15/05947 mr. G.R.B. van Peursem 18 februari 2016 Conclusie in de zaak van: [verzoeker], (hierna: [verzoeker]), verzoeker tot cassatie. 1. Rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 28 oktober 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling, die op 11 juni 2014 ten aanzien van [verzoeker] was uitgesproken, op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd. De rechtbank was van oordeel dat er feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen (art. 350 lid 3 aanhef en onder f Fw). 2 [verzoeker] is op 4 november 2015 hiertegen in hoger beroep opgekomen. Op 15 december 2015 is de zaak mondeling behandeld. Bij arrest van 22 december 2015 is het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen: “5. Vooropgesteld wordt dat de informatieplicht van de schuldenaar een van de kernverplichtingen is in de schuldsaneringsregeling. Gelet op de strekking van de schuldsaneringsregeling rust op de schuldenaar een algemene verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Deze informatieplicht is naar het oordeel van het hof ook van elementair belang in het stadium van de aanvraag om toegelaten te worden tot de regeling, waarbij de rechter een oordeel moet geven op basis van informatie die (doorgaans uitsluitend) van de schuldenaar afkomstig is. Het niet nakomen van deze verplichting kan aanleiding geven tot de (tussentijdse) beëindiging van de regeling. Voorts heeft te gelden dat de schuldenaar bij zijn toelatingsverzoek open kaart moet spelen over zijn schuldenlast en eventuele baten. Hij dient door ondertekening van zijn toelatingsverzoek in te staan voor de juistheid en volledigheid van de aangeleverde informatie. 6.1. Vaststaat dat [verzoeker] niet eigener beweging bij of kort na zijn toelating melding heeft gemaakt van zijn pensioenpolis(sen). De bewindvoerder heeft hierover pas vernomen van de ex-echtgenote van [verzoeker], die naast [verzoeker] voor de helft van het verzekerde kapitaal van ruim € 286.000.- begunstigde is op de polis. Het betoog van [verzoeker] dat hij de pensioenpolissen simpelweg was vergeten, omdat de polissen niet afkoopbaar zijn en hij daar geruime geen post over heeft ontvangen, wordt door het hof verworpen. Terecht heeft de bewindvoerder aangevoerd dat [verzoeker] met zijn arbeidsverleden wist of behoorde te begrijpen dat hij een pensioenpolis met een aanzienlijke waarde had moeten melden, waarbij het hof nog betrekt dat deze al op afzienbare termijn, in juli 2019, tot uitkering komt. Ook het betoog van [verzoeker] dat op de van de bewindvoerder ontvangen “Checklist huisbezoek” niet gevraagd wordt naar pensioenverzekeringen, wordt door het hof gepasseerd, nu op deze lijst wel expliciet gevraagd wordt naar levens- en overlijdensrisicoverzekeringen en overige verzekeringen. Door geen melding te maken van de polis werd de bewindvoerder de mogelijkheid onthouden te onderzoeken in hoeverre de polis te gelde gemaakt zou kunnen worden. 6.3 . Door de bewindvoerder is nog aangevoerd dat hij de in correspondentie en verslagen aan [verzoeker] verzochte nadere informatie over zowel zijn pensioenpolis(sen) als de veroordeling in het tekort in het faillissement van [A] B.V. niet heeft ontvangen. Voorts blijkt dat de bewindvoerder vanwege ontbrekende informatie de exacte boedelachterstand nog niet heeft kunnen berekenen. 6.4. Gelet op het hiervoor overwogene is [verzoeker] ernstig tekortgeschoten in zijn informatieverplichting tijdens de looptijd van de regeling. Het hof acht die tekortkoming ook toerekenbaar gelet op de herhaalde verzoeken van de bewindvoerder om nadere informatie. In hoger beroep is niet voldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] in verband met zijn (niet met een medische verklaring onderbouwde) psychische problemen geen verwijt treft van zijn tekortkomingen. Voor de subsidiair verzochte verlenging van de regeling ziet het hof geen aanleiding. 7. Het vorenstaande, dus het schenden van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht is voldoende grond voor tussentijdse beëindiging. Derhalve kan in het midden blijven of [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling zou zijn toegelaten indien hij melding zou hebben gemaakt van de pensioenpolis en de veroordeling tot vergoeding van het faillissementstekort.” 3 Namens [verzoeker] is een cassatieverzoekschrift ingediend dat op 29 december 2016 en derhalve binnen de door art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden is binnengekomen. Vervolgens is bij brief van 4 januari 2016 op een aantal typo’s in het verzoekschrift gewezen, en bij brief van 19 januari 2016 op het proces-verbaal van de zitting van 15 december 2015 gereageerd. In deze laatste brief heb ik overigens geen aanvullende klachten kunnen ontwaren. 4 Het middel omvat vier onderdelen. Onderdeel 1 betoogt kort gezegd dat het hof heeft miskend dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.