← Nederland

ECLI:NL:PHR:2016:1325

Obsah (5)§ 11§ 20§ 23§ 21§ 22

16/00576 mr. Keus Zitting 23 december 2016 Conclusie inzake 1. Mispelhoef B.V. 2. [eiser 2] (hierna gezamenlijk: Mispelhoef), eisers tot cassatie, advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij tegen de Staat der Ne

§ 11en Mv

G-§ 3); e. dat Mispelhoef vóórdat Taurus dit rapport uitbracht niet bekend was en ook niet bekend kon zijn met het feit dat “RWS” resp. de Staat aansprakelijk was (Inl.

§ 20en MVG-§ 3); f.

dat Mispelhoef, juist omdat zowel de Gemeente als het Waterschap geen aansprakelijkheid wilden erkennen en juist omdat uit hun reacties resp. de in hun opdracht uitgevoerde onderzoeken niet duidelijk werd wie wel aansprakelijk was, Taurus inschakelde (Inl.

§ 23en Mv

G-§ 3); g. dat de redenen waarom Mispelhoef de Gemeente en het Waterschap wèl en de Staat niet aansprakelijk stelde hierin gelegen waren, dat in 1999 door de Gemeente (Eindhoven) werkzaamheden uitgevoerd werden in de onmiddellijke nabijheid van het perceel van Mispelhoef (het bouwrijp maken en inrichten van het bedrijventerrein en de reconstructie en ophoging van de Oirschotsedijk), en dat Mispelhoef reden om aan te nemen had dat de wateroverlast daardoor veroorzaakt werd (Inl.

§ 21en Mv

G-§§ 3 en 15); h. dat Mispelhoef er weliswaar mee bekend was dat er op dat moment (ook) werkzaamheden uitgevoerd werden in het kader van het verbreden van de nabij gelegen snelweg A2, maar dat zij niet wist of deze werkzaamheden uitgevoerd werden in opdracht van de Gemeente, van het Waterschap of van derden, en dat zij er in ieder geval vanuit ging dat, voor zover die werkzaamheden plaatsvonden aan sloten en watergangen, deze werkzaamheden uitgevoerd werden onder toezicht en/of met vergunning/ontheffing van het Waterschap (Inl.

§ 22) en Mv

G-§ 3); i. dat toen de Gemeente en het Waterschap aansprakelijkheid van de hand wezen, zij niet concludeerden dat Rijkswaterstaat resp. de Staat de schadeveroorzakende persoon was (Akte van 13 maart 2015, blz. 1); j. dat destijds niet eenvoudig vastgesteld kon worden wie de aansprakelijke partij was, dat er op en om het terrein zoveel activiteiten plaatsvonden, dat niet duidelijk was in opdracht van wie de werkzaamheden verricht werden, dat er ook nog een spitsstrook aan de A2 aangelegd werd, maar dat die activiteiten, mede gezien op de afstand tot het bedrijf, niet in verhouding stonden tot de bouw van het industrieterrein, dat het erom gaat dat destijds niet eenvoudig was vast te stellen wie de aansprakelijke partij in dezen was, en dat de inspraakronde ging over het Tracébesluit - en niet over de spitsstroken - en verder over geluidsoverlast, doch niet tevens over mogelijke wateroverlast (Proces-Verbaal van de op 14 november 2013 gehouden comparitie na antwoord, blz. 2 en 3, verklaring van mr. H.A.M.J. Loeffen en MvG-§§ 3 en 18); k. dat het enkele feit dat Rijkswaterstaat in de brieven van 12 februari 2003, naast het Waterschap, is genoemd als een van de mogelijke opdrachtgevers voor de werkzaamheden in het kader van het verbreden van de A2, niet afdoet aan het feit dat de werkzaamheden die er in de ogen van Mispelhoef - mede - toe hadden geleid dat de watertoevoer voor haar perceel was afgesloten, naar de stellige overtuiging van Mispelhoef feitelijk waren uitgevoerd door het Waterschap als de eigenaar van de sloten (MvG-§ 15); l. dat met betrekking tot de verbreding van de A2 van belang is dat het tracé van de Rijksweg A2 ter hoogte van Mispelhoefs locatie niet alleen de A2, doch ook de N2 betreft, dat de provincie doorgaans verantwoordelijk is voor dergelijke N-wegen, dat de A3 zonder op- en afritten als een soort supersnelweg in het midden ligt en de N2 met bijbehorende op- en afritten aan de buitenkanten, zodat het toen veeleer voor de hand gelegen zou hebben om de Provincie Noord-Brabant aansprakelijk te stellen omdat het causaal verband gelegen was in de werkzaamheden die met het talud van doen hadden; en m. dat het feit dat de A2 verbreed werd, niet ‘dus’ impliceerde dat Rijkswaterstaat resp. de Staat de aansprakelijke partij was voor Mispelhoefs schade (Akte van 12 maart 2015, 2de blz., 2de al.).” 2.14 Bij de beoordeling van het onderdeel stel ik voorop dat de rechter niet verplicht is om op alle stellingen en argumenten die procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aanvoeren in te gaan. Deze verplichting bestaat slechts ten aanzien van essentiële stellingen: deze mag hij niet onbehandeld laten of ongemotiveerd verwerpen. Zoals terecht wordt opgemerkt in de schriftelijke toelichting zijdens de Staat, kunnen niet alle door het onderdeel aangevoerde stellingen als essentiële stellingen worden aangemerkt. Tegen deze achtergrond kan het volgende over de in het onderdeel opgesomde stellingen worden opgemerkt. Het hof heeft in rov. 5 duidelijk op zowel de onder a als de onder c genoemde stellingen gerespondeerd en heeft beide stellingen - mede gelet op hetgeen hiervóór (onder 2.8) reeds aan de orde kwam - op toereikende wijze verworpen. Daarbij geldt bovendien dat de onder c vermelde stelling over de trage beantwoording door Rijkswaterstaat van de verzoeken in het kader van het in 2006 opgestarte onderzoek niet relevant was, gegeven het oordeel dat de verjaringstermijn reeds daarvóór ten laatste op 13 februari 2003 was aangevangen. Hetzelfde geldt voor de onder b genoemde stelling, nu de verjaringstermijn naar het oordeel van het hof reeds was gaan lopen vóór de door Mispelhoef ondernomen onderzoeksactiviteiten. Het hof behoefde mijns inziens dan ook niet op de stellingen onder c en onder b in te gaan. De respons van het hof op de onder d en onder e bedoelde stellingen ligt besloten in het oordeel van het hof dat Mispelhoef blijkens “de aan de Gemeente en het Waterschap gezonden brieven van 12 februari 2003” ten laatste op 12 februari 2003 ermee bekend was dat haar schade mogelijk door handelingen van de Gemeente, het Waterschap en/of Rijkswaterstaat was veroorzaakt. Dit oordeel is om redenen uiteengezet onder 2.6 en 2.7 onjuist noch onbegrijpelijk. Bovendien wordt met de onder d genoemde stelling miskend dat voor aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW niet is vereist dat de (exacte) oorzaak van de schade vaststaat. Ik kan niet inzien waarom de onder f genoemde stelling essentieel zou zijn. Voor zover de stelling appelleert aan het feit dat Mispelhoef een actieve houding aangenomen heeft, geldt daarvoor hetzelfde als hierboven ten aanzien van de onder b genoemde stelling is opgemerkt. Ook voor de onder g en h genoemde stellingen geldt dat de respons van het hof besloten ligt in het oordeel dat Mispelhoef ten laatste op 12 februari 2003 met de Gemeente, het Waterschap en/of Rijkswaterstaat als mogelijke veroorzakers van haar schade bekend was. Hiermee wordt immers het andersluidende betoog van Mispelhoef verworpen. De onder i en onder j genoemde stellingen zijn geen essentiële stellingen; zij gaan op in de stelling dat Mispelhoef eerst door het rapport van Taurus bekend was met de (exacte) oorzaak van haar schade en (daardoor) met de (uiteindelijk) voor die schade aansprakelijke persoon. Ten aanzien van de onder k genoemde stelling geldt hetzelfde als opgemerkt voor de stellingen genoemd onder d, e, g en h: de respons van het hof op deze stelling (verwerping) ligt in het oordeel van het hof in rov. 5 besloten. De onder l genoemde stelling dat het destijds veeleer voor de hand zou hebben gelegen om de provincie Noord-Brabant aan te spreken, wordt in de memorie van grieven onder 17 door Mispelhoef zelf als een hypothetisch betoog (“zou aldus betoogd kunnen worden”) gepresenteerd, waarna het als een “allerminst logische redenering” wordt bestempeld. Overigens kan uit de brieven van 12 februari 2003, waarin noch over de N2, noch over de provincie Noord-Brabant wordt gesproken, worden afgeleid dat Mispelhoef de provincie Noord-Brabant niet daadwerkelijk als schadeveroorzakende partij beschouwde, laat staan dat zij om die reden Rijkswaterstaat in dat stadium niet aansprakelijk zou hebben gesteld. Het hof behoefde de bedoelde stelling dan ook niet te bespreken. De onder m genoemde stelling, tot slot, ligt in het verlengde van de onder h en k genoemde stellingen. In het licht van hetgeen ten aanzien van die stellingen is opgemerkt, kan niet gezegd worden dat het hof deze stelling niet of ontoereikend besproken heeft. Ik kom dan ook tot de conclusie dat het hof, voor zover noodzakelijk, toereikend op voornoemde stellingen van Mispelhoef heeft gerespondeerd. Onderdeel 5 treft dus geen doel. Onderdeel 6 2.15 Onderdeel 6 stelt dat de klachten vervat in de onderdelen 1-5 alle oordelen/beslissingen in het bestreden arrest vitiëren. Het onderdeel mist zelfstandige betekenis. Waar de klachten van de onderdelen 1-5 tevergeefs zijn voorgesteld, doet de door onderdeel 6 voorgestane doorwerking zich overigens niet voor. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal De rov. 1.1-1.7 van het bestreden arrest, tenzij anders aangegeven. Ontleend aan rov. 2.4 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2014. Het definitieve rapport is op 10 oktober 2008 uitgebracht. Zoals hierna, onder 1.8, zal blijken, heeft Mispelhoef de Staat al enige tijd eerder, op 15 juli 2008, aansprakelijk gesteld. Inleidende dagvaarding, onder 20 en 29. ECLI:NL:GHDHA:2015:2722, NJF 2015/493. Het onderdeel verwijst naar HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron, als het arrest waarin de Hoge Raad deze maatstaf voor het eerst formuleerde. In de schriftelijke toelichting onder 13 wordt voorts gewezen op HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240, NJ 2015/207 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai. Vgl. nota van repliek, onder 2. HR 6 april 2001 ([…]/Wilton Fijenoord), ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 m.nt. HJS onder NJ 2002/384, rov. 3.4.2 en 3.4.4. Zie o.a. ook HR 31 oktober 2003 ([…]), ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron; HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688, NJ 2012/194 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/196; HR 10 september 2010 (/BVLJ), ECLI:NL:HR:2010:BM7041, NJ 2012/195 m.nt. C.E du Perron onder NJ 2012/196. Vgl. in het kader van art. 3:311 BW ook HR 20 april 2001 (Wong/Mr X.), ECLI:NL:HR:2001:AB1208, NJ 2002/384 m.nt. HJS. HR 24 januari 2003 (BASF Drukinkt/[…]), ECLI:NL:HR:2003:AF0694, NJ 2003/300, rov. 3.4.2. HR 6 april 2001 ([…]/Wilton Fijenoord), ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 m.nt. HJS onder NJ 2002/384, rov. 3.4.2. HR 31 oktober 2003 ([…]), ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron, rov. 3.4. HR 9 oktober 2009 (Gemeente Stadskanaal/Deloitte & Touche), ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/196, rov. 3.6. Zie ook HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688, NJ 2012/194 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/196 en HR 10 september 2010 ([…]/BVLJ), ECLI:NL:HR:2010:BM7041, NJ 2012/195 m.nt. C.E du Perron onder NJ 2012/196. Ook bij de vraag of er sprake is van tekortschietend of foutief handelen gaat het om de subjectieve opvatting van de benadeelde. Zie J. Wouters, HR 6 april en HR 4 mei: weer twee arresten over de aanvang van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW (II, slot), WPNR 2013, 6965, onder 5. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688, NJ 2012/194 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/196, rov. 3.4.5. Zie ook HR 14 november 2014 (Allianz Belgium/W), ECLI:NL:HR:2014:3240, NJ 2015/207 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 3.3.2. HR 3 december 2010 (X./Betonmortelfabriek Tilburg Bemoti), ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/196 m.nt. C.E. du Perron, rov. 3.6. Vgl. ook HR 2 december 2011 (Nefalit/X.), ECLI:NL:HR:2011:BR5216, NJ 2012/197 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 3.5.2: “(…) het redelijkerwijs van hen te verlangen, eenvoudig uit te voeren onderzoek naar de identiteit van de voor de schade aansprakelijke persoon.” Zie HR 31 oktober 2003 ([…]), ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron, rov. 3.4. J.L. Smeehuijzen, Het aanvangsmoment van de relatieve verjaringstermijn (I), WPNR 2003, 6549, onder 1.4 en 1.6; J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring

(2008), p. 210; C.E. du Perron in zijn noot onder HR 31 oktober 2003 ([…]), ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/
  1. Zie ook Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p.
  2. Zowel Smeehuijzen als Du Perron duiden de korte verjaringstermijn aan als een vorm van rechtsverwerking. Met betrekking tot de vereiste bekendheid met de schade in geval van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, heeft de Hoge Raad meer concreet aangegeven dat in het algemeen van een voldoende mate van zekerheid omtrent de oorzaak van de klachten aan de kant van de benadeelde sprake zal zijn, wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd. Zie HR 24 januari 2003 (BASF Drukinkt/[…]), ECLI:NL:HR:2003:AF0694, NJ 2003/300, rov. 3.4.
  3. Zie J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring
(2008), p. 210, 227 (en later nogmaals in J.L. Smeehuijzen, De vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW bij (
  1. i)de fout van een adviseur, (
  2. ii)regres bij hoofdelijkheid, (iii) toekomstige schade en (
  3. iv)onrechtmatige strafvervolging, NTBR 2011, 10, onder 1.6); Chr.H. van Dijk, Verjaring en stuiting: de praktijk blijft weerbarstig, AV&S 2011, 2 (onder II C); T. Hartlief, Saelman/Academisch Ziekenhuis VU: wanneer begint de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 BW te lopen?, AA 2004, p. 273 (“voldoende aanknopingspunten hebben om werk te maken van een vordering jegens iemand”). Vgl. ook de conclusie van AG Spier voor HR 31 oktober 2003 ([…]), ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron, onder 3.21.2, met enkele verdere verwijzingen. Chr.H. van Dijk, Verjaring en stuiting: de praktijk blijft weerbarstig, AV&S 2011, onder C. Zie o.a. Chr.H. van Dijk, Stuiting en verjaring: nog steeds veel onzekerheid?, AV&S 2008 onder IC sub b; M.W.E. Koopmann, Bevrijdende verjaring
(2010), p. 47 (met verdere verwijzingen); T. Hartlief, Saelman/Academisch Ziekenhuis VU: wanneer begint de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 BW te lopen?, AA 2004, p. 273; noot T.F.E. Tjong Tjin Tai onder HR 2 december 2011 (Nefalit/X.), ECLI:NL:HR:2011:BR5216, NJ 2012/197, onder 4 (onderzoeksplicht naar identiteit na bekendheid met schade en voldoende zekerheid dat deze door een fout is ontstaan). Zie voor enkele rechtsvergelijkende opmerkingen de conclusie van AG Spier onder 4.7.1-4.12 voor HR 6 april 2001 ([…]/Wilton Fijenoord), ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 m.nt. HJS onder NJ 2002/
  1. Noot onder HR 31 oktober 2003 ([…]), ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/
  2. Zie in dezelfde zin de conclusie van AG Spier voor hetzelfde arrest, onder 3.17: “In de tweede variant (b) is geen vereiste dat de benadeelde de precieze feiten kent. Zodra hij subjectief bekend is met schade en degene die daarvoor aansprakelijk zou kunnen zijn, is het aan hem om desgewenst de precieze feiten te achterhalen. Voldoende, maar tevens noodzakelijk, is dat hij weet dat de schade het gevolg kan zijn van bepaalde feiten die hij wél kent. Veelal zal het niet al te moeilijk zijn te achterhalen of deze feiten daadwerkelijk de oorzaak van de schade (kunnen) zijn. De benadeelde heeft daarvoor een periode van vijf jaar de tijd; een periode die hij door middel van stuiting nog kan verlengen.” en onder 3.23: “Opmerking verdient nog dat m.i. niet vereist is dat de benadeelde met voldoende nauwkeurigheid weet wat precies de oorzaak is of zou kunnen zijn van zijn schade. Vanaf het moment dat de verjaringstermijn gaat lopen, heeft hij in beginsel vijf jaar om zo nodig de relevante feiten te achterhalen. Als die termijn te kort is dan kan hij deze door stuiting verlengen.” Vgl. ook Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1408: “Bekorting van de verjaringstermijn stemt ook overeen met de eis van een vlot verlopend rechtsverkeer, waarin schuldeisers hun vorderingen binnen redelijke tijd moeten instellen, zulks mede met het oog op de belangen van de schuldenaar en de rechtszekerheid. Heeft de schuldeiser meer tijd nodig dan kan hij de verjaring stuiten, wat volgens artikel 3.11.17 mogelijk is bij enkele brief en waardoor de schuldenaar gewaarschuwd wordt, zodat hij zijn bewijsmateriaal e.d. kan vasthouden.” J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring
(2008), p. 229. J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring
(2008), p. 228-
  1. Zie zijn conclusie onder 8 voor 20 april 2001 (Wong/Mr X.), ECLI:NL:HR:2001:AB1208, NJ 2002/384 m.nt. HJS. J.C.J. Wouters, De aanvang van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, WPNR 2010, 6852, onder 7, sloot zich bij Hartkamp aan; inmiddels volgt Wouters de opvatting van Tjong Tjin Tai dat pas na bekendheid met de schade en voldoende zekerheid dat de schade als gevolg van een fout is ontstaan, een onderzoeksplicht naar de identiteit van de schadeveroorzaker kan worden aangenomen (zie hierboven, voetnoot 20). Zie het Post Scriptum bij J. Wouters, HR 6 april 2012 en HR 4 mei 2012: weer twee arresten over de aanvang van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW (II, slot), WPNR 2013,
  2. Vermeldenswaardig is dat de rechtbank Den Haag in haar vonnis van 11 juni 2014 een soortgelijk uitgangspunt heeft geformuleerd (rov. 4.1): “(…) Als er voldoende aanknopingspunten zijn voor het bestaan van aansprakelijkheid van een bij de benadeelde bekende persoon, zal van hem enig onderzoek mogen worden verwacht. Daarvoor is noodzakelijk maar ook voldoende dat de benadeelde weet dat de schade het gevolg kan zijn van bepaalde feiten die hij wel kent. Wanneer deze feiten voldoende aanleiding geven voor nader onderzoek naar ontbrekende gegevens omtrent de oorzaak van de schade, terwijl dit onderzoek redelijkerwijs binnen vijf jaar tot het daadwerkelijk instellen van de vordering kan leiden, is het vanuit de ratio van de korte verjaringstermijn niet redelijk om de verjaringstermijn pas te laten aanvangen op het moment dat de (precieze) oorzaak van de schade bekend is. De benadeelde kan in zo’n geval niet, bijvoorbeeld door nader onderzoek naar de door hem ondervonden schade uit te stellen, beletten dat de verjaringstermijn aanvangt”. HR 6 april 2001 ([…]/Wilton Fijenoord), ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 m.nt. HJS onder NJ 2002/384, rov. 3.4.
  3. HR 9 oktober 2009 (Gemeente Stadskanaal/Deloitte & Touche), ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/
  4. Zie hiervoor onder 2.
  5. Zie in dezelfde zin de literatuur genoemd onder 2.
  6. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688, NJ 2012/194 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/
  7. Zie hiervóór onder 2.
  8. HR 6 april 2001 ([…]/Wilton Fijenoord), ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 m.nt. HJS onder NJ 2002/
  9. Rov. 5 van het bestreden arrest. De bekendheid van Mispelhoef met de schade op 12 februari 2003 is in cassatie (en was overigens ook in de feitelijke instanties) niet in geschil. Uit de brieven van 12 februari 2003, waarmee Mispelhoef de Gemeente resp. het Waterschap aansprakelijk heeft gesteld, blijkt dat Mispelhoef ten tijde van die brieven al wel had onderkend dat de wateroverlast zich voordeed als gevolg van het feit dat de waterafvoer als gevolg van de werkzaamheden van de Gemeente, het Waterschap en/of Rijkswaterstaat grotendeels was afgesloten. Uit de aansprakelijkstellingen volgt dat Mispelhoef van mening was dat haar schade door foutief handelen was veroorzaakt. Het is opmerkelijk dat Rijkswaterstaat expliciet en op gelijke voet als de Gemeente en het Waterschap in de brieven van 12 februari 2003 als mogelijke schadeveroorzaker wordt genoemd, maar dat Mispelhoef vervolgens alleen de Gemeente en het Waterschap aansprakelijk heeft gesteld, terwijl ook in relatie tot die twee partijen gold dat de (exacte) oorzaak van de schade van Mispelhoef nog niet duidelijk was. Vgl. in dit verband ook J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring
(2008), p. 228-229, die stelt dat een onderzoeksplicht eerder zal kunnen worden aangenomen naarmate het bestaan van schade waarschijnlijker is (zie ook hiervóór, onder 2.5). HR 3 december 2010 (X./Betonmortelfabriek Tilburg Bemoti), ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/196 m.nt. C.E. du Perron. Het oordeel van de Hoge Raad is hiervóór, onder 2.4, reeds geciteerd. Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens Mispelhoef, onder 18 (einde eerste alinea). Verwezen wordt naar de akte van 31 maart 2015, p.1. Onderdeel 5 verwijst bij de stellingen genoemd onder i-m naar de akte van 13 maart 2015. De akte is echter ter zitting van 31 maart 2015 ingediend. Asser/Korthals Altes & Groen
(2015), p. 276, met uitgebreide verwijzingen naar de jurisprudentie op dit punt. Schriftelijke toelichting, onder 3.10.
  1. HR 9 oktober 2009 (Gemeente Stadskanaal/Deloitte & Touche), ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/196, rov. 3.
  2. De vindplaats wordt in de cassatiedagvaarding zelf niet genoemd.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.