Zaaknr: 16/00220 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 02 december 2016 Conclusie inzake: De Kruisvereniging Noord-Brabant tegen Kruiswerk voor U, Gemeente Rucphen Het gaat in de onderhavige kortgedingprocedure om vermeende onrechtmatige uitlatingen in twee brieven die verweerster in cassatie (hierna: Kruiswerk) heeft gestuurd naar leden van eiseres tot cassatie (hierna: Kruisvereniging). In cassatie ligt onder meer de vraag voor of bepaalde uitlatingen in deze brieven getoetst hadden moeten worden aan de voorwaarden van art. 6:194a lid 2 BW. 1. Feiten en procesverloop 1.1 Kruisvereniging is in 1984 opgericht door een aantal plaatselijke kruisverenigingen, waaronder de kruisverenigingen Rucphen, Schijf, Sprundel en Zegge. 1.2 Kruiswerk is ontstaan door een fusie van de kruisverenigingen Sprundel, Schijf en Rucphen en het Wit-Gele Kruis in Zegge. 1.3 In 1992 zijn de statuten van Kruisvereniging gewijzigd. In de gewijzigde statuten is bepaald dat Kruisvereniging is verdeeld in afdelingen en dat het lidmaatschap van de vereniging en het lidmaatschap van een afdeling met elkaar samenvallen. Verder staat in de gewijzigde statuten vermeld dat onder andere rechtsvoorgangers van Kruiswerk als afdelingen zijn toegelaten. 1.4 In oktober 2012 heeft Kruiswerk aan Kruisvereniging geschreven dat zij per 1 januari 2013 zelfstandig verder zal gaan en zich zal afzonderen van Kruisvereniging. 1.5 Kruisvereniging heeft vervolgens een bodemprocedure bij rechtbank Zeeland-West-Brabant tegen Kruiswerk aanhangig gemaakt, waarin zij in conventie onder meer vorderde Kruiswerk te verbieden (
(3). De klacht heeft dan hier geen zelfstandige betekenis en zal ik hier dan ook niet behandelen. 2.29 Onderdeel 3 valt de rov. 3.8.6, 3.8.13.1 t/m 3.8.13 en 3.8.14.2 aan. Subonderdeel 3.1 klaagt dat het oordeel van het hof dat er geen grief zou zijn gericht tegen de overweging in rov 3.6 en 3.8 van de uitspraak van de voorzieningenrechter dat de beweringen in de brieven van 13 november 2014 en 3 december 2014 juist zouden zijn en dat daar in het kader van het appel derhalve van uit moet worden gegaan, rechtens onjuist en onbegrijpelijk is omdat Kruisvereniging wel degelijk alle stellingen uit de brief van 13 november 2014 en niet uitsluitend de stelling met betrekking tot de uitkomst van de eerdere procedure heeft betwist. 2.30 Ik vraag mij af of de klacht feitelijke grondslag heeft. Ik lees rov. 3.8.6 zo dat het hof daarin een onderscheid maakt tussen de in de rov. 3.8.7 e.v. te beoordelen uitlatingen in de brieven van 13 november 2014 en 3 december 2014 en de overige uitlatingen in die brieven. Het hof heeft naar aanleiding van grief V geoordeeld dat de toelichting daarop geen klacht bevat dat één of meer concrete uitlatingen die onder bedoelde overige uitlatingen vallen, feitelijk onjuist en/of onnodig grievend zijn en onrechtmatige uitlatingen betreffen en dat het er daarom in dit hoger beroep voor moet worden gehouden dat, afgezien van de hierna nog te bespreken uitlatingen in de brieven van 13 november 2014 en 3 december 2014, de overige uitlatingen in die brieven in ieder geval feitelijk juist en niet onnodig grievend zijn en geen onrechtmatige uitlatingen betreffen. 2.31 Voor zover de hiervoor bedoelde lezing niet juist is, ga ik in op de klacht dat een redelijke uitleg van de grieven III-VI met zich brengt dat in appel dit oordeel van de voorzieningenrechter wel wordt bestreden. Ik stel daarbij voorop dat de uitleg van de grieven en de toelichting daarop aan het hof is voorbehouden. Grief III klaagt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat ook mededelingen die inhoudelijk juist zijn onrechtmatig kunnen zijn. Grief IV houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte de uitlatingen niet heeft beoordeeld in de context waarin ze zijn gedaan. Grief V klaagt dat rov. 3.8 onbegrijpelijk en ondeugdelijk is gemotiveerd omdat de voorzieningenrechter ten onrechte van oordeel zou zijn dat het slachtoffer van oneerlijke concurrentie en kwetsende uitlatingen nadeel moet aantonen. Grief VI klaagt dat de voorzieningenrechter in rov. 3.6 ten onrechte de beoordeelde uitlatingen van Kruiswerk niet als onrechtmatig heeft aangemerkt. 2.32 Nu noch in de grieven noch in de toelichting daarop een klacht wordt gericht tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter in rov. 3.8 dat de beoordeelde uitlatingen van Kruiswerk feitelijk juist en niet onnodig grievend zijn jegens Kruisvereniging, faalt het subonderdeel. De appelrechter is ook in kort geding gebonden aan de grieven. Overigens heeft Kruiswerk zich op het standpunt gesteld dat in de gewraakte brieven geen onjuiste mededelingen zijn gedaan over Kruisvereniging. 2.33 Subonderdeel 3.2 is gericht tegen rov. 3.8.13.3, waarin het hof heeft geoordeeld dat Kruisvereniging tijdens het pleidooi in hoger beroep met betrekking tot grief III heeft gesteld dat de voorzieningenrechter de vraag of de uitlatingen juist zijn, ten onrechte bevestigend heeft beantwoord en dat, voor zover Kruisvereniging daarmee heeft beoogd om alsnog op te komen tegen voormeld oordeel van de voorzieningenrechter dat bedoelde uitlatingen in de brief van 13 november 2014 feitelijk juist zijn, sprake is van een ontoelaatbare nieuwe grief. Het subonderdeel klaagt – zakelijk weergegeven – dat het hof aldus miskent dat het bij pleidooi is toegestaan om grieven uit te bouwen en nader te onderbouwen. 2.34 Nu bij de behandeling van subonderdeel 3.1 reeds is vastgesteld dat in de grieven III t/m VI inderdaad niet is gegriefd tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter dat de gewraakte uitlatingen van Kruiswerk feitelijk juist zijn, is hetgeen bij pleidooi door Kruisvereniging is aangevoerd niet aan te merken als een nadere onderbouwing van de grieven, maar als een ontoelaatbare nieuwe grief. Het subonderdeel faalt mitsdien. 2.35 Volgens subonderdeel 3.3 zijn de door onderdeel 3 bestreden rechtsoverwegingen bovendien onjuist omdat het hof, “zeker wanneer het [] zelf in rov. 3.8.1 aangeeft dat de grieven gezamenlijk worden behandeld, die grieven naar de aard en strekking moet uitleggen en niet op de (beperkte) wijze waarop het hof dat doet.” Het subonderdeel stuit af op het gegeven dat het uitleggen van grieven en de wijze van behandelen van grieven aan de appelrechter is voorbehouden. De cassatierechter treedt daar niet in. 2.36 Subonderdeel 3.4 bouwt voort op de voorafgaande subonderdelen en deelt in hun lot. 2.37 Onderdeel 4 richt zich tegen rov. 3.8.15, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld: “Met betrekking tot de ernst van de te verwachten gevolgen van de uitlatingen overweegt het hof als volgt. Uit het vonnis blijkt dat Kruisvereniging in eerste aanleg heeft gesteld dat 252 van de 2100 leden zijn overgestapt naar Kruiswerk. Het hof begrijpt de stellingen van Kruisvereniging in hoger beroep aldus dat zij stelt dat een ledenverlies van meer dan 10% ernstig is. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft Kruisvereniging op dit punt nog gesteld dat de huidige stand 452 is, waarmee zij kennelijk doelt op de leden die voorheen lid waren van beide partijen en die hun lidmaatschap van Kruisvereniging hebben beëindigd en dat van Kruiswerk hebben voortgezet. Met name in het licht van het feit dat deze 452 leden niet alleen lid waren van Kruisvereniging maar ook al van Kruiswerk is het hof voorshands van oordeel dat Kruisvereniging onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat de uitlatingen voor haar) ernstige gevolgen hebben gehad. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat uitgaande van de stellingen van Kruisvereniging minder dan 25% van de gezamenlijke leden voor Kruiswerk hebben gekozen en meer dan 75% voor Kruisvereniging (dit nog daargelaten dat Kruisvereniging naast de leden die zij gezamenlijk met Kruiswerk had ook nog leden had en heeft die niet tevens lid zijn van Kruiswerk, zodat als het ledenverlies van 452 wordt afgezet tegen het totale ledenbestand van Kruisvereniging de afname van het aantal leden van Kruisvereniging veel lager is dan 25%).” 2.38 Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof onjuist is dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd omdat, zo betoogt subonderdeel 4.1 het hof miskent dat voor een verbod op onrechtmatig handelen op de voet van art. 6:162 BW en in het bijzonder ingevolge art. 6:196 lid 1 BW ook de dreiging van schade voldoende is. Subonderdeel 4.2 acht onbegrijpelijk dat aanvankelijk 10%, te weten een ledenverlies van 252 leden en later 25%, een ledenverlies van 452 leden voor een onderneming niet ernstig kan zijn. Volgens het subonderdeel moge het zo zijn dat het Kruiswerk is toegestaan om zich af te splitsen, maar dat betekent verder niet dat het haar dan vrijstaat om zich meer of anders te permitteren dan een gewone concurrerende onderneming. Het subonderdeel betoogt voorts dat ook in het geval van een ontvlechting de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt in acht dient te worden genomen en dat geen onjuiste, onware, suggestieve of anderszins negatieve argumenten dienen te worden gebruikt. Voor zover het hof van oordeel is geweest dat in ontvlechting andere normen gelden dan in het geval van ‘gewone’ concurrentie of vergelijkende reclame, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is ook op dit punt het arrest van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, aldus de slotklacht van dit subonderdeel. 2.39 Subonderdeel 4.1 en de motiveringsklacht van subonderdeel 4.2 berusten op een onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging nu het hof daarin niet heeft geoordeeld over schade. Het hof heeft – in cassatie niet bestreden – in rov. 3.8.11 geoordeeld dat het bij de beoordeling van de gestelde onrechtmatigheid van de uitlatingen in de brieven van 13 november 2014 en 3 december 2014 voorshands met name de volgende omstandigheden relevant acht: - aard, context en strekking van de uitlatingen; - de vraag of de uitlatingen feitelijke beweringen of waardeoordelen zijn; - de vraag of de feitelijke beweringen juist zijn; - de ernst van de gebruikte bewoordingen; - de ernst van de te verwachten gevolgen van de uitlatingen. De beoordeling in rov. 3.8.15 betreft de beoordeling van de onrechtmatigheid in het licht van de omstandigheid van het laatste liggende streepje: de ernst van de te verwachten gevolgen van de uitlatingen. 2.40 De materie van de slotklacht van subonderdeel 4.2 is reeds bij de behandeling van subonderdeel 2.1 aan de orde gekomen. Ik verwijs daarnaar. 2.41 Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 3.8.7 waarin de beoordeling van de hiervoor onder 2.16 geciteerde passage uit de brief van 3 december 2014 aan de orde komt. De voorzieningenrechter heeft deze passage in rov. 3.7 als niet onrechtmatig beoordeeld, waartegen door Kruisvereniging in grief IV is opgekomen. Dienaangaande heeft het hof in rov. 3.8.7 geoordeeld dat de passage voorshands geen onrechtmatige uitlating bevat omdat Kruisvereniging in hoger beroep niet (concreet) heeft gesteld dat de strekking van voormelde passage is om een link te leggen naar Kruisvereniging in die zin dat solidariteit geen belangrijk uitgangspunt van haar is (welke link het hof voorshands overigens ook niet aannemelijk acht) en de memorie van grieven ook geen klacht bevat die erop neerkomt dat Kruisvereniging door voormelde passage wordt aangetast in haar eer en goede naam dan wel een klacht dat deze passage feitelijk onjuist is.
- 42 Het onderdeel klaagt dat het hof met zijn bestreden oordeel miskent dat het hier niet zomaar om een mededeling gaat maar om ongeoorloofde vergelijkende reclame en dat het suggereren dat de concurrent niet solidair is wel degelijk onrechtmatig is. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel. 2.43 Het onderdeel faalt omdat niet met een rechtsklacht kan worden opgekomen tegen het feitelijke oordeel van het hof dat de memorie van grieven geen klacht bevat die erop neerkomt dat Kruisvereniging door voormelde passage wordt aangetast in haar eer en goede naam dan wel een klacht dat deze passage feitelijk onjuist is. Deze vaststelling door het hof draagt het (feitelijke) oordeel van het hof dat de bewuste passage geen onrechtmatige uitlating bevat. Dit oordeel is derhalve voldoende gemotiveerd. 2.44 Onderdeel 6 richt zich met vijf subonderdelen tegen de rov. 3.8.8 t/m 3.8.10 en 3.8.12-3.8.13.
- In die rechtsoverwegingen heeft het hof diverse uitlatingen in de brief van 13 november 2014 beoordeeld. Welke gewraakte passages dat zijn, blijkt uit rov. 3.8.9 en 3.8.12: “3.8.9 ‘Dat geeft nu wel aan dat u voor het lidmaatschap een keuze moet maken en wij u vragen te kiezen voor het lidmaatschap van Kruiswerk voor U, gemeente Rucphen’ 3.8.12 ‘ ‘Vele verzoeken aan de Regionale Kruisvereniging om in dit nieuwe beleid mee te gaan werden niet of nauwelijks beantwoord’ en ‘Het pakket wat er wordt aangeboden door de regionale Kruisvereniging is achterhaald. Zo is de wijkzuster gewoon opgenomen in het wettelijke zorgpakket en door de gemeente worden eveneens een aantal zaken overgenomen’ (…) 'Het verzelfstandigen van ons als Kruiswerk voor U is door de Regionale Kruisvereniging niet in dank afgenomen en men heeft via de rechter geprobeerd dit tegen te houden. De rechter heeft, zelfs in hoger beroep van RKV, ons volledig in het gelijk gesteld' (…)” 2.45 Subonderdeel 6.1 klaagt dat het hof in rov. 3.8.9 bij zijn beoordeling van de aldaar geciteerde passage ten onrechte die uitlating geïsoleerd en niet in zijn context heeft beschouwd en dat, ook wanneer een partij in het kader van ontvlechting mag communiceren, dit niet op onrechtmatige wijze mag gebeuren en dat daarvoor alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. 2.46 Het hof heeft feitelijk en in cassatie niet bestreden geoordeeld dat in het betoog van Kruisvereniging in haar memorie van grieven waar deze passage aan de orde komt, geen andere klachten vallen te ontwaren dan het betoog dat al in rov. 3.8.3 is beoordeeld. Het subonderdeel verduidelijkt niet hoe, als de uitlating in zijn context wordt beschouwd, wel een klacht in het betoog is vervat. 2.47 Subonderdeel 6.2 is gericht tegen rov. 3.8.10, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld: “Wat betreft de overige gewraakte uitlatingen in de brief van 13 november 2014 overweegt het hof als volgt. Naar het voorlopig oordeel van het hof dienen de in deze zaak te wegen omstandigheden (r.o. 3.8.11 en verder) te worden beschouwd tegen de in r.o. 3.8.3 weergegeven achtergrond en de daarin gegeven oordelen dat het door de ontstane situatie aangewezen was om de gezamenlijke leden te informeren over de afsplitsing en de gevolgen daarvan voor hen, dat Kruiswerk in haar voorlichting aan die leden mocht wijzen op de verschillen tussen de door beide partijen aangeboden zorgpakketten en dat Kruiswerk die leden mocht verzoeken om wat betreft het lidmaatschap voor haar te kiezen.” 2.48 Het subonderdeel verwijst naar subonderdeel 2.3, dat op zijn beurt weer verwijst naar onderdeel 3, waarin wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat Kruisvereniging het oordeel van de voorzieningenrechter dat de bestreden uitlatingen juist zijn, niet heeft bestreden. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat er dan ook niet van kan worden uitgegaan dat de vergelijking tussen de pakketten volledig juist is en dat om die reden het Kruiswerk was toegestaan om de leden van de Kruisvereniging aan te schrijven en te bewegen over te stappen. 2.49 Ik lees in rov. 3.8.10 niet meer dan een aanpak hoe de overige gewraakte uitlatingen zullen worden beoordeeld in de rov. 3.8.11 en volgende en tegen welke achtergrond. Die achtergrond is wat betreft de door beide partijen aangeboden zorgpakketten dat Kruiswerk in haar voorlichting mocht wijzen op de verschillen daartussen. Het hof oordeelt niet dat de door Kruiswerk gedane vergelijking juist is. Het subonderdeel mist dan ook feitelijke grondslag. 2.50 Subonderdeel 6.3 klaagt dat het hof in rov. 3.8.12 heeft miskend dat ook uitlatingen in brieven die zijn geschreven in verband met de beëindiging van de samenwerking tussen partijen en het feit dat Kruiswerk als zelfstandige kruisvereniging verder zou gaan, niet suggestief en onwaar mogen zijn teneinde een klant te bewegen bij de concurrent op te zeggen. Dit mag, aldus het subonderdeel, niet alleen niet in het kader van vergelijkende reclame en oneerlijke concurrentie, maar is ook onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW. 2.51 Deze klacht berust op een onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging nu het hof hierin geenszins heeft overwogen dat partijen bij het beëindigen van een samenwerkingsverband uitlatingen mogen doen over de wederpartij die niet feitelijk juist zijn teneinde gezamenlijke leden te overwegen om hun contractuele relatie te beëindigen. 2.52 Subonderdeel 6.4 bestrijdt evenals subonderdeel 3.2 het oordeel van het hof dat Kruisvereniging niet is opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de gewraakte uitlatingen in de brief van 13 november 2014, op één uitlating na, feitelijk juist zijn. Het subonderdeel deelt in het lot van de subonderdelen 3.1 en 3.
- 2.53 Subonderdeel 6.5 bevat allereerst een verwijzing naar subonderdeel 3.2 waarin wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8.13.
- Het subonderdeel constateert vervolgens dat het hof op dit (onjuiste) oordeel voortborduurt in de rov. 3.8.13.4, 3.8.13.5, 3.8.14.1 en 3.8.14.2 en dat het hof daarmee, om redenen zoals weergegeven in subonderdeel 3.2, “volstrekt onjuist en onbegrijpelijk” heeft geoordeeld. 2.54 Nu het subonderdeel aldus geen zelfstandige betekenis heeft, laat ik deze verder onbehandeld. 2.55 Onderdeel 7 is een voortbouwklacht en deelt in het lot van de uiteindelijke uitkomst van deze conclusie. 2.56 De slotsom van het voorgaande is dat de onderdelen 2-7 niet tot cassatie kunnen leiden, waarmee de onder 2.20 omschreven vraag ter beoordeling voorligt. 2.57 Art. 6:194a lid 2 BW noemt acht cumulatieve voorwaarden waaraan vergelijkende reclame moet voldoen teneinde geoorloofd te zijn. Is aan één van de voorwaarden niet voldaan, dan is de vergelijkende reclame ongeoorloofd. Zoals vermeld, heeft Kruisvereniging bij pleidooi gesteld dat de brieven van 13 november en 3 december 2014 niet aan de voorwaarden van art. 6:194a lid 2 onder a, b en e BW voldoen. 2.58 Met betrekking tot de stelling dat de brieven niet aan art. 6:194a lid 2 onder a BW voldoen, heeft Kruisvereniging aangevoerd dat “zij feitelijk onjuiste informatie bevatten”. Dienaangaande heeft het hof in rov. 3.8.13.2 vastgesteld dat Kruisvereniging in hoger beroep, slechts ten aanzien van één uitlating in de brief van 13 november 2014 heeft gesteld dat deze feitelijk onjuist is, te weten dat Kruiswerk volledig door de rechter in het gelijk is gesteld. Het hof heeft vervolgens in de rov. 3.8.13.3 en 3.8.13.4 geoordeeld dat deze uitlating juist is en dat voor het overige in een te laat stadium door Kruisvereniging is gegriefd tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 3.6 van zijn vonnis. Nu de hiertegen gerichte klachten falen (zie de subonderdelen 3.1 en 3.2) zal het verwijzingshof bij een toetsing aan het voorschrift over vergelijkende reclame niet tot een ander oordeel komen. 2.59 Vervolgens heeft Kruisvereniging gesteld dat de brieven evenmin aan de voorwaarde onder b van art. 6:194a lid 2 BW voldoen omdat Kruiswerk beklemtoont dat zij andere diensten aanbiedt dan Kruisvereniging “met haar achterhaalde pakket” en dat Kruiswerk Kruisvereniging zo gewoon wil uitschakelen. De stelling is niet nader toegelicht. 2.60 De voorwaarde van letter b houdt in dat de vergelijking betrekking moet hebben op goederen of diensten die in dezelfde behoeften voorzien of voor hetzelfde doel zijn bestemd. Volgens Verkade stelt deze voorwaarde van art. 6:194a lid 2 BW niets voor. Uitgangspunt van Kruisvereniging in deze procedure is m.i. nu juist dat Kruiswerk wel stelt dat haar diensten en die van Kruisvereniging in dezelfde behoeften voorzien, maar dat Kruiswerk zich bij die vergelijking onrechtmatig heeft uitgelaten over het pakket van Kruisvereniging. Ik meen dan ook dat Kruisvereniging onvoldoende heeft gesteld over strijd met de voorwaarde onder b en dat zij met haar onder 2.59 geciteerde stelling uit de pleitnota (veeleer) een beroep heeft gedaan op art. 6:194a lid 2 onder e BW. 2.61 Met betrekking tot het niet voldoen aan art. 6:194a lid 2 onder e heeft Kruisvereniging tevens gesteld dat de brieven met deze voorwaarde strijden “vanwege de bedekte aantijging de oorsprong te hebben verlaten, niet meer solidair te zijn en de uitdrukkelijke stelling dat [Kruisvereniging] een achterhaald pakket aanbiedt.” 2.62 Art. 6:194 lid 2 onder e BW bepaalt dat vergelijkende reclame niet de goede naam schaadt en zich niet kleinerend uitlaat over de merken, handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken, de waren, de diensten, de activiteiten of de omstandigheden van een concurrent. Verkade laat zien dat de enkele omstandigheid dat de dienst van de concurrent in de vergelijking het onderspit delft, op zichzelf niet meebrengt dat de goede naam wordt geschaad of dat er gekleineerd wordt. 2.63 Het hof heeft in rov. 3.8.14.1 voorshands geoordeeld dat de stelling van Kruiswerk dat Kruisvereniging een achterhaald pakket aanbiedt moet worden beschouwd als een waardeoordeel en in rov. 3.8.14.2 dat de bedoeling van deze uitlating kan worden afgeleid uit de feitelijke beweringen over de wijkzuster en over door de gemeente overgenomen zaken. Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat deze feitelijke beweringen juist zijn en dat deze uitlating niet onnodig grievend is voor Kruisvereniging. 2.64 Noch de vaststelling van het hof dat deze uitlating van Kruiswerk een waardeoordeel betreft, noch de beoordeling van dit waardeoordeel in de sleutel van art. 6:162 BW is in cassatie bestreden. Nu in het kader van art. 6:162 BW kritische uitlatingen en openbaarmaking van negatieve ervaring als waarschuwing aan anderen toelaatbaar zijn wanneer de uitlating feitelijk juist is en niet onnodig grievend of denigrerend, verschilt de beoordeling van dit waardeoordeel in het kader van art. 6:194a lid 2 sub e BW niet van de beoordeling die het hof reeds heeft verricht. 2.65 Het bovenstaande brengt m.i. mee dat Kruisvereniging geen belang heeft bij vernietiging en verwijzing van het bestreden arrest. Een extra beoordeling van de gewraakte uitlatingen van Kruiswerk binnen het toetsingskader van art. 6:194a BW door de verwijzingsrechter zal materieel niet verschillen van de reeds verrichte beoordeling in het door het hof gehanteerde toetsingskader van art. 6:162 BW. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G In noot 1 van de cassatiedagvaarding wordt vermeld dat de naam van eiseres tot cassatie tot 15 september 2015 De Kruisvereniging West-Brabant was. Zie rov. 3.1 van het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 3 november
- Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1 van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 februari 2015 en voor het procesverloop in hoger beroep rov. 2 van het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 3 november
- Zie prod. 7 bij de inleidende dagvaarding. Zie prod. 8 bij de inleidende dagvaarding. Zie rov. 3.2.1 van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 november
- Zie rov. 3.2.2 van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 november
- De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 29 december
- Cassatiedagvaarding onder 2.
- Zie de subonderdelen 1.1 en 1.
- Op p. 6 van de cassatiedagvaarding wordt hierbij verwezen naar specifieke vindplaatsen in de gedingstukken. Het onderdeel bevat nog een motiveringsklacht in subonderdeel 1.4 en een voortbouwklacht in subonderdeel 1.
- Zie bijv. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/84-88 en 106-116 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI877, NJ 2010/154, rov. 2.4.
- Richtlijn 97/55/EG van 6 oktober 1997 tot wijziging van 84/450/EEG inzake misleidende reclame teneinde ook vergelijkende reclame te regelen. Zie bijv. Mon.BW B49b (Verkade), nr.
- Zie Mon.BW B49b (Verkade), nr. 83; GS Onrechtmatige daad, artikel 194a Boek 6 BW, aant. 3.3 en P.G.F.A. Geerts en E.R. Vollebregt, Oneerlijke handelspraktijken, misleidende reclame en vergelijkende reclame, Deventer: Kluwer, 2009, p. 88 e.v. Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), L149/
- Zie daarover Mon.BW B49b (Verkade), nr. 20 en Mon.BW B49a (Verkade), tweede druk, 2016, nr. 20-
- C-59/12, ECLI:EU:C:2013:
- Kamerstukken II 1978-1979, 13 611, nr. 6, p.
- Mon.BW B49b (Verkade), nr.
- De gewone regels van stelplicht en bewijslast gelden niet in kort geding, zie HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2720, NJ 1999/682 m.nt. JBMV. Zie ook: Van Nispen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:195 BW, aant.
- Zie voor de stellingen van Kruisvereniging hierna onder 2.
- Zie ook Kamerstukken II 1978-1979, 13 611, nr. 6, p. 14-
- Vgl. HR 21 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AH8582, NJ 1979/194 m.nt. W.H. Heemskerk. Zie ook de noot van Verkade onder HR 15 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2817, NJ 1999/
- Zie prod. 5 bij de inleidende dagvaarding. Zie prod. 6 bij de inleidende dagvaarding. Zie de toelichting op grief III, grief IV en de toelichting daarop alsmede grief VI met toelichting. Onder 15 en
- Pleitnota van 5 februari 2015, p. 3 Memorie van grieven, p.
- In de cassatiedagvaarding aangeduid als 2.2 t/m 2.
- Zie subonderdeel 2.1 op p. 12 van de cassatiedagvaarding. Zie de rov. 3.8.1 en 3.8.
- De verwijzing naar rov. 2.8.13.1 berust m.i. op een verschrijving. Zie cassatiedagvaarding p.
- Zie de MvA op p. 3-4 en
- Zie bijv. P.G.F.A. Geerts en E.R. Vollebregt, Oneerlijke handelspraktijken, misleidende reclame en vergelijkende reclame, Deventer: Kluwer, 2009, p.
- Zie Mon.BW B49b (Verkade), nr.
- Zie daarover Mon.BW B49b (Verkade), nr.
- Zie ook Kamerstukken II, 2000-2001, 27 619, nr. 3, p. 17-
- Zie bijv. Jansen, GS Onrechtmatige daad, artikel 162 BW, aant. 241.4.1 t/m 241.
- Zie P.G.F.A. Geerts en E.R. Vollebregt, a.w., par. 4.3.5, Van Nispen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:194a BW, aant. 20.