Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.E.C.M. Niessen Advocaat-Generaal Conclusie van 17 mei 2016 inzake: Nr. Hoge Raad: 15/01851 Staatssecretaris van Financiën Nr. Gerechtshof: 13/00455 Nr. Rechtbank: AWB 12/5907 Derde Kamer A tegen Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2012 [X] 1Inleiding 1.1 Bij brief van 2 augustus 2011 heeft [X] (hierna: belanghebbende) te [Z] op de voet van artikel 3.65 Wet IB 2001 verzocht om een beschikking geruisloze omzetting ter zake van zijn onderneming – bestaande uit zijn participatie in het ‘ [A] ’ (hierna: het Fonds of het FGR) – in [B] B.V. De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking van 7 juni 2012 afgewezen. 1.2 De Inspecteur heeft die beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2012 gehandhaafd. 1.3 Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij rechtbank Noord-Holland (hierna: de Rechtbank). Bij uitspraak van 5 juli 2013 heeft de Rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake het verzoek tot geruisloze omzetting niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard, zij het – vanwege het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar – met veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof). De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 12 maart 2015 heeft het Hof het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard. 1.5 De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft niet gerepliceerd. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep in cassatie schriftelijk beantwoord. Belanghebbende heeft niet gerepliceerd. 1.6 Het geschil in het (principale) beroep in cassatie betreft de vraag of het Hof terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende rechtstreeks verbonden werd voor verbintenissen van de onderneming van het Fonds en om die reden zijn belang in de onderneming geruisloos mag inbrengen in een B.V. Tevens is in geschil of het Hof terecht heeft vastgesteld dat (de economische eigendom van) [N] (hierna: het schip) op 26 april 2011 aan het Fonds is geleverd. 1.7 Het geschil in het incidentele beroep in cassatie betreft de vraag of een door belanghebbende verzochte interne rapportage van de Belastingdienst kwalificeert als een op de zaak betrekking hebbend stuk dat door de Inspecteur dient te worden overgelegd. Tevens is in geschil of het Hof terecht heeft geoordeeld dat aan belanghebbende niet een meer dan forfaitaire proceskostenvergoeding toekomt tegen 'factor 1'. Tenslotte is in geschil of het Hof, ondanks een daartoe strekkend verzoek, terecht geen vergoeding heeft toegekend voor de door belanghebbende ingeschakelde opiniërend deskundige. 1.8 De indeling van deze conclusie is als volgt: 1 Inleiding 2 De feiten en het geding in feitelijke instanties 3Het geding in cassatie 4 Wet, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur met betrekking tot verbondenheid A Wetgeving B Parlementaire behandeling C Jurisprudentie D Literatuur 5 Wet, jurisprudentie en literatuur met betrekking tot personenvennootschappen A Wetgeving B (Parlementaire toelichting bij) het ingetrokken Wetsvoorstel titel 7.13 BW C Jurisprudentie D Literatuur i. Ontstaan van samenwerkingsverband met of zonder akte ii. Constitutieve eisen: algemeen iii. Constitutieve eis maatschap/vof: affectio societatis iv. Constitutieve eis maatschap/vof: inbreng v. Constitutieve eis vof: deelname aan rechtsverkeer onder gemeenschappelijke naam vi. Geen constitutieve eis: inschrijving in de KvK vii. Gevolgen: aansprakelijkheid E. Jurisprudentie met betrekking tot het economische eigendom van een zaak 6 Stukken van het geding en proceskostenvergoeding A Jurisprudentie inzake procederen ‘tegen beter weten in’ B Jurisprudentie inzake stukken van het geding C Jurisprudentie wegingsfactor proceskostenvergoeding D Wet- en regelgeving en jurisprudentie deskundigenrapport 7 Commentaar bij onderhavige uitspraak en uitspraken betreffende andere participanten in het FGR A Commentaar bij onderhavige uitspraak B Uitspraken in vergelijkbare zaken van andere participanten in hetzelfde Fonds 8 Beschouwing en beoordeling van de middelen in het principale beroep in cassatie A Middel 1 i. De participanten kunnen onderling niet afdwingen dat zij aan hun inbrengverplichting voldoen. ii. De investerende participanten treden niet op in het rechtsverkeer iii. Er is geen regeling voor de draagplicht van participanten na aansprakelijkstelling door een van hen iv. De fondsvoorwaarden zelve melden dat geen sprake is van een vof v. Oprichtingsakte en inschrijving handelsregister vi. In de stukken wordt het adjectief “besloten” gebruikt voor het samenwerkingsverband B Middel 2 9 Beschouwing en beoordeling van de middelen in het principale beroep in cassatie A Middel 1 B Middel 2 C Middel 3 10 Conclusie 2De feiten en het geding in feitelijke instanties Feiten 2.1 Belanghebbende heeft een participatie in het Fonds van 12,45%. Het nemen van de participatie is geschied door akkoord te gaan met de Fondsvoorwaarden ter instelling van het [A] , welke voorwaarden onderdeel uitmaken van de door zowel de Rechtbank als het Hof vastgestelde feiten. In deze Fondsvoorwaarden, waarbij ook de beheerder ‘ [D] B.V.’ en de bewaarder ‘ [C] B.V.’ partij zijn, wordt de verdeling van de bevoegdheden tussen de partijen bij het Fonds geregeld. Voor de letterlijke tekst van de voorwaarden (en van de overeenkomsten die ik in de navolgende onderdelen beschrijf) zij verwezen naar de uitspraak van het Hof. In deze conclusie volsta ik met de volgende puntsgewijze opsomming van een deel van de aangelegenheden die in de Fondsvoorwaarden wordt geregeld: - Met het instellen van het Fonds wordt niet beoogd een maatschap, vennootschap onder firma (hierna: vof) of commanditaire vennootschap (hierna:
(1)kapitaalvennootschap houdt? Is er voldoende affectio societatis in de receptuur, of leidt de suprematie van de Amerikaanse moeder tot de conclusie dat de ‘special purpose vehicle’ die de beherend vennoot mag zijn onvoldoende op voet van gelijkheid kan functioneren? De opiniemaker zal proberen om zijn twijfels weg te schrijven in zogenaamde ‘assumptions’, aannames, en een goede tegenspeler in Amerika neemt daar vaak geen genoegen mee. 5.38 Ook Mathey-Bal bespreekt de eis van affectio societatis en daarbij het belang van gelijkwaardigheid bij de beoogde samenwerking: De maatschap is een affectio societatis, wat betekent dat het de uit de inhoud van de overeenkomst af te leiden wil van de vennoten is om met elkaar samen te werken op voet van gelijkheid of ‘dat partijen beoogden, tussen hen een verhouding als van vennoten te doen ontstaan’. Beter lijkt het mij om te spreken van ‘gelijkwaardigheid’. Samenwerking op voet van gelijkheid betekent niet dat de posities van de verschillende vennoten volstrekt gelijk moeten zijn, maar belangrijk is dat er geen sprake is van ondergeschiktheid van de ene vennoot aan de andere. Een ongelijke winstverdeling, het bestaan van senior- en juniorvennoten en zelfs de bevoegdheid van de seniorvennoot om de vennoot aan de juniorvennoot op te zeggen, zijn geoorloofd. iv. Constitutieve eis maatschap/vof: inbreng 5.39 Van Olffen beschrijft dat inbreng in vele vormen kan geschieden. Daarnaast onderbouwt hij waarom volgens hem de “overige” maten individueel en daarmee ook gezamenlijk in rechte nakoming kunnen eisen van een maat die niet aan zijn inbrengverplichting voldoet: Wat, indien één der partijen zijn belofte niet nakomt? Art. 1662 bepaalt, dat iedere vennoot aan de maatschap verschuldigd is al hetgene hij beloofd heeft daarin te zullen inbrengen. Alhoewel de maatschap geen partij is bij de overeenkomst – zij is zelf de overeenkomst –kan zij, dat wil zeggen, de gezamenlijke vennoten, krachtens dit artikel wel nakoming eisen. Sinds de wijziging in 1934 van art. 5 lid 3 sub 2 Rv kan de maatschap, anders dan de vof en de cv, echter niet meer zelfstandig als procespartij eisend optreden. Door HR 5 november 1976, NJ 1977, 586 (Moret Gudde Brinkman), is het bij de openbare maatschap wel mogelijk in de dagvaarding ten behoeve of ten laste van de vennootschap de naam te vermelden waaronder zij deelneemt aan het rechtsverkeer in plaats van de namen der afzonderlijke vennoten. Zo kan de maatschap, beschouwd als de “verzameling” van de individuele vennoten, in rechte optreden. De maatschap is niet als zodanig procespartij. Eenzelfde rechtsfiguur kan gezien worden bij het optreden in rechte van gezamenlijke erfgenamen onder een collectieve aanduiding (art. 184 Rv.). Deze zienswijze heeft tot gevolg dat de partijen die de niet-inbrengende vennoot in rechte willen aanspreken dit niet “als maatschap” kunnen doen. Immers, de maatschap is dan niet de verzameling der individuele vennoten. Eén ontbreekt er. Art. 1662 is, voor wat de maatschap betreft, sinds 1934 een dode bepaling. De vraag of de individuele vennoten nakoming van de verplichting tot inbreng kunnen vorderen, moet bevestigend beantwoord worden; zulks vloeit voort uit art. 6.1.3.1. lid 2 NBW dat bij een pluraliteit van crediteuren met betrekking tot een recht op een prestatie dat in een gemeenschap valt de gezamenlijke crediteuren één vorderingsrecht hebben; deze bepaling richt zich echter op het geval dat een derde debiteur is en kan in de onderhavige situatie niet van toepassing zijn. Conclusie is, dat zowel bij de stille maatschap als bij de openbare maatschap de “overige” maten individueel en daarmee ook gezamenlijk in rechte nakoming kunnen eisen. Maeijer en Mohr nemen in deze een afwijkend standpunt in. Zij zijn van mening dat zowel de stille en openbare maatschap als zodanig, als de individuele in rechte kunnen optreden tegen de maat die zijn verplichting niet nakomt. 5.40 Wery meent dat de inbreng afgedwongen kan worden door zowel de medematen van de nalatige als door de maatschap, vertegenwoordigd door de gezamenlijke maten: Over deze nogal theoretische vraag – met een maat die zijn allereerste verplichting, al niet nakomt zal de ‘samenwerking’ meestal maar beëindigen – lopen de meningen uiteen. Naar mijn mening kan nakoming worden gevorderd: 1o door de medemaat of de medematen van de nalatige. Zij hebben de verbintenis met hem aangegaan en hebben dus recht op nakoming. Zijn er twee of meer medematen, dan hebben zij volgens art. 6:15 lid 2 het vorderingsrecht niet ieder afzonderlijk, maar slechts gezamenlijk omdat het recht op de prestatie in de maatschapsgoederengemeenschap valt. Het karakter van de inbreng brengt mee dat de medemaat of de medematen de inbreng niet voor zichzelf kunnen vorderen, maar slechts ten behoeve van de maatschap; 2o door de maatschap, dus door de gezamenlijke maten. Daar de inbrengprestatie aan de maatschap moet worden verstrekt kan deze haar vorderen, zie art 3:296 lid 1 en 6:253. Een probleem hierbij is dat de nalatige maat dan zowel gedaagde als eiser is, wat procesrechtelijk onmogelijk lijkt. Een argument dat dit wel degelijk mogelijk is, ligt in het per 1 januari 1992 geschrapte 1667, dat o.a. inhield dat iedere vennoot jegens de maatschap gehouden is tot vergoeding van door zijn schuld veroorzaakte schade: een maat kan dus een schuld hebben aan de gezamenlijke maten, waaronder hijzelf, en dus moet de maatschap dan ook gerechtigd zijn de schuld op te vorderen. (De reden voor de schrapping had niet met deze kwestie te maken). Dit was ook het argument van de Hoge Raad in een van de arresten waarin hij oordeelde dat een vof tegen een eigen vennoot kan procederen: HR 6 april 1936, NJ 1936-425 (merk Simplexite): (…) 5.41 Van der Velden stelt dat pas sprake is van een personenvennootschap indien participanten in een FGR zich tegenover elkaar verplichten tot storting in de gemeenschap. Onder normale omstandigheden zal hiervan bij een FGR geen sprake zijn. Mogelijk is wel dat het geheel der verbintenissen tussen de beheerder, de bewaarder en de deelnemers noopt tot de conclusie dat toch sprake is van een dergelijke inbrengverplichting: De samenwerking tussen vennoten komt in het bijzonder tot uitdrukking in de inbreng. Kenmerkend voor een personenvennootschap is dat de vennoten zich krachtens de vennootschapsovereenkomst jegens elkaar verbinden tot inbreng in de vennootschap. De deelnemers in een fonds voor gemene rekening verplichten zich om gelden of goederen te storten in het fondsvermogen. Dat kan een verbintenis zijn zoals bedoeld in art. 7:800 en 805 BW. Daarvoor zou vereist zijn dat de deelnemers zich jegens elkaar verplichten tot storting. Geldt deze stortingsplicht uitsluitend tegenover de beheerder en de bewaarder, dan ontbreekt die onderlinge verplichting. De storting door de participanten is dan geen vennootschappelijke inbreng, ook als de participanten partij zijn bij dezelfde contractuele verhouding. Bij meerpartijenovereenkomsten kan een partij immers andere verbintenissen aangaan jegens de ene wederpartij dan jegens de andere. In de regel sluit degene die inschrijft op een uitgifte van deelnemingsrechten een overeenkomst tot toetreding met de beheerder of de bewaarder. In die toetredingsovereenkomst verplicht de deelnemer zich om een bedrag te storten in het fonds en verbinden de beheerder en de bewaarder zich om aan hem deelnemingsrechten in het fonds toe te kennen. In verband hiermee kan worden betoogd dat de inschrijvende deelnemer zich niet jegens de overige deelnemers verplicht, zodat er geen sprake is van een vennootschappelijke inbreng. Hij verplicht zich dan jegens de beheerder of de bewaarder om gelden of goederen aan de bewaarder over te dragen ten titel van beheer. Dit past in de ontstaansgeschiedenis van beleggingsfondsen, die immers haar wortels heeft in certificering. Op deze wijze zou de kwalificatie als personenvennootschap vrij eenvoudig zijn te ontgaan. Of dit helemaal “waterdicht” is, is niet zeker. Het is niet uit te sluiten dat een rechter onder omstandigheden toch oordeelt dat sprake is van (inbreng
- in)een personenvennootschap, gezien het geheel der verbintenissen tussen de beheerder, de bewaarder en de deelnemers. Indien een deelnemer in een fonds voor gemene rekening zich (ook) jegens de andere deelnemers in het fonds verplicht tot het opnemen van gelden en goederen daarin, kan die verbintenis worden aangemerkt als een inbreng in de zin van art. 7:800. In dat geval kan het fonds voor gemene rekening worden aangemerkt als een personenvennootschap indien ook aan de andere kenmerken is voldaan, zoals samenwerking tussen de vennoten. 5.42 Uit de uit artikel 7A:1655 BW volgende inbrengverplichting lijkt volgens Blanco Fernández te volgen dat deze constitutief is en tot natuurlijk gevolg heeft de vorming van een gemeenschap: Uit de tekst van de wet lijkt te volgen dat essentieel voor de overeenkomst van maatschap is dat de maten iets in gemeenschap inbrengen. Het gemeenschappelijke voordeel zou met behulp van de aldus gevormde gemeenschap dienen te worden behaald. Een letterlijke interpretatie van het artikel is echter minder juist. De vorming van een gemeenschap is een natuurlijk gevolg, maar geen constitutief vereiste van de overeenkomst (HR 2 september 2011, JOR 2011/361). Essentieel is alleen dat de vennoten zich verplichten tot realisatie van het gemeenschappelijke doel. Alleen voor zover uit de overeenkomst volgt dat realisatie van het doel dient te geschieden met behulp van een daartoe bestemde gemeenschap is een dergelijke gemeenschap vereist. Waar het om gaat is dat het voordeel behaald wordt met behulp van hetgeen de vennoten inbrengen, ongeacht wat deze inbreng inhoudt. Zie verder het commentaar op art. 1662. 5.43 Blanco Fernández schrijft dat op iedere vennoot de verplichting tot inbreng rust en dat de inhoud van die verplichting afhankelijk is van hetgeen vennoten – blijkens de relevante overeenkomsten – zijn overeengekomen. Vervolgens gaat hij in op de vraag wie de inbreng kunnen vorderen en wat de gevolgen van niet-nakoming zijn: Het is omstreden wie nakoming van de verbintenis kan vorderen. Betoogd kan worden dat de gehoudenheid van de inbrengende vennoot jegens de vennootschap bestaat en dat daarom alleen de tot vertegenwoordiging van de vennootschap bevoegde persoon, en niet iedere vennoot, nakoming kan vorderen. (…) Niet behoorlijke nakoming van de verplichting tot inbreng leidt tot aansprakelijkheid van de wanpresterende vennoot. Mogelijk is de wanprestatie een grond om de vennootschap aan die vennoot op te zeggen. Voor zover de inbreng een wezenlijk karakter heeft voor de vennootschap en nakoming blijvend onmogelijk is, zal iedere vennoot ontbinding van de vennootschap wegens gewichtige redenen kunnen vorderen (art. 1684). 5.44 Meijers is stellig ten aanzien van het antwoord op de vraag wie nakoming van de inbrengverplichting kunnen vorderen: Iedere maat en de maatschap kan nakoming van de inbrengverplichting in rechte afdwingen; het gegeven dat art. 1662 oud-BW, waarin o.m. werd bepaald dat ‘iedere vennoot aan de maatschap verschuldigd (
- is)al hetgeen hij beloofd heeft daarin te zullen inbrengen’ per 1 januari 1992 wegens overbodigheid werd geschrapt, doet daaraan natuurlijk niet af. 5.45 Tervoort betoogt daarentegen dat het één en ander niet in steen is gebeiteld: Omstreden is of een dergelijke rechtsvordering ook door iedere individuele vennoot, optredend in naam van de vennootschap, kan worden ingesteld. Voor het aannemen van zulk een bevoegdheid pleit dat hiermee het in rechte afdwingen van medewerking van een onwillige vennoot op grond van de redelijkheid en billijkheid overbodig wordt. De wet bepaalt hierover niks, en de Hoge Raad heeft zich hierover nog niet kunnen uitspreken. (…) Met de heersende leer meen ik dat deze mogelijkheid voor ons recht moet worden aanvaard. 5.46 Mathey-Bal wijst erop dat de voor maten c.q. vennoten verplichte inbreng een causaal verband behoort te hebben met het vermogensrechtelijke voordeel waarop het bestaan van de maatschap c.q. vof is gericht: Iedere vennoot is verplicht om geld en/of arbeid in te brengen als middel om het beoogde voordeel te behalen. Het voordeel is het oogmerk van de inbreng of, met andere woorden, tussen inbreng en voordeel moet een causaal verband bestaan: de Hoge Raad verwoorde dit in Rouma/Levelt als volgt: ‘dat derhalve voor het begrip inbrengen (van geld of andere goederen of nijverheid) in een maatschap (iets in gemeenschap brengen), in den zin der wet, kenmerkend is het doel van den inbrenger middelen te verschaffen ten dienste van het gemeenschappelijk winstdoel’. (…) niet de daadwerkelijke (bijv. goederenrechtelijke) inbreng, maar het op zich nemen van de verplichting tot inbreng is vereist. Niet ieders inbreng hoeft even groot te zijn; de waarde van wat een vennoot daadwerkelijk heeft ingebracht is, behoudens een andersluidende afspraak, wél relevant voor de verdeling van winst en verlies. v. Constitutieve eis vof / openbare maatschap: deelname aan rechtsverkeer onder gemeenschappelijke naam 5.47 Van Olffen meent dat het plegen van incidentele bedrijfshandelingen onder gemeenschappelijke naam nog niet tot gevolg heeft de voor een vof vereiste deelname aan het rechtsverkeer onder gemeenschappelijke naam: Nog moeilijker is het onderscheid tussen het plegen van incidentele bedrijfshandelingen onder gemeenschappelijke naam en het uitoefenen van een bedrijf. Slechts in het laatste geval is er sprake van een vennootschap onder firma. Ook naar positief recht kan bezwaarlijk met de criteria een juridisch verantwoord onderscheid gemaakt worden. 5.48 Asser-Maeijer beschrijft voor de openbare maatschap – ‘een maatschap die op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt’ – het belang en de invulling van een gemeenschappelijke en extern duidelijk kenbare naam. Ook wordt aangegeven dat impliciete vertegenwoordiging van de openbare maatschap door één van de maten eerder aangenomen kan worden dan bij een stille maatschap: (…) of in de termen van art. 7.13.1.2 lid 1: een vennootschap die handelt onder gemeenschappelijke naam. Naar verkeersopvatting moet van één naam sprake zijn. Deze gemeenschappelijke naam kan zijn een fantasienaam, bijv. Pools-Hollandse Handelssociëteit of Pools-Hollands Syndicaat; hij kan ook zijn een samentrekking van de namen van de vennoten, bijv. Mrs. A en B, advocaten en procureurs of Accountantskantoor Jansen-Pietersen & Co. Deze eigennaam moet voor derden in het rechtsverkeer duidelijk kenbaar zijn. (…) bij een openbare vennootschap waarvan het bestaan aan de derde uit allerlei omstandigheden waaronder de vermelding van haar naam op het briefpapier, op de bankrekening etc. kan blijken, mag in het algemeen gesproken, eerder dan bij een stille maatschap worden aangenomen dat een vennoot die als zodanig optrad, ook stilzwijgend in naam van de maatschap c.q. mede in naam van de overige vennoten handelde. 5.49 Mohr heeft de openbare maatschap omschreven als: (…) de maatschap waarin op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder gemeenschappelijke naam een beroep wordt uitgeoefend. 5.50 Asser-Maeijer acht het daarnaast bij de stille maatschap mogelijk dat een vennoot incidenteel ‘in naam van de vennootschap’ optreedt, zij het dat dit slechts geldt in bijzondere omstandigheden: (…) Ook bij een stille maatschap (…) kan het voorkomen dat een vennoot als zodanig optreedt ‘in naam’ van de maatschap. Deze kan tegenover de derde echter niet met een gemeenschappelijke naam worden aangeduid. De vennoot zal uitdrukkelijk of stilzwijgend moeten optreden mede in naam van de overige vennoten als zodanig. Een dergelijk stilzwijgend optreden zal niet snel mogen worden aangenomen; onder bijzondere omstandigheden, bijv. wanneer eerder soortgelijke transacties mede ten name van de mede-vennoten zijn afgesloten, is het echter denkbaar. Zie voor een geval waarin bij, naar ik aanneem, een stille maatschap een in dienst zijnde werknemer mocht aannemen dat een maat jegens hem was opgetreden namens de maatschap: Pres. Rb. Zutphen 24 november 1981, KG1981,182. In de betreffende maatschapsovereenkomst was overigens uitdrukkelijk bepaald dat partijen bij hun praktijkuitoefening in maatschapsverband zelfstandig en onder volledig behoud van ieders persoonlijke verantwoordelijkheid (…) onder eigen naam naar buiten optreden. 5.51 Mohr heeft de stille maatschap omschreven als: (…) de maatschap tot uitoefening van beroep of bedrijf die niet op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt. 5.52 Stokkermans beschrijft het onderscheid tussen de openbare en stille maatschap. Hij adresseert voornamelijk de rechtsonzekerheid die kan heersen ten aanzien van de vraag of de maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt (in welk geval deze openbaar is): In de literatuur is door verschillende schrijvers gewezen op de rechtsonzekerheid rond dit criterium. Het voorbeeld van ‘Janssen & Pietersen, notarissen’ is genoemd. Is dat een gemeenschappelijke naam of gewoon de aanduiding van twee in maatschap samenwerkende personen? Gewezen is op de vennootschap die wel als zodanig naar buiten treedt, maar niet onder gemeenschappelijke naam. Mohr noemde dit de ‘halfstille’ vennootschap. Er zijn ook vragen gesteld rond de maatschap die nu eens onder gemeenschappelijke naam en dan weer onder de namen van de vennoten optreedt. 5.53 Meijers onderstreept het belang van het voeren van een gemeenschappelijke naam voor de constatering van de aanwezigheid van een vof en gaat in op de vraag wanneer sprake is van een gemeenschappelijke naam: De gemeenschappelijke naam waaronder een bedrijf wordt uitgeoefend bestaat dikwijls uit een combinatie van een aantal van de namen van vennoten of gewezen vennoten; vgl. art. 3 lid 3 Hnw. Ook de naam van één of meer der (vroegere) vennoten met enige toevoeging (‘Fa’, ‘& Co’, en ‘Zoon’, ‘Bro’s’, ‘Gebr.’, ‘de Erven’, of ‘v.o.f.’) die daaraan het kenmerk van een gemeenschappelijke naam geeft of een aantal Nederlandse of anderstalige woorden, met of zonder betekenis, kunnen als (firma)naam dienst doen. (..) Zoals gezegd is het hanteren van een gezamenlijke naam aanduiding – het handelen dus ten name van de met deze ‘firma’ aangeduide associatie – één der criteria (naast het uitoefenen van een bedrijf), waardoor de VOF van het WvK zich onderscheidt van de maatschap van het BW. Dat betekent dus dat vennoten, wanneer zij bij de uitoefening van een bedrijf niet voor een VOF willen worden aangezien, zullen moeten voorkomen dat zij tegenover derden de indruk wekken onder gemeenschappelijke naam te handelen. Wordt door hen onverhoopt, bij derden te goeder trouw, deze indruk toch gevestigd, dan zullen die derden, onder omstandigheden, jegens hen dienovereenkomstige aanspraken kunnen doen gelden op grond van toerekenbare schijn. Aangezien het gegeven dat van de rechtsvorm van een VOF gebruik wordt gemaakt niet in de gevoerde (handels)naam tot uitdrukking behoeft te worden gebracht en ook niet gezegd kan worden dat ‘een gemeenschappelijke naam’ een aanstonds herkenbaar verschijnsel is, blijven er steeds mogelijkheden voor misverstand en onzekerheid. In voorkomende gevallen moeten de verkeersopvattingen de doorslag geven. Uit het gegeven dat omtrent de betekenis van het begrip ‘gemeenschappelijke naam’ zo goed als geen jurisprudentie is ontstaan, kan worden opgemaakt dat de verkeersopvattingen dienaangaande blijkbaar redelijk eenduidig zijn. 5.54 Mathey-Bal gaat ook in op het belang van deelname aan het rechtsverkeer onder gemeenschappelijke naam en op de inhoud van deze kenbare deelname: Voor de kwalificatie als VOF is voorts van belang dat zij is aangegaan onder gemeenschappelijke naam. Het enkele vermelden in de vennootschapsovereenkomst van een naam is niet voldoende: onder die naam moet ook aan het rechtsverkeer worden deelgenomen op een voor derden duidelijk kenbare wijze. De vereiste gemeenschappelijke naam is dus een door de vennootschap als zodanig gevoerde naam. Deelname aan het rechtsverkeer impliceert overigens een zekere mate van activiteit van de zijde van de vennootschap; de enkele inschrijving van de naam van de vennootschap in het handelsregister is geen deelname aan het rechtsverkeer onder die naam. Een gemeenschappelijke naam is volgens Van Solinge: ‘slechts die naam die beoogt aan te duiden dat er een samenwerkingsverband bestaat, die de gezamenlijke bedrijfsuitoefening naar buiten beoogt te presenteren. Indien door de naam de indruk wordt gewekt dat de betrokken ondernemers als eenheid aan het economisch verkeer wensen deel te nemen, dan is er sprake van een gemeenschappelijke naam’ Dit kan een naam zijn die de ondernemingsactiviteiten aanduidt (De Groningse taartenbakkers), het kan een fantasienaam zijn (Café Hieperdepiep VOF) en de naam kan bestaan uit de namen van (een van) de vennoten (De Boer en Groot). Het is niet altijd duidelijk of een naam als zodanig (de eenheid/het samenwerkingsverband aanduidend) gevoerd wordt. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de naam bestaat uit de achternamen van de vennoten. Of van een gemeenschappelijke naam sprake is, hangt dan af van de verkeersopvattingen. Het achter elkaar vermelden van namen die niet (langer) corresponderen met de namen van de vennoten (bijvoorbeeld: Smits en Brouwer Belastingadvies bestaat uit tien vennoten van wie Smits er niet langer één
- is)wordt eerder opgevat als gemeenschappelijke naam waaronder aan het economisch verkeer wordt deelgenomen, dan een rijtje met namen van de huidige vennoten dat op het briefpapier is afgedrukt. Niet als gemeenschappelijke naam kwalificeerde een scheepsnummer dat werd vermeld op facturen van of aan de eigenaar van meer schepen. Het vermelden van het scheepsnummer duidde hier eerder op een manier om het ene schip te onderscheiden van het andere dan op het bestaan van een eenheid (samenwerkingsverband) die onder dat nummer naar buiten treedt. Uit de naam hoeft niet uitdrukkelijk te volgen dat het om een VOF of een samenwerkingsverband gaat. Opgemerkt dient nog te worden dat ‘gemeenschappelijke naam’ en ‘handelsnaam’ geen synoniemen zijn. De gemeenschappelijke naam is de naam van het samenwerkings-verband (dat is de vennootschap), terwijl de handelsnaam de naam van de onderneming (die in stand wordt gehouden door de vennootschap) is (art. 1 Handelsnaamwet). Eén onderneming kan meer handelsnamen voeren. Overigens wordt er wel vanuit gegaan dat een VOF altijd een handelsnaam voert en dat met ‘firma’ niet anders wordt bedoeld dan ‘handelsnaam’. Een handelsnaam zal al snel (mede) kunnen worden aangemerkt als de gemeenschappelijke naam waaronder de vennootschap waaronder de vennootschap aan het rechtsverkeer deelneemt. vi. Geen constitutieve eis: inschrijving in het handelsregister 5.55 Van Olffen stelt dat inschrijving in het handelsregister geen ontstaansvereiste is voor de vof: Dat de verplichte inschrijving in het handelsregister (art. 23) geen constitutief vereiste is, blijkt overduidelijk uit artikel 29. 5.56 Over de verplichting tot inschrijving van de vof in het handelsregister heeft Asser-Maeijer onder meer geschreven dat deze met name van belang is voor de reikwijdte van de vof: De verhouding tussen art. 29 K en art. 31 Handelsregisterwet (Hrgw.) moet aldus worden begrepen dat, zolang de v.o.f. in het geheel niet is ingeschreven in het handelsregister, zij overeenkomstig art. 29 K ten aanzien van derden wordt aangemerkt als algemeen voor alle zaken, als aangegaan voor een onbepaalde tijd en als geen der vennoten uitsluitend van het recht om voor de vennootschap te handelen en te tekenen. 5.57 Over de eis van inschrijving in de KvK is Mathey-Bal helder; dit vereiste is niet constitutief. Zij geeft aan waar deze eis voor bedoeld is en wat het gevolg ervan is: Het handelsregister beoogt door het voor derden kenbaar maken van belangrijke gegevens over ondernemingen de rechtszekerheid in het economisch verkeer en de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening te bevorderen (art. 2 Handelsregisterwet 2007 (Hrgw 2007)). (…); voor deze vennootschappen bestaat dus in beginsel steeds een