn bevoegdheid is exclusief. De curator wordt in de uitoefening ervan in zekere zin door de wetgever tegemoetgekomen. Zo hoeft hij niet te bewijzen dat het faillissement is veroorzaakt door de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, maar kan hij ermee volstaan aannemelijk te maken dat zij een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan de boekhoud- en publicatieverplichtingen van art. 2:10 of 2:394 BW, wordt daaraan niet alleen de consequentie verbonden dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, maar wordt bovendien vermoed dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement (art. 2:248 lid 2). 4.10 Uit het voorgaande blijkt dat een oordeel over de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW sterk is verweven met waarderingen van feitelijke aard, zodat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Wel zal kunnen worden beoordeeld of het oordeel begrijpelijk is en of de hiervoor beschreven uitgangspunten daarbij niet zijn miskend. 5Bespreking van het middel 5.1 Daarmee kom ik nu toe aan inhoudelijke bespreking van de cassatieklachten. Zij richten zich alle tegen het oordeel dat [eiser] zijn taken als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. In cassatie staat niet langer ter discussie dat het handelen van [eiser] een belangrijke oorzaak van het faillissement van IBAS is geweest, nu de desbetreffende rov. 4.15 uit ’s hofs arrest niet wordt bestreden. Het middel bestrijdt alleen de kwalificatie door het hof van dit handelen van [eiser] als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW. 5.2 Alle klachten hebben betrekking op het oordeel van het hof dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [eiser] als bestuurder van IBAS en de onderbouwing daarvan. Het oordeel van het hof steunt op de volgende omstandigheden: - [eiser] wist op grond van de financiële gegevens van IBAS dat WIC in de bewuste periode geen schades meer uitbetaalde; dat Grul heeft toegezegd dat alsnog zou worden betaald, maakt dit niet anders, nu [eiser] het in feite zelf in de hand had of WIC tot betaling zou overgaan (rov. 4.12 en 4.13); - [eiser] heeft afgewacht met bewerkstelligen dat WIC alsnog aan haar verplichtingen zou voldoen, dan wel met ervoor zorgen dat de verzekeringen elders werden ondergebracht; daarbij speelt mee dat de gestelde beoogde samenwerking met London & Lancashire niet van de grond is gekomen (rov. 4.13); - [eiser] heeft in de betrokken periode nog vele (bijna 60.000) nieuwe polissen verkocht, terwijl hij wist althans hoorde te begrijpen dat WIC geen uitkeringen meer deed (rov. 4.13). 5.3 Onderdeel 2 van het middel richt zich tegen het oordeel dat [eiser] zijn taken als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als zodanig. Hierbij wordt onder meer geklaagd dat het hof ten onrechte is uitgegaan van op [eiser] als bestuurder rustende resultaatsverplichtingen. Onderdelen 1 en 3 richten zich in het bijzonder tegen het meewegen van enkele specifieke omstandigheden. Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof bij zijn oordeel ten onrechte heeft meegewogen dat [eiser] tevens feitelijk leiding gaf aan WIC, een klacht die in enkele subonderdelen nader wordt uitgewerkt. In aanvulling daarop stelt onderdeel 3 dat het hof ten onrechte heeft meegewogen dat nu WIC geen verzekeringen verkocht op de Nederlandse Antillen sprake was van een constructie die niet voldeed aan de voorwaarden van het Nederlandse verzekeringstoezicht. Dit kan, aldus het onderdeel, geen rol spelen nu de status van WIC geen betekenis toekomt bij de beoordeling van [eisers] handelen bij IBAS. 5.4 Onderdelen 1 en 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling, mede gelet op het verweer van de curator dat beide onderdelen zich richten tegen een ten overvloede gegeven overweging, zodat [eiser] belang mist bij behandeling van de in de betreffende onderdelen vervatte klachten. Ik bespreek beide onderdelen daarom eerst gezamenlijk in het licht van dit verweer, waarbij ik tot de slotsom kom dat zij zich inderdaad richten tegen een overweging die ten overvloede is gegeven (hierna 5.5 - 5.10). Voor het geval Uw Raad tot het oordeel mocht komen dat [eiser] wel belang heeft bij behandeling van zijn klachten licht ik vervolgens in 5.11 - 5.20 toe waarom de in onderdeel 1 en 3 vervatte klachten mijns inziens ook dan niet kunnen slagen. In 5.22 - 5.33 bespreek ik tenslotte de klachten van onderdeel
- Ook deze falen wat mij betreft. 5.5 Onderdelen 1 en 3 richten zich tegen rov. 4.14 van het bestreden arrest. Onderdeel 1 betrekt daarbij ook rov. 4.10 en rov. 4.
- De klachten komen erop neer dat het hof bij de beoordeling of [eiser] zijn taak als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld ten onrechte althans op onbegrijpelijke wijze heeft betrokken dat [eiser] feitelijk leiding gaf aan WIC en dat WIC niet voldeed aan de voorwaarden van het Nederlandse verzekeringstoezicht. 5.6 Het hof komt in rov. 4.10 op basis van zijn overwegingen in rov. 4.8 en 4.9 tot de slotsom dat [eiser] feitelijk leiding heeft gegeven aan WIC. In rov. 4.13 overweegt het hof op basis van deze eerdere conclusie: “ [eiser] had het derhalve in beginsel zelf in de hand of WIC tot betaling aan IBAS zou overgaan”. In rov. 4.14 oordeelt het hof op grond van de hiervoor in 5.2 weergegeven omstandigheden dat [eiser] zijn taken als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Het hof oordeelt dat deze omstandigheden “op zichzelf reeds voldoende [zijn] voor de conclusie dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aan de zijde van [eiser] ”. Het hof voegt daaraan toe: “Zulks klemt echter te meer in het licht van de […] omstandigheid dat, waar WIC geen verzekeringen verkocht op de Nederlandse Antillen, sprake was van een constructie die niet voldeed aan de voorwaarden van het Nederlandse verzekeringstoezicht alsmede de door het hof […] vastgestelde omstandigheid dat [eiser] als bestuurder van Ibas feitelijk leiding gaf aan WIC”. 5.7 In zijn verweer (randnummers 5.1 en 7.1) betoogt de curator dat de klachten van onderdeel 1 en 3 zijn gericht tegen een overweging ten overvloede, namelijk deze zojuist geciteerde laatste zin van rov. 4.
- Daarbij voert hij aan dat het hof in rov. 4.14 eerst overweegt dat het handelen van [eiser] als bestuurder van IBAS op zichzelf reeds voldoende is voor de conclusie dat hij zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat vervolgens daarin slechts ten overvloede is betrokken dat [eiser] feitelijk leiding gaf aan WIC en dat WIC niet aan de voorwaarden van het Nederlandse verzekeringstoezicht voldeed. 5.8 [eiser] heeft inderdaad geen belang bij behandeling van de onderdelen 1 en
- Zij kunnen daarom niet tot cassatie leiden. Het feitelijk leidinggeven aan WIC en het feit dat sprake was van een constructie die niet voldeed aan de voorwaarden van het Nederlandse verzekeringstoezicht zijn omstandigheden die het oordeel van hof dat [eiser] zijn taak als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld benadrukken, maar niet mede dragen. Het hof geeft uitdrukkelijk aan dat het alleen de handelingen die [eiser] als bestuurder van IBAS heeft verricht, laat meewegen bij het oordeel dat [eiser] als bestuurder van IBAS zijn taken onbehoorlijk heeft vervuld. Het hof merkt daarbij in rov. 4.14 op dat “partijen en de rechtbank zich vooral hebben gericht op WIC, terwijl het met name gaat om de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijk[e] taakvervulling door [eiser] als bestuurder van Ibas”. Uit de bewoordingen van rov. 4.14 valt daarom af te leiden dat het hof inderdaad slechts ten overvloede aandacht heeft besteed aan [eisers] betrokkenheid bij WIC, dat bovendien niet aan de eisen van het Nederlandse toezicht voldeed, zodat [eiser] geen belang heeft bij bespreking van de in onderdelen 1 en 3 hiertegen gerichte klachten. 5.9 Het feitelijk leidinggeven aan WIC komt ook nog aan de orde in rov. 4.13, waarin het hof overweegt dat [eiser] het door zijn feitelijk leidinggeven aan WIC zelf in de hand had of WIC tot betaling zou overgaan. Om deze reden mocht [eiser] als bestuurder van IBAS niet vertrouwen op een toezegging van Grul (bestuurder bij WIC) dat WIC tot betaling aan IBAS zou overgaan. De hiertegen gerichte klacht van onderdeel 1 miskent echter dat reeds de vaststelling in rov. 4.12 dat [eiser] op basis van de financiële gegevens van IBAS zelf had moeten begrijpen dat WIC geen schades meer uitkeerde voldoende is voor ’s hofs oordeel in rov. 4.14 dat [eiser] naar aanleiding daarvan maatregelen had moeten nemen. Om deze reden heeft [eiser] geen belang bij behandeling van het onderdeel voor zover het zich keert tegen rov. 4.
- 5.10 Nu de klachten van onderdelen 1 en 3 dus gericht zijn tegen een overweging ten overvloede, heeft [eiser] geen belang bij inhoudelijke behandeling ervan. Geen van beide onderdelen leidt derhalve tot cassatie. 5.11 Mocht Uw Raad echter oordelen dat van een obiter dictum geen sprake is, dan zou ook een inhoudelijke beoordeling van de in beide onderdelen vervatte klachten leiden tot de slotsom dat zij falen. Ik licht dat kort toe. 5.12 In de hierna te bespreken subonderdelen van onderdeel 1 worden verschillende klachten gericht tegen het oordeel dat [eiser] feitelijk leiding gaf aan WIC en tegen het meewegen hiervan bij de beoordeling van zijn handelen als bestuurder van IBAS. In onderdeel 3 is in aanvulling daarop een vergelijkbare klacht geformuleerd tegen het meewegen van de omstandigheid dat WIC niet aan de eisen van het Nederlandse verzekeringstoezicht voldeed. De klachten betogen dat het feitelijk leidinggeven van [eiser] aan WIC irrelevant is voor de beoordeling van zijn handelen als bestuurder van IBAS en dat dit slechts een rol zou kunnen spelen als IBAS vennootschappelijke of andere formele banden met WIC zou hebben. Om dezelfde reden zou niet mogen meewegen dat WIC niet aan de vereisten van het Nederlandse verzekeringstoezicht voldeed. Afgezien van deze tamelijk smalle onderbouwing lichten onderdelen 1 en 3 echter niet toe waarom bij de beoordeling van het handelen van een bestuurder van een rechtspersoon in geen geval zou mogen meewegen dat hij feitelijk leiding geeft aan een andere rechtspersoon en er dus invloed op heeft of deze laatste aan zijn verplichtingen jegens de eerste voldoet. Niet valt in te zien dat een dergelijke omstandigheid voor die beoordeling niet relevant zou zijn. Hetzelfde geldt voor onderdeel 3: ook hier is niet duidelijk gemaakt waarom het handelen met een verzekeraar die niet aan de eisen van het Nederlandse verzekeringstoezicht voldoet, hetgeen risico’s meebrengt, niet zou mogen meewegen bij het oordeel over de (kennelijk onbehoorlijke) taakvervulling door de betrokken bestuurder. De onderbouwing van beide klachten op dit punt is nogal summier. 5.13 Onderdeel 1 richt nog enkele specifieke klachten tegen het bij zijn oordeel meewegen door het hof van het feitelijk leidinggeven door [eiser] aan WIC. Ook deze afzonderlijke klachten kunnen niet slagen. 5.14 De subonderdelen 1.1 en 1.2 betogen dat het antwoord op de vraag of [eiser] al dan niet feitelijk leiding heeft gegeven aan WIC irrelevant is voor de beantwoording van de vraag of [eiser] als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft gehandeld, omdat tussen IBAS en WIC geen vennootschappelijke banden bestonden. Voor zover [eiser] feitelijk leiding heeft gegeven aan WIC zou dit niet kunnen meewegen bij de beoordeling van zijn handelen als bestuurder van IBAS, omdat hij zijn werkzaamheden bij WIC niet in zijn hoedanigheid als bestuurder van IBAS kan hebben verricht. In zijn schriftelijke toelichting betoogt [eiser] dat het hof hier ten onrechte zijn hoedanigheid als bestuurder van IBAS heeft vereenzelvigd met zijn hoedanigheid als leidinggevende bij WIC, zodat de handelingen van WIC als handelingen van IBAS gelden, althans dat het hof hier ten onrechte handelingen die [eiser] in een andere hoedanigheid dan als bestuurder van IBAS heeft verricht aan IBAS heeft toegerekend. 5.15 Mijns inziens berusten deze klachten op een verkeerde lezing van de bestreden rechtsoverweging. Het hof stond voor de vraag of [eiser] zijn taken kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en heeft daarbij enkel handelingen en gedragingen van [eiser] betrokken in diens hoedanigheid van bestuurder van IBAS (hiervoor 5.8). Het middel betoogt dat het hof gedragingen van WIC of van [eiser] als feitelijk leidinggevende van WIC aan IBAS zou hebben toegerekend. Een dergelijke redenering is echter in het bestreden arrest niet terug te vinden en zou bovendien leiden tot aansprakelijkheid van IBAS, terwijl het er in de onderhavige zaak juist om gaat of [eiser] als bestuurder van IBAS zijn taken kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en daarom aansprakelijk is jegens de schuldeisers van IBAS. Evenmin is sprake van vereenzelviging van beide rechtspersonen, een figuur die in het vennootschapsrecht zelden wordt toegepast. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof WIC en IBAS als één geheel heeft beschouwd of de feitelijk leidinggevende van WIC vereenzelvigt met de bestuurder van IBAS. De klachten missen daarom feitelijke grondslag. 5.16 Subonderdeel 1.3 gaat ervan uit dat het hof de kennis van [eiser] als feitelijk leidinggevende van WIC heeft meegewogen bij de beoordeling van zijn gedragingen als bestuurder van IBAS. De klacht ziet erop dat het hof in rov. 4.8 tot en met 4.10 niet duidelijk maakt om welke redenen [eiser] als bestuurder van IBAS wegens zijn kennis omtrent WIC anders had moeten handelen en stelt verder aan de orde dat het hof niet heeft vastgesteld om welke kennis (omtrent welke concrete feiten) het dan zou gaan. Wat dit laatste betreft blijkt uit de overwegingen van het hof echter duidelijk dat het gaat om de wetenschap dat WIC geen schades meer uitkeerde (hetgeen [eiser] volgens het hof in rov. 4.12 reeds op grond van de eigen gegevens van IBAS duidelijk had moeten zijn). Verder is ook helder tot welk handelen deze kennis hem als bestuurder van IBAS volgens het hof had moeten aanzetten, namelijk proberen te bewerkstelligen dat WIC alsnog zou gaan betalen of de verzekeringen elders trachten onder te brengen (rov. 4.13 en 4.14). 5.17 Subonderdeel 1.4 komt op tegen het oordeel van het hof dat [eiser] inderdaad feitelijk leiding gaf aan WIC. Het middel klaagt dat het hof aan die beslissing (voornamelijk) twee vaststellingen ten grondslag heeft gelegd die de beslissing echter niet kunnen dragen. Ten eerste gaat het daarbij om de vaststelling dat [eiser] de aandelen van Westward Holding N.V. bezat (in die zin dat hij ze, anders dan door [eiser] is gesteld, niet heeft overgedragen aan [betrokkene 1] ). Volgens het middel kan hieruit niet volgen dat [eiser] feitelijk leiding heeft gegeven aan WIC omdat enkel aandeelhouderschap daarvoor niet voldoende is. Ook kan de omstandigheid dat Grul geen of slechts een zeer beperkte rol speelde als bestuurder van WIC niet zonder meer tot de conclusie leiden dat [eiser] dus feitelijk leiding gaf aan WIC. 5.18 De klacht leidt uit de bewoordingen van rov. 4.10 af dat voornamelijk deze twee omstandigheden (enkel aandeelhouderschap en de beperkte rol van Grul) het hof tot de conclusie hebben gebracht dat [eiser] feitelijk leiding gaf aan WIC. Uit rov. 4.9 blijkt echter dat bij het oordeel van het hof dienaangaande nog diverse andere omstandigheden een rol spelen. Daarbij gaat het om een eigen verklaring van [eiser] en gemotiveerde en onvoldoende betwiste stellingen van de curator waaruit (samengevat) blijkt dat [eiser] feitelijk leiding gaf aan de verzekeringsactiviteiten van WIC. Subonderdeel 1.4 gaat daarom uit van een onjuiste lezing van ’s hofs arrest en mist dus feitelijke grondslag. 5.19 Subonderdeel 1.5 ziet erop dat het hof ten onrechte bewijskracht heeft toegekend aan de door het GEA en het Gemeenschappelijk Hof gewezen vonnissen waarin is vastgesteld dat Grul slechts een zeer beperkte rol speelde bij WIC en dat alle activiteiten van WIC in Nederland werden afgehandeld door IBAS. 5.20 [eiser] wijst er in dit verband op dat hij bij deze procedures niet betrokken was. Hiermee miskent [eiser] echter dat het uitgangspunt van de vrije bewijsleer (art. 152 Rv) meebrengt dat civiele vonnissen als bewijs kunnen worden overgelegd, nu bewijs met alle middelen kan worden geleverd. Het hof heeft aan de vonnissen bewijskracht toegekend, hetgeen hem op grond van art. 152 lid 2 Rv vrij staat. Bovendien heeft [eiser] , nu de vonnissen als producties 24 en 30 bij de inleidende dagvaarding zijn overgelegd, de kans gehad zich over de in deze vonnissen vastgestelde feiten en oordelen uit te laten, deze te betwisten of tegenbewijs aan te bieden. Anders dan het middel stelt, heeft het hof de regel dat een vonnis geen bindende kracht heeft ten aanzien van andere dan de daarbij betrokken partijen (vgl. art. 236 lid 1 Rv) dus niet miskend. Om deze reden faalt de in 1.5 vervatte klacht. 5.21 Ik kom tot de slotsom dat onderdelen 1 en 3 zich richten tegen een overweging die het oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling niet mede draagt, zodat zij wegens gebrek aan belang dienen te falen. Mocht Uw Raad echter, met steller van het middel, van oordeel zijn dat de bestreden overweging wel dragend is voor ‘s hofs eindoordeel dan geldt wat mij betreft nog steeds dat de in deze beide onderdelen geformuleerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. 5.22 Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de vastgestelde feiten en omstandigheden kennelijk onbehoorlijk bestuur van IBAS door [eiser] opleveren. 5.23 Het hof heeft daarbij (rov. 4.5) als maatstaf aangelegd dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus gehandeld zou hebben. Verder heeft het hof vooropgesteld dat de vraag of een bestuurder zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, moet worden beoordeeld naar hetgeen hij voorzag of kon voorzien op het moment dat hij zijn taak vervulde. Het hof heeft daarbij overwogen dat bij deze beoordeling alle omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken. Deze door het hof gekozen uitgangspunten zijn in lijn met de hiervoor (onder 4.4, 4.7 en 4.8) besproken wetsgeschiedenis en rechtspraak van Uw Raad. Hiertegen is in cassatie dan ook terecht geen klacht gericht. 5.24 De klachten zien echter op de omstandigheden die het hof heeft betrokken in zijn oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [eiser] als bestuurder van IBAS. Zij richten zich tegen rov. 4.12, 4.13 en 4.
- Ik herhaal de hiervoor onder 5.2 reeds verkort weergegeven omstandigheden die ten grondslag liggen aan ’s hofs oordeel dat van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [eiser] sprake is: - [eiser] wist op grond van de financiële gegevens van IBAS dat WIC in de bewuste periode geen schades meer uitbetaalde; dat Grul heeft toegezegd dat zou worden betaald, maakt dit niet anders, nu [eiser] het in feite zelf in de hand had of WIC tot betaling zou overgaan (rov. 4.12 en 4.13); - [eiser] heeft afgewacht met bewerkstelligen dat WIC alsnog aan haar verplichtingen zou voldoen, dan wel met ervoor zorgen dat de verzekeringen elders werden ondergebracht; daarbij speelt mee dat de gestelde beoogde samenwerking met London & Lancashire niet van de grond is gekomen (rov. 4.13); - [eiser] heeft nog vele (bijna 60.000) nieuwe polissen verkocht, terwijl hij wist althans hoorde te begrijpen dat WIC geen uitkeringen meer deed (rov. 4.13). 5.25 De klachten van onderdeel 2 richten zich tegen de laatste twee hiervoor genoemde omstandigheden en de wijze waarop zij zijn betrokken in ’s hofs oordeel. Daarbij wordt voor elke omstandigheid betoogd waarom het oordeel betreffende die omstandigheid niet klopt en waarom het (dus) niet kan bijdragen aan het eindoordeel dat [eiser] zijn taak als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. 5.26 Door iedere omstandigheid afzonderlijk aan te vallen probeert het onderdeel de redenering van het hof in rov. 4.14 in feite ‘uit elkaar te trekken’ in verschillende losstaande elementen. Hierbij wordt echter miskend dat de verschillende omstandigheden in samenhang met elkaar dienen te worden gelezen en ook steeds in de door het geheel van omstandigheden bepaalde context moeten worden gezien. Ik roep daarbij in herinnering dat een oordeel dat sprake is van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder tot stand dient te komen op grond van de totaliteit en de samenhang van de aan hem voorgelegde omstandigheden (hiervoor 4.8). Het hof laat blijken hiervan te zijn uitgegaan door te oordelen dat [eiser] niet had mogen afwachten met bewerkstelligen dat WIC alsnog aan haar verplichtingen zou voldoen dan wel dat de verzekeringen ergens anders werden ondergebracht (rov. 4.14). Het betreft blijkbaar alternatieve maatregelen die [eiser] had kunnen nemen om de problemen van IBAS af te wenden, hetgeen hij heeft nagelaten. Het onderdeel lijkt er echter vanuit te gaan dat iedere omstandigheid afzonderlijk langs de meetlat van het kennelijk onbehoorlijk bestuur dient te worden gelegd, terwijl zij nu juist in onderlinge samenhang dienen te worden beoordeeld, en gaat daarmee uit van een onjuiste rechtsopvatting. Alleen al om deze reden kan het onderdeel niet tot cassatie leiden. Ik licht dat in het navolgende nader toe. 5.27 Subonderdelen 2.1 tot en met 2.3 keren zich tegen het oordeel van het hof dat [eiser] heeft afgewacht met bewerkstelligen dat WIC alsnog aan haar verplichtingen zou voldoen. De klacht is dat het hof zou hebben miskend dat op [eiser] in dit verband alleen een inspanningsverplichting rustte (subonderdeel 2.2) dan wel bij de beoordeling van de door [eiser] gepleegde inspanningen te streng is geweest (2.3): nu al geruime tijd duidelijk was dat WIC niet meer uitkeerde, valt niet in te zien waarom [eiser] desondanks meer had kunnen doen om betaling te bewerkstelligen. 5.28 Deze klacht miskent dat de inspanningen van [eiser] om WIC tot betaling te bewegen moeten worden beoordeeld in het licht van de overige omstandigheden. Op zichzelf valt te betogen dat het een bestuurder niet aan te rekenen is dat een schuldenaar van de vennootschap onverhoopt niet betaalt en hij op een zeker moment zijn pogingen om de betreffende vordering te innen staakt. In dit geval gaat het er echter om dat [eiser] weinig tot niets heeft ondernomen (hij heeft WIC pas eind 2000 in gebreke gesteld, aldus het hof in rov. 4.13) om betaling te bewerkstelligen, terwijl hem al geruime tijd uit de eigen gegevens van IBAS bekend was dat WIC geen schades meer uitkeerde (rov. 4.7). Bovendien heeft [eiser] , ook nadat hem dit al geruime tijd duidelijk was, in de betrokken periode (onbestreden) nog bijna 60.000 nieuwe polissen bij WIC afgesloten (rov. 4.2 en 4.13). Het is dit samenstel van omstandigheden dat uiteindelijk de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling oplevert: het afwachten met het nemen van maatregelen om betaling te bewerkstelligen, in het licht van de omstandigheid dat WIC al geruime tijd niet meer uitkeerde, en in samenhang met de omstandigheid dat [eiser] ondanks dit alles met WIC is blijven handelen. 5.29 De in subonderdelen 2.4 tot en met 2.7 vervatte klacht ten aanzien van het afwachten met bewerkstelligen dat de verzekeringen bij een andere verzekeraar zouden worden ondergebracht gaat uit van dezelfde onjuiste rechtsopvatting. De klacht is dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiser] zich onvoldoende heeft ingespannen om de verzekeringen bij een andere verzekeraar onder te brengen, terwijl hem dit aldus het middel uiteindelijk wel is gelukt. Allereerst wijs ik erop dat hoewel er in cassatie vanuit kan worden gegaan dat de betreffende verzekeraar (London & Lancashire) uiteindelijk tot samenwerking bereid was, deze bereidheid pas eind 2000 is gebleken, toen al geruime tijd duidelijk was dat WIC niet meer zou uitkeren. Ook is de samenwerking in eerste instantie in 1998 stukgelopen. Hoewel dus wel inspanningen zijn verricht om een samenwerking met London & Lancashire te bewerkstelligen, hebben deze inspanningen de financiële problemen die IBAS heeft ondervonden doordat WIC niet langer uitkeerde niet kunnen afwenden. Dat zou op zichzelf wellicht geen probleem hoeven zijn ware het niet dat [eiser] in dezelfde periode, waarin hij zoals gezegd wist dat WIC niet langer uitkeerde, nog vele polissen bij WIC zou hebben afgesloten. In het licht van die omstandigheden waren [eisers] inspanningen om een andere verzekeraar te vinden te gering en kwamen zij bovendien te laat. 5.30 De klachten vervat in subonderdelen 2.1 tot en met 2.7 falen. 5.31 In subonderdelen 2.8 tot en met 2.10 wordt betoogd dat het afsluiten van 60.000 polissen bij WIC in de periode 1998-2000 geen onbehoorlijke taakvervulling door [eiser] als bestuurder van IBAS kan opleveren, nu uit het verkopen van verzekeringen van WIC alleen verplichtingen (en dus risico’s) voor WIC voortvloeien. [eiser] stelt dat hij daarom niet heeft gehandeld met de (geobjectiveerde) kennis dat hij met zijn handelen de schuldeisers van IBAS benadeelde. In cassatie staat vast dat [eiser] in de bewuste periode (1998 tot en met 2000) nog 60.000 polissen van WIC heeft verkocht. In cassatie staat niet langer ter discussie dat het uitblijven van de uitkeringen door WIC mede oorzaak is van de financiële problemen bij IBAS. Zo is in cassatie niet bestreden dat vanwege het uitblijven van deze uitkeringen IBAS zelf schades aan de verzekerden is gaan uitkeren hetgeen ten koste ging van het eigen vermogen (rov. 4.13 van het bestreden arrest). ’s Hofs oordeel dat het uitblijven van de uitkeringen door WIC, los van de vraag of dit [eiser] kan worden aangerekend, in belangrijke mate aan het faillissement van IBAS heeft bijgedragen (rov. 4.15) is in cassatie eveneens niet bestreden. 5.32 Het is duidelijk dat IBAS voor haar liquiditeit in belangrijke mate afhankelijk was van schade-uitkeringen door WIC. Daarom valt niet in te zien dat het afsluiten van de polissen onder deze omstandigheden niet voorzienbaar de schuldeisers van IBAS zou benadelen. Schuldeisers van IBAS lijden er immers logischerwijs onder als IBAS door het uitblijven van betalingen korte of langere tijd zijn schuldeisers niet voldoet en uiteindelijk geen verhaal biedt. Ook als IBAS slechts als assurantietussenpersoon zou hebben gehandeld, laat dit onverlet dat het uitblijven van schade-uitkeringen door WIC ten koste ging van de liquiditeit van IBAS en dat dit nadelige gevolgen zou hebben voor haar schuldeisers. In ’s hofs oordeel dat [eiser] met het oog op het uitblijven van betaling door WIC anders had moeten handelen ligt besloten dat [eiser] dit mede met het oog op de belangen van schuldeisers had moeten doen. Anders dan de subonderdelen stellen, heeft het hof dus niet miskend dat de aangesproken bestuurder moet hebben gehandeld met de objectieve wetenschap dat de schuldeisers van de failliete vennootschap door zijn handelen zouden worden benadeeld (hiervoor 4.6). 5.33 De in subonderdelen 2.8 tot en met 2.10 vervatte klachten falen daarom eveneens. Dat betekent dat onderdeel 2 van het middel niet tot cassatie kan leiden. 5.34 Nu alle middelonderdelen falen concludeer ik tot verwerping van het beroep. 6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Inleidende dagvaarding onder 4 en productie 3 daarbij (uittreksel handelsregister). Bedoeld is: verzekeringen. Bedoeld is: onbehoorlijke. P. van Schilfgaarde, J.W. Winter en J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, nr.
- Lid 1 spreekt van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door ‘het bestuur’, maar uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat ook een handelen van een individuele bestuurder onbehoorlijke taakvervulling in de zin van dit artikel kan opleveren. De verwijzing naar ‘het bestuur’ bedoelt te benadrukken dat het bestuur van een vennootschap een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle bestuurders. Zie Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9, p. 21 (NEV II) en H. de Groot, Bestuurdersaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2011, p. 104-105, P. van Schilfgaarde, Misbruik van rechtspersonen, Deventer: Kluwer 1986, p. 53 en P.J. Dortmond, Handboek voor de Naamloze en de Besloten Vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, nr. 399.
- Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 4 (MvA). Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9, p. 2 (NEV II). HR 7 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2096, NJ 1996/695 m.nt. J.M.M. Maeijer (Drankenhandel Van Zoolingen), rov. 5.3 (met betrekking tot art. 36 IW 1990) en HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, NJ 2001/454 (Panmo), rov. 3.
- Zie H. de Groot, Bestuurdersaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2011, p. 107-110, J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders, diss., Deventer: Kluwer 1998, p. 280-286, M.J.W. Hemmes, Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Samenloop van vorderingen tussen curator en individuele crediteuren, Tilburg: Celsus Juridische Uitgeverij 2014, p. 10-12, P. van Schilfgaarde, J.W. Winter en J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, nr. 48, Asser/J.M.M. Maeijer, G. van Solinge en M.P. Nieuwe Weme, Deel 2-II*: De Naamloze en de Besloten Vennootschap, Deventer: Kluwer 2009, nr. 457 en B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, nr.
- Art. 2:138/248 BW vormen de kern van de derde misbruikwet, ook wel aangeduid als Wet Bestuurdersaansprakelijkheid in geval van faillissement (WBF). Zie J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders, diss., Deventer: Kluwer 1998, p.
- P. van Schilfgaarde, Misbruik van rechtspersonen, Deventer: Kluwer 1986, p.
- P. van Schilfgaarde, Misbruik van rechtspersonen, Deventer: Kluwer 1986, p. 2, P.C. van den Hoek, ‘Aansprakelijkheid bij faillissement van de rechtspersoon’, in P. van Schilfgaarde, P.J. Dortmond, P.C. van den Hoek, H.L.J. Roelvink en H.J.M.N. Honée, De nieuwe misbruikwetgeving, Deventer: Kluwer 1986, p.
- Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 14 (MvA). Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9, p. 14 (NEV II). Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9, p. 14 (NEV II). Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9, p. 20 (NEV II). Handelingen II, 1984/85, 101, p.
- Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 21 (MvA). Zie B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, nr.
- Handelingen II 1984/85, 101, p.
- Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 4 (MvA). Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 4 (MvA). Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 3-4 (MvA). HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6017, NJ 2006/30 m.nt. J.W. Zwemmer, JOR 2006/61 m.nt. Y. Borrius (Holland Foodmachinery), rov. 4.2 (met betrekking tot art. 36 IW 1990). Dat vloeit voort uit de aard van de vordering. De curator oefent de bevoegdheden voortvloeiend uit art. 2:138/248 BW immers uit ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Zie H. de Groot, Bestuurdersaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2011, p.
- Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad heeft eiser geen belang bij behandeling van zijn klacht wanneer deze is gericht tegen een overweging die ten overvloede is gegeven en de bestreden uitspraak niet draagt. Zie onder meer HR 24 april 1964, 24041964, NJ 1964/431 (Van der Meyden/Enters), HR 7 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB9775, NJ 1977/383 m.nt. W.M. Kleijn (Van Wylick/Van Wylick) en HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6343, NJ 2000/535 (D./De Nederlandse Antillen). Zie Asser/E. Korthals Altes, H.A. Groen, Procesrecht. Deel 7: Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr.
- Schriftelijke toelichting, randnummer 4.1.
- Schriftelijke toelichting, randnummer 4.1.
- Vereenzelviging van een rechtspersoon met een andere rechtspersoon of met een natuurlijke persoon kan aan de orde zijn wanneer misbruik wordt gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze (rechts)personen. Zie onder meer HR 9 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1752, NJ 1996/213 (Krijger/Citco) en HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1865, NJ 1996/215 m.nt. J.M.M. Maeijer (Roco/Staat) en in het bijzonder onderdeel 4.4 van de conclusie van A-G Mok voor dit laatste arrest. Proces-verbaal van comparitie van 17 april 2013, p. 2 en
- Memorie van antwoord, randnummer 56 en 57 met verwijzing naar randnummer 5 van de akte van 12 juni 2013, het proces-verbaal van comparitie van 17 april 2013 p. 2 en 6 en memorie van antwoord, randnummer 60 waar wordt verwezen naar de inleidende dagvaarding, randnummers 18-39 en 141-144 en de akte van 12 juni 2013, randnummers 16-
- Het gaat hier om een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 30 januari 2007, overgelegd als productie 24 bij de inleidende dagvaarding en een vonnis van het GEA van 18 juli 2011 (productie 30 bij de inleidende dagvaarding). Hiervoor is onder 1.13 de inhoud van beide vonnissen weergegeven. D.J. Beenders, ‘Artikel 161’, in A.I.M. van Mierlo en C.J.J.C van Nispen (red.), Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2016, aant.
- Zoals reeds aangegeven in 3.1 suggereert ook de toelichting bij middelonderdeel 3 dat sprake zou zijn van ten overvloede aan het oordeel van het hof ten grondslag gelegde overwegingen. Memorie van grieven, randnummers 8 en 44, conclusie van antwoord, randnummers 94 en 96 en productie 25 hierbij en antwoordakte d.d 26 juni 2013, randnummer
- De overwegingen van het hof in rov. 4.13 en 4.14 dat [eiser] tussen 1998 en 2000 bijna 60.000 nieuwe polissen heeft verkocht, zijn in cassatie niet bestreden; subonderdeel 2.9 spreekt van “het feit dat in deze periode bijna 60.000 polissen zijn afgesloten”. De rechtbank heeft in haar vonnis van 31 juli 2013 vastgesteld dat ten tijde van het faillissement van IBAS bijna 60.000 door haar uitgegeven polissen (van WIC) liepen, met looptijden van vierentwintig of zesendertig maanden (rov. 2.18). Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat ‘vanaf 1997 nog tienduizenden polissen zijn afgesloten’ (rov. 2.19). Tegen deze feitenvaststelling is geen grief gericht; het hof heeft zich er, zoals hiervoor besproken, mee verenigd (rov. 3.1) en de feiten samengevat in rov. 4.2, waartegen in cassatie geen klacht is gericht. Uit deze feiten heeft het hof kennelijk en, zoals gezegd, onbestreden afgeleid dat de circa 60.000 polissen die ten tijde van het uitspreken van het faillissement liepen in de relevante periode (1998-2000) door IBAS bij WIC zijn afgesloten.