Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. C.M. Ettema Advocaat-Generaal Conclusie van 29 december 2016 inzake: HR nr. 16/00416 [X] BV Hof nr. 14/00589 Rb nr. AWB 13/2819 Derde Kamer A tegen Afvalstoffenbelasting 1 december 2011 - 31 december 2011 staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Belanghebbende heeft in het verleden (brandbaar) afval gestort. In verband met die storting is zij afvalstoffenbelasting verschuldigd geworden. Ingeval het afval de stortplaats weer heeft verlaten (bijvoorbeeld om alsnog te worden verbrand), ontstond een recht op restitutie van de betaalde belasting (hierna: in-/uitmethode). Per 1 januari 2012 is de afvalstoffenbelasting afgeschaft en daarmee in dit geval ook de mogelijkheid een restitutie te ontvangen van de belasting die eerder is betaald voor afval dat na 1 januari 2012 wordt afgevoerd. 1.2 In cassatie spelen de vragen of de afschaffing van de afvalstoffenbelasting (en de herinvoering daarvan per 1 april 2014) en de bijbehorende Overgangsregeling strijd opleveren met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP). Met name spelen de vragen of het voorwaardelijk recht op restitutie van de afvalstoffenbelasting respectievelijk het onderhavige afval zelf als ‘eigendom’ in de zin van artikel 1 EP moeten worden beschouwd en of het eigendomsrecht is geschonden. Inzet van de procedure is een schadevergoeding van primair € 29.914.519 en subsidiair € 3.592.823. 1.3 In zijn voorwaardelijk incidenteel beroepschrift in cassatie komt de staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) op tegen ’s Hofs oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest met het te laat indienen van het (aanvullende) teruggaafverzoek. Deze vraag inzake de tijdigheid van het teruggaafverzoek en daarmee de ontvankelijkheid van het bezwaar, dient mijns inziens als eerste te worden behandeld. Bij een ontkennende beantwoording van deze vraag wordt immers aan een inhoudelijke behandeling van de zaak niet toegekomen. Mijn ambtgenoot A-G IJzerman is in zijn conclusie van 29 november 2016, nr. 15/05939, ECLI:NL:PHR:2016:1241 ingegaan op deze problematiek. Hij concludeert onder meer dat (
(2013)ook geoordeeld dat niet elke wijziging van belastingwetgeving leidt tot een door artikel 1 EP verboden inbreuk op het ongestoord genot van eigendom en dat burgers er in redelijkheid niet op kunnen vertrouwen dat belastingtarieven ongewijzigd zullen blijven. Voorwaardelijk recht op teruggaaf (eerste cassatiemiddel) 7.32 In de onderhavige zaak gaat het om een voorwaardelijk recht op teruggaaf van afvalstoffenbelasting. De te vervullen voorwaarde is het afvoeren (ter verbranding) van het afval. Op het moment van de afschaffing van de afvalstoffenbelasting en de invoering van de Overgangsregeling bevonden zich nog brandbare afvalstoffen in de inrichting van belanghebbende. Op grond van de Overgangsregeling kan ook de afvalstoffenbelasting ter zake van de op 31 december 2011 in de inrichting aanwezige voorraden afvalstoffen die de inrichting na die datum zullen verlaten in mindering wordt gebracht op de verschuldigde belasting. Dit kan echter alleen onder de voorwaarden dat deze voorraden bestemd waren om de inrichting met het oog op nuttige toepassing of hergebruik als bedoeld in de Wet of verbranding te verlaten en uit boeken en bescheiden blijkt dat de afvalstoffen niet gestort geweest zijn. Blijkens het oordeel van het Hof is niet aan deze voorwaarden voldaan nu de afvalstoffen van belanghebbende gestort zijn dan wel gestort zijn geweest. Dit oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Belanghebbende komt in cassatie ook niet (meer) op tegen dit oordeel van het Hof. 7.33 Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat een voorwaardelijke vordering die vervalt indien niet aan een bepaalde voorwaarde wordt voldaan, geen eigendom is in de zin van artikel 1 EP. Belanghebbende had voor de afvalstoffen die zich ten tijde van de afschaffing van de afvalstoffenbelasting nog in de inrichting bevonden geen recht op teruggaaf van de afvalstoffenbelasting, omdat (nog) niet aan de voorwaarde van het afvoeren was voldaan. Ook de omstandigheid dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden van de Overgangsregeling brengt met zich dat op het moment van de afschaffing van de afvalstoffenbelasting geen sprake was van een rechtens afdwingbare vordering die als eigendom als bedoeld in artikel 1 EP kan worden beschouwd. Het voorwaardelijk recht op teruggaaf van afvalstoffenbelasting wordt mijns inziens dan ook niet beschermd door artikel 1 EP. 7.34 De enkele hoop of verwachting van belanghebbende dat zij in de toekomst haar voorwaardelijk recht op teruggaaf van de afvalstoffenbelasting kon uitoefenen is niet voldoende. Alleen indien belanghebbende ten minste een legitieme verwachting (‘legitimate expectation’) heeft het daadwerkelijke genot van de teruggaaf van de afvalstoffenbelasting te verwerven, is sprake van een eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP. Het recht moet met andere woorden met een voldoende mate van zekerheid vaststaan. Alleen indien belastingplichtigen mogen vertrouwen op het feit dat een (belasting)wet op basis waarvan zij bepaalde financiële garanties hadden verkregen niet ten nadele van hen met terugwerkende kracht ongeldig wordt, is sprake van een legitieme verwachting. Daarvan is naar mijn mening in de onderhavige zaak geen sprake. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan mijns inziens worden afgeleid dat de enkele verwachting dat bestaande wet- en regelgeving in de toekomst niet zal veranderen, niet kan worden beschouwd als eigendom in de zin van artikel 1 EP. Hoewel deze rechtspraak met name ziet op tariefswijzigingen en het in de onderhavige zaak gaat om de afschaffing van een belasting, kunnen naar mijn mening belastingplichtigen er ook niet op vertrouwen dat een belastingwet ongewijzigd blijft en niet wordt afgeschaft. Het oordeel van het Hof dat het enkele verloren gaan van een onder de oude regeling (afgeschafte afvalstoffenbelasting) bestaande mogelijkheid van teruggaaf, waarbij het Hof erop wijst dat van een recht op teruggaaf ook onder de tot 1 januari 2012 bestaande regeling geen sprake zou zijn geweest omdat (nog) niet aan de voorwaarden was voldaan, niet ertoe leidt dat sprake is van eigendom als bedoeld in artikel 1 EP, getuigt mijns inziens dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. 7.35 Nu geen sprake is van eigendom in de zin van artikel 1 EP, kom ik niet toe aan de toetsing aan de overige criteria van dit artikel. Indien de Hoge Raad tot een ander oordeel komt of de eigendomsvraag overslaat, volgt uit de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft. Mocht de Hoge Raad wel tot schending van het eigendomsrecht concluderen, dan moet de zaak worden verwezen om te beoordelen of sprake is van een gerechtvaardigde inbreuk op dat eigendomsrecht. Aan de behandeling van die vraag is het Hof niet toegekomen, omdat hij oordeelde dat geen sprake is van eigendom als bedoeld in artikel 1 EP en om die reden ook geen sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat artikel 1 EP zich blijkens de rechtspraak niet zonder meer verzet tegen wetswijzigingen waarbij voor de berekening van een belastingschuld gevolgen worden verbonden aan feiten die zich hebben voorgedaan voordat de inhoud van die wetswijziging kenbaar werd. Ook al heeft belanghebbende gerekend op de restitutie van de afvalstoffenbelasting bij de uitoefening en inrichting van haar bedrijfseconomische activiteiten, dan leidt dit niet per definitie tot een (ongerechtvaardigde) inbreuk op het eigendomsrecht. Dit zal het verwijzingshof dan aan de hand van alle feiten en omstandigheden nog moeten beoordelen. 7.36 Het eerste cassatiemiddel van belanghebbende faalt naar mijn mening. Schending van het eigendomsrecht van het afval (tweede cassatiemiddel) 7.37 In het tweede cassatiemiddel betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte voorbijgaat aan de stelling van belanghebbende dat het in de onderhavige zaak ook gaat om het recht op het ongestoord genot van de eigendom van het afval zelf. Dat het afval zelf eigendom is van belanghebbende, staat in deze zaak, lijkt mij, niet ter discussie. Het EHRM hanteert een economische benadering van het eigendomsbegrip, waardoor het afval als eigendom in de zin van artikel 1 EP moet worden aangemerkt zolang het een op geld waardeerbaar vermogensbestanddeel is. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het afval zelf een waarde heeft en aldus een op geld waardeerbaar vermogensbestanddeel is, is met betrekking tot het eigendomsrecht van het afval van belang om te beoordelen of de afschaffing van de afvalstoffenbelasting en de invoering van de Overgangsregeling hebben geleid tot een inbreuk op voornoemd recht. 7.38 Op het eerste gezicht lijkt de afschaffing van de afvalstoffenbelasting en de invoering van de Overgangsregeling geen concrete gevolgen te hebben voor belanghebbendes eigendomsrecht van het afval. Het staat belanghebbende – ook na de inwerkingtreding van deze maatregelen – vrij over het afval te beschikken. Belanghebbende kan naar eigen believen het afval afvoeren of in de grond laten zitten. De maatregelen hebben met andere woorden geen directe invloed op het eigendomsrecht van het afval zelf (zoals bijvoorbeeld de regulering van onroerend goed of de onteigening dat wel heeft). 7.39 Belanghebbende stelt echter ter toelichting op haar tweede cassatiemiddel dat het afvoeren van het afval – als gevolg van de afschaffing van de afvalstoffenbelasting en de invoering van de Overgangsregeling – niet meer rendabel is. Zij heeft immers geen recht op teruggaaf van de reeds voldane afvalstoffenbelasting. De vraag is of de indirecte invloed van de maatregelen op de wijze van uitoefening van het eigendomsrecht kunnen worden beschouwd als een inbreuk hierop. Naar mijn mening is dat niet het geval. De bescherming die artikel 1 EP biedt, gaat mijns inziens niet zover dat in casu de wetgever verplicht is tot het nemen van maatregelen welke het individu (belanghebbende) moeten toelaten om diens eigendom bescherming te bieden tegen waardeverlies (in dit geval door het verdwijnen van de mogelijkheid tot restitutie van de voldane afvalstoffenbelasting). 7.40 Voorts betoogt belanghebbende dat als gevolg van de maatregelen het afval zijn fiscale waarde heeft verloren. De vraag die dient te worden beantwoord is of de ‘fiscale waarde’ waarover belanghebbende spreekt eigendom is als bedoeld in artikel 1 EP. De fiscale waarde van het afval lijkt mij gelijk aan het voorwaardelijk recht op teruggaaf. Zoals ik hierboven reeds heb geconcludeerd, kan het voorwaardelijk recht op teruggaaf niet als eigendom in de zin van artikel 1 EP worden gezien. 7.41 Nu op belanghebbendes eigendomsrecht van het afval geen inbreuk is gemaakt, en de fiscale waarde van het afval niet als eigendom kan worden beschouwd, faalt ook het tweede cassatiemiddel van belanghebbende. 8Tijdigheid teruggaafverzoeken Gelet op hetgeen is opgemerkt in hoofdstuk 5 van deze conclusie, behoeft het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie van de Staatssecretaris geen behandeling meer. 9Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Er is een overgangsregeling getroffen, maar die is in de onderhavige zaak niet van toepassing. Dit komt later in deze conclusie nog aan de orde. Kamerstukken II 2011/12, 33 003 (Belastingplan 2012), nr. 18, blz. 3-4, artikel XXXVIc. Zie punt 6.6 van deze conclusie. Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van 20 maart 1952, Trb. 1990, 157, zoals laatstelijk gewijzigd op 11 mei 1994, Trb. 1994, 165 (inwerkingtreding 1 november 1998). De feiten zijn ontleend aan de nader te noemen uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden. De inspecteur van de Belastingdienst/[P]. Het Hof vermeldt in punt 2.5 van zijn uitspraak dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de aangifte afvalstoffenbelasting. Dit is mijns inziens onjuist. Belanghebbende kan, voor zover hier van belang, op grond van artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen in combinatie met artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht, enkel bezwaar maken tegen een voor bezwaar vatbare beschikking (de teruggaafbeschikking) of tegen de voldoening van een belastingbedrag op aangifte. Dit laatste is niet aan de orde, nu de aangifte van belanghebbende over het tijdvak december 2011 resulteerde in een negatief bedrag. CE: Wet belastingen op milieugrondslag. CE: bedoeld wordt: belanghebbende. CE: bedoeld wordt: de Inspecteur. Het beroepschrift in cassatie is bij de Hoge Raad binnengekomen op 26 januari
- Belanghebbende wijst in dit kader op HR 29 januari 2016, nr. 15/00340, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:121, BNB 2016/163 m.nt. Happé, NTFR 2016/547 m.nt. Mulbregt en V-N 2016/7.17 over de zogenoemde crisisheffing
- Belanghebbende wijst op de vragen die door de VVD-fractie en de CDA-fractie zijn gesteld over dit onderwerp (zie Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 9, blz. 7) en daarop gegeven antwoorden (Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 9-10). Gedateerd 28 april
- Gedateerd 13 juni
- Conclusie A-G IJzerman 29 november 2016, nr. 15/05939, ECLI:NL:PHR:2016:
- Ontvangen op 2 februari 2012 in plaats van op of voor de uiterste inleverdatum: 31 januari
- De Staatssecretaris wijst op HR 22 november 2000, nr. 35601, ECLI:NL:HR:2000:AA8419, BNB 2001/28, FED 2001/26 m.nt. Poelmann, NTFR 2000/1742 m.nt. Niessen-Cobben, V-N 2000/53.
- Hof ’s-Hertogenbosch 19 november 2015, nr. 14/00692, ECLI:NL:GHSHE:2015:14/00692, bij de Hoge Raad geregistreerd onder nummer 15/05939 en hof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2016, nr. 15/00236, ECLI:NL:GHARL:2016:2067, bij de Hoge Raad geregistreerd onder nummer 16/
- Belanghebbende wijst op de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 juni 2014, nr. AWB 13/2723, ECLI:NL:RBZWB:2014:4458 en Kamerstukken II 2008/09, 31930, nr. 9, blz. 18). De hierna genoemde en geciteerde wetteksten zijn geldend in het jaar 2011, en meer specifiek in het onderhavige tijdvak december 2011, tenzij anders vermeld. Artikel 23, lid 1, onder a, van de Wet. Artikel 24 van de Wet. Voor diverse categorieën afval gold een afwijkend tarief van € 16,89 per 1000 kilogram, zie artikel 28 van de Wet. Artikel 89, lid 1, van de Wet. Grondwaterbelasting, belasting op pruim- en snuiftabak, belasting op alcoholvrije dranken, belasting op leidingwater, verpakkingenbelasting en eurovignet. Zie Kamerstukken II, 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 9-
- Vindplaats: zie voetnoot
- Althans, belanghebbende heeft de brandbare afvalstoffen niet in een afgescheiden deel van haar inrichting opgeslagen en heeft deze niet apart geadministreerd (zie punt 2.2 van deze conclusie). Belanghebbende heeft in haar conclusie van repliek met dagtekening 13 juni 2016 expliciet opgemerkt dat zij zich heeft neergelegd bij dit oordeel van het Hof. Artikel 27, lid 2, onder a, van de Wet. De Nederlandse vertaling luidt: “Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.” EHRM (Judgment) 29 april 2008, Burden v. United Kingdom, nr. 13378/05, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, AB 2008/213 m.nt. Barkhuysen en Emmerik, EHRC 2008/80 m.nt. Gerards, NJ 2008/306 m.nt. Alkema, NJB 2008/1075, RvdW 2008/799, V-N 2008/35.
- EHRM (Judgment) 5 januari 2000, Beyeler v. Italië, nr. 33202/96, ECLI:CE:ECHR:2000:0105JUD003320296, AB 2000/235 m.nt. Verhey, EHRC 2000/18 m.nt. Heringa en NJ 2000/
- Zie J. Vande Lanotte en Y. Haeck (eds.), Handboek EVRM (Deel 2, Artikelsgewijze Commentaar, Volume II), Intersentia, Antwerpen-Oxford, 2004, blz. 304-
- Zie voor een overzicht van de invulling van het eigendomsbegrip in de rechtspraak van het EHRM paragraaf 3.1.2., blz. 321-
- Zie paragraaf C.1.3.1 (Waarde) van het commentaar op Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden art. 1 (artikeltekst geldig vanaf 01-11-1998) in OpMaat, Sdu Uitgevers, bijgewerkt tot 09-10-2015 door B. Akkermans. EHRM (Judgment) 13 juni 1979, Marckx v. Belgium, nr. 6833/74, ECLI:CE:ECHR:1979:0613JUD000683374, NJ 1980/462 m.nt. Alkema, punt
- Zie ook EHRM (Judgment) 13 maart 2012, Malik v. The United Kingdom, nr. 23780/08, ECLI:CE:ECHR:2012:0313JUD002378008, EHRC 2012/127 m.nt. Schild, punt
- Voor verwijzing zie voetnoot 34, blz.
- Zie o.a. EHRM (Judgment) 19 oktober 2000, Ambruosi v. Italy, nr. 31227/96, ECLI:CE:ECHR:2000:1019JUD003122796, punt 20 en Malik, punt
- C. Bruijsten, Art. 1 Eerste protocol EVRM: het recht op ongestoord genot van eigendom, WFR 2011/
- EHRM (Judgment) 12 juli 2001, Prince Hans-Adam II of Liechtenstein v. Germany, nr. 45527/98, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004252798, EHRC 2001/64 m.nt. Van der Velde, NJ 2004/327 m.nt. Alkema. Zie ook paragraaf C.1.4 van het commentaar op Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden art. 1 (artikeltekst geldig vanaf 01-11-1998) in OpMaat, Sdu Uitgevers, bijgewerkt tot 09-10-2015 door B. Akkermans. EHRM (Decision) 13 december 1979, X v. the Federal Republic of Germany, nr. 8410/78, ECLI:CE:ECHR:1979:1213DEC
- EHRM (Decision) 13 december 2000, Malhous v. the Czech Republic, nr. 33071/96, ECLI:CE:ECHR:2000:1213DEC
- Zie ook Haeck in J. Vande Lanotte en Y. Haeck (eds.), Handboek EVRM (Deel 2, Artikelsgewijze Commentaar, Volume II), Intersentia, Antwerpen-Oxford, 2004, blz.
- EHRM (Judgment) 28 september 2004, Kopecký v. Slovakia, nr. 44912/98, ECLI:CE:ECHR:2004:0928JUD004491298, EHRC 2004/97 m.nt. Van Kampen. Kopecký, punt
- EHRM (Judgment) 9 januari 2007, Intersplav v. Ukraine, nr. 803/02, ECLI:CE:ECHR:2007:0109JUD
- EHRM (Judgment) 9 maart 2006, Eko-Elda AVEE v. Greece, nr. 10162/02, ECLI:CE:ECHR:2006:0309JUD001016202, FED 2006/85 m.nt. Thomas. EHRM (Judgment) 3 juli 2003, Buffalo Srl en liquidation c. Italie, nr. 38746/97, ECLI:CE:ECHR:2003:0703JUD003874697, FED 2004/447 m.nt. Thomas. EHRM (Judgment) 16 april 2002, S.A. Dangeville v. France, nr. 36677/97, ECLI:CE:ECHR:2002:0416JUD003667797, AB 2004/75 m.nt. Verheij, BNB 2003/40 m.nt. Wattel, EHRC 2002/45 m.nt. Heringa, NJ 2004/447 m.nt. Alkema. Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977, PB L
- EHRM (Judgment) 22 juli 2003, SA Cabinet Diot et SA Gras Savoye c. France, nrs. 49217/99 en 49218/99, ECLI:CE:ECHR:2003:0722JUD004921799, BNB 2004/149, punt 26-
- Het Franse procesrecht beperkt een actie tot restitutie van onterecht geheven belasting wegens strijd van de heffingswet met een hogere rechtsregel in de tijd tot 1 januari van het vierde jaar teruggerekend vanaf het jaar waarin het arrest gewezen wordt waarin die strijd wordt vastgesteld. Zie punt 18 van het arrest en punt 14 in de noot van Wattel bij dit arrest in BNB 2004/151 in combinatie met BNB 2004/
- Punt 1 in de noot van Wattel bij dit arrest in BNB 2004/151 in combinatie met BNB 2004/
- Zie ook punt
- Zie E. Thomas, De invloed van het EVRM op de Nederlandse belastingwetgeving, TFB 2006/01 en zijn aantekening in FED 2005/65 en C. Bruijsten, Art. 1 Eerste protocol EVRM: het recht op ongestoord genot van eigendom, WFR 2011/
- Zie punt 10 van zijn aantekening in FED 2005/
- M. Schuver-Bravenboer, Een beoordelingskader voor toetsing aan het eigendomsrecht in overgangssituaties, WFR 2007/
- M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen. Een rechtstheoretisch onderzoek naar een methode voor vorming van wettelijk overgangsrecht in het belastingrecht, Sdu, Amersfoort, 2009, blz. 407-
- EHRM (Judgment) 23 februari 2006, Stere and others v. Romania, nr. 25632/02, ECLI:CE:ECHR:2006:0223JUD002563202, punt
- EHRM (Judgment) 23 oktober 1997, The National & Provincial Building Society, The Leeds Permanent Building Society and The Yorkshire Building Society v. The United Kingdom, nr. 117/1996/736/933-935, ECLI:CE:ECHR:1997:1023JUD002131993, JB 1998/1 m.nt. AWH. CE: Woolwich was een building society die succesvol de nietigheid van de overgangsregeling aanvocht voor The House of Lords in het Verenigd Koninkrijk. In de Woolwich 2 proceeding stond de teruggaaf van de betaalde belasting en het antwoord op de vraag of de belastingdienst daarover rente was verschuldigd ter discussie. M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen. Een rechtstheoretisch onderzoek naar een methode voor vorming van wettelijk overgangsrecht in het belastingrecht, Sdu, Amersfoort, 2009, blz.
- EHRM (Decision) 10 juni 2003, M.A. and 34 others v. Finland, nr. 27793/95, ECLI:CE:ECHR:2003:0610DEC002779395, FED 2003/604 m.nt. Wattel, V-N 2003/52.
- In de betreffende zaak konden de opties onder de oorspronkelijke optievoorwaarden pas worden uitgeoefend na 1 december
- In reactie op de aangekondigde wetswijziging werd aan de inschrijvers toegestaan hun opties al voor 1 december 1994 te verkopen. Om dit soort ongewenste gedragingen te voorkomen, trad de wetswijziging met terugwerkende kracht tot 16 september 1994 (datum indiening wetsvoorstel) in werking. Deze terugwerkende kracht gold niet voor de zogenoemde ‘zuivere gevallen’, waarbij niet werd geïnitieerd kunstmatig de uitvoeringsdatum van de opties te vervroegen. M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen. Een rechtstheoretisch onderzoek naar een methode voor vorming van wettelijk overgangsrecht in het belastingrecht, Sdu, Amersfoort, 2009, blz.
- HR 7 december 2007, nr. 43258, na conclusie A-G Overgaauw, ECLI:NL:HR:2007:BA9339, BNB 2008/34 m.nt. Albert, NTFR 2007/2255 m.nt. Pronk, V-N 2007/59.
- Zie punt 4.1.
- en 4.1.
- van de bijlage bij de conclusie van A-G Overgaauw van 14 juni 2007, nr. 43258, ECLI:NL:PHR:2007:BA
- HR 1 april 2005, nr. 40537, ECLI:NL:HR:2005:AT3037, BNB 2005/227 m.nt. Meusen, FED 2005/69 m.nt. De Kort, NTFR 2005/452 m.nt. Elbert. Hof Arnhem 20 november 2003, nr. 02/02421, ECLI:NL:GHARN:2003:AN9660, V-N 2004/15.1.
- J. Vande Lanotte en Y. Haeck (eds.), Handboek EVRM (Deel 2, Artikelsgewijze Commentaar, Volume II), Intersentia, Antwerpen-Oxford, 2004, blz.
- HR 10 juli 2009, nr. 43436, na conclusie Van Ballegooijen, ECLI:NL:HR:2009:BA4679, BNB 2009/238 m.nt. Heithuis, NTFR 2009/1784 m.nt. Alink, V-N 2009/35.
- Conclusie A-G Van Ballegooien 10 april 2007, nr. 43436, ECLI:NL:PHR:2009:BA4679, V-N 2007/27.11, punt 5.7 en 6.
- HR 20 juni 2014, nr. 13/01431, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2014:1463, BNB 2014/229 m.nt. Mertens, NTFR 2014/1649 m.nt. Mulbregt, V-N 2014/31.
- CE: de onvoorzienbaarheid. HR 29 januari 2016, nr. 15/00340, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:121, BNB 2016/163 m.nt. Happé, NTFR 2016/547 m.nt. Mulbregt, V-N 2016/7.17.