← Nederland

ECLI:NL:PHR:2016:1252

Nr. 16/02590 H Zitting: 1 november 2016 Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [aanvrager] De aanvrager is bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 23 december 2015 wegens

  1. “diefstal” en
  2. “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat er tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Namens de aanvrager heeft mr. L. van Dijk, advocaat te Den Haag, een aanvraag tot herziening ingediend. De aanvraag steunt op de omstandigheid dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid onder c, Sv. Daartoe wordt aangevoerd dat de politierechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken, indien hij bekend was geweest dat het beschikking van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 juli 2013 door de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 17 oktober 2013 is vernietigd voor zover daarbij aan de aanvrager een inreisverbod is opgelegd. Uit de zich in het dossier bevindende en de bij de aanvraag gevoegde stukken kan het volgende worden afgeleid. De aanvrager is vreemdeling in de zin van art. 1 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Tegen de aanvrager op 4 maart 2013 een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Tevens is tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren. Bij beschikking van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 juli 2013 is het uitgevaardigde inreisverbod opgeheven en vervangen door een inreisverbod ingevolge art. 66a Vw 2000 voor de duur van drie jaren. De rechtbank Den Haag heeft bij onherroepelijke uitspraak van 17 oktober 2013 het besluit van de staatssecretaris vernietigt “voor zover daarbij aan eiser een inreisverbod voor de duur van drie jaar is opgelegd”. Die uitspraak houdt voorts in: “Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank nog op dat de vernietiging van het bestreden besluit niet tot gevolg heeft dat het aan eiser opgelegde inreisverbod voor de duur van twee jaar herleeft, nu het beroep van eiser niet is gericht tegen de opheffing van dat inreisverbod”.
  3. Genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag bevindt zich niet bij de gedingstukken, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de politierechter daarmee niet bekend was. Nu aan de aanvrager na 17 oktober 2013 niet opnieuw een inreisverbod is opgelegd, kan deze uitspraak worden aangemerkt als een gegeven dat het ernstige vermoeden doet ontstaan dat de politierechter de aanvrager van het hem onder 2 tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken, ware hij met die uitspraak bekend geweest.
  4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, op de wijze als in art. 472, tweede lid, Sv in verbinding met art. 471, tweede lid, Sv is voorzien, de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren voor zover zij betrekking heeft op het onder 2 bewezenverklaarde feit, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Om uit te sluiten dat tegen de aanvrager na de vernietiging van de beslissing van 10 juli 2013 opnieuw een (op de datum van het tenlastegelegde en bewezenverklaard nog geldend) inreisverbod is uitgevaardigd en in het politiedossier per abuis slechts het verouderde (en reeds toen vernietigde) verbod is gevoegd, is op mijn verzoek navraag bij de IND gedaan. De IND heeft bevestigd dat jegens de aanvrager na de (vernietigde) beschikking van 10 juli 2013 niet opnieuw een inreisverbod is uitgevaardigd. Vgl. ten aanzien van een ongewenstverklaring HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3050.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.