Nr. 14/05102 Zitting: 19 januari 2016 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verzoeker is bij arrest van 19 september 2014 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking” veroordeeld tot het verrichten van honderd uren taakstraf, subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 14/05102 en 14/05115P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen. 3. Namens verzoeker heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, twee middelen van cassatie voorgesteld. 4. Ten laste van verzoeker is door het Hof onder meer bewezenverklaard dat: “1. hij in de periode van 1 maart 2011 tot en met 22 juni 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een groot aantal hennepplanten.” 5. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op een aantal door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken. In de toelichting op het middel wordt het volgende naar voren gebracht. Het Hof miskent dat volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad op voorwaardelijk gedane verzoeken als de onderhavige ingevolge art. 330 Sv (in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv) een uitdrukkelijke beslissing moet worden genomen, op straffe van nietigheid. Het fenomeen van het doen van voorwaardelijke verzoeken is niet strijdig met enige wettelijke bepaling of met het systeem van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 271, tweede lid, Sv - dat rechters verbiedt op de terechtzitting blijk te geven van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte - is een instructienorm waarvan met instemming van de verdachte moet kunnen worden afgeweken. Omdat het doen van een voorwaardelijk verzoek impliceert dat de rechter een (voorlopig) oordeel moet geven en wellicht moet vooruitlopen op een eindbeslissing, is deze toestemming met het verzoek gegeven en is van schending van enig verdedigingsbelang geen sprake. Om redenen van proces-economie is het wenselijk dat bijvoorbeeld een ontlastende getuige niet hoeft te worden gehoord indien de rechter toch al van oordeel is dat vrijspraak moet volgen. 6. Uit de stukken van het geding blijkt, voor zover van belang, het volgende procesverloop: - De toenmalige raadsvrouw van verzoeker heeft bij appelschriftuur van 17 april 2013 haar onderzoekwensen gemotiveerd kenbaar gemaakt, waaronder het horen van getuigen, en wel op de volgende wijze: “Namens cliënt verzoek ik u mij in de gelegenheid te stellen onderstaande getuigen te mogen horen: 1. Getuige [verbalisant 2], werkzaam als brigadier, Basisteam Haarlemmermeer Noord, Regiopolitie Kennemerland; 2. Getuige [verbalisant 3], werkzaam als brigadier, Basisteam Haarlemmermeer Noord, Regiopolitie Kennemerland; 3. Getuige [verbalisant 4], agent van de politie Kennemerland en/of getuige [verbalisant 1], eveneens agent van de politie Kennemerland. 4. De onbekend gebleven, maar wel in het dossier genoemde, wijkagent (pagina 104). Motivering: De verbalisanten hebben zich allen beziggehouden c.q. dragen, al dan niet ieder afzonderlijk van elkaar, wetenschap van de meldingen van begin maart 2011, de anonieme tip van 30 maart 2011 en de inkijkoperatie van 20 mei 2011. Voor de beantwoording van een belangrijke rechtsvraag, namelijk of cliënt als een verdachte in de zin van artikel 27 Sv had kunnen worden aangemerkt, dienen zij gehoord te worden om zo meer duidelijkheid te krijgen over waaruit het redelijke vermoeden bestond en op basis waarvan opsporingshandelingen zijn uitgevoerd. Op 20 mei 2011 waren verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] degenen die de hennepplantage hadden geconstateerd. Deze getuigen kunnen nadere vragen beantwoorden ter zake hun wetenschap aangaande hun waarnemingen en de concrete aanleiding van het onderzoek. Het dossier bevat namelijk vele contra indicaties, namelijk: de binnenzijde van de ramen waren met zwarte folie bedekt (pagina 29 en 33), de ramen waren voorzien van luxaflex (pagina 53) en de ruimte was met een goede afzuiginstallatie aangelegd (pagina 29). Deze contra indicaties stroken niet met hetgeen de getuigen verklaren te hebben waargenomen. Aangezien zij bij uitstek over hun waarnemingen kunnen verklaren is een nader verhoor van deze getuigen geïndiceerd. Verbalisant [verbalisant 4] is in het kader van het 12 HM Hein onderzoek betrokken bij onderhavige kwestie. In het kader van de aanvraag vordering verstrekking verkeersgegevens mobiele telefonie ex artikel 126n Sv, heeft deze verbalisant in het rapport melding gemaakt van een anonieme tip die ten grondslag heeft gelegen aan de doorzoeking van het bedrijfspand op 22 juni 2011. Aangezien op grond van vigerende rechtspraak een dergelijke anonieme tip aan restricties is onderworpen, ik verwijs in dit verband naar een uitspraak van de HR 13 maart 2008, LJN: BC 1367, r.o. 3.4 en HR 22januari 2008, LJN: BC 1375, r.o. 3.2, acht de verdediging het noodzakelijk om verbalisant nader te horen over deze anonieme informatie. Deze getuige is bij uitstek de persoon die bij de verdediging gerezen vragen kan beantwoorden. Een nader verhoor van deze getuige is derhalve geïndiceerd. Voorts verklaren verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1] in een proces-verbaal (pagina 104) dat een wijkagent begin maart met een ladder naar boven is geklommen en dat destijds kennelijk door de wijkagent een hennepplantage in de verhuurde loods is aangetroffen. De verdediging wenst geïnformeerd te worden naar de gang van zaken omtrent de handelwijze van de wijkagent. De verdediging weet niet wat de naam dan wel het stamnummer van de wijkagent is. Alleen deze getuigen kunnen de verdediging hierover nader informeren. 5. Getuige [betrokkene 1] (…). Motivering: De verdediging wenst nadere vragen te stellen aan de getuige omtrent het door hem betwiste huurovereenkomst van het pand waar de hennep is aangetroffen. Het is in het belang van de verdediging om deze getuige te horen nu zijn verklaring mede redengevend is geweest voor de bewezenverklaring en cliënt zich op het standpunt stelt dat hij wel degelijk een zakelijke verhouding met getuige onderhield.” - Op diezelfde dag heeft de toenmalige raadsvrouw haar appelschriftuur aangevuld met een verzoek tot het doen van nader onderzoek aan de ter plaatse aangetroffen flessen olijfolie en scharen. - Op de terechtzitting van 8 april 2014 heeft de toenmalige raadsvrouw haar verzoeken als volgt toegelicht: “(…) Voorts is niet vastgesteld dat de op de scharen en in de olijfolie aangetroffen substantie daadwerkelijk hennep betreft. Dit dient onderzocht te worden alvorens vast te kunnen stellen dat het om hennep gaat. Getuige [betrokkene 1] is alleen telefonisch gehoord. De verdediging wenst hem vragen te stellen omtrent de door hem betwiste huurovereenkomst van het pand waar de hennep is aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 4] heeft geverbaliseerd over een anonieme tip. Deze anonieme tip maakt echter geen deel uit van het dossier. De verdediging wenst voornoemde [verbalisant 4] vragen te stellen over deze tip. De verdediging heeft twijfels over de waarneming door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] zoals deze is geverbaliseerd. De ramen van het pand waren afgeplakt met zwarte folie en er hing luxaflex voor de ramen. Volgens de verdachte kan het raam niet worden geopend, dus valt het te betwijfelen of voornoemde verbalisanten iets hebben kunnen ruiken. Door middel van een schouw kan het hof zelf waarnemen dat het niet mogelijk is om via het betreffende raam naar binnen te kijken. Het dossier bevat tegenstrijdigheden. De verdediging wenst de verbalisanten met hun bevindingen te confronteren.” - Het Hof heeft ter terechtzitting van 22 april 2014 ten aanzien van deze verzoeken overwogen en beslist als volgt: “- Het verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] wordt afgewezen. Hierdoor wordt de verdediging niet in haar belang geschaad. De door de raadsvrouw aangevoerde vragen worden reeds in voldoende mate in de stukken die zich reeds in het dossier bevinden beantwoord. - Het verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 4] en/of [verbalisant 1] wordt afgewezen. Hierdoor wordt de verdediging niet in haar belang geschaad, aangezien in plaats daarvan de advocaat-generaal wordt verzocht een nader proces-verbaal te doen opmaken waaruit de inhoud van de anonieme tip, waarvan melding wordt gemaakt in het dossier, heeft bestaan. - Het verzoek tot het horen van de onbekend gebleven wijkagent wordt afgewezen. Hierdoor wordt de verdediging niet in haar belang geschaad. Dit verzoek is onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd, zodat niet duidelijk is dat het horen van deze getuige iets zou kunnen bijdragen tot de door het hof in deze zaak te nemen beslissingen. - Het verzoek tot het doen horen van [betrokkene 1] als getuige wordt afgewezen. Hierdoor wordt de verdediging niet in haar belang geschaad. Nu het verzoek onvoldoende concretiseert waarom deze getuige, naar wie reeds nader onderzoek is verricht, opnieuw dienaangaande zou moeten worden gehoord. - Het verzoek tot het houden van een schouw wordt afgewezen, nu de situatie ter plaatse thans niet meer hetzelfde is als ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde feit. De destijds gedane waarnemingen zijn thans niet meer waarneembaar. De noodzaak tot het houden van een schouw ontbreekt daarom.” - Op de terechtzitting van het Hof van 5 september 2014 heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnotities het volgende aangevoerd: “Vrijspraak (…) Geen wetenschap (…) 6. De rechtbank heeft cliënt veroordeeld omdat zij zijn verklaring met betrekking tot de onderhuur aan [betrokkene 1] ongeloofwaardig achten en omdat in het gedeelte van de loods dat cliënt gebruikte materialen zijn gevonden met daarop hennepresten. Ook bevonden zich daar materialen die gebruikt worden voor hennepplantages. 7. Namens cliënt wil ik deze argumenten als volgt weerleggen. [betrokkene 1] 8. Hoewel cliënt de bovenverdieping had onderverhuurd, volgt daaruit niet noodzakelijkerwijs dat cliënt ook wetenschap heeft gehad van het bestaan van de hennepplantage. Cliënt heeft de bovenverdieping van het pand verhuurd aan [betrokkene 1] , een kennis die hij via via kende; ter onderbouwing heeft cliënt een kopie van het identiteitsbewijs en het rijbewijs van [betrokkene 1] getoond. 9. Van die onderverhuurde bovenetage, nota bene een aparte afgescheiden ruimte, had cliënt geen sleutel; zo valt ook op te maken uit het feit dat de sleutel niet aan de sleutelbos van cliënt zat. Hij kon daar dus ook niet zomaar in- en uit lopen. 10. De rechtbank acht niet aannemelijk dat cliënt de loods daadwerkelijk onderverhuurde aan [betrokkene 1] nu deze stelt dat hij zijn paspoort en rijbewijs is kwijtgeraakt, hij nimmer in Zwanenburg is geweest, een onderzochte telefoon geen zendmasten in die buurt heeft aangestraald, er geen telefonisch contact tussen cliënt en hem is geweest en er bovendien geen contract of kwitantie ten aanzien van de huur kon worden overgelegd. 11. Voorgaande betekent mijns inziens echter niet dat hetgeen cliënt stelt niet op de waarheid berust. Het is nogal logisch dat iemand die daadwerkelijk betrokken is bij een hennepplantage dit niet ruiterlijk toegeeft aan de politie en zelf aandringt op een huurcontract. En het feit dat de telefoon van [betrokkene 1] nimmer in Zwanenburg is geweest zegt niets. Immers is het een feit van algemeen bekendheid dat verdachten die in verdovende middelen handelen voortdurend van telefoonnummer wisselen of meerdere telefoons hebben opdat hun gangen niet kunnen worden achterhaald. 12. (…) Indien uw hof zou menen dat de verklaring van cliënt op dit punt ongeloofwaardig is, verzoek ik uw hof langs deze weg nogmaals [betrokkene 1] te mogen horen (cursivering, EH) zodat de verdediging hem zelf kritische vragen kan stellen ten aanzien van hetgeen door hem - nota bene telefonisch - is verklaard en te confronteren met de stellingen van cliënt. Hennepresten 13. Verder wordt gesteld dat cliënt wetenschap van de plantage moet hebben gehad, omdat in de keuken van de bedrijfsruimte een knipschaar en een fles olijfolie zouden zijn aangetroffen met daarop restanten van hennep. Tevens zou in de auto van cliënt een knipschaar met restanten van hennep zijn aangetroffen. 14. Wederom wijs ik erop dat in het dossier geen direct bewijs aanwezig is waaruit onomstotelijk blijkt dat op voornoemde materialen sporen van hennepresten zijn gevonden; deze berusten slechts op de bevindingen van één verbalisant. De vermeende hennepresten die zijn aangetroffen zijn niet getest en derhalve ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat de aangetroffen planten daadwerkelijk de strafbaar gestelde werkzame stof THC bevat. Op de foto van de flessen olijfolie – op het aanrecht – in het dossier is geenszins waar te nemen dat in de olijfolie hennepresten zouden zitten. 15. Niet kan dus worden vastgesteld door uw hof dat zich buiten de plantage om in de loods daadwerkelijk voorwerpen met hennepresten hebben bevonden. Bovendien ontkent cliënt dat hij eigenaar is van de materialen met de henneprestanten. Cliënt had toegezegd aan [betrokkene 1] dat deze gebruik mocht maken van zijn gereedschap als hij het maar teruglegde. 16. Indien uw hof zou menen dat dit wel voldoende is gebleken (cursivering, EH), verzoek ik uw hof langs deze weg nogmaals om het ertoe te leiden dat de fles olijfolie en de scharen door een deskundige worden onderzocht op de aanwezigheid van de strafbaar gestelde werkzame stof THC in de vermeende hennep (cursivering, EH). (…) Periode/planten (…) Sub conclusie (…) 34. Mocht uw hof menen dat u wel tot een bewezenverklaring kunt komen voor de gehele periode en de 566 planten, dan verzoek ik uw hof langs deze weg nogmaals om de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] en de onbekend gebleven wijkagent als getuigen te mogen ondervragen (cursivering, EH) nu ik meen dat hetgeen zij zouden hebben waargenomen niet juist kan zijn. Cliënt stelt dat hij de loods pas heeft onderverhuurd in mei 2011 en dat om die reden alleen al nooit een hennepplantage kan zijn gezien in maart 2011. Ik meen dat de verbalisanten met deze verklaring geconfronteerd dienen te worden alsmede met andere vragen aangaande hun onwaarschijnlijke waarnemingen.” - Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 5 september 2014 heeft zich aldaar voorts het volgende voorgedaan: “Naar aanleiding van de bij pleidooi gedane voorwaardelijke verzoeken van de raadsvrouw vraagt de oudste raadsheer of de raadsvrouw ervan op de hoogte is dat die verzoeken deels eerder zijn gedaan in onvoorwaardelijke vorm op de regiezitting van 8 april 2014. De raadsvrouw antwoordt daarop, zakelijk weergegeven: Ik heb daarvan kennis genomen, maar ik moet mijn verzoeken bij pleidooi herhalen, wil ik over de afwijzing daarvan kunnen klagen in een eventuele cassatieprocedure. De voorzitter deelt mede dat voorwaardelijke verzoeken door het hof als zodanig niet worden geaccepteerd, omdat de leden van dit hof de schijn van partijdigheid zouden kunnen wekken, indien zij voorwaardelijke verzoeken toewijzen en op de volgende terechtzitting wederom deel zouden uitmaken van de samenstelling van het hof. Het hof zal daarom uitsluitend beslissen op onvoorwaardelijk gedane verzoeken. De voorzitter vraagt de raadsvrouw vervolgens of het hof de verzoeken als onvoorwaardelijke verzoeken dient te beschouwen. Op verzoek van de raadsvrouw wordt het onderzoek ter terechtzitting daarop kort onderbroken voor beraad. Na de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de raadsvrouw mede dat zij persisteert bij haar voorwaardelijke verzoeken zoals gedaan, daarbij verwijzend naar jurisprudentie van de Hoge Raad.” 7. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in: “Overwegingen ten aanzien van voorwaardelijke verzoeken ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde De raadsvrouw van de verdachte heeft bij pleidooi herhaald verzocht om [betrokkene 1] als getuige te horen, indien het hof de verklaringen van de verdachte omtrent de onderverhuur van de bovenverdieping van voornoemd pand aan die [betrokkene 1] ongeloofwaardig acht. Voorts heeft zij bij pleidooi herhaald verzocht om de in het pand aangetroffen fles olijfolie en scharen door een deskundige te laten onderzoeken op de aanwezigheid van hennepresten, mocht het hof van oordeel zijn dat zich daarop wel hennepresten bevonden. Tot slot heeft de verdediging bij pleidooi herhaald verzocht om de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] en een onbekend gebleven wijkagent als getuige te horen, indien het hof van oordeel is dat het totaal aantal ten laste gelegde hennepplanten (566 stuks) én de gehele ten laste gelegde periode (1 maart 2011 tot en met 22 juni 2011) bewezen kunnen worden verklaard. Het hof overweegt dat het hier voorwaardelijke verzoeken betreft, hetgeen betekent dat de verzoeken pas geacht worden te zijn gedaan indien de daaraan verbonden voorwaarden zijn vervuld. Het hof is van oordeel dat het, voor zover het dergelijke verzoeken zou toewijzen, nadat bij beraad in raadkamer is gebleken dat de daaraan verbonden voorwaarden zijn vervuld, in voorkomende gevallen reeds - al dan niet gedeeltelijk - zijn oordeel zou geven over de door het hof nog te beantwoorden vragen als bedoeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. Daarmee wordt door de verdediging een situatie uitgelokt, waarin door de leden van de samenstelling van het hof die de verzoeken heeft toegewezen de schijn van partijdigheid zou kunnen worden gewekt, indien zij op een volgende terechtzitting in die zaak wederom deel uitmaken van de samenstelling van het hof. In dat geval hebben zij zich immers reeds impliciet uitgelaten over een van de vragen als bedoeld in een van voornoemde artikelen. Gelet op het voorgaande heeft de voorzitter ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2014 de raadsvrouw medegedeeld dat het hof de voorwaardelijke verzoeken niet als zodanig zal accepteren en uitsluitend zal beslissen op onvoorwaardelijke verzoeken. De raadsvrouw is vervolgens door het hof in de gelegenheid gesteld om haar voorwaardelijke verzoeken als hiervoor vermeld alsnog te doen in onvoorwaardelijke vorm. Gesteld noch gebleken is dat de verdediging daardoor in haar belangen zou zijn geschaad. Los van het feit dat een deel van die verzoeken in onvoorwaardelijke vorm reeds eerder op de regiezitting van 8 april 2014 in het kader van deze strafzaak zijn besproken en op 22 april 2014 door het hof daarop is beslist. De raadsvrouw heeft van de mogelijkheid om haar verzoeken in onvoorwaardelijke vorm te doen echter geen gebruik willen maken, zodat het hof bovenstaande verzoeken als niet herhaald beschouwt en aldus niet gehouden is om daarop een beslissing te nemen. De stelling van de raadsvrouw dat ze de verzoeken wel moet herhalen om deze in cassatie aan de orde te kunnen stellen, mist juridische grondslag.” 8. De verzoeken van de raadsvrouw zijn gedaan onder de respectieve voorwaarden dat het Hof (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.