14/05660 mr. L. Timmerman Zitting 25 maart 2016 1. Stichting Fortis Effect 2. Valuas Securities B.V. 3. [eiser 3] 4. [eiser 4] 5. [eiseres 5] eisers in het principale cassatieberoep verweerders in het incidentele cassatieberoep (hierna gezamenlijk: FortisEffect c.s.) advocaat: mr J.H.M. van Swaaij tegen De Staat der Nederlanden verweerder in het principale cassatieberoep eiser in het incidentele cassatieberoep (hierna: de Staat) advocaat: mr. J.W.H. van Wijk In september en oktober 2008 kwam het Belgisch-Nederlandse bank- en verzekeringsconcern Fortis N.V. (thans: Ageas N.V.)(hierna ook te noemen: Fortis) in grote problemen. Deze zaak gaat (in cassatie) over informatie die door de Staat is verstrekt over Fortis in de periode van 28 september 2008 t/m 3 oktober 2008, de periode na de zogenoemde eerste reddingsoperatie. Het gaat vooral om de vraag of de Staat onjuiste of misleidende informatie heeft verspreid in de zin van art. 5:58 Wft. 1. De feiten 1.1 In de genoemde periode was de structuur van de Fortis-groep als volgt. -De vennootschap naar Belgisch recht Fortis S.A./N.V. (gevestigd in Brussel) en Fortis N.V. (statutair gevestigd in Amsterdam) waren de twee tophoudstervennootschappen van Fortis. De statuten van Fortis S.A./N.V. en Fortis N.V. waarborgden een personele unie in de besturen van deze beide vennootschappen. Fortis had een zogenoemde one tier board met uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. - Het aandeelhouderschap in Fortis had de vorm van een zogenoemd twinned share, bestaande uit een unit van een gewoon aandeel in Fortis S.A./N.V. en een gewoon aandeel in Fortis N.V. Het aandeel Fortis was genoteerd aan de beurs van Euronext Brussel N.V. en aan de beurs van Euronext Amsterdam N.V. - Fortis S.A./N.V. en Fortis N.V. hielden ieder 50% van de aandelen in Fortis Brussels S.A./N.V. en 50% van de aandelen in Fortis Utrecht N.V. Fortis Brussels S.A./N.V. hield nagenoeg alle aandelen in Fortis Bank S.A./N.V., welke vennootschap in de Fortis Groep optrad als de houdstervennootschap voor de vennootschappen die zich binnen de groep bezig hielden met het bankbedrijf. Fortis Utrecht N.V. hield alle aandelen in Fortis Insurance N.V., welke vennootschap in de Fortis groep optrad als de houdstervennootschap voor de vennootschappen die zich bezig hielden met het verzekeringsbedrijf. 1.2 Artikel 14 onder a van de statuten van Fortis N.V. luidde, net als artikel 14 onder a van de statuten van Fortis SA/NV: “De Raad van Bestuur voert overleg en beslist volgens de regels van het Fortis Governance Statement dat van tijd tot tijd wordt aangepast in overeenstemming met de hierin vastgelegde bepalingen.” Artikel II.3.2 van de Fortis Governance Statement van 25 januari 2008 luidde: “De onderwerpen die ter besluitvorming worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders omvatten onder andere (...) beslissingen die zo verstrekkend zijn dat ze de identiteit van de Vennootschap veranderen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot: – overdracht aan een derde partij van een belangrijk deel van Fortis, of één van haar dochtermaatschappijen, zodanig dat Fortis zou stoppen met haar activiteiten in hetzij het verzekeringsbedrijf dan wel het bankbedrijf; – overname of desinvestering door Fortis, of een dochtermaatschappij, van een belang in het kapitaal van een onderneming, resulterend in een stijging of vermindering van meer dan een derde van het kernvermogen van Fortis zoals bekendgemaakt in de meest recente Jaarrekeningen van Fortis.” 1.3 Een consortium bestaande uit Royal Bank of Scotland Group PLC, Fortis en Banco Santander S.A. heeft op 20 juli 2007 door middel van de door deze vennootschappen gehouden vennootschap RFS Holdings B.V. een openbaar bod uitgebracht op de aandelen in ABN AMRO. Het consortium heeft op 2 november 2007 bekendgemaakt dat 98,8% van de aandelen is aangemeld. Uit het concern van ABN AMRO zou Fortis de onderdelen ABN AMRO Nederland (met uitzondering van enkele daaronder ressorterende activiteiten), ABN AMRO Private Clients en ABN AMRO Asset Management overnemen. Met het aandeel van Fortis in de overname van ABN AMRO was een bedrag van circa € 24 miljard gemoeid. 1.4 In een persbericht van 2 april 2008 heeft Fortis bekendgemaakt dat zij 50% van haar vermogensbeheeractiviteiten voor € 2,5 miljard in contanten heeft verkocht aan Ping An, een Chinees conglomeraat in financiële dienstverlening. Vrijdag 26 juni 2008 en zaterdag 27 juni 2008 1.5 Op 26 juni 2008 heeft Fortis een persbericht uitgegeven met onder meer de volgende inhoud: “Fortis maakt vandaag bekend voornemens te zijn het solvabiliteitsplan versneld uit te voeren. Tevens bevestigt Fortis dat de huidige solvabiliteit sterk is en de commerciële activiteit onverminderd veerkrachtig. Het besluit tot versnelling is ingegeven door de verwachte uitkomst in de komende weken van de door de Europese Commissie opgelegde verkoop van een aantal commercial banking-activiteiten in Nederland, de geplande overname van het resterende belang van 51% in de Nederlandse joint venture met Delta Lloyd, de verwachting van voortgaand uitdagende marktomstandigheden alsook de noodzaak om in dit klimaat prudent om te gaan met het vereiste kapitaal. Om de versnelling te realiseren, heeft de Raad van Bestuur van Fortis besloten aanvullende maatregelen te treffen, waarvan er sommige direct effect zullen hebben. Het gaat om de volgende maatregelen: • een aandelenemissie van circa EUR 1,5 miljard met behulp van een versneld bookbuilding-systeem, met ingang van vandaag. Deze kapitaaluitbreiding valt ruim binnen het mandaat dat de aandeelhouders aan de Raad van Bestuur hebben gegeven om nieuwe aandelen uit te geven; • het besluit om geen interim-dividend over 2008 uit te keren. Hierdoor wordt de solvabiliteit behouden omdat het interim-dividend een verwacht effect van EUR 1,3 miljard op de solvabiliteit in het tweede kwartaal zou hebben gehad. In maart 2009 wordt aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders voorgesteld om het dividend over geheel 2008 in aandelen uit te keren. (…) Daarnaast bestaat het aangepaste solvabiliteitsplan uit de volgende maatregelen: • een capital relief-programma en een sale and lease back-transactie van vastgoed, van circa EUR 1,5 miljard; • de uitgifte van niet-verwaterende kapitaalinstrumenten tot een bedrag van EUR 2 miljard; • de voortgaande verkoop van mature niet-kernactiva; voor de solvabiliteit betekent dit naar verwachting een totale versterking van circa EUR 2 miljard. De verwachting is dat het aangepaste solvabiliteitsplan per saldo op de korte tot middellange termijn additionele solvabiliteit zal opleveren van in totaal meer dan EUR 8 miljard. (…)” 1.6 Op 2 juli 2008 heeft Fortis de verkoop van een aantal commercial banking activiteiten van ABN AMRO aan Deutsche Bank bekendgemaakt. Deze verkoop hield verband met voorwaarden die de Europese Commissie had gesteld bij haar goedkeuring van de overname van ABN AMRO door RFS Holdings B.V. en diende ingevolge die voorwaarden plaats te vinden voor 3 juli 2008. De verkoopprijs voor de activiteiten bedroeg € 709 miljoen in contanten. Door de druk van de omstandigheden lag deze prijs ongeveer € 300 miljoen onder de geschatte marktwaarde van de desbetreffende activa. 1.7 Mede als gevolg van de wereldwijde financiële crisis en het faillissement van Lehman Brothers op 15 september 2008 verslechterde vanaf medio september 2008 de liquiditeitspositie van Fortis. In het bijzonder in de week van 22 tot en met 26 september 2008 werd Fortis geconfronteerd met een teruglopende liquiditeit en raakte zij voor haar liquiditeit afhankelijk van de ECB. In deze week daalde de beurskoers van Fortis van € 8,20 (openingskoers op maandag 22 september 2008) tot € 5,20 (slotkoers op 26 september 2008). 1.8 Op vrijdag 26 september 2008 heeft Fortis een persbericht uitgegeven waarin zij opheldering verschafte over haar actuele commerciële en financiële situatie. In dat persbericht is onder meer het volgende opgenomen: “(…) • Ontwikkeling van de deposito's van klanten bij Fortis. Wij willen hier vooral de solide positie van de bank benadrukken. In een lastig klimaat van internationale onrust op de markten, een klimaat waarin negatieve berichten over Fortis bij klanten de nodige vragen oproepen, een klimaat dat door hevige concurrentie wordt gekenmerkt, is slechts sprake van een beperkte uitstroom van klanten. Ten opzichte van 1 januari 2008 gaat het hier om minder dan 3% van de totale activa uit retail- en private banking-activiteiten in de Benelux (exclusief markteffecten). (…) • Liquiditeit Fortis. Fortis beschikt op dit moment over een gediversifieerde financieringsbasis van meer dan € 300 mrd (van institutionele beleggers, retail- en particuliere deposito's, centrale banken en grote ondernemingen) waarmee de activiteiten volledig kunnen worden gefinancierd. Daarnaast kent Fortis een buffer aan zekerheden. • De solvabiliteit van Fortis is solide en ligt ruim boven het wettelijk vereiste minimum. (…)” 1.9 Op 26 september 2008 om 15:00 uur heeft het bestuur van Fortis (telefonisch) vergaderd. De notulen van die vergadering houden onder meer in: “Further vigorous action is (…) urgently needed because at the end of this trading day there will be no more collateral available (for the interbank market on Monday). Hence, if there will be no transaction over the weekend, and the overnight interbank market would remain closed to Fortis, then Fortis will need to obtain additional liquidity support from the Belgian Central Bank. Morgan Stanley has been appointed as external advisor. Preliminary contacts have been made with potential strategic partners/acquirers that may be interested in launching a public takeover bid on all shares of Fortis or to acquire part(
- s)of Fortis’ business. At this stage, ING and BNP have orally confirmed an interest. (…) The Belgian State has also indicated that it is prepared to take a significant equity interest in Fortis. The Belgian government has stated that it is in full support of the financial system.” 1.10 Op vrijdagmiddag 26 september 2008 heeft Fortis een beroep gedaan op de Marginal Lending Facility bij de Nationale Bank van België tot een bedrag van € 5 miljard omdat de interbancaire markt voor Fortis niet meer toegankelijk was. 1.11 Gedurende zaterdag 27 september 2008 is de dataroom van Fortis, die voor de due diligence voor geïnteresseerde financiële instellingen was ingericht, bezocht door vertegenwoordigers van ING, BNP, Munich Re, Aegon en SFPI. De belangstelling van deze partijen heeft niet geresulteerd in biedingen. 1.12 Op zaterdag 27 september 2008 zijn de Belgische en de Luxemburgse overheid met Fortis in onderhandeling getreden over verwerving door de Belgische en de Luxemburgse staat van een aandelenbelang in Fortis. Zondag 28 september 2008 (“de eerste reddingsoperatie”) 1.13 Op zondag 28 september 2008 raakte de Staat betrokken bij deze onderhandelingen. Het die dag bereikte onderhandelingsresultaat is tijdens een persconferentie op zondag 28 september 2008 om 22.30 uur, bij monde van de Belgische premier Leterme bekendgemaakt: “So today Fortis and the governments of Belgium, Luxemburg and the Netherlands announce that they have entered to an agreement whereby the government of Belgium has agreed to invest 4,7 billion Euro in Fortis Bank NV AS Belgium in exchange of 49% share in the common equity of this entity. The government of the Netherlands invests 4,0 billion Euro in Fortis Bank Nederland Holding in exchange of 49% ownership in this entity. The government of Luxemburg invests 2,5 billion Euro in Fortis Banque Luxembourg S.A. in the form of a mandatory convertible loan. Next to other rights Luxemburg upon conversion will be entitled to 49% of Fortis Banque Luxembourg.” De toenmalige Nederlandse Minister van Financiën (W.J. Bos) heeft op diezelfde persconferentie onder meer verklaard: “Ook de Nederlandse regering vond het haar plicht en verantwoordelijkheid om een bijdrage te leveren (…) om het Fortis concern (…) in deze roerige tijden van de nodige rust en vertrouwen te voorzien. Daarom hebben wij ook meegedaan aan het leveren van een kapitaalbijdrage, omdat wij ervan overtuigd zijn dat wij op deze manier richting iedereen die op enigerlei wijze betrokken is bij het Fortisconcern ook de komende tijd in deze roerige tijden overeind kunnen houden, dat hier een gezonde financiële instelling staat waar mensen met een gerust hart hun geld [aan] kunnen toevertrouwen. Om die reden en geen enkele andere reden zijn we blij dat we in deze eendrachtige samenwerking mee hebben kunnen doen en zien wij de toekomst voor het concern weer met vertrouwen tegemoet”. De Minister van Financiën heeft in een diezelfde avond door de NOS uitgezonden interview onder meer gezegd: “… moet je als overheid ook je verantwoordelijkheid nemen en op het moment dat een instelling kwetsbaar is moet je zorgen dat de mensen die afhankelijk zijn van die instelling niet hoeven te twijfelen en dat ze zeker weten dat er waarborgen gegeven zijn en dat is eigenlijk wat er nu gebeurt. De drie landen waar de Fortis Bank actief is, Luxemburg, België en Nederland, hebben alle drie besloten extra geld in de bank te steken zodat er meer zekerheid is en de mensen geen wantrouwen hoeven te hebben.” Ook heeft de Minister van Financiën die avond een kort interview gegeven aan RTL: Presentatrice RTL: “Eind september raakte Fortis in grote problemen. Nederland, België en Luxemburg namen toen alle drie een minderheidsbelang in Fortis. Na deze eerste reddingsactie zei Bos dat Fortis weer gezond was.” Minister van Financiën: “Wij hebben op tijd ingegrepen en dat is goed nieuws.” Verslaggever: “en Fortis is gered?” Minister van Financiën: “Fortis is gered” Maandag 29 september 2008 1.14 Op maandag 29 september 2008 om 05:32 uur heeft Fortis op haar intranetsite een bericht geplaatst voor haar medewerkers met onder meer de volgende inhoud: “Dankzij die steun konden wij onze financiële positie stabiliseren. Fortis kan nu met een schone lei verder, zonder de zorgen die de afgelopen weken [een] zo nadelig effect op onze waardering hebben gehad. (…) Deze investering is ook een signaal dat de overheden van België, Nederland en Luxemburg vertrouwen hebben in de levensvatbaarheid van Fortis op de lange termijn. Belangrijk is ook dat deze investering een directe garantie vormt voor de financiële kracht en stabiliteit van onze onderneming. (…) Wij verwachten dat de omstandigheden op de korte termijn lastig zullen blijven en dat de markten zich niet vlug zullen herstellen.” 1.15 Diezelfde dag heeft J. van Rutte, voorzitter van de raad van bestuur van Fortis Bank Nederland, in een bericht aan de medewerkers van dit onderdeel van Fortis onder meer geschreven: “De afgelopen dagen werden wij geconfronteerd met een koersval van het aandeel Fortis en hebben wij een moeilijke periode doorgemaakt. Gisteren hebben de Belgische, Luxemburgse en Nederlandse overheden besloten 11,2 miljard euro in Fortis te investeren, waarvan 4 miljard euro [in] Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. Hiermee is een einde gekomen aan een instabiele situatie en kan verder worden gebouwd aan het herstellen van vertrouwen in onze onderneming.” 1.16 Het persbericht van 29 september 2008 waarin Fortis de investering van € 11,2 miljard in Fortis door de Belgische, Luxemburgse en Nederlandse overheid bekendmaakte, hield voorts onder meer in: “De maatregelen die door de Belgische, Luxemburgse en Nederlandse regeringen zijn genomen, geven blijk van vertrouwen in Fortis en zullen zowel klanten als andere stakeholders geruststellen’, aldus (…) Fortis CEO Filip Dierckx. ‘Deze acties zullen samen met het besluit om de nog niet geïntegreerde ABN Amro-activiteiten te verkopen, garant staan voor de financiële kracht en stabiliteit van onze onderneming in de toekomst’” 1.17 In een vraaggesprek, uitgezonden door de Belgische televisie op 29 september 2008 heeft Dierckx, ceo van Fortis, gezegd: “Ik ben ervan overtuigd dat die beurskoers niet zal blijven dalen. Het kan niet dat een bedrijf dat zo’n sterke solvabiliteit heeft, dat nog sterke inkomstenstromen heeft geen beurskoers heeft die dat reflecteert.” 1.18 Op maandag 29 september 2008 heeft de Staat op de website van het Ministerie van Financiën (www.minfin.
- nl)een bericht geplaatst met de volgende inhoud: “De problemen bij Fortis zijn opgelost. Volgens het Ministerie van Financiën en de Nederlandsche Bank (DNB) biedt de oplossing een solide waarborg voor de bescherming van de belangen van rekeninghouders bij Fortis en ABN Amro Bank, en voor de financiële stabiliteit. De oplossing bestaat uit een gezamenlijke actie van de Nederlandse, Belgische en Luxemburgse overheid. • De drie Benelux overheden investeerden samen 11,2 miljard euro om Fortis te steunen. De Nederlandse regering investeert 4 miljard in Fortis Bank Nederland Holding in ruil voor een 49% deelneming. De Belgische regering investeert 4,7 miljard in Fortis Bank NV/SA in ruil voor een deelneming van 49%. De Luxemburgse regering investeert 2,5 miljard in Fortis Banque Luxembourg SA in de vorm van een verplicht converteerbare lening. Naast andere rechten zal Luxemburg na conversie 49% aanhouden in Fortis Banque Luxembourg. • Fortis zal haar belang in ABN Amro verkopen. • Maurice Lippens neemt ontslag als voorzitter van de raad van bestuur van Fortis.” 1.19 Op de website www.regering.nl heeft de Staat diezelfde dag een nieuwsbericht geplaatst dat onder meer inhoudt: “Nederland, België en Luxemburg investeren samen 11,2 miljard euro om bankverzekeraar Fortis te steunen. Zij willen zo de belangen van rekeninghouders beschermen en zorgen voor financiële stabiliteit. (…) Volgens minister Bos (Financiën) was er geen andere uitweg: ‘we hadden ook niet kunnen ingrijpen, maar het is de vraag of Fortis dan de maandagochtend zou hebben overleefd.’ Bos stelde dat veel Nederlandse spaarders en bedrijven afhankelijk zijn van Fortis. Ook vervult de bank een belangrijke functie in het interbancaire betalingsverkeer in Europa. ‘Als die club omvalt dan raakt het betalingsverkeer in heel Europa in de problemen.’ De oplossing biedt volgens het ministerie van Financiën een ‘solide waarborg’ om de belangen van rekeninghouders bij Fortis en ABN AMRO te beschermen en voor financiële stabiliteit.” 1.20 In een vraaggesprek in het NOS-journaal van 29 september 2008 's avonds heeft de Minister van Financiën onder meer gezegd: “Ja, Fortis, hebben wij altijd gezegd, en met reden, is in essentie een gezond bedrijf. Dat bedrijf is nu nog gezonder gemaakt, doordat drie overheden zich garant hebben gesteld met extra € 11,2 miljard. Dat betekent heel gewoon dat voor alle klanten en spaarders bij Fortis de zekerheid gegeven is dat de bank aan zijn verplichtingen zal kunnen blijven voldoen. En toch zie je dat dat eigenlijk (…) tegen de achtergrond van de gehele onzekerheid in de beurs niet genoeg blijkt om in ieder geval vandaag verdere koersdaling te voorkomen. (…) Iedere klant, iedere spaarder bij Fortis weet dat als er drie regeringen achter zo'n bank gaan staan, dan valt zo'n bank niet om. Daar staan wij ook voor. (…) (…) Wij hebben onze aandelen (…) gekocht (…) in Fortis Bank Nederland. Dat is niet het aandeel Fortis dat op de beurs verhandeld wordt. Op de beurs wordt gehandeld in de Holding Fortis. Ons belang zit in de Nederlandse tak, dat is ook de relatief gezondste tak van het concern. (…) Ik beschouw dat nog steeds als een buitengewoon verstandige beslissing, niet eens zo zeer omdat we de illusie zouden hebben gehad dat we daar beurskoersen mee kunnen beïnvloeden, maar vooral omdat [deze] voor klanten en spaarders de heldere boodschap bevatte bij deze bank kun je gewoon terecht want er staan drie overheden garant”. 1.21 In een vraaggesprek met Radio 1 op 29 september 2008 heeft de minister van Financiën onder meer gezegd: “Als alle drie de overheden in alle drie de landen waar de Fortis Bank actief is, bereid zijn om voor zulke grote bedragen in te stappen dan zegt dat iets over het commitment dat wij hebben en ik denk dat dat straks ook gewoon de handelende partijen op de beurs, spaarders ook vertrouwen zal geven. Ze weten nu dat wij voor een heel groot deel borg staan voor wat er in die bank gebeurt.” Dinsdag 30 september 2008 1.22 Op 30 september 2008 hebben vertegenwoordigers van Fortis zich vervoegd op het Ministerie van Financiën om de op 28 september 2008 bekendgemaakte transactie vast te leggen en uit te werken. Zij hebben gesproken over een door de Staat opgesteld term sheet. Het door de Staat te investeren bedrag van € 4 miljard was toen nog niet betaald. 1.23 Op 30 september 2008 heeft Fortis MeesPierson (een onderdeel van Fortis Bank (Nederland) N.V.) een brief aan haar klanten gestuurd met onder meer de volgende inhoud: “Ik ben blij u te kunnen melden dat Fortis er, dankzij hun sterke ruggensteun, in is geslaagd haar financiële positie te waarborgen (…) Welke maatregelen zijn er genomen? Kort samengevat: Fortis is een overeenkomst aangegaan met de regeringen van België, Nederland en Luxemburg over een investering van in totaal € 11,2 miljard in de Fortis Bank-entiteiten in de genoemde landen. De Belgische overheid verkrijgt in ruil een direct eigendomsbelang van 49% in Fortis Bank (België) en de Nederlandse overheid eenzelfde belang in Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. De regering van Luxemburg verkrijgt een belang van 49% in Fortis Banque Luxembourg SA. (…). Wat betekent dit voor u? Wij hopen dat de investering door de Benelux-regeringen u als cliënt en mogelijk als aandeelhouder steun en vertrouwen biedt. (...) De investering versterkt de financiële kracht en stabiliteit van onze onderneming.” 1.24 Op 30 september 2008 heeft Fortis intern (op haar intranet) een toelichting gepubliceerd op het persbericht van 29 september 2008. Die toelichting houdt onder meer in: “1. De Belgische, Luxemburgse en Nederlandse overheden investeren € 11,2 miljard in de Fortis Bank-entiteiten van elk land (…) • Elke partij neemt hiermee een belang van 49% in de Fortis bank van het betreffende land. Dit betekent dat de vrees met betrekking tot het voortbestaan van Fortis bank overduidelijk is weggenomen (…). Door de intrede van de Benelux-overheden in het kapitaal van Fortis Bank is de continuïteit verzekerd. (…) Belangrijke verduidelijking: • Het gaat hier over aandelen van Fortis Bank en niet van de groep Fortis NV. De courant verhandelde aandelen op de beurs (…) zijn aandelen van Fortis NV. • Vóór het weekeinde had Fortis NV 100 procent van de aandelen van zijn bankdivisies in handen. 49 procent van die Fortis Bank-aandelen is nu in handen van de Benelux-overheden in ruil voor een kapitaalinjectie. • Aangezien de kapitaalinjectie gebeurde in ruil voor aandelen van de bankdivisies is er geen sprake van verwatering van de aandelen van Fortis NV. 2. Fortis verkoopt haar belang in ABN AMRO De aangekochte ABN AMRO-activiteiten zullen niet verder worden geïntegreerd en worden in de komende weken opnieuw verkocht. Dit is exclusief de vermogensbeheeractiviteiten van ABN AMRO (…). De verkoop, tegen een prijs lager dan de aankoopwaarde van 24 miljard euro, zal leiden tot een waardevermindering. Enkel indien de verkoopwaarde minder dan 12 miljard euro zou bedragen, zal er een negatieve impact zijn op ons kernvermogen.(…) 4. Verwachte waarde aanpassingen in het derde kwartaal Als gevolg van de verandering van strategie, de verslechterde marktomstandigheden en het besluit het risico op de balans verder te verminderen, is de verwachting dat de waardeaanpassingen in het derde kwartaal ongeveer 5 miljard euro na belastingen zullen bedragen.” 1.25 Fortis heeft bij persbericht van 30 september 2008 bekend gemaakt dat de verkoop aan Ping An vooralsnog niet zal worden gerealiseerd. In een ander persbericht van dezelfde datum heeft Fortis bekendgemaakt dat De Nederlandsche Bank vooralsnog geen beslissing zal nemen over de verkoop van diverse activiteiten van ABN AMRO aan Deutsche Bank. 1.26 Op de website www.regering.nl heeft de Staat op dinsdag 30 september 2008 een nieuwsbericht geplaatst dat onder meer inhoudt: “Burgers moeten er op kunnen rekenen dat het bancaire systeem integer en betrouwbaar functioneert, zei minister Bos. ‘Als dat ter discussie staat, dient de overheid voor de burger in de bres te springen. Dat is afgelopen weekend dan ook gebeurd.’ (…) Bos zei dat De Nederlandsche Bank er samen met hem op zal toezien dat ABN AMRO ‘een veilige thuishaven vindt vanwaar uit haar bancaire activiteiten vertrouwd en betrouwbaar kunnen worden uitgevoerd in overeenstemming met haar cruciale functie voor het Nederlandse financiële stelsel’. (…) Het kabinet kan de omstandigheden op de beurzen niet beslissend beïnvloeden. ‘Wat we wél kunnen is bijdragen aan oplossingen die het vertrouwen vergroten en het geld van klanten van banken beschermen’, aldus Balkenende.” 1.27 Op de website van het Ministerie van Financiën heeft de Staat op 30 september 2008 het volgende bericht gepubliceerd: “Zekerheid voor klanten Fortis De gezamenlijke actie van de Nederlandse, Belgische en Luxemburgse overheid is in essentie gericht op het creëren van zekerheid voor spaarders en klanten van Fortis. Minister Bos hoopt dat de beurskoers van Fortis nu ook evenwichtiger zal worden. Minister Bos: ‘Fortis is in essentie een gezond bedrijf, dat nog gezonder is gemaakt door de overheidsgarantie van Nederland, België en Luxemburg van 11,2 miljard.’” 1.28 In een debat in de Tweede Kamer op 30 september 2008 heeft de minister van Financiën onder meer de volgende uitlatingen gedaan: “(…) burgers [moeten] ervan op aan [kunnen] dat het bancaire systeem integer en betrouwbaar functioneert. Als dat ter discussie staat, dient de overheid voor de burger in de bres te springen. Dat is het afgelopen weekend dan ook gebeurd. In goed overleg met de Minister-president en de president van De Nederlandsche Bank hebben wij afgelopen zondag besloten om een 49%-participatie te nemen in Fortis Bank Nederland, met bijbehorende zeggenschap. Over de precieze details van de financiering en aspecten van governance, ondernemingsbestuur, wordt op dit moment een brief afgerond, die wij de komende uren hopen te kunnen sturen naar de Kamer, zodat wij daarover wellicht de komende dagen met de Kamer kunnen discussiëren.” “Wij moeten ons ook realiseren dat het zicht op de ontwikkeling van zo’n crisis vaak wordt vertroebeld doordat hierbij buitengewoon veel irrationaliteit aan de orde is. Ik zeg tegen de heer Pechtold en anderen, dat Fortis inderdaad tegen een stootje kon en kan. Fortis was en is een solvabele instelling. Toch zien wij bewegingen op de beurs die daarmee niet overeen lijken te stemmen. Dit heeft volgens de econoom Keynes te maken met de ‘animal spirits’ die daar bij meespelen, zoals vertrouwen, keteneffecten en het feit dat de ene belegger de andere volgt. Soms staat dit gedrag op de beurs dat wij terugzien in koersontwikkelingen, niet meer in verhouding tot de reële situatie binnen een bedrijf. Dat was ook één van de redenen om hier in te grijpen. Wij wisten dat het een solvabele instelling was, die kennelijk ten prooi gevallen was aan deels irrationele bewegingen in de markt.” “Als wij verdere details over wat is afgesproken naar buiten brengen, zijn de leden van de Kamer niet de enigen die deze brief zullen lezen. Dat moeten wij ons realiseren. Dat zal ook door partijen op de beurs en door andere mogelijk belanghebbenden gelezen worden. Dit betekent dat wij ons geen enkele fout, op welk detaillistisch niveau dan ook, kunnen veroorloven. Alles is namelijk per definitie koersgevoelig. Daarom willen wij hiermee buitengewoon zorgvuldig omgaan.” 1.29 Op 30 september 2008 heeft de minister van Financiën een brief aan de Tweede Kamer gezonden die onder meer inhoudt: “Besloten is dat België, Luxemburg en Nederland samen € 11,2 miljard investeren in Fortis. Zie voor een vereenvoudigd overzicht van de structuur van Fortis de bijlage bij deze brief. De Nederlandse regering investeert € 4 miljard in Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. De Belgische regering investeert € 4,7 miljard in Fortis Bank S.A./N.V., en de Luxemburgse regering investeert € 2,5 miljard in Fortis Banque Luxembourg S.A. (via een verplicht converteerbare lening). Zowel België als Luxemburg verwerft ook een belang van 49 procent in Fortis Bank S.A./N.V. respectievelijk (conversie) Fortis Banque Luxembourg S.A. Ik zal u de technische uitwerking hiervan zo spoedig mogelijk toesturen. De deelneming van Nederland ziet niet op ABN AMRO. Fortis heeft aangekondigd haar belang in ABN AMRO te zullen verkopen, met uitzondering van ABN AMRO Asset Management (…).” Woensdag 1 oktober 2008 1.30 Op woensdag 1 oktober 2008 is op de website van Fortis (www.fortis.com) de volgende mededeling gedaan: “Vraag: Wanneer worden de kapitaalinjecties van de overheden gerealiseerd? Antwoord: De kapitaalinjecties zijn al afgerond, het geld is overgeschreven, hierover kan dan ook geen twijfel zijn.” 1.31 De notulen van de vergadering van het bestuur van Fortis op 1 oktober 2008 vanaf 14.00 uur houden onder meer in: “Mr Dierckx, CEO designate, informed the Board of the following: (…) • Liquidity remains very tense; Fortis has a lot of difficulties to regain confidence of the market. (…) • The execution of the agreement with the governments is not easy; different agreements have been made on different levels. (…) the Belgian Government has negotiated a guarantee for the Structured Credit Portfolio from Fortis. This (...) has now created tension between the Belgian and Dutch Governments (…). Tonight (1/10) the Prime Ministers and the Ministers of Finance will renegotiate the Fortis contract (…). Proposal of the Dutch Government By way of introduction, Mr Hessels made the following remarks: • with the new shareholders at different levels in the Fortis organization, the Board should question to what extent it is still controlling the company; • there is a lot of pressure from the Dutch government who is quite upset. Main sensitivities relate to the fact that the proceeds of the sale of ABN AMRO are carved out and that the shares of Fortis Insurance have been pledged to the Belgian Government. The Dutch have paid 6.7* the earnings of FBNL and 1.2* the book value, while the Belgians paid 4.7* the earnings of Fortis Bank and 0.4* the book value. • we are committed to sell ABN AMRO asap. Mr. Dierckx reported that he was called by the Secretary General of the Dutch Ministry of Finance, who proposed that the Dutch State would buy all Fortis activities in the Netherlands (RFS stake, FBNL and FIN). (…) The following was mentioned: (…) • The Insurance business would, if possible, be kept together (FIN, FIB, FII) as they are working together very well. • Credibility is at stake when we would again communicate a new change of plans. (…) • Morgan Stanley has informed the Dutch Government that it values the total NL activities at EUR 22bn (FBNL EUR 8bn, RFS EUR 8bn, FIN EUR 6bn). • A fire sale of ABN AMRO may as such be not in the interest of shareholders. (…) • A combined sale of ABN AMRO and FBNL may be beneficial to Fortis in view of the integration efforts that have been made. (…) • Timing is key: including FBNL could delay the process. (…) (…) • Fortis may benefit from a very drastic decision. The current value of FBNL is very low. (…) Selling FBNL and ABN AMRO together seems therefore logic. (…) (…) the Deputy Chairman concluded • that Fortis should get the best possible price for ABN AMRO as soon as possible. This is in line with our commitment. • We will see how to get the most value out of FBNL in the coming week/months. Taking out Retail banking is an option. • Selling FIN is now not a real option for the Fortis Board and Management. Morgan Stanley (D. Moore) concurred with this position. The Board members agreed on this conclusion.” Donderdag 2 oktober 2008 1.32 In een debat in de Tweede Kamer op 2 oktober 2008 heeft de minister van Financiën onder meer de volgende uitlatingen gedaan: - “Waarom de Luxemburgers het op hun manier hebben gedaan, weet ik niet. Dat zouden wij de Luxemburgers moeten vragen. Wij hebben ervoor gekozen om het op dezelfde manier te doen als de Belgen het hebben gedaan. Uiteindelijk komen alle manieren neer op 49% aandeel. Wij vonden dat een goede manier, omdat de agent die voor ons de schatkist beheert en de financiering doet, ons aangaf dat hij op deze manier de financiering tegen lage kosten voor elkaar kan brengen. Dat is de reden waarom wij het op deze manier hebben gedaan.” - “Verder heeft de heer Tang gevraagd hoe de prijs van 4 mld tot stand is gekomen. In de schriftelijke beantwoording is al aangegeven hoe dat qua proces is gegaan: (…) Op basis van de price-earnings ratio en meer van dat soort moois zijn inschattingen gemaakt van wat 49% waard zou moeten zijn. Verder is vergeleken met de manier waarop de waardering rondom de Belgische en de Luxemburgse participatie tot stand is gekomen, waarna partijen elkaar hebben kunnen vinden op een bedrag van 4 mld. Voor 49%.” - “Uiteindelijk moet je er met elkaar uitkomen, binnen het tijdsbestek dat je hebt. In die context denken wij dat wij met dit bedrag, de daarbij behorende zeggenschapsrechten en het feit dat ook de aandeelhouder daaraan een bijdrage levert, een goede deal hebben gesloten.” 1.33 In een brief van Fortis aan haar klanten schrijft zij: “We kunnen u geruststellen: mede dankzij de steun van de overheden van drie landen staan wij als onderneming sterker dan ooit tevoren. Tijdens het afgelopen weekend was de versterking van onze financiële stabiliteit onze eerste prioriteit.” Vrijdag 3 oktober 2008 (“de tweede reddingsoperatie”) 1.34 De notulen van de vergadering van het bestuur van Fortis op 3 oktober 2008 vanaf 11.00 uur houden onder meer in: “Mr. Hessels (…) informed the Board of the events since the Board meeting of 1 October 2008. • Fortis is under enormous pressure from the Belgian and Dutch regulators and Central Banks (…). Negotiations have been going on for the past 48 hours with the Benelux governments and the authorities, but more even between the Belgian and Dutch regulators. • DNB considers the liquidity position of Fortis unacceptable, also in view of the fact that the liquidity of FBNL is totally dependant on the central funding at the level of Fortis Bank (Belgium). (…) At the end of October 1, the use of the ELA amounted to € 51.3 bio. • The situation of Fortis is also being discussed at the highest political level (…). (…) Mr. Hessels informed the Board that the Dutch and Belgian regulators see no other solution for Fortis than the conclusion of a transaction as described hereafter. Alternatively, the (banking) supervisory authorities of the Netherlands would take protective measures (‘onder curatele plaatsen’) that could trigger harsh consequences for the remaining franchise of Fortis Bank. The transaction that the Dutch and Belgian regulators want to be concluded is structured as follows: • The Dutch Government will acquire the Dutch assets from Fortis (…) for a total consideration of EUR 16.8bn. • The Belgian Government will acquire Fortis Bank SA/NV for a nominal amount and has indicated that it wants to team up with a commercial partner; there could be a top-up of the price in case Belgian government on-sells FBB. • EUR 34bn will be transferred from the NL bank to the B bank for liquidity used by the Dutch operations. • The Luxembourg Government will increase its stake in Fortis Bank Luxembourg from 49% to 51%. • Fortis Insurance Belgium as well as Fortis Insurance International will remain within the Fortis Group. (…) Mr. Peijster (De Brauw) mentioned two issues which are relevant for Dutch law: • Under Dutch law, Fortis N.V. needs shareholders approval if the transaction implies a change to the identity or character of the company. (…) However, due to the position of the relevant regulators and governments, Fortis did not have much of a choice. (…) Finally it should be noted that even if a rule would prescribe a shareholders meeting, such a rule would be set aside by Article 2:8 of the Dutch Civil Code if justified by reasonableness and fairness taking account of specific and pressing circumstances. • (…) (…) Answering questions of Board members, Mr. Dierckx confirmed that on Monday and Tuesday withdrawals from institutional and corporate clients increased substantially. This resulted in a very weak negotiation position for Fortis, who was even not invited to the negotiation table. Negotiations took place between the authorities. Mr. Hessels pointed out that Fortis had very little room for manoeuvre and was forced to accept the conditions imposed by the governments. DNB and CBFA have demanded that Fortis sign the agreement in order not to jeopardize the stability of the financial system. This being said the Board came to a conclusion. The following was mentioned: • Some Board members stated that they had not enough information to take a position. • It was noted that we have informed the market on Monday 29 September of a plan which is different from the one that is on the table. • No indemnification for directors could be negotiated with the governments. (…) (…) The Board then discussed on what remaining value could be preserved for the shareholders. D. Moore (Morgan Stanley) mentioned the following: • the sum of the parts of the Dutch assets used for negotiation purposes was estimated at € 32 bio (…); • but there is a serious threat of the (Dutch) government that the supervisory authorities would appoint a ‘trustee’ (‘onder curatele plaatsen’) for the Dutch banking assets. Hence, considering the weak liquidity position which could lead without prompt action to a situation of insolvency, € 16.8 for the Dutch activities is the only alternative to preserve some value for the shareholders. Decision: The Board had to come to decisions in extremely difficult circumstances, whereby no documents were available prior to the meeting, and information based on verbal reports made by the Special Board Committee. Weighting the interests of the different stakeholders (shareholders, clients, employees, the financial system), and considering the uncertainty in the implementation of the transaction, all except two Board members accepted the transaction, as described above; Mrs. C. Furse and Mr. L. Cheung abstained. (…) Some Board members remarked to be of the opinion that Fortis has been put under unacceptable pressure from the authorities, and had as such little information to come to a responsible decision. But Board members concurred that there was no real choice under the current circumstances”. 1.35 Bij persbericht van 3 oktober 2008 (na beurs) heeft Fortis bekendgemaakt dat de Nederlandse Staat Fortis Bank Nederland (Holding) N.V., inclusief het belang van Fortis in ABN AMRO, heeft verworven alsmede Fortis Verzekeringen Nederland N.V. en Fortis Corporate Insurance N.V., dat de totale vergoeding € 16,8 miljard bedraagt, dat deze transactie in de plaats komt van de eerder aangekondigde investering van € 4 miljard in Fortis Bank Nederland (Holding) N.V., dat De Nederlandsche Bank de transactie heeft goedgekeurd en dat na deze transactie Fortis nog bestaat uit Fortis Insurance Belgium, Fortis Insurance International en de bancaire activiteiten behoudens Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. 1.36 De koers van het aandeel Fortis heeft zich als volgt ontwikkeld: Opening Slot Vrijdag 26 september 2008 € 6,60 € 5,20 Maandag 29 september 2008 € 6,00 € 3,97 Dinsdag 30 september 2008 € 3,95 € 4,30 Woensdag 1 oktober 2008 € 4,91 € 4,89 Donderdag 2 oktober 2008 € 5,15 € 5,47 Vrijdag 3 oktober 2008 € 5,70 € 5,42 1.37 Van maandag 6 oktober 2008 tot en met maandag 13 oktober 2008 was de handel in het aandeel Fortis opgeschort. Op 14 oktober 2008 was de openingskoers € 1,93 en de slotkoers € 1,22. Nadien is de koers verder gedaald en heeft lange tijd rond € 1,00 geschommeld. 1.38 Op 6 oktober 2008 hebben minister-president Balkende en minister Bos een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin de nieuwe transactie als volgt wordt gemotiveerd: “Al aan het begin van vorige week werd duidelijk dat de klanten van Fortis niet gerust gesteld waren door het gezamenlijk optreden van Nederland, België en Luxemburg. Dit uitte zich met name door een uitstroom van middelen van zakelijke klanten. Als gevolg hiervan kwam Fortis in ernstige liquiditeitsproblemen en moest Fortis gedurende afgelopen week in toenemende mate een beroep doen op liquiditeitssteun verstrekt door de Nationale Bank van België en DNB. Hierop hebben wij, in samenspraak met de president van de Nederlandsche Bank en in overleg met onze collega’s uit België en Luxemburg en Fortis zelf, besloten dat ten aanzien van Fortis verdergaand ingrijpen onvermijdelijk was.” Minister Bos heeft in de kamer over de heronderhandeling het volgende verklaard: “De enige reden dat wij tot heronderhandelingen zijn overgegaan, is het feit dat wij in de loop van dinsdag met elkaar moesten constateren dat de interventie van de drie overheden bij Fortis niet het gewenste resultaat had. (…) De hiervoor genoemde deelnemingen komen in de plaats van de eerder in mijn brief van 30 september jl. aangekondigde staatsdeelneming van 49% ad € 4 miljard in FBNH. De uitvoering van die afspraak had vertraging opgelopen vanwege onduidelijkheid in het contract met betrekking tot een onderpandbepaling. Pas op 3 oktober j. is duidelijkheid ontstaan over deze onderpandbepaling; als gevolg hiervan, en gelet op de nieuwe overeenkomst die door de Nederlandse staat was bereikt, is het bedrag van € 4 miljard uiteindelijk niet meer overgemaakt.” 1.39 Bij beschikking van 24 november 2008 heeft de ondernemingskamer op verzoek van onder meer de VEB een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij Fortis over de periode vanaf 29 mei 2007. Bij beschikking van 5 april 2012 heeft de ondernemingskamer geoordeeld dat uit het verslag van het onderzoek blijkt van wanbeleid van Fortis in de periode vanaf september 2007 tot en met september 2008 ter zake van: - de uitvoering van de solvabiliteitsplanning in 2008, - de informatieverstrekking omtrent haar subprime-portefeuille in het op 24 en 25 september 2007 gepubliceerde emissieprospectus en de daarin opgenomen trading update (hierna: het prospectus respectievelijk de trading update) en - haar communicatiebeleid in de genoemde periode. De ondernemingskamer heeft het op 29 april 2008 genomen besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Fortis om aan het bestuur decharge te verlenen voor het in 2007 gevoerde beleid, vernietigd voor zover de decharge het gevoerde beleid betreft ten aanzien van de informatieverstrekking omtrent (de risico’s verband houdende met) de subprime-portefeuille van Fortis in het prospectus en de trading update. Aan het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid heeft de ondernemingskamer (samengevat weergegeven) het volgende ten grondslag gelegd. Zowel op het punt van (de uitvoering van) het solvabiliteitsbeleid als op het punt van de welbewust selectieve, niet evenwichtige informatieverstrekking in het prospectus en de trading update over de subprime-portefeuille is Fortis ernstig tekortgeschoten, hetgeen op elk van beide punten wanbeleid oplevert. Voorts heeft – kort gezegd – Fortis bepaalde (koersgevoelige) informatie over haar financiële positie en in dat verband te nemen maatregelen niet (tijdig) verstrekt en bepaalde voor haar gunstige berichten wel naar buiten gebracht, waarmee zij een onjuiste indruk heeft gewekt over haar financiële positie en het beleggend publiek heeft misleid. De ondernemingskamer heeft het hiervoor genoemde dechargebesluit vernietigd omdat het niet op goede gronden is genomen. 1.40 Tegen deze beschikking en de daaraan voorafgaande tussenbeschikking van 16 maart 2011 heeft Fortis cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 6 december 2013 het cassatieberoep verworpen. 2Het procesverloop 2.1 Bij dagvaarding van 13 maart 2009 hebben FortisEffect c.s. de volgende partijen doen dagvaarden voor de rechtbank Amsterdam: de Staat der Nederlanden, de Belgische Staat, Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij N.V., Fortis N.V. en Fortis bank (Nederland) N.V. 2.2 Bij vonnis in incident van 5 augustus 2009 heeft de rechtbank de vordering van FortisEffect c.s. tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen. 2.3 Na het vonnis in incident hebben FortisEffect c.s. hun vorderingen op de Belgische Staat, Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij N.V. en Fortis bank (Nederland) N.V. ingetrokken. 2.4 FortisEffect c.s. hebben onder meer gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de (wijze van) verkrijging door de Staat van de aandelen in (onder meer) Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. onrechtmatig is, alsmede dat de Staat en Fortis onrechtmatig hebben gehandeld door het verstrekken van onjuiste en misleidende informatie. 2.5 Bij vonnis van 18 mei 2011 heeft de rechtbank de vorderingen van FortisEffect c.s. jegens zowel Fortis als jegens de Staat afgewezen. 2.6 FortisEffect c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam. 2.7 Op 23 oktober 2012 heeft het hof een arrest gewezen inzake een aantal incidentele vorderingen van de Staat en Fortis tegen FortisEffect c.s. 2.8 In de hoofdzaak hebben FortisEffect c.s. bij memorie grieven aangevoerd. Fortis en de Staat hebben bij memorie van antwoord de grieven bestreden. Ter terechtzitting van 30 september 2013 hebben partijen hun standpunten doen bepleiten. 2.9 FortisEffect c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de volgende vorderingen zal toewijzen: 1.Te verklaren voor recht dat het in de dagvaarding beschreven besluit van Fortis, zoals genomen op 29 september, 3 oktober, 5 oktober en 6 oktober 2008, alsmede alle daarmee verband houdende deelbesluiten of andere besluiten, één en ander strekkende tot verkoop van vrijwel haar gehele onderneming, op grond van het bepaalde in artikel 2:14 lid 1 BW wegens strijd met de wet en de statuten alsmede het bepaalde in artikel 2:107a BW, nietig zijn, althans deze te vernietigen. 2.Te verklaren voor recht dat de ongeldigheid van de sub 1 bedoelde besluiten de Staat en Fortis kan worden tegengeworpen. 3.Te verklaren voor recht dat de (wijze van) verkrijging door de Staat van de aandelen in: a.Fortis Bank Nederland (Holding) N.V., (met inbegrip van Fortis Hypotheek Bank N.V., Fortis Bank (Nederland) N.V. en de participatie in RFS Holdings B.V.); b.Fortis Verzekeringen Nederland N.V.; c.Fortis Corporate Insurance N.V.; op grond van artikel 3:40 BW nietig is, althans de vernietiging van die verkrijging uit te spreken vanwege strijd met de Wet op het financieel toezicht (Wft) althans artikel 3:14 BW. 4. Te verklaren voor recht dat de (wijze van) verkrijging door de Staat van de aandelen in: a.Fortis Bank Nederland (Holding) N.V., (met inbegrip van Fortis Hypotheek Bank N.V., Fortis Bank (Nederland) N.V. en de participatie in RFS Holdings B.V.); b.Fortis Verzekeringen Nederland N.V.; c.Fortis Corporate Insurance N.V.; onrechtmatig is jegens FortisEffect c.s. 5. De Staat en Fortis te veroordelen om over te gaan tot ongedaanmaking van hetgeen is verricht krachtens de sub 1 bedoelde besluiten en de sub 3 en 4 bedoelde verkrijging(en). 6. Te verklaren voor recht dat de Staat en Fortis gezamenlijk, dan wel ieder voor zich, onrechtmatig jegens FortisEffect c.s. hebben gehandeld, in het bijzonder door het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige informatie en/of het (doen en/of laten) creëren en/of ontstaan en/of laten bestaan van een te optimistisch beeld ten aanzien van de (financiële) positie en vooruitzichten van het Fortis concern in de periode 28 september tot en met 3 oktober 2008. 7. Te verklaren voor recht dat de Staat en Fortis samen dan wel afzonderlijk onrechtmatig jegens FortisEffect c.s. hebben gehandeld met betrekking tot de feiten zoals weergegeven in de inleidende dagvaarding en bij de conclusie van repliek. 8. De Staat en Fortis hoofdelijk te veroordelen om de schade te vergoeden van FortisEffect c.s., nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening. 9. De Staat en Fortis te veroordelen in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in het hoger beroep, met veroordeling om de op basis van het bestreden vonnis betaalde proceskostenvergoedingen aan FortisEffect c.s. terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling. 10. Subsidiair ten aanzien van alle punten: enigerlei voorziening te treffen die het hof in het licht van de stellingen en belangen van FortisEffect c.s. naar goede justitie geraden voorkomt. 2.10 Op 29 juli 2014 heeft het hof eindarrest gewezen. Ten aanzien van de Staat heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Ten aanzien van Fortis heeft het hof het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, – onder meer –
(1)voor recht verklaard dat Fortis onrechtmatig heeft gehandeld door in de periode 29 september 2008 tot en met 1 oktober 2008 te handelen in strijd met art. 5:58 en art. 5:59 (oud) Wft, en
(2)Fortis veroordeeld tot het vergoeden van de schade die Valuas Securities B.V., [eiser 3] , [eiser 4] en [eiseres 5] en FortisEffect (in haar hoedanigheid van cessionaris van de zes onder rov. 3.14 bedoelde voorbeeldcedenten) hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 2.11 Het hof heeft, voor zover relevant, het volgende overwogen: “4.2.5 Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of de (overige) gewraakte uitlatingen misleidend zijn, moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt. Van deze ‘maatman-belegger’ mag verwacht worden dat hij bereid is zich in de aangeboden informatie te verdiepen, maar niet dat hij beschikt over specialistische of bijzondere kennis en ervaring. Voor de kwalificatie van de mededeling als misleidend, en derhalve als onrechtmatig, is niet vereist dat de belegger daadwerkelijk heeft kennis genomen van of daadwerkelijk is beïnvloed door de mededeling, maar slechts dat de onjuistheid of onvolledigheid van de mededeling van voldoende materieel belang is om de ‘maatman-belegger’ te kunnen misleiden (vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:2162, World Online). Daarom is van belang de context waarin de bestreden uitlatingen werden gedaan en het medium waarin dit geschiedde. Voorts is voor de beoordeling nog het volgende van belang. Bij de beantwoording van de vraag of de Staat zich in te positieve bewoordingen heeft uitgelaten over de eerste reddingsoperatie, in aanmerking genomen dat het onzeker was of de maatregelen het gewenste effect zouden hebben en dat het niet was uit te sluiten dat er verdere maatregelen nodig waren, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee periodes. a.de periode van zondagavond 28 september 2008 tot en met dinsdagmiddag 30 september 2008; b.de periode vanaf dinsdagavond 30 september 2008 tot vrijdagavond 3 oktober
- De Staat heeft niet weersproken dat het in de loop van dinsdag 30 september 2008 duidelijk werd dat de eerste reddingsoperatie (vooralsnog) ontoereikend was, dat de financiële positie van Fortis sinds zondag alleen maar was verslechterd, en dat het noodzakelijk was zwaardere maatregelen te treffen. Het hof neemt dan ook aan dat de Staat vanaf dat moment daadwerkelijk een aanvang heeft gemaakt met de voorbereiding van deze verdergaande maatregelen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat de Staat al eerder had geconcludeerd dat niet volstaan kon worden met de eerste reddingsoperatie. 4.2.6 De uitlatingen van de Staat in de eerste periode (zondagavond tot en met dinsdagmiddag) moeten worden gezien tegen de achtergrond van het feit dat in het weekend van 27 en 28 september 2008 het faillissement van Fortis een reële dreiging vormde. De mededelingen van de minister van Financiën op zondagavond tijdens de persconferentie, het NOS-interview en het interview bij RTL-nieuws (zie r.o. 2.2.13) moeten in dat licht worden beschouwd en zijn dan ook niet onjuist. Van misleidende mededelingen aan het publiek was ook geen sprake. Als gezegd, houdt het hof daarbij als maatstaf aan hoe de verschafte informatie door een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger wordt opgevat. Het hof wijst in dit verband erop dat het een dergelijke belegger eind september 2008 niet kan zijn ontgaan dat sprake was van een grote, mondiale kredietcrisis waarbij ook grote financiële instellingen in ernstige moeilijkheden waren geraakt. De ‘maatman-belegger’ moet dus hebben begrepen dat (ook) Fortis zich in zodanige ernstige moeilijkheden bevond en dat (mede) daarom een forse kapitaalinjectie van de Staat noodzakelijk was. De beleggers konden en mochten op basis van deze gegevens de door de minister gedane uitlatingen ook niet zonder meer opvatten als een signaal dat er voor Fortis geen gevaar meer te duchten was – daarvoor waren de omstandigheden te uitzonderlijk. 4.2.7 Evenmin had van de minister kunnen worden verwacht dat hij – reeds op zondagavond – een voorbehoud zou maken inhoudend dat er mogelijk zwaardere maatregelen noodzakelijk waren. Nog daargelaten dat niet gebleken is dat de Staat reeds op zondagavond redelijkerwijs met dat scenario rekening diende te houden, moet van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger worden verwacht dat hij begrijpt dat de uiteindelijke effecten van de – onorthodoxe en overhaaste – reddingsoperatie niet op voorhand voorspeld konden worden, ook zonder dat de minister zich daarover uitlaat. Daarbij is van belang dat de Staat in zijn mededelingen over de eerste reddingsoperatie bij herhaling heeft duidelijk gemaakt dat de reddingsoperatie gericht was op het veiligstellen van de stabiliteit van het bancaire systeem en op het herstel van het vertrouwen in Fortis van rekeninghouders en andere banken. Uit de uitlatingen van de Staat konden beleggers niet opmaken dat de Staat met de eerste reddingsoperatie tevens beoogde de beurskoers van Fortis te beïnvloeden. Daaraan doet niet af dat de Staat verwachtte dat de eerste reddingsoperatie een positief effect zou hebben op de beurskoers. 4.2.8 Hetzelfde heeft te gelden voor de mededelingen die op maandag 29 september 2008 op de website van het Ministerie van Financiën en op de website www.regering.nl zijn geplaatst (r.o. 2.2.18 en 2.2.19). In die mededelingen wordt met name benadrukt dat dankzij de reddingsoperatie de belangen van de rekeninghouders zijn beschermd en dat de operatie een waarborg vormt voor de financiële stabiliteit binnen Nederland en Europa. Naar het oordeel van het hof wordt hiermee een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger niet misleid. 4.2.9 De minister van Financiën heeft op maandag 29 september 2008 twee interviews gegeven (NOS-journaal en Radio 1) (r.o. 2.2.20 en 2.2.21). Hierin benadrukt de minister – wederom – dat de garantstellingen de klanten en spaarders bij Fortis de zekerheid geven dat de bank aan haar verplichtingen zal kunnen blijven voldoen en niet zal omvallen, dit met het onmiskenbare doel te voorkomen dat deze klanten en spaarders op grote schaal hun bij Fortis staande tegoeden zouden opeisen. Als gezegd, vormt dit geen misleiding van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger. De opmerkingen van de minister in het NOS-journaal over de koers van het aandeel Fortis acht het hof voldoende voorzichtig: “En toch zie je dat dat eigenlijk (…) tegen de achtergrond van de gehele onzekerheid in de beurs niet genoeg blijkt om in ieder geval vandaag verdere koersdaling te voorkomen. (…) Ik beschouw [de eerste reddingsoperatie] nog steeds als een buitengewoon verstandige beslissing, niet eens zo zeer omdat we de illusie zouden hebben gehad dat we daar beurskoersen mee kunnen beïnvloeden. (…)” 4.2.10 In de beide interviews stelt de minister voorts nog aan de orde dat Fortis in essentie een gezond bedrijf is, dat de garantstellingen het bedrijf nog gezonder hebben gemaakt en dat hij denkt dat gezien het commitment van de drie overheden “straks ook gewoon de handelende partijen op de beurs, spaarders ook dat vertrouwen zal geven”. Deze uitlatingen kunnen door het publiek worden opgevat als mededeling dat men vertrouwen kan hebben in Fortis, hetgeen gelet op de financiële situatie mogelijk een vrij rooskleurig beeld schept van de situatie bij Fortis. Het hof acht niettemin de uitlatingen, gezien de context waarin deze zijn gedaan, niet misleidend. Het hof verwijst in dat verband met name naar het slot van r.o. 4.2.
- 4.2.11 FortisEffect c.s. hebben onder verwijzing naar het onderzoeksverslag in het OK-rapport (nrs. 334, 958-964 en 924) naar voren gebracht dat Fortis niet kon worden beschouwd als een in essentie gezond bedrijf, omdat Fortis in de periode voor de transactie al grote problemen had; de uitlatingen van de Staat zouden – naar het hof begrijpt – dus expliciet onjuist zijn. FortisEffect c.s. doelen klaarblijkelijk op (onder meer) de problemen rond de overname van ABN AMRO, de negatieve financiële gevolgen van de verkoop van HBU, moeilijkheden met de solvabiliteit met als gevolg een teruglopend vertrouwen in Fortis, met gevolgen voor de liquiditeitspositie van de bank, aftreden/afwezigheid van bestuurders en de problemen met de verkoop van assets (Vinci en Ping-An). Wat er ook zij van deze problemen, de uitlatingen van de minister zijn daarmee nog niet misleidend. De gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger behoort deze te plaatsen in de context dat er sprake was van een mondiale, financiële crisis en dat – deze crisis weggedacht – de bedoelde problemen niet van dien aard waren dat deze op zichzelf het voortbestaan van Fortis bedreigden. 4.2.12 Op dinsdag 30 september 2008 heeft de Staat wederom nieuwsberichten geplaatst op de website www.regering.nl en de website van het Ministerie van Financiën (r.o. 2.2.26 en 2.2.27). Deze nieuwsberichten vormen in wezen een herhaling van de eerdere berichtgeving rondom Fortis. Zij zijn niet misleidend. 4.2.13 De minister van Financiën heeft op dinsdag 30 september 2008 de Tweede Kamer zowel mondeling als schriftelijk geïnformeerd over de redding van Fortis (r.o. 2.2.28 en 2.2.29). Hij benadrukt bij deze gelegenheid wederom de achtergrond van het ingrijpen door de overheid, te weten de bescherming van het bancaire systeem. Over de ontwikkeling van de beurskoers zegt de minister het volgende: “Wij moeten ons ook realiseren dat het zicht op de ontwikkeling van zo’n crisis vaak wordt vertroebeld doordat hierbij buitengewoon veel irrationaliteit aan de orde is. Ik zeg tegen de heer Pechtold en anderen, dat Fortis inderdaad tegen een stootje kon en kan. Fortis was en is een solvabele instelling. Toch zien wij bewegingen op de beurs die daarmee niet overeen lijken te stemmen. Dit heeft volgens de econoom Keynes te maken met de ‘animal spirits’ die daar bij meespelen, zoals vertrouwen, keteneffecten en het feit dat de ene belegger de andere volgt. Soms staat dit gedrag op de beurs dat wij terugzien in koersontwikkelingen, niet meer in verhouding tot de reële situatie binnen een bedrijf. Dat was ook één van de redenen om hier in te grijpen. Wij wisten dat het een solvabele instelling was, die kennelijk ten prooi gevallen was aan deels irrationele bewegingen in de markt.” 4.2.14 Naar het oordeel van het hof kan de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger uit deze mededelingen afleiden dat de beurskoers van het aandeel Fortis in de ogen van de minister van Financiën lager is dan zou mogen worden verwacht op grond van de solvabiliteit van de bank, maar ook dat de “irrationaliteit” van de beurs ervoor kan zorgen dat de beurskoersen niettemin achterblijven. Het hof acht dit – mede gezien de positie van de Staat die mede dient te waken voor de belangen van het financiële/bancaire systeem – niet misleidend. De mededelingen moeten worden beschouwd in de context van de afweging die de Staat heeft gemaakt of Fortis een zodanig solide bank was dat een kapitaalinjectie (van een grote omvang) een zinvolle maatregel was om de belangen van de spaarders, rekeninghouders en het financiële systeem in zijn algemeenheid te beschermen, alsmede om het vertrouwen in de bank te herstellen. 4.2.15 Op donderdag 2 oktober 2008 heeft de minister van Financiën wederom de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken bij Fortis (r.o. 2.2.32). Bij deze gelegenheid heeft de minister een toelichting gegeven op de op zondag 28 september 2008 tot stand gekomen transactie. FortisEffect c.s. verwijten de Staat dat deze informatie inmiddels achterhaald was en niet gegeven had mogen worden. Het was inmiddels immers bekend dat de maatregelen niet succesvol waren geweest en dat zij niet langer zouden worden uitgevoerd; er was al besloten tot ontmanteling van Fortis. 4.2.16 Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor overwogen, was het de Staat op donderdag 2 oktober 2008 bekend dat de transactie van zondag 28 september 2008 niet de gewenste gevolgen had gehad. Dat neemt niet weg dat het niettemin op zijn weg lag de Tweede Kamer te informeren over de achtergrond van die transactie op de wijze waarop dat is gedaan. Naar het oordeel van het hof kon de Staat – gezien de grote belangen van het financiële stelsel – op dat moment in redelijkheid de keuze maken nog geen informatie te verschaffen over het voornemen zwaardere maatregelen te treffen omdat dit – naar redelijke inschatting – het vertrouwen in Fortis onmiddellijk nog verder zou doen afnemen en mogelijk kon leiden tot onbeheersbare gevolgen voor Fortis en het bancaire stelsel. De mededelingen die tijdens het debat in de Tweede Kamer zijn gedaan waren niet van dien aard dat de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger – mede gezien de dalende beurskoers van het aandeel Fortis – hieruit mocht afleiden dat de problemen met Fortis waren opgelost en de reddingsoperatie een succes was. 4.2.17 De conclusie is dat de Staat niet in strijd met artikel 5:58 Wft heeft gehandeld en dat de staat ook anderszins niet onrechtmatig heeft gehandeld door het doen van de hierboven besproken uitlatingen. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 4.3 FortisEffect c.s. hebben in het kader van grief 2 aangevoerd dat de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en aldus een onrechtmatige daad heeft gepleegd. 4.3.1 Onder verwijzing naar hoofdstuk 26 van de conclusie van repliek, beroepen FortisEffect c.s. zich op het volgende. a. Het vertrouwensbeginsel, inhoudend dat de burger mag afgaan op informatie van de overheid en de overheid aansprakelijk kan worden gehouden voor door haar gegeven onjuiste of onvolledige informatie, is geschonden. Vanaf 28 september 2008 heeft de Staat zich een rol aangemeten waarbij hij in roerige tijden schijnbaar objectieve informatie is gaan geven over de financiële omstandigheden bij Fortis. Men heeft bewust de media opgezocht en heeft inhoudelijke boodschappen verspreid, die – naar het hof begrijpt – volgens FortisEffect c.s. inhoudelijk onjuist of misleidend waren. b. Het formele zorgvuldigheidsbeginsel, inhoudend dat de overheid over voldoende informatie moet beschikken ter zake van alle feiten, omstandigheden en belangen voordat zij een besluit neemt c.q. handelt, is geschonden. De Staat was in het weekend van 28 september 2008 slecht voorbereid. Pas op zondagmiddag werden de onderhandelingen gestart en een paar uur later was er een deal met een omvang van 4 miljard over een systeembank met een balanstotaal van € 870 miljard. Men wist op dat moment niet eens goed hoe de Fortis-groep in elkaar stak. Er zijn daardoor “kolossale vergissingen” gemaakt, hoewel men al in het voorjaar zag aankomen dat er problemen bij Fortis waren. Er is aldus sprake van schending van het formele zorgvuldigheidsbeginsel. c. Het materiële zorgvuldigheidsbeginsel, inhoudend dat de overheid verplicht is om zorg te dragen voor een zorgvuldige en volledige afweging van alle betrokken belangen, is geschonden. De Staat heeft – bewust – onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de aandeelhouders. (…) 4.3.5 Ter zake van de concrete stellingen van FortisEffect c.s. overweegt het hof als volgt. a. Bij de behandeling van de door FortisEffect c.s. gestelde schending door de Staat van de Wft is reeds aan de orde gekomen de vraag in hoeverre de Staat (op ontoelaatbare wijze) onjuiste, onvolledige of misleidende informatie over (de redding van) Fortis heeft verspreid. De conclusie was dat de Staat in dat opzicht geen verwijt valt te maken. De stelling van FortisEffect c.s. dat de Staat – niettemin – heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, is in dat licht onvoldoende uitgewerkt en toegelicht. Het hof verwerpt die stelling. b. Ter zake van het verwijt dat de Staat onvoldoende voorbereid was toen hij op 28 september 2008 besloot tot de redding van Fortis, heeft het volgende te gelden. Anders dan FortisEffect c.s. betogen, valt niet goed in te zien welke voorbereidingen de Staat voorafgaand aan het weekend van 27/28 september 2008 had behoren te treffen teneinde (de gestelde) fouten te voorkomen. De omstandigheid dat reeds in het voorjaar van 2008 bekend was dat er problemen bij Fortis waren, maakt dat niet anders. FortisEffect c.s. hebben onvoldoende toegelicht dat en waarom de Staat reeds ruimschoots voorafgaand aan het bewuste weekend ermee rekening diende te houden dat hij een reddingsactie van grote omvang zou moeten uitvoeren en dat (en welke) hij met het oog daarop al maatregelen had moeten treffen. Het beroep van FortisEffect c.s. op het formele zorgvuldigheidsbeginsel ketst daarop af. c. De enkele stelling dat de Staat (meer) rekening had moeten houden met de belangen van de aandeelhouders, leidt nog niet tot de conclusie dat de Staat het materiële zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Ook niet indien daarbij wordt betrokken dat – naar later is gebleken – de eerste reddingsoperatie van de Staat niet heeft kunnen verhinderen dat de financiële problemen van Fortis voortduurden en dat de eerste en tweede reddingsoperatie niet hebben kunnen voorkomen dat de waarde van de aandelen Fortis zeer aanzienlijk is gedaald. Gelet op het zeer zwaarwegende belang van stabiliteit van het bancaire stelsel, welk belang de Staat had te dienen, behoefde de Staat zich niet tevens te laten leiden door de belangen van beleggers in Fortis. Daarbij moet worden bedacht dat in een situatie als de onderhavige (dreigend faillissement van een systeembank, noodzaak tot snel handelen, dreigende schade aan het Nederlandse financieel en economisch systeem) aan de Staat de vrijheid toekwam om te handelen zoals hij heeft gedaan, ook indien niet ingrijpen of ingrijpen op een andere wijze minder bezwarend zou zijn geweest voor de aandeelhouders van Fortis. Er kan niet worden gezegd dat de Staat destijds, bij de afweging van de diverse betrokken belangen, in redelijkheid niet de keuzes heeft kunnen maken die hij heeft gemaakt. 4.3.6 De conclusie is dat de Staat niet de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. 4.3.7 FortisEffect c.s. hebben in hun betoog met betrekking tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook nog het volgende aangevoerd. De Staat heeft zowel bij de eerste reddingsoperatie als bij de uiteindelijke ontmanteling privaatrechtelijke handelingen verricht, maar hij handelde óók in een “overheidsrol”. De Staat was zich meer dan wie ook bewust van de koersgevoeligheid van de informatie die speelde. Mede in dit licht diende de Staat de wettelijke voorschriften in acht te nemen en erop toe te zien dat deze ook door andere betrokkenen in acht werden genomen, althans diende hij er niet aan mee te werken als dat niet gebeurde. Volgens FortisEffect c.s. heeft de Staat zich aan deze verplichting niet gehouden en is daarom sprake van onrechtmatig handelen wegens strijd met de in acht te nemen betamelijkheid. 4.3.8 De vraag of Fortis misleidende informatie heeft verspreid en heeft gehandeld in strijd met de regels ten aanzien van koersgevoelige informatie komt hierna aan de orde. Wat daarvan zij, het hof verwerpt het hierboven samenvatte betoog van FortisEffect c.s. omdat de gestelde feiten ontoereikend zijn voor aansprakelijkheid van de Staat voor het handelen van Fortis.” 2.12 Bij dagvaarding van 29 oktober 2014 hebben FortisEffect c.s. – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van dit cassatieberoep. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. FortisEffect c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van dit incidentele cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten, namens FortisEffect c.s. mede door mr. M.E. Bruning en namens de Staat mede door mr. G.C. van Nieuwland. Op 19 juni 2015 hebben partijen hun standpunten mondeling doen bepleiten, FortisEffect c.s. mede door mr. A.J. de Gier. Partijen hebben tot slot gere- en gedupliceerd. 2.13 Ik wijs erop dat Fortis bij dagvaarding van 29 oktober 2014 beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het hof (zaak 14/05728). Bij faxbericht van 17 maart 2016 heeft de advocaat van Fortis mede namens de advocaat van FortisEffect c.s. aan de griffie van de Hoge Raad bericht dat partijen in deze procedure een schikking hebben getroffen. Verzocht is de procedure aan te houden in verband met de indiening van een verzoekschrift tot algemeenverbindendverklaring in de zin van de Wet collectieve afwikkeling massaschade. In deze zaak neem ik vandaag daarom geen conclusie. 2.14 Over de Fortis-affaire is veel geprocedeerd. De meeste van deze procedures zijn al afgerond of zullen vermoedelijk worden stopgezet na de bereikte schikking. Ik wijs nog op een zaak die enige verwantschap heeft met de onderhavige zaak. Bij vonnis van 21 oktober 2009 heeft rechtbank ‘s-Gravenhage geoordeeld over een vordering van een belegger op grond van onrechtmatige daad betreffende het handelen van de Staat in de periode van 28 september 2008 tot en met 3 oktober
- De belegger stelde dat hij in de periode 29 september 2008 tot 3 oktober 2008 aandelen bijgekocht heeft als gevolg van misleidende en onvolledige informatieverstrekking door de Staat. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. 3De bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep 3.1 De cassatiedagvaarding van FortisEffect c.s. bevat één – algemeen – middel van cassatie, dat verdeeld is in elf onderdelen. Kort gezegd, bestrijden de onderdelen 2-9 het oordeel van het hof dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de Staat door overtreding van art. 5:58 Wft. Onderdeel 1 klaagt dat het hof zich bij de beoordeling of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ten onrechte heeft beperkt tot de Wft. Onderdeel 10 gaat over het oordeel van Staat over het égalitébeginsel. Onderdeel 11 bevat alleen een voortbouwklacht. Inleiding 3.2 Voordat ik de cassatieklachten bespreek, maak ik een aantal inleidende opmerkingen. 3.3 Centraal staat in deze zaak het doen van misleidende mededelingen door de Staat in de periode na de eerste reddingsoperatie. FortisEffect c.s. hebben betoogd dat deze uitlatingen leiden tot aansprakelijkheid van de Staat jegens diverse groepen beleggers in Fortis. FortisEffect c.s. hebben zich met name beroepen op art. 5:58 lid 1, aanhef en onder d Wft. Niet in alle zaken waarin de Staat aansprakelijk is gesteld voor het doen van misleidende mededelingen is ook een beroep gedaan op art. 5:58 Wft. Dit geldt (bijvoorbeeld) voor de hiervoor genoemde procedure die is gevoerd voor de rechtbank ‘s‑Gravenhage. De eiser in deze procedure stelde, zonder art. 5:58 Wft te noemen, dat de Staat misleidende informatie heeft verstrekt. 3.4 Het verspreiden van onjuiste of misleidende informatie is een vorm van marktmanipulatie. Het verbod hierop is vervat in art. 5:58 Wft. Lid 1 van dit artikel luidt, voor zover relevant:
- Het is verboden om in of vanuit een in artikel 5:56, eerste lid, onderdeel a, b of d, bedoelde staat telkens voorzover het financiële instrumenten betreft als bedoeld in het desbetreffende onderdeel: (…) d. informatie te verspreiden waarvan een onjuist of misleidend signaal uitgaat of te duchten is met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van financiële instrumenten, terwijl de verspreider van die informatie weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die informatie onjuist of misleidend is. 3.5 Dit artikel is als onderdeel van de Wft in werking getreden op 1 januari 2007 (Stb. 2006/664). De norm was voordien onderdeel van art. 46b van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Stb. 2005/346). 3.6 Behalve het doen van misleidende mededelingen valt onder marktmanipulatie onder meer ook het verrichten van een transactie of handelsorder waarvan een onjuist of misleidend signaal uitgaat of te duchten is met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van – kort gezegd – effecten (zie art. 5:58 lid 1, aanhef en onder a). 3.7 Art. 5:58 Wft maakt onderdeel uit van Afdeling 5.4.2 van de Wft, getiteld: Regels ter voorkoming van marktmisbruik. Behalve marktmanipulatie valt onder marktmisbruik ook het handelen met voorwetenschap. 3.8 De bepalingen over marktmanipulatie en handelen met voorwetenschap in de Wft vormen de implementatie van een deel van Richtlijn 2003/6/EG (hierna ook: de Richtlijn marktmisbruik). 3.9 Art. 5 van deze richtlijn verbiedt “iedere persoon” zich in te laten met “marktmanipulatie”. Volgens art. 1 lid 2 onder c van de richtlijn wordt onder marktmanipulatie mede verstaan: “de verspreiding van informatie, via de media, met inbegrip van internet, of via andere kanalen, die onjuiste of misleidende signalen geeft of waarschijnlijk zal geven met betrekking tot financiële instrumenten, met inbegrip van de verspreiding van geruchten en valse of misleidende berichten, waarvan de persoon die de informatie verspreid heeft, wist of had moeten weten dat de informatie onjuist of misleidend was.” 3.10 De Richtlijn marktmisbruik noemt als doelstelling van het verbod op marktmisbruik (dus zowel marktmanipulatie als handelen met voorwetenschap) “het waarborgen van de integriteit van de Europese financiële markten en het vergroten van het vertrouwen van de beleggers in deze markten”. 3.11 Anders dan bijvoorbeeld het gebod tot het zo snel mogelijk openbaar maken van koersgevoelige informatie (thans: art. 5:25i Wft, voorheen 5:59 Wft), welk gebod zich richt tot de uitgevende instelling, is het verbod op marktmanipulatie volgens de Richtlijn marktmisbruik gericht tot “iedere persoon”. In het algemeen wordt daarom aangenomen dat het verbod zich tot een ieder richt. Het richt zich daarom ook tot de Staat. 3.12 Voor de toepassing van het verbod (als bedoeld in art. 5:58 lid 1, aanhef en onder d Wft) is niet vereist dat er een causaal verband bestaat tussen het bericht en een koersbeweging. Ook is voor overtreding van het verbod niet vereist dat er een oogmerk tot misleiding bestond. 3.13 De Wft bevat voorschriften met betrekking tot toezicht. Het gaat dus om publiekrecht. De handhaving geschiedt bestuursrechtelijk, terwijl sommige bepalingen ook strafrechtelijk gesanctioneerd zijn. Voor het toezicht op gedragsnormen, waartoe ook art. 5:58 Wft behoort, is de AFM verantwoordelijk. De publiekrechtelijke wijze van handhaving is in overeenstemming met de Richtlijn marktmisbruik, die alleen administratiefrechtelijke handhaving verlangt, terwijl de lidstaten ook strafrechtelijke sancties mogen opleggen (zie art. 14 lid 1). 3.14 Art. 5:58 Wft op zichzelf vormt daarom geen basis voor civielrechtelijke aansprakelijkheid. Civielrechtelijke aansprakelijkheid kan worden bereikt via art. 6:162 BW. Wie art. 5:58 Wft overtreedt, handelt in strijd met een wettelijke plicht als bedoeld in art. 6:162 lid 2 en daarmee in beginsel onrechtmatig. Overtreding van art. 5:58 Wft leidt echter niet automatisch tot civielrechtelijke aansprakelijkheid. Ik kom hierop later terug. 3.15 De vraag is op grond van welk criterium moet worden beoordeeld of sprake is van verspreiding van informatie waarvan een onjuist of misleidend signaal uitgaat of te duchten is m . Art. 5:58 Wft noch de hiervoor geciteerde bepalingen uit de Richtlijn marktmisbruik bevatten hiervoor aanwijzingen. Dit is (bijvoorbeeld) anders bij het verbod op handelen met voorwetenschap. Art. 1 lid 1 van de Richtlijn marktmisbruik definieert voorwetenschap als volgt: “niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten (curs. A-G).” Richtlijn 2003/124/EG werkt dit nader uit in art. 1 lid 2: “Voor de toepassing van artikel 1, punt 1, van Richtlijn 2003/6/EG wordt verstaan onder “informatie die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten”, informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren.” De Europese wetgever gaat bij de regeling over voorwetenschap dus uit van informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen (ten dele) op te baseren. 3.16 Ik meen dat het verbod op het verspreiden van onjuiste of misleidende informatie op dezelfde wijze kan worden benaderd. Het gaat in beide gevallen om de beoordeling in hoeverre bepaalde informatie betekenis heeft gehad of zou kunnen hebben gehad voor beleggingsbeslissingen. 3.17 Ook het College van beroep voor het bedrijfsleven hanteert, in zijn jurisprudentie over art. 5:58 Wft, een criteriumfiguur: de redelijk handelende belegger, of de gemiddelde belegger. In de brochure van de AFM over marktmanipulatie wordt gesproken van de gemiddelde belegger. 3.18 In de onderhavige zaak heeft het hof aansluiting gezocht bij het maatman-criterium (zie rov. 4.2.5), zoals dat door de Hoge Raad in het kader van prospectusaansprakelijkheid is verwoord in het Worldonline-arrest. De kernoverwegingen van dit arrest luiden als volgt: 4.10.3 Bij de beantwoording van de vraag of een prospectus misleidend is in de zin van art. 6:194 BW, moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt (vgl. HR 30 mei 2008, nr. C06/302, LJN BD2820). Deze aan het arrest HvJEG 16 juli 1998, zaak C-210/96, Gut Springenheide, NJ 2000/374, ontleende omschrijving van de ‘maatman’ is in iets andere bewoordingen, maar inhoudelijk niet afwijkend omschreven in het arrest HvJEG 19 september 2006, zaak C-356/04, Lidl, NJ 2007/
- Van deze ‘maatman-belegger’ mag verwacht worden dat hij bereid is zich in de aangeboden informatie te verdiepen, maar niet dat hij beschikt over specialistische of bijzondere kennis en ervaring (behoudens het geval dat de reclame zich uitsluitend op personen met dergelijke kennis en ervaring richt). 4.10.4 Van misleiding zal met name sprake kunnen zijn indien de mededeling onjuist of onvolledig is (vgl. art. 6:195 BW). De feitelijke vaststelling dat sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling brengt echter nog niet mee dat deze ook misleidend is. Daartoe is nodig dat de mededeling de beleggers (in de woorden van art. 2 lid 2 van richtlijn 84/450/EEG) ‘misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter hun economische gedrag kan beïnvloeden’. Bij de beoordeling of dit laatste het geval is, moet worden uitgegaan van de hiervoor bedoelde ‘maatman-belegger’. De rechter zal een onjuiste of onvolledige mededeling dan ook pas als misleidend kunnen kwalificeren, indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de ‘maatman-belegger’. In dat geval is immers aannemelijk dat de onjuistheid of onvolledigheid redelijkerwijs het economische gedrag van de ‘maatman-belegger’ kan beïnvloeden. Voor de kwalificatie van de mededeling als misleidend, en derhalve als onrechtmatig, is niet vereist dat de belegger daadwerkelijk heeft kennisgenomen van of daadwerkelijk is beïnvloed door de mededeling, maar slechts dat de onjuistheid of onvolledigheid van de mededeling van voldoende materieel belang is om de ‘maatman-belegger’ te kunnen misleiden. Het gaat er dus om of de mededeling op zichzelf genomen een misleidend karakter heeft. Is dat het geval, dan behoort de uitgevende instelling zich vanwege het misleidende karakter van die mededeling te onthouden van openbaarmaking daarvan, en handelt zij onrechtmatig indien zij de mededeling toch openbaar maakt. Pas in het kader van de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid jegens een individuele belegger komt aan de orde of en, zo ja, in hoeverre deze bij zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleidende mededeling is beïnvloed en als gevolg daarvan is benadeeld.” 3.19 De benadering van het hof spreekt mij aan. Met het hof zou ik willen aannemen dat in gevallen waarin een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad wordt gebaseerd op schending van de verbodsnorm van art. 5:58 Wft, moet worden uitgegaan van het perspectief van de ‘maatman-belegger’, gelijk aan of vergelijkbaar met de wijze waarop dit in het Worldonline-arrest is geformuleerd. De conclusie dat van informatie een onjuist of misleidend signaal uitgaat of te duchten is (in de zin van art. 5:58 Wft), kan dus pas worden getrokken indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de ‘maatman-belegger’. Dat betekent dat de context waarin de informatie is verspreid bij de beoordeling moet worden betrokken en dat de enkele feitelijke onjuistheid van de informatie niet voldoende is voor toepassing van art. 5:58 Wft. “Minimale gebreken” worden aldus uitgesloten. In het Worldonline-arrest (rov. 4.25.2) heeft de Hoge Raad trouwens al overwogen dat het maatman-criterium ook geldt voor mededelingen die buiten het prospectus zijn gedaan en die ook niet in verband staan met een beursgang en het aanbieden van effecten. 3.20 Anders dan de Hoge Raad in het Worldonline-arrest, spreekt art. 5:58 Wft niet over onvolledige informatie. De Richtlijn marktmisbruik hanteert evenmin de term onvolledig. Mijns inziens laat echter de tekst van art. 5:58 lid 1, aanhef en onder d Wft de mogelijkheid open dat ook op zichzelf juiste, maar wel onvolledige informatie onder de verbodsbepaling kan vallen. Het artikel spreekt immers van onjuiste of misleidende signalen. 3.21 Hier is een parallel te trekken met de uitstelregeling met betrekking tot het gebod tot het openbaar maken van koersgevoelige informatie, zoals – thans – neergelegd in art. 5:25i Wft (voorheen art. 5:59 Wft). In lid 3 onder b is als een van de voorwaarden voor uitstel vermeld dat van het uitstel geen misleiding van het publiek te duchten is. Aangenomen kan worden dat aan deze voorwaarde in het algemeen niet is voldaan is indien de wél verstrekte informatie door de achtergehouden informatie in een ander licht zou komen te staan. Tussen de verbodsnormen van art. 5:58 en art. 5:25i Wft bestaat dus een nauwe relatie. Enerzijds kan art. 5:58 Wft ook overtreden zijn doordat weliswaar strikt genomen geen onjuiste, maar wel onvolledige informatie is verschaft. Anderzijds is geen beroep mogelijk op de uitstelregeling van art. 5:25i Wft indien in de betreffende periode wel misleidende mededelingen worden gedaan. De – mijns inziens logische – gedachte is in deze beide gevallen dezelfde: of je zegt niets, of je informeert juist en volledig. Ik vind dit relevant omdat art. 5:52i Wft alleen geldt voor een uitgevende instelling en niet voor een derde, zoals de Staat. Een derde gaat echter niet vrijuit indien hij wel informatie verspreidt die op zichzelf gezien niet onjuist is, maar wegens de onvolledigheid ervan tóch kan misleiden. Dat valt namelijk binnen de reikwijdte van art. 5:58 Wft. 3.22 Ik maak nog enige opmerkingen over de betekenis van de context, waarin de betreffende mededelingen volgens het maatman-criterium moeten worden beoordeeld. In de woorden van het Worldonline-arrest: beoordeeld moet worden of redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling, in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de ‘maatman-belegger’. In de Fortis-casus maakt ook de crisissituatie van die context deel uit. In de beoordeling van het hof speelt dat een belangrijke rol. Als voorbeeld kan dienen de bespreking in het hofarrest van de uitspraak van de minister op zondag 28 september 2008 dat Fortis “is gered” (zie rov. 2.2.13). Het hof heeft deze mededeling, getoetst aan het maatman-criterium, niet in strijd geoordeeld met art. 5:58 Wft, waarbij het hof overwoog dat deze uitspraak moet worden gezien tegen de achtergrond van de reële dreiging van het faillissement van Fortis, en van het feit dat Fortis dringend een kapitaalinjectie nodig had (zie rov. 4.2.6). Ik wijs verder op rov. 4.2.11, waarin het hof als volgt oordeelde over o.a. de uitlating van de minister dat Fortis “in essentie een gezond bedrijf” is: “Wat er ook zij van deze problemen, de uitlatingen van de minister zijn daarmee nog niet misleidend. De gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger behoort deze te plaatsen in de context dat er sprake was van een mondiale, financiële crisis en dat – deze crisis weggedacht – de bedoelde problemen niet van dien aard waren dat deze op zichzelf het voortbestaan van Fortis bedreigden.” Deze oordelen en overwegingen van het hof gaan over het dilemma dat ontstaat als door noodmaatregelen wordt gepoogd een ernstige en acute crisis af te wenden, zoals ook in de Fortis-casus aan de orde was. Het dilemma is dat enerzijds de markt juist moet worden geïnformeerd, terwijl anderzijds bij voorbaat vrijwel vaststaat dat de noodmaatregelen vruchteloos zullen zijn indien niet de boodschap wordt uitgedragen dat de maatregelen effect zullen hebben. De benadering van het hof lijkt erop neer te komen dat de ‘maatman-belegger’ geacht mag worden te onderkennen dat dit dilemma kan spelen. De crisisomstandigheden maken deel uit van de context waarin de betreffende mededelingen worden gedaan. Concreet betekent dit dat, wanneer omtrent noodmaatregelen uitspraken met een positieve inslag worden gedaan, deze mededelingen mogelijk minder snel van materieel belang kunnen worden geacht voor de beleggingsbeslissing van de ‘maatman-belegger’ en derhalve minder snel misleidend. De norm van art. 5:58 Wft wordt in deze benadering niet opzij gezet. Het gaat om een toepassing in bijzondere omstandigheden – namelijk crisisomstandigheden – van het uitgangspunt dat een mededeling moet worden beoordeeld in de context. Ook deze benadering van het hof lijkt mij in beginsel juist, met dien verstande dat ook crisisomstandigheden uiteraard geen vrijbrief geven voor het doen van misleidende mededelingen. 3.23 Ik kom nu terug op de verhouding tussen art. 5:58 Wft en civielrechtelijke aansprakelijkheid. Is met de overtreding van de norm van art. 5:58 Wft ook de civielrechtelijke aansprakelijkheid gegeven? Ik heb hiervoor al opgemerkt dat schending van art. 5:58 Wft in beginsel ook civielrechtelijk onrechtmatig is. Art. 6:162 lid 2 BW merkt immers mede als onrechtmatige daad aan een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht. Niet iedere wetsschending leidt echter tot aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Immers, op grond van art. 6:162 lid 2 BW kan de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (bijvoorbeeld: overmacht) de onrechtmatigheid aan de bewuste gedraging ontnemen. Is dit ook mogelijk bij schending van art. 5:58 Wft? Het lijkt, op het eerste gezicht, vreemd dat “misleiding” te rechtvaardigen zou kunnen zijn. Toch acht ik het niet uitgesloten dat, in geval van overtreding van art. 5:58 Wft, een rechtvaardigingsgrond aan aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad in de weg staat. Ik werk dit uit. 3.24 Als gezegd, kan een toezichtrechtelijke regel als art. 5:58 Wft niet op zichzelf, maar slechts via art. 6:162 BW leiden tot civielrechtelijke aansprakelijkheid. Een schadevergoedingsvordering op deze grondslag is slechts toewijsbaar indien is voldaan aan de regels die gelden voor aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad. Eén van die regels is dat van onrechtmatigheid geen sprake is indien voor de gewraakte gedraging een rechtvaardigingsgrond bestaat. Ik zie geen goede reden om regels van financieel toezichtrecht van deze systematiek uit te zonderen. Het civiele recht is in zoverre autonoom. Dit vindt bevestiging in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wft, waaruit blijkt dat met deze wet niet is beoogd af te doen aan de regels van het burgerlijk recht: “De huidige financiële toezichtwetgeving regelt – op enkele uitzonderingen na – niet de civielrechtelijke gevolgen van het niet-naleven van de wetgeving. Binnen het Nederlands wettelijk systeem worden de civielrechtelijke gevolgen bepaald door het burgerlijk recht, het Burgerlijk Wetboek (BW) in het bijzonder.” 3.25 De mogelijkheid dat een rechtvaardigingsgrond (te weten: overmacht) in de weg staat aan aansprakelijkheid wegens het verspreiden van informatie die misleidend is in de zin van art. 5:58 Wft, acht ik bovendien niet een louter theoretische. De onderhavige casus biedt een voorbeeld. Er was sprake van een ongekende crisissituatie. “Systeembank” Fortis stond op het punt om te vallen, met ongetwijfeld grote en deels niet te voorziene maatschappelijke gevolgen. Zowel (het bestuur van) Fortis als de Staat moesten onder zeer grote druk handelen en beslissen. Daarbij ging het in de eerste plaats om de reddingsoperaties zelf. Echter, ook de communicatie met het publiek na de eerste reddingsoperatie stond onder grote druk. Enerzijds was er de wettelijke plicht geen misleidende informatie te verspreiden. Anderzijds moest voor het welslagen van de reddingsoperatie in die communicatie het vertrouwen doorklinken dat het beoogde gevolg niet zou uitblijven. Iedere twijfel of zelfs nuance kon grote gevolgen hebben. Toen in de loop van de week duidelijk werd dat (misschien) nog verdergaande maatregelen nodig waren, werd het dilemma nog prangender. Wat kon wel en wat kon niet met het publiek worden gedeeld? Onder omstandigheden als deze lijkt het mij niet ondenkbaar dat een rechtvaardigingsgrond in de weg staat aan aansprakelijkheid van een partij die – naar achteraf kan worden vastgesteld – onjuiste of misleidende informatie heeft verspreid. 3.26 De gedachte dat het handelen van de Staat gezien de extreme omstandigheden kan worden gerechtvaardigd, is ook verwoord in de uitspraken van de rechtbank en het hof in de onderhavige procedure. De rechtbank overwoog: “4.6.4.
- Hier geldt wat de rechtbank ’s-Gravenhage heeft overwogen in haar vonnis van 20 oktober 2009, LJN: BK0741, onder 4.13 en 4.
- Bekendmaking van het uitblijven van het gehoopte en verwachte effect van de eerste reddingsmaatregel zou vrijwel zeker de genadeklap voor het bankbedrijf van de Fortis-groep, en wellicht van de gehele Fortis-groep, hebben betekend. Hetzelfde geldt voor bekendmaking van het voorbereiden van nadere reddingsmaatregelen. Zolang de precieze inhoud van de nadere reddingsmaatregelen niet bekend was, zou elke uitlating daarover slechts onzekerheid – en daarmee verdere verzwakking van de liquiditeitspositie van het bankbedrijf van de Fortis-groep – hebben veroorzaakt.” Het hof overwoog: “4.2.16 (…) Zoals hiervoor overwogen, was het de Staat op donderdag 2 oktober 2008 bekend dat de transactie van zondag 28 september 2008 niet de gewenste gevolgen had gehad. Dat neemt niet weg dat het niettemin op zijn weg lag de Tweede Kamer te informeren over de achtergrond van die transactie op de wijze waarop dat is gedaan. Naar het oordeel van het hof kon de Staat – gezien de grote belangen van het financiële stelsel – op dat moment in redelijkheid de keuze maken nog geen informatie te verschaffen over het voornemen zwaardere maatregelen te treffen omdat dit – naar redelijke inschatting – het vertrouwen in Fortis onmiddellijk nog verder zou doen afnemen en mogelijk kon leiden tot onbeheersbare gevolgen voor Fortis en het bancaire stelsel. (…)” 3.27 Het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, bevat de volgende passage: “4.
- De betrokkenheid van gedaagde (de Staat, A-G) had een andere en grotere reikwijdte dan die van een commerciële marktpartij die onderhandelt over een deelneming of een overname. De kapitaalinjecties waartoe gedaagde heeft besloten zijn geschied in (overeenstemming met zijn opvattingen over) het algemeen belang. Hiertoe behoort het behoud van een zogeheten systeembank, mede ter wille van de belangen van spaarders en kredietnemers én het bancaire verkeer in het algemeen. Bekendmaking van het feit dat de aanvankelijk aangekondigde kapitaalinjectie van, wat gedaagde betreft, € 4 miljard mogelijk - en later: zeker - niet het beoogde effect had, zou onoverzienbare gevolgen kunnen hebben gehad. Hiertoe behoort de bepaald niet denkbeeldige mogelijkheid dat spaarders en anderen elk vertrouwen in de bank zouden verliezen en hun gelden bij de bank zouden weghalen; en dit in nog veel sterker mate dan in de bewuste week al het geval bleek te zijn. Dit zou ertoe hebben kunnen leiden dat de bank zou zijn omgevallen. Verdere onderhandelingen over mogelijkheden om dit te verhinderen zouden dan zinloos zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde in deze situatie in redelijkheid kunnen besluiten tot het geheim houden van de inmiddels ontstane situatie en zich daartoe zelfs verplicht kunnen voelen. (…)” 3.28 Deze overwegingen komen erop neer dat er sprake was van een overmachtsituatie. Toch bevatten de drie uitspraken niet het (expliciete) oordeel dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. De afwijzing van de vorderingen is gebaseerd op het oordeel dat de Staat geen misleidende mededelingen heeft gedaan. Geheel zuiver vind ik deze benadering niet. Een mededeling wordt niet minder onjuist of misleidend (in de zin van art. 5:58 Wft) omdat de partij die de mededeling heeft gedaan zich in een overmachtsituatie bevond. Argumenten die in feite een rechtvaardigingsgrond betreffen zouden daarom niet moeten worden betrokken bij de vraag of art. 5:58 Wft is overtreden. Deze argumenten horen thuis in het kader van de beoordeling of er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Het “zuiver houden” van de norm van art. 5:58 Wft vind ik temeer van belang nu (o.a.) ook de AFM en de bestuursrechter deze norm, in het kader van het publiekrechtelijke toezicht, moeten toepassen en uitleggen. Zie in deze zin ook A.C.W. Pijls, in zijn noot naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage: “(…) Een mededeling is namelijk misleidend of zij is dat niet. Zij wordt niet meer of minder misleidend al naar gelang de verspreider van de mededeling (van het eventuele misleidend karakter) een verwijt kan worden gemaakt. Wordt het misleidingsbegrip aldus (meer) objectief benaderd, dan zou men inderdaad kunnen zeggen dat de belegger bij zijn aankoop is misleid. Niet onaannemelijk is immers dat hij geen aandelen zou hebben aangekocht wanneer de minister vanaf het eerste moment openheid van zaken zou hebben gegeven. In deze benadering moet men oordelen dat de Staat weliswaar misleidende informatie heeft verstrekt, of althans een misleidend beeld in stand heeft gehouden, maar dat dit gelet op de overige omstandigheden van het geval niet onzorgvuldig, en derhalve niet onrechtmatig, is. Een alternatieve benadering zou nog kunnen zijn dat wordt geoordeeld dat de Staat in beginsel onrechtmatig heeft gehandeld, maar dat dit onrechtmatige handelen niet leidt tot aansprakelijkheid vanwege de aanwezigheid van een rechtvaardigheidsgrond die het onrechtmatige karakter wegneemt, of vanwege de afwezigheid van enig (rechtens relevant) verwijt. Deze laatste benadering ligt meer in lijn met de systematiek zoals die in het kader van art. 6:194–196 BW wordt gehanteerd.” 3.29 Volledigheidshalve bespreek ik, tot slot van deze inleiding, nog de vraag of het Unierecht zich verzet tegen de mogelijkheid dat de civiele rechter aansprakelijkheid voor het verspreiden van onjuiste of misleidende informatie afwijst wegens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Dat is mijns inziens niet het geval. Ik licht dit als volgt toe. 3.30 Als gezegd, vereist de Richtlijn marktmisbruik dat de hierin opgenomen voorschriften administratiefrechtelijk (dan wel strafrechtelijk) worden gehandhaafd. Aangenomen wordt dat de richtlijn, ook voor wat betreft marktmanipulatie, maximum harmonisatie beoogt. De richtlijn rept echter niet over civielrechtelijke aansprakelijkheid. Het Unierecht laat de nationale rechter derhalve op dit punt de nodige vrijheid. Ik vind voor dit standpunt steun in de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie), in het bijzonder in het arrest van 19 december 2013 (Hirmann/Immofinanz). In deze zaak was onder meer aan de orde wat de civielrechtelijke gevolgen zijn van overtreding van voorschriften afkomstig uit onder meer de Prospectusrichtlijn en de Richtlijn marktmisbruik. Het hof overwoog dat, bij gebreke van Unierechtelijke bepalingen ter zake, de interne rechtsorde van elke lidstaat de criteria voor de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding dient te bepalen, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen (rov. 40). Het Hof van Justitie had al in dezelfde lijn geoordeeld ten aanzien van de zogeheten MIFID. Volgens het Hof van Justitie laat het Unierecht de civielrechtelijke handhaving van financieel toezichtrechtelijke regels dus ongemoeid, zolang – kort gezegd – wordt voorzien in een adequate mogelijkheid om de overtreder van gedragsregels op het gebied van het financiële toezichtrecht aansprakelijk te stellen. Ik meen dat het doeltreffendheidsbeginsel niet noopt tot de algemene conclusie dat de toepassing van de regel van de rechtvaardigingsgrond buiten toepassing zou moeten blijven ingeval van een vordering tot schadevergoeding wegens overtreding van art. 5:58 Wft. De gelding van deze regel van algemeen Nederlands onrechtmatigedaadsrecht, op grond waarvan het in (zeer) bijzondere omstandigheden mogelijk is dat in beginsel onrechtmatig handelen toch niet tot aansprakelijkheid leidt, maakt immers niet dat het Nederlandse recht niet voorziet in een adequate rechtsgang ingeval van schending van art. 5:58 Wft. Bespreking van de cassatieklachten 3.31 Ik zie om praktische redenen aanleiding om eerst de onderdelen 2-9 te bespreken. Daarna komen de onderdelen 1, 10 en 11 aan de orde. De door de middelen aan de orde gestelde algemene gezichtspunten bij de uitleg van art. 5:58, lid 1, aanhef en onder d Wft 3.32 Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.2.5 e.v. ten onrechte (teveel) toepassing heeft gegeven aan het begrip ‘maatman-belegger’ en de context. Bepalend is in dit geval dat de uitlatingen zijn gedaan door de Minister van Financiën in diens bijzondere hoedanigheid. Dan geldt een strengere toets dan voor uitlatingen van een uitgevende instelling. Reeds omdat het uitlatingen van de Minister van Financiën betreft, gaat het om informatie die van voldoende materieel belang is om de ‘maatman-belegger’ te misleiden. 3.33 Deze klacht is ongegrond. Ten eerste heeft het hof mijns inziens terecht toepassing gegeven aan het maatman-criterium, zoals ik in de inleiding heb uiteengezet. Voorts maakt het enkele feit dat bepaalde informatie wordt verspreid door de Minister van Financiën, niet dat het gaat om informatie die van voldoende materieel belang is om de beleggingsbeslissing van de ‘maatman-belegger’ te kunnen beïnvloeden. Ik zou ook niet willen aannemen dat aan uitlatingen van een minister meer gewicht toekomt dan aan uitlatingen van een uitgevende instelling. Het is wat mij betreft eerder andersom. Immers, uitgevende instellingen zelf beschikken (of worden geacht te beschikken) in het algemeen over meer, actuelere en gedetailleerdere informatie over de (financiële) toestand van de onderneming dan de overheid. 3.34 Onderdeel 2.1 klaagt voorts dat onjuist is het oordeel van het hof in rov. 4.3.5 onder c dat, “(g)elet op het zeer zwaarwegende belang van stabiliteit van het bancaire stelsel, welk belang de Staat had te dienen, (…) de Staat zich niet tevens (behoefde) te laten leiden door de belangen van beleggers in Fortis.” Volgens het onderdeel had de minister, gezien de op hem rustende strenge zorgvuldigheidsnorm, ook rekening moeten houden met de belangen van derden, waaronder de beleggers in Fortis. 3.35 Deze klacht is ongegrond. Het genoemde oordeel van het hof (dat niet de mogelijke overtreding van art. 5:58 Wft maar het beroep van FortisEffect c.s. op het materiële zorgvuldigheidsbeginsel betrof) moet mijns inziens zo worden begrepen dat de Staat, in de door hem te maken afweging van belangen in de crisissituatie, het “zeer zwaarwegende belang van stabiliteit van het bancaire stelsel” heeft mogen laten prevaleren (zie hiervoor de laatste zin van rov. 4.3.5 onder c, waarin het hof aan de afweging door de Staat van diverse belangen heeft gerefereerd). Het hof heeft dus, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, niet geoordeeld dat de Staat in het geheel niet met de belangen van de beleggers rekening hoefde te houden. De klacht faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Er speelt nog iets anders: de door de Staat in aanmerking te nemen belangen moeten niet te veel van elkaar los gedacht worden. Een belegger in een bank heeft belang bij bevordering van de stabiliteit van het financiële systeem. Als die stabiliteit in gevaar komt kan zich een bankrun voordoen die het voortbestaan van de bank in gevaar kan brengen. De belegger in een bank heeft dus via zijn aandelenbezit belang bij stabiliteit van het bancaire stelsel. 3.36 Onderdeel 2.2 gaat over rov. 4.2.7 e.v., waarin het hof heeft overwogen dat de Staat met zijn mededelingen over de eerste reddingsoperatie gericht was – samengevat – op het veiligstellen van de stabiliteit van het bancaire systeem en op het herstel van vertrouwen in Fortis, en dat de beleggers hieruit niet konden opmaken dat de Staat tevens beoogde de beurskoers te beïnvloeden. Volgens onderdeel 2.2 heeft de Staat daarmee miskend dat voor de vraag of art. 5:58 Wft is overtreden niet relevant is wat de minister met zijn uitlatingen beoogde. Het hof heeft, zo vervolgt onderdeel 2.2, miskend dat de onjuistheid of onvolledigheid van de uitlatingen zelf van voldoende materieel belang is om de ‘maatman-belegger’ te kunnen misleiden. 3.37 Ook deze klachten zijn ongegrond. Voor de toepasselijkheid van art. 5:58 Wft is inderdaad niet vereist dat de verspreider van de informatie het oogmerk of doel had de markt te manipuleren. Dit heeft het hof echter niet miskend. Ik begrijp de bestreden overwegingen zo dat het hof steeds en consequent heeft beoordeeld of de mededelingen van de Minister van Financiën met toepassing van het maatman-criterium onjuist dan wel misleidend waren. Het hof heeft daarbij onderkend dat de minister zich met zijn geruststellende uitlatingen over Fortis, gegeven de precaire financiële omstandigheden, in de eerste plaats richtte tot de rekeninghouders en spaarders van Fortis (onder andere om een bankrun te voorkomen). Die wijze van beoordeling door het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De doelgroep van verstrekte informatie kan wel degelijk een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van onjuiste en/of misleidende informatieverstrekking. Onjuist is de door het onderdeel verdedigde opvatting dat de onjuistheid of onvolledigheid van de uitlatingen zelf van voldoende materieel belang is om de ‘maatman-belegger’ te kunnen misleiden. Uit de ‘maatman-jurisprudentie’ volgt immers dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid voldoende is om misleiding aan te nemen. 3.38 Volgens onderdeel 2.3 heeft het hof miskend dat, nu (in cassatie) vaststaat dat de Minister van Financiën onjuiste en misleidende informatie heeft verschaft in de zin van art. 5:58 Wft, de Staat wel degelijk in strijd met dit wetsartikel heeft gehandeld. Het onderdeel vervolgt met een motiveringsklacht die erop neerkomt dat, gelet op de genoemde (in cassatie) vaststaande feiten, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat uit de motivering van het hof niet volgt waarom art. 5:58 Wft niet zou zijn overtreden. 3.39 Onderdeel 2.3 is ongegrond, omdat het ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat vaststaat (dan wel in cassatie als vaststaand moet worden aangenomen) dat de Minister van Financiën onjuiste en misleidende informatie heeft verstrekt als bedoeld in art. 5:58 Wft. Het hof heeft immers nu juist, nadat het in rov. 4.2.5 de belangrijkste maatstaven heeft aangeduid die het bij zijn oordeelsvorming heeft gehanteerd, in de rechtsoverwegingen 4.2.3-4.2.16 de door de Staat gedane mededelingen, gespecifieerd per soort, onderzocht en geoordeeld dat die mededelingen niet onjuist dan wel misleidend zijn. Ik vind overigens dat het hof aldus op een goede en transparante wijze te werk is gegaan. 3.40 Onderdeel 2.4 bevat geen zelfstandige klacht. Het verband met de door Fortis verstrekte informatie 3.41 Met de onderdelen 3.1 en 3.5 klagen FortisEffect c.s. – in essentie – dat het hof bij zijn beoordeling van de mededelingen van de minister had moeten betrekken dat door Fortis misleidende informatie is verspreid. 3.42 Deze algemene klacht is mijns inziens ongegrond. Het hof heeft in rov. 4.2.5 overwogen dat, bij de beoordeling of er sprake is van overtreding van art. 5:58 Wft, de context waarin de bestreden uitlatingen werden gedaan van belang is. In de hierop volgende rechtsoverwegingen heeft het hof die context ook nadrukkelijk in zijn beoordeling betrokken. Het feit dat het hof niet expliciet op de door Fortis verspreide informatie is ingegaan, maakt niet dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Daarbij komt dat niet is vastgesteld dat de minister in de betrokken periode wist dat Fortis onjuiste informatie verstrekte. 3.43 Met de onderdelen 3.2 en 3.3 klagen FortisEffect c.s. over het oordeel van het hof in rov. 4.3.
- Het hof verwerpt hierin het onder rov. 4.3.7 samengevatte betoog van FortisEffect c.s., “omdat de gestelde feiten ontoereikend zijn voor aansprakelijkheid van de Staat voor het handelen van Fortis”. 3.44 Volgens onderdeel 3.2 is dit oordeel onjuist of ontoereikend gemotiveerd, omdat niet valt in te zien waarom “de gestelde feiten ontoereikend” zijn. 3.45 Nu onderdeel 3.2 nalaat te vermelden waarom niet valt in te zien dat het door FortisEffect c.s. gestelde ontoereikend is voor aansprakelijkheid van de Staat en het onderdeel evenmin uitlegt waarom het gestelde daartoe wel toereikend is, voldoet het onderdeel niet aan de aan cassatiemiddelen gestelde eisen. 3.46 Onderdeel 3.3 stelt dat het hof met zijn oordeel dat de feitelijke stellingen ontoereikend zijn voor aansprakelijkheid van de Staat voor het handelen van Fortis een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van Fortis heeft gegeven. 3.47 Onderdeel 3.3 stelt (blijkens de onderstreping van: “voor het handelen van Fortis”) aan de orde dat FortisEffect c.s. hebben betoogd dat de Staat zich niet aan een op hem (de Staat) rustende verplichting heeft gehouden en dat het daarom onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat dit betoog niet kan leiden tot aansprakelijkheid van de Staat voor het handelen van Fortis. In rov. 4.3.7 heeft het hof de betreffende stellingen van Fortis-Effect weergegeven. Deze stellingen houden in dat FortisEffect c.s. van mening zijn dat de Staat een op hem rustende verplichting heeft geschonden. Ik leid daaruit af dat de betreffende overweging in rov. 4.3.8 zo moet worden begrepen dat de stellingen van FortisEffect c.s. in het onderhavige geval niet kunnen leiden tot het aannemen van aansprakelijkheid van de Staat wegens het schenden van een op hem rustende verplichting in verband met het handelen van Fortis. Aldus opgevat is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Onderdeel 3.3 is ongegrond. 3.48 In onderdeel 3.4 klagen Fortis-Effect c.s. dat het hof in rov. 4.3.8 niet naar behoren op het onder rov. 4.3.7 weergegeven betoog van FortisEffect c.s. heeft gerespondeerd. Dit betoog komt er volgens FortisEffect c.s. onmiskenbaar op neer dat de Staat, juist gezien de bijzondere hoedanigheid van de Minister van Financiën, niet passief had mogen blijven toen beleggers door Fortis werden misleid. Het hof heeft, zo vervolgt onderdeel 3.4, ten onrechte niet meegewogen dat de uitlatingen van de Minister daarom extra onjuist en/of onvolledig en/of misleidend waren. 3.49 Ik acht onderdeel 3.4 ongegrond. Zoals hiervoor gezegd, moet het oordeel van het hof in rov. 4.3.8 zo worden begrepen dat de stellingen van FortisEffect c.s. in het onderhavige geval niet kunnen leiden tot het aannemen van aansprakelijkheid van de Staat wegens het schenden van een op hem rustende verplichting in verband met het handelen van Fortis. Op de Staat rust mijns inziens in deze ook voor de Staat zeer moeilijke omstandigheden niet zonder meer een rechtsplicht om bij het doen van mededelingen over Fortis rekening te houden met (mogelijke) misleidende mededelingen door Fortis zelf, laat staan dat de Staat verplicht zou zijn geweest zich hiervan actief te distantiëren. In beginsel heeft een ieder hier zijn eigen verantwoordelijkheden. De mededelingen van de Staat van 28 september t/m de middag van 30 september 2008 3.50 De onderdelen 4 en 5 richten vele klachten tegen de rechtsoverwegingen 4.2.6 en 4.2.7 (onderdeel 4) en 4.2.8 (onderdeel 5). De bestreden oordelen van het hof houden in dat de mededelingen van de Minister van Financiën op zondagavond 28 september 2008 t/m dinsdagmiddag 30 september 2008 respectievelijk de informatie die in deze periode op de overheidswebsites is geplaatst, niet onjuist en/of misleidend zijn is geweest in de zin van art. 5:58 Wft. Ik vat de klachten hieronder samen en zal deze daarna grotendeels gezamenlijk bespreken. 3.51 Onderdeel 4.1 richt zich in het bijzonder tegen ’s hofs oordeel in 4.2.6 dat de mededelingen van de minister op zondagavond tijdens de persconferentie, het NOS-interview en het interview bij RTL-nieuws “dan ook niet onjuist” zijn. Dit oordeel is volgens onderdeel 4.1 niet begrijpelijk, juist omdat het faillissement van Fortis in het betreffende weekend nog een reële dreiging vormde. Onderdeel 4.1 vervolgt met de klacht dat het “dan ook niet onjuist-oordeel” onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof op de volgende essentiële stellingen niet (naar behoren) heeft gerespondeerd: -De mededelingen van de minister zijn feitelijk onjuist met betrekking tot het veronderstelde effect (de redding) en met betrekking tot het ontberen van het definitieve karakter van de maatregelen. -Er was geen zekerheid dat de reddingsactie zou slagen; het was geen redding maar een reddingsactie. -De Staat heeft de wetenschap over de onzekerheid opzettelijk niet met de markt gedeeld, omdat het de bedoeling was het vertrouwen te herstellen. -Het ging hierbij om koersgevoelige informatie. -Fortis bevond zich in dramatische omstandigheden; voorzien werd dat de hulp op zondag 28 september 2008 deze omstandigheden niet zou doen verdwijnen. -Aan de beleggers is de mogelijkheid onthouden zelf af te wegen of de maatregelen voldoende waren. -De handelwijze van de Staat verdraagt zich niet met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, door de markt niet te informeren en de onzekerheid te laten voortbestaan. 3.52 Onderdeel 4.2 stelt dat, voor zover het “dan ook niet onjuist”-oordeel mede berust op hetgeen het hof voorts oordeelt in rov. 4.2.6 (te weten dat van misleidende mededelingen aan het publiek ook geen sprake was), het eerstgenoemde oordeel mede gevitieerd wordt door hetgeen waarover onderdeel 4.3 klaagt. 3.53 Onderdeel 4.3 klaagt dat onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is ’s hofs oordeel in rov. 4.2.6 dat van misleidende mededelingen aan het publiek geen sprake is. Volgens het onderdeel past het hof ten onrechte het maatman-criterium toe. Als dat criterium wel van toepassing is, valt niet in te zien waarom de beleggers de mededelingen van de minister niet hebben mogen opvatten als een signaal dat er voor Fortis geen gevaar meer te duchten was. 3.54 Onderdeel 4.4 klaagt dat het hof ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat beleggers de uitlatingen van de minister op zondag niet mochten opvatten dat er geen gevaar meer te duchten was. Die uitlatingen komen er immers op neer dat de dreiging van een faillissement was geweken. 3.55 Onderdeel 4.5 stelt dat het hof, mede gezien het vorige onderdeel, niet (naar behoren) heeft gerespondeerd op de in onderdeel 4.1 vermelde stellingen. Vooral het oordeel dat beleggers de uitlatingen van de minister niet mochten opvatten als een signaal dat er voor Fortis geen gevaar meer te duchten was gaat langs deze stellingen heen. 3.56 Onderdeel 4.6 richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof in rov. 4.2.7, dat evenmin van de minister had kunnen worden verwacht dat hij – reeds op zondagavond – een voorbehoud zou maken inhoudend dat er mogelijk zwaardere maatregelen noodzakelijk waren. Het onderdeel is uitgewerkt in de onderdelen 4.6.1 t/m 4.6.
- 3.57 Onderdeel 4.6.1 klaagt dat, voor zover het bestreden oordeel zou steunen op de overweging dat niet gebleken is dat de Staat reeds op zondagavond met dat scenario rekening diende te houden, het bestreden oordeel onbegrijpelijk is. 3.58 Onderdeel 4.6.2 klaagt opnieuw over de toepassing door het hof van het maatman-criterium. 3.59 Onderdeel 4.6.3 klaagt over ’s hofs oordeel dat van de ‘maatman-belegger’ moet worden verwacht dat hij begrijpt dat de uiteindelijke effecten van de reddingsoperatie niet op voorhand voorspeld konden worden, ook zonder dat de minister zich daarover uitlaat. Het hof heeft hiermee volgens onderdeel 4.6.3 miskend dat de minister nu eenmaal – onjuiste – mededelingen heeft gedaan over de financiële toestand bij Fortis. 3.60 Onderdeel 4.6.4 klaagt over de onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat het voor de ‘ maatman-belegger’ duidelijk geweest is of had moeten zijn dat het ging om overhaaste maatregelen. Het hof heeft hiermee ook art. 24 Rv geschonden omdat niet is gesteld dat die duidelijkheid er voor de beleggers was. 3.61 Onderdeel 4.6.5 klaagt dat het hof ten onrechte en/of onvoldoende gemotiveerd zijn oordeel over het voorbehoud laat steunen op de overweging dat de Staat duidelijk heeft gemaakt dat de reddingsoperatie gericht was op het veiligstellen van de stabiliteit van het bancaire systeem en op het herstel van het vertrouwen in Fortis van rekeninghouders en andere banken, alsmede op de overweging dat beleggers uit de uitlatingen niet konden opmaken dat de Staat met de eerste reddingspoging tevens beoogde de beurskoers te beïnvloeden. Dit laatste neutraliseert niet het verwijt dat de mededelingen onjuist en onvolledig waren. De uitlatingen hadden als effect dat de beleggers op basis hiervan beleggingsbeslissingen hebben genomen. De genoemde overwegingen kunnen volgens het onderdeel het oordeel over het voorbehoud daarom niet dragen. 3.62 Met onderdeel 5 betogen FortisEffect c.s. dat hetgeen waarover onderdeel 4 klaagt, tevens rov. 4.2.8 raakt, waar het hof heeft overwogen dat hetzelfde zou hebben te gelden voor de mededelingen die op maandag 29 september 2008 op de overheidswebsites zijn geplaatst. 3.63 Voordat ik op deze klachten inga, merk ik het volgende op. 3.64 Het hof heeft bij zijn oordeel over de onjuistheid en/of misleidendheid (in de zin van art. 5:58 Wft) van de door de Staat gegeven informatie mijns inziens het juiste criterium toegepast. Het hof heeft namelijk beoordeeld of de mededelingen van voldoende materieel belang waren om de beleggingsbeslissing van de ‘maatman-belegger’ te kunnen beïnvloeden. Het hof heeft hierbij de context waarin de mededelingen zijn gedaan, betrokken. 3.65 De uitvoering van de beoordeling door het hof is feitelijk. In cassatie kan daarom alleen worden getoetst of het oordeel van het hof voldoende begrijpelijk is. 3.66 Het hof heeft overwogen dat de gegeven informatie moet worden begrepen tegen de achtergrond van het feit dat in het weekend van 27 en 28 september 2008 het faillissement van Fortis een reële dreiging vormde, en breder, tegen de achtergrond van de ernstige mondiale bankencrisis. In dat licht heeft het hof de mededelingen niet onjuist en niet misleidend geacht. 3.67 Ik vind de bestreden oordelen van het hof niet onbegrijpelijk. Ten eerste ligt het mijns inziens voor de hand dat de – ongekend ernstige – crisissituatie van invloed is geweest op hoe de ‘maatman-belegger’ de mededelingen van de minister heeft kunnen begrijpen. Dat de Staat in grote haast heeft moeten besluiten tot een miljardeninvestering in Fortis geeft aan hoe ernstig de situatie was. 3.68 Voorts kan ik billijken dat het hof betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat uit de gegeven informatie blijkt dat deze niet slechts voor de beleggers bedoeld was. De boodschap was veeleer dat de spaarders en rekeninghouders er vanuit konden gaan dat hun geld veilig was en daarnaast dat de financiële stabiliteit binnen Nederland en Europa was gewaarborgd. Ook dit heeft mijns inziens logischerwijs invloed gehad op hoe de ‘maatman-belegger’ de mededelingen van de minister heeft kunnen begrijpen. 3.69 Dat het hof de mededeling van de minister “Fortis is gered” niet onjuist heeft geacht, acht ik niet onbegrijpelijk. Dit geldt evenzo voor de soortgelijke termen die op de websites zijn gebruikt (bijvoorbeeld: “de problemen bij Fortis zijn opgelost”). Het hof heeft zijn oordeel nadrukkelijk geplaatst in de context van de reële dreiging van het faillissement van Fortis in het weekend van 27 en 28 september
- Díe onmiddellijke dreiging was afgewend. In zoverre was Fortis inderdaad gered en in zoverre waren de problemen inderdaad opgelost. Dat er geen zekerheid bestond dat de reddingsactie het beoogde effect zou hebben, maakt de bewuste uitlatingen nog niet onjuist en/of misleidend. Ik wijs er hierbij bovendien op dat de ‘maatman-belegger’ had behoren te begrijpen dat de Staat niet anders kon dan het vertrouwen uitstralen dat de reddingsoperatie effectief zou zijn (zie ook de inleiding, onder 3.22). 3.70 FortisEffect c.s. hebben (bij onderdeel 4.1 onder i) nog aangevoerd dat zij hebben gesteld dat de informatie feitelijk onjuist was omdat de op zondag 28 september 2008 gemaakte afspraken een definitief karakter ontbeerden. Ik merk hierover op dat het hof in rechtsoverweging 4.2.3 de stelling van FortisEffect c.s. dat op zondag 28 september 2008 nog geen volwaardige overeenkomst bestond