Nr. 14/05115 P Zitting: 19 januari 2016 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene]
(1)Ook de raadsvrouw heeft niet opgegeven wie in dat kader als deskundige zou kunnen worden gehoord. Bij gebreke van een en ander zal het hof zich derhalve zelf een gemotiveerd oordeel moeten vormen over de mogelijke betekenis die aan de kalkafzetting aan de binnenzijde van de waterton en de stof op de aan de hennepkwekerij gerelateerde voorwerpen kan worden toegekend, uiteraard mede aan de hand van hetgeen door partijen ter zake naar voren wordt gebracht. 1 Zie in dit kader ook: ECLI:NL:GHARN:2012:BY1355;” - Op de terechtzitting van het Hof van 5 september 2014 heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnotities het volgende aangevoerd: “Ontnemingsvordering (…) Sub conclusie 54. Geconcludeerd moet worden dat op basis van onderhavig dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een eerdere oogst en daarom verzoek ik uw hof ook subsidiair om de ontnemingsvordering af te wijzen. 55. Mocht uw hof menen dat voorgaande wel voldoende is om te komen tot de conclusie dat kennelijk een eerdere oogst heeft plaatsgevonden dan meen ik dat alsnog onderzocht dient te worden wat voor betekenis de kalkaanslag in de waterton precies heeft, tevens verzoek ik uw hof dan onderzoek te laten plaatsvinden naar de stelling dat het stof kan zijn aangetroffen omdat het materiaal tweedehands is c.q. dat de stof in enkele weken is ontstaan. En hoe het voorgaande zich dan verhoudt tot de conclusies van Liander. Ook persisteer ik in dit verband bij mijn verzoek de scharen en olijf olie te doen laten onderzoeken op hennepresten. (…).” - Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 5 september 2014 heeft zich aldaar voorts het volgende voorgedaan: “Naar aanleiding van de bij pleidooi gedane voorwaardelijke verzoeken van de raadsvrouw vraagt de oudste raadsheer of de raadsvrouw ervan op de hoogte is dat die verzoeken deels eerder zijn gedaan in onvoorwaardelijke vorm op de regiezitting van 8 april 2014. De raadsvrouw antwoordt daarop, zakelijk weergegeven: Ik heb daarvan kennis genomen, maar ik moet mijn verzoeken bij pleidooi herhalen, wil ik over de afwijzing daarvan kunnen klagen in een eventuele cassatieprocedure. De voorzitter deelt mede dat voorwaardelijke verzoeken door het hof als zodanig niet worden geaccepteerd, omdat de leden van dit hof de schijn van partijdigheid zouden kunnen wekken, indien zij voorwaardelijke verzoeken toewijzen en op de volgende terechtzitting wederom deel zouden uitmaken van de samenstelling van het hof. Het hof zal daarom uitsluitend beslissen op onvoorwaardelijk gedane verzoeken. De voorzitter vraagt de raadsvrouw vervolgens of het hof de verzoeken als onvoorwaardelijke verzoeken dient te beschouwen. Op verzoek van de raadsvrouw wordt het onderzoek ter terechtzitting daarop kort onderbroken voor beraad. Na de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de raadsvrouw mede dat zij persisteert bij haar voorwaardelijke verzoeken zoals gedaan, daarbij verwijzend naar jurisprudentie van de Hoge Raad.” - Het bestreden arrest houdt in hetgeen hierboven onder 6 is weergegeven. 8. De verzoeken van de raadsvrouw zijn gedaan onder de respectieve voorwaarden dat het Hof (
- i)tot het oordeel komt dat op de fles olijfolie en de scharen hennepresten zich bevinden en (
- ii)tot het oordeel komt dat sprake is van een eerdere oogst. 9. Vooropgesteld dient te worden dat door de Hoge Raad is toegestaan dat bijvoorbeeld een verzoek tot het horen van getuigen voorwaardelijk kan worden gedaan, indien het gemotiveerd, duidelijk en stellig is. Aan deze eisen voldoen de voorwaardelijke verzoeken van de raadsvrouw mijns inziens. Het gaat mitsdien om verzoeken als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Ingevolge art. 511d, eerste lid, Sv zijn die bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard op de behandeling van een ontnemingsvordering van de officier van Justitie, terwijl zulks ook nog eens volgt (maar dan kennelijk toegespitst op het hoger beroep) uit art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. In cassatie kan worden geklaagd over het verzuim van het gerechtshof op de hier bedoelde (voorwaardelijke) verzoeken te beslissen, aldus de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.73). Verder houdt het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3678, NJ 2008/157 onder meer het volgende in: “3.4. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak de in het middel bedoelde verzoeken als volgt afgewezen: "Wijst af het sub 16 van de pleitnota van 2 februari 2007 voorwaardelijk gedane verzoek nadere getuigen te horen, daar de wet dergelijke verzoeken niet kent." (…) 3.5.2. Overwegende als hiervoor onder 3.4 weergegeven heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De opvatting dat aan een verzoek geen voorwaarden kunnen worden verbonden dan wel, indien de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, op een voorwaardelijk verzoek niet uitdrukkelijk behoeft te worden beslist, is onjuist. Een verzuim op zodanige verzoeken te beslissen heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.” 10. Op grond van het voorgaande meen ik dat het middel terecht is voorgesteld. 11. Het komt mij voor dat dit evenwel niet tot cassatie hoeft te leiden. Immers, blijkens het proces-verbaal van ’s Hofs terechtzittingen van 8 en 22 april 2014 (bladen 3 en 4) heeft de advocaat-generaal bij het Hof meegedeeld dat in een op de valreep binnengekomen proces-verbaal van bevindingen is geverbaliseerd dat de scharen reeds waren vernietigd en heeft het Hof op grond van deze mededeling het verzoek tot het doen van nader onderzoek met betrekking tot de scharen afgewezen. Voorts blijkt uit dit zittingsverbaal dat het Hof heeft vastgesteld dat nader onderzoek aan de flessen olijfolie toen al niet meer mogelijk was, omdat deze flessen niet in beslag zijn genomen. Voorts merk ik op dat weliswaar strikt genomen de aan de verzoeken verbonden voorwaarden zijn vervuld, maar dat zulks niet wegneemt dat het Hof de flessen olijfolie, de kalkafzetting op de waterton en het stof op de aan de hennepplantage gerelateerde voorwerpen klaarblijkelijk buiten zijn bewijsconstructie heeft gelaten. 12. Zo bezien is de betrokkene door de onjuiste gedachtegang van het Hof niet in enig rechtens te respecteren belang getroffen. 13. Overigens merk ik nog het volgende op. De schijn van partijdigheid waarvoor het Hof bevreesd is, berust kennelijk op het oordeel dat uitoefening van de bevoegdheid waarin art. 511e, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511g, tweede lid onder c Sv voorziet – ‘schorsing’ van het onderzoek wegens gebleken onvolledigheid - op gespannen voet komt te staan met het bepaalde in art. 271, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511d, eerste lid, Sv, indien de rechter in raadkamer tot het oordeel komt dat de voorwaarde is vervuld en hij op een volgende terechtzitting de zaak weer behandelt. Hoewel ik wel begrijp wat het Hof hier bedoelt, denk ik dat dit oordeel van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berust. Indien immers de rechter van deze bevoegdheid in een geval als het onderhavige gebruik maakt, ligt daaraan in ontnemingszaken slechts een voorlopig oordeel omtrent de toewijzing van de ontnemingsvordering ten grondslag en geeft hij daarmee juist aan dat aanvullend onderzoek is vereist om tot een weloverwogen definitief oordeel te (kunnen) komen. Wat dat betreft zou ik hier in dezelfde lijn willen redeneren als de Hoge Raad in zijn arrest van 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311, NJ 2008/193, waarin hij overwoog: “3.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 3.4. In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat het enkele feit dat de Rechtbank zich in een tussenvonnis expliciet over de bewezenverklaring heeft uitgelaten, nog niet met zich brengt dat ten aanzien van vervolgzittingen waarop uitsluitend de oplegging van een straf en/of maatregel aan de orde was, de vrees van vooringenomenheid bij de Rechtbank objectief gerechtvaardigd was. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 3.5. De overwegingen van het Hof houden voorts in dat op grond van de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg na het tussenvonnis niet aannemelijk is geworden dat in het onderhavige geval de rechters in eerste aanleg op enigerlei wijze blijk hebben gegeven van vooringenomenheid dan wel partijdigheid. Aldus heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat in dit geval geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de Rechtbank jegens de verdachte een vooringenomenheid koesterde, en evenmin voor het oordeel dat een dienaangaande bij de verdachte bestaande vrees objectief gerechtvaardigd was. Die oordelen geven ook in het licht van de in de toelichting op het middel benadrukte passages uit de pleitnota in hoger beroep, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl zij ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk zijn.” En in zijn annotatie bij dit arrest schrijft Reijntjes met gevoel voor nuance: “Al in HR 27 september 1983, NJ 1984, 173, kwam de vraag aan de orde of een rechter, als hij zich eenmaal over bewijs en strafbaarheid van de feiten heeft uitgesproken, nog wel als onbevooroordeeld kan worden aangemerkt. Toen deed de Hoge Raad dit, naar de geest van die tijd, met enkele nietszeggende frasen af; nu is in elk geval het hof er dieper op ingegaan. Met een bevooroordeelde rechter wordt iemand bedoeld, die zijn oordeel niet laat bepalen door het verhandelde ter terechtzitting, maar door een al eerder opgevatte opinie. Dat hij zich, in de loop van het proces, uit het verhandelde geleidelijk een oordeel vormt, is niet alleen logisch, maar zelfs wenselijk; dat oordeel ontstaat niet pas aan het eind van de zitting (of reeks van zittingen), in de raadkamer. Definitief behoort dat oordeel echter pas te worden na collegiaal overleg - en gelukkig is dat meestal ook zo. Op zichzelf is er ook weinig tegen wanneer de rechter al op de zitting van zijn geleidelijke oordeelsvorming laat blijken, door bijvoorbeeld zijn verbazing te tonen over bepaalde omstandigheden en/of over de verklaring, die de verdachte daaromtrent geeft. Problematisch wordt dit pas, wanneer zijn uitlatingen er op kunnen duiden dat hij steunt op een al vóór de zitting opgevat (voor)oordeel. Het is vooral omdat het één niet altijd goed van het ander valt te onderscheiden, dat hij in zijn uitlatingen terughoudend, en in elk geval bijzonder voorzichtig dient te zijn. In deze gedachtegang is er niets tegen om een tussenoordeel te geven; een vooroordeel kan daaruit op geen enkele manier worden afgeleid. Het is dan ook geen wonder, dat het Hof in Straatsburg zich daarover nooit uitliet; het tegen het tussenoordeel aangevoerde bezwaar mist iedere grond. Een tussenoordeel kan zelfs een voordeel bieden, omdat het duidelijkheid schept op welke punten de verdediging zich verder moet richten. Tenslotte doet de rechter hetzelfde, wanneer hij een preliminair verweer verwerpt - ook die verwerping berust (gewoonlijk) op een voorlopig oordeel, al was het alleen omdat de verdediging het verweer bij pleidooi in de hoofdzaak pleegt te herhalen. Het komt toch bij niemand op om de rechter dan van een vooroordeel te beschuldigen? Een en ander onderstreept echter hoe belangrijk het is, dat steeds het voorlopige karakter van tussenuitspraken over de in art. 348 en 350 genoemde punten wordt benadrukt. Problemen behoren te worden gemaakt wanneer dit voorlopige oordeel later, zonder rationele grondslag, ineens terzijde zou worden geschoven!” 14. Het middel is tevergeefs voorgesteld. 15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3678, NJ 2008/157 en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3355. Zie voorts: HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5632 (rov. 3.3), HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2968, NJ 2007/570, HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5403, HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:663 en HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:902. Aldus HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7295, NJ 2009/251 en HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2903. Vgl. HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8160. Zie ook: C.P.J. Scheele, “Het beoordelen van getuigenverzoeken: een leidraad voor de praktijk”, Strafblad 2011, p. 71. Vgl. voor strafzaken art. 346 Sv. Art. 271, tweede lid, Sv luidt: “Noch de voorzitter, noch een der rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte”. Zie over dit voorschrift de nog altijd zeer lezenswaardige publicaties van: J. Remmelink, “Het verhoor in strafzaken”, in: RM Themis 1966, blz. 307-358 en N. Keijzer, “Enkele opmerkingen omtrent de praesumptio innocentiae in strafzaken”, in: Naar eer en geweten, Liber Amicorum J. Remmelink, 1987, blz. 235-253. Zie voorts M.I. Veldt, “Het EVRM en de onpartijdige strafrechter” (diss.), 1997 en M. Kuijer, “The Blindfold of Lady Justice; Judicial Independence and Impartiality in Light of the Requirements of article 6 ECHR” (diss.), 2004. In dezelfde zin J. Wöretshofer in T&C-Strafvordering: “Wanneer de eindbeslissingen van art. 350 Sv in meerdere tijdelijk uit elkaar liggende stappen (denk aan: in een tussenvonnis staat al de bewezenverklaring en kwalificatie) worden genomen, brengt dit echter niet zonder meer vooringenomenheid van de rechter voor de desbetreffende vervolgingsbeslissingen mede” (elfde druk, 2015, aant. 4 bij art. 271).