Nr. 15/05874 Mr. L. Timmerman Parket 29 januari 2016 Conclusie inzake [verzoekster] (hierna: [verzoekster] ) 1. Ten aanzien van [verzoekster] is bij vonnis van 26 april 2012 van de rechtbank Rotterdam de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van 29 april 2015 heeft de rechtbank de looptijd van deze regeling verlengd met een half jaar, dus tot 26 oktober 2015. In het tegen dat vonnis door [verzoekster] ingestelde hoger beroep heeft het hof Den Haag het bestreden vonnis bekrachtigd. De rechtbank heeft bij vonnis van 30 oktober 2015 aan [verzoekster] de schone lei onthouden. Op het hoger beroep van [verzoekster] heeft het hof bij arrest van 15 december 2015 het bestreden vonnis bekrachtigd. Tegen die laatstgenoemde beslissing is het, tijdig ingestelde, cassatieberoep gericht. 2.1 Onderdeel 1 klaagt dat het hof in rov. 5 ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, althans dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Hoewel het onderdeel algemener is geformuleerd ziet het in de kern op het oordeel van het hof inzake de sollicitatieplicht (in rov. 6). Het onderdeel voert aan dat uit de rapportage van Bouman GGZ van 26 oktober 2015 volgt dat [verzoekster] ziek is, zodat zij niet in staat is om te werken of om aan haar sollicitatieplicht te voldoen. Hiermee gaat het onderdeel er aan voorbij dat de omstandigheid dat [verzoekster] diverse psychische en somatische klachten heeft niet dwingt tot de conclusie dat zij ook (volledig) arbeidsongeschikt is of niet in staat zou zijn om te solliciteren, zoals het hof terecht overweegt. Het was aan [verzoekster] om dergelijke arbeidsongeschiktheid / onmogelijkheid tot solliciteren aan te tonen, en niet – zoals het cassatieverzoekschrift kennelijk meent – aan het hof om uit te leggen waarom [verzoekster] wél deels kon werken / solliciteren. 2.2 Het slot van het onderdeel bevat een betoog over de kansen van een zieke aspirant-werknemer op de (huidige) arbeidsmarkt. Dit betoog betreft een ontoelaatbaar novum in cassatie. Het hof was ook niet gehouden om deze omstandigheid ambtshalve bij de beoordeling te betrekken, zoals nog (zonder verdere toelichting) wordt aangevoerd. 3. Met onderdeel 2 wordt ten strijde getrokken tegen het oordeel van het hof in rov. 6 dat, samengevat, [verzoekster] op de hoogte was van de mogelijkheid om bij de rechter-commissaris een verzoek in te dienen voor vrijstelling van de sollicitatieplicht, maar zij niet tijdig de benodigde stukken heeft ingediend waaruit gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid blijkt. Voorop zij gesteld dat deze overweging van het hof in de redenering van het hof niet dragend is voor de conclusie dat [verzoekster] haar sollicitatieplicht heeft geschonden, zodat de klachten reeds daarom niet tot cassatie kunnen leiden. Daarnaast stuiten de klachten ook af op hetgeen hiervoor onder 2. is opgemerkt over de rapportage van GGZ Bouman en de conclusies die daaruit getrokken kunnen worden. 4. Het hof heeft voorts geoordeeld dat [verzoekster] tekort is geschoten met betrekking tot haar verplichting tot het treffen van regelingen met haar schuldeisers. Dat oordeel is gebaseerd op twee overwegingen die dit oordeel ieder zelfstandig dragen, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.