15/03346 Mr. P. Vlas Zitting, 3 juni 2016 Conclusie inzake: [eiser] , wonende te [woonplaats] (hierna: [eiser] ) tegen Evelyne Korn q.q. in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar buitenlands recht Daytona Investments S.A., gevestigd te Luxembourg (Luxemburg) hierna: (Daytona) Deze zaak heeft betrekking op de vraag wie eigenaar is van een omvangrijke collectie klassieke auto’s. De auto’s zijn door een middellijk vertegenwoordiger in het buitenland gekocht. 1. Feiten en procesverloop 1.1 De feiten en het procesverloop komen in het kort op het volgende neer. Daytona is een door Trust International Luxemburg in trust gehouden rechtspersoon, waarvan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) tot zijn overlijden op 1 januari 2006 enig begunstigde was. Na het overlijden van [betrokkene 1] is zijn voormalig partner [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) enig begunstigde geworden. 1.2 John [eiser] (hierna: [eiser] ) is de zoon uit een eerder huwelijk van [betrokkene 1] en directeur/enig aandeelhouder van Texag Amsterdam BV (hierna: Texag). 1.3 Texag houdt in haar bedrijfspand te Zaandam enige klassieke auto’s van onder meer de merken Ferrari, Maserati en Lancia, waaronder de in geschil zijnde auto’s die zijn vermeld op de in rov. 3.2 van het bestreden arrest weergegeven lijst (hierna: de lijst). Deze auto’s zullen hierna worden aangeduid met het desbetreffende nummer op de lijst. De waarde van de collectie bedraagt circa € 20.000.000,-. 1.4 Tussen partijen is een geschil ontstaan over onder meer de vraag wie eigenaar is van de op de lijst genoemde auto’s. 1.5 Texag heeft bij verzoekschrift van 28 juli 2006 aan de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem verlof gevraagd en gekregen om tot verhaal van een vordering op Daytona ter zake van onbetaald gebleven facturen onder meer conservatoir beslag onder zichzelf te kunnen leggen op de auto’s met nummers: 18, 25, 28, 29, 37, 38 en 39. 1.6 Op 16 augustus 2006 heeft de deurwaarder op verzoek van Daytona in het bedrijfspand van Texag conservatoir beslag gelegd op de auto’s met nummers: 1, 3, 5-7, 10, 13-18, 20-25, 27-29, 31, 32 en 36-39. 1.7 Op 13 augustus 2008 heeft de deurwaarder op verzoek van Texag ten laste van Daytona conservatoir beslag tot verhaal van haar vorderingen gelegd op de auto’s met nummers: 1, 2, 6, 7, 10, 13-18, 20-32, 33, 37, 38 en 39. 1.8 Op 18 augustus 2008 heeft de deurwaarder op verzoek van Texag en [eiser] ten laste van Daytona conservatoir beslag tot afgifte gelegd op de auto’s met nummers: 1, 3, 5-7, 10, 13-18, en 20-32. 1.9 De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 juli 2011, zoals hersteld bij vonnis van 3 augustus 2011, in conventie onder meer geoordeeld dat de op de lijst vermelde auto’s met nummers 1, 3, 5, 6, 10, 13-18, 20, 21, 23-25, 29, 30 en 36-39 eigendom van Daytona zijn. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de op de lijst vermelde auto’s met de nummers 36-39 eigendom zijn van Daytona (rov. 5.2). Ten aanzien van de auto’s met de nummers 1, 3, 5, 6, 10, 13-18, 20, 21, 23-25, 29 en 30 oordeelt de rechtbank dat deze alle door of met financiële middelen van [betrokkene 1] of één van zijn vennootschappen zijn gekocht. Tegen die achtergrond en gelet op de verklaringen van twee getuigen is de rechtbank van oordeel dat Daytona, na overdracht door [A] Ltd. (hierna: [A] ), ook eigenaar van die auto’s is geworden. De rechtbank acht de stelling van [eiser] , dat hij deze auto’s nadien van [betrokkene 1] geschonken heeft gekregen, niet bewezen (rov. 5.3). De rechtbank heeft Texag en [eiser] veroordeeld tot opheffing van het conservatoire beslag op de genoemde auto’s en tot afgifte aan Daytona van de op de lijst vermelde auto’s met nummers 3 en 5, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts worden Texag en [eiser] veroordeeld om aan Daytona mee te delen alle gegevens omtrent de reparatie van auto nummer 36 en mee te delen waar die auto zich bevindt, gestaafd met bescheiden. 1.10 In reconventie heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat [eiser] eigenaar is van auto nummer 7 en Texag eigenaresse van de auto’s met nummers 22, 27, 28, 31 en 32. Tevens is Daytona veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 152.679,93 voor reparatiekosten aan auto nummer 36. 1.11 [eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld (zaak met rolnummer 200.093.246/01). Daytona heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen hetzelfde vonnis (zaak met rolnummer 200.093.405/01). Bij arrest van 7 april 2015 heeft het hof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daarbij heeft het hof, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: ‘3.1 De centrale vraag in dit geding is wie eigenaar is van een aantal race- en sportauto’s uit een collectie die uit bijzondere, deels unieke en grotendeels erg dure auto’s bestaat. De collectie is voornamelijk opgebouwd door [eiser] en zijn vader, wijlen [betrokkene 1] (verder: erflater). Erflater, een vermogend man, is op 1 januari 2006 onverwacht overleden. Is eigenaar [eiser] , een van de twee zonen van erflater uit zijn door echtscheiding ontbonden huwelijk, dan wel Texag, een rechtspersoon waarvan [eiser] enig aandeelhouder is? Of rust de eigendom bij Daytona, een in trust gehouden rechtspersoon waarvan thans de enig economisch gerechtigde [betrokkene 2] is, tot het overlijden van erflater diens partner en de moeder van zijn drie jongste dochters? (…) In beide zaken 3.7. Het hof stelt vast dat de vraag naar de eigendom van de auto’s met nummers 2, 4, 7, 8, 9, 11, 12, 19, 22, 26, 28 en 33 tot en met 39 buiten het bestek van het hoger beroep valt. 3.8 Het hof benadrukt, waar nodig reeds rekening houdend met de devolutieve werking van het hoger beroep in geval een van de grieven zou slagen, dat kern van het geschil tussen partijen niet is of een verkoper de eigendom van een auto rechtsgeldig aan een koper heeft overgedragen, maar wie van partijen thans eigenaar is van de nog in geschil zijnde auto’s. Deze bevonden zich in een pand te Zaandam dat eigendom is van [B] B.V. (een vennootschap van - uiteindelijk - erflater) dat (zo volgt uit de getuigenverklaring van [eiser] ) in ieder geval mede voor het onderbrengen van de collectie is gebouwd, maar dat gedeeltelijk werd gehuurd door Texag, een vennootschap waarvan [eiser] grootaandeelhouder/bestuurder is. Dat brengt mee dat [eiser] de auto’s feitelijk in zijn macht heeft. Aan de orde bij de vraag naar de eigendom van de auto’s is dan, in welke hoedanigheid [eiser] ten opzichte van (de rechtsvoorganger van) Daytona de auto’s in zijn macht heeft gekregen: voor zichzelf, dan wel in enigerlei hoedanigheid als houder voor (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona. Deze vraag wordt krachtens artikel 10:127 BW beheerst door Nederlands recht, nu (daargelaten een enkele tijdelijke verplaatsing naar het buitenland voor revisie) alle auto’s zich in Nederland bevinden. 3.9 Het hof overweegt op voorhand dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden wordt aangenomen dat er een zeer nauw verband bestaat tussen erflater en Daytona (waarvan erflater de economisch gerechtigde was) alsook tussen erflater en de relevante rechtsvoorgangsters van Daytona, zoals [A] Ltd (hierna: [A] ), en niet gebleken is dat het onderscheid tussen deze verschillende (rechts)personen door iets anders geïnspireerd is dan het regelen van bepaalde fiscale gevolgen. Dat zeer nauwe verband brengt naar het oordeel van het hof mee dat voor de in deze procedure opgeworpen vraag wie eigenaar is van de in geschil zijnde auto’s, geen onderscheid zal worden gehanteerd tussen erflater en voornoemde vennootschappen omdat, mede gezien de familieverhoudingen tussen erflater en diens zes kinderen en [betrokkene 2] , een beroep op onderscheiden (rechts)persoonlijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 3.10 De vraag naar de eigendom zal moeten worden beantwoord aan de hand van de door partijen naar voren gebrachte feiten en omstandigheden die zij te bewijzen hebben aangeboden en de onderbouwing die zij hebben verstrekt. (…) in de zaak met rolnummer 200.093.256/01 [lees: 200.093.246/01, A-G] (…) 3.22 [eiser] beroept zich er op dat de financiering door of namens Daytona niet meebrengt dat zij eigenaar is en dat uit de autobescheiden (zoals koopovereenkomsten, kentekenbewijzen, polisbladen, etc.) en andere documenten (zoals brieven van derden) volgt dat de eigendom van iedere individuele auto aan hem is overgedragen, en niet aan Daytona of haar rechtsvoorgangster [A] . Dat administratieve bescheiden op naam van [eiser] staan en/of derden uit de feitelijke omstandigheden hebben afgeleid dat [eiser] of Texag van een bepaalde auto eigenaar is, moet naar het oordeel van het hof echter worden bezien in het licht van de – uit de hierboven onder r.o. 3.11 geciteerde brochure blijkende – rol van Texag met betrekking tot de collectie, die bestaat uit dienstverlening aan (uiteindelijk) Daytona door het kopen en verkopen, onderhouden, exploiteren door het deelnemen aan wedstrijden en het administreren van de auto’s. Met die dienstverlenende (doch niet op eigendomsverkrijging gerichte) rol strookt dat auto’s op naam van [eiser] /Texag werden gesteld en dat die namen als koper op koopovereenkomsten zijn vermeld, dan wel anderszins op documentatie voorkomen, maar die tenaamstelling als zodanig bevat onder de gegeven omstandigheden geen voldoende aanknopingspunt voor de eigendom. 3.23 Het hof leidt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, af dat [eiser] bij de overdracht aan hem of aan Texag van de auto’s niet voor zichzelf, noch voor Texag handelde maar – krachtens overeenkomst – voor de rechtspersoon die erflater daarvoor aanwees en die uiteindelijk Daytona is geworden. Dat laatste volgt uit de onvoldoende gemotiveerd bestreden omstandigheid dat erflater de balansen van Daytona, waarop de auto’s voorkomen, heeft goedgekeurd. [eiser] is dan ook voor (uiteindelijk) Daytona gaan houden, en niet voor zichzelf. 3.24 Voor zover [eiser] zich nog heeft beroepen op de verklaring van erflater [ [betrokkene 1] , A-G] d.d. 26 februari 2004 heeft te gelden dat Daytona de echtheid van de handtekening onder deze verklaring gemotiveerd heeft betwist en deze betwisting door overlegging van een verklaring van een deskundige heeft onderbouwd. Daarop heeft [eiser] niet (voldoende) gereageerd, zodat het beroep op dat document [eiser] niet meer kan baten’. 1.12 [eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 7 april 2015 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Daytona heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek. 1.13 Daytona is op 27 november 2015 failliet verklaard. De curator, mr. Evelyne Korn, heeft verklaard de onderhavige procedure over te nemen. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel bestaat, na een inleiding, uit vijf onderdelen en is gericht tegen rov. 3.8, 3.9, 3.19, 3.21-3.27 en 3.42 van het bestreden arrest. 2.2 De kern van het onderhavige geschil is door het hof in rov. 3.1 van het bestreden arrest bondig samengevat: wie is eigenaar van de collectie auto’s? Is dat [eiser] of Texag, of komt de eigendom toe aan Daytona? 2.3 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.8. Volgens het onderdeel heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vraag in welke hoedanigheid [eiser] de auto’s verkreeg – en daarmee de vraag of hij eigenaar is geworden van die auto’s – moet worden beoordeeld naar het recht van de plaats waar de auto’s zich thans bevinden (in Nederland). Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat uit art. 10:127 lid 1, lid 4 en lid 5 BW volgt dat de vraag in welke hoedanigheid een persoon een auto verkrijgt – en daarmee ook de vraag wie door de overdracht eigenaar is geworden – (in beginsel) dient te worden beantwoord naar het recht van het land waar die auto zich bevond op het moment van de verkrijging, terwijl de verplaatsing van een auto (in dit geval naar Nederland) in die eigendomspositie geen verandering brengt. Indien het hof dit niet zou hebben miskend, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van de onbestreden stellingen van [eiser] , namelijk dat hij ieder van de door hem genoemde auto's heeft verworven terwijl zij zich in het buitenland bevonden, dat de koopcontracten op zijn naam staan en dat de auto’s in het buitenland aan hem zijn geleverd. Volgens het onderdeel is derhalve buitenlands recht van toepassing op de vraag in welke hoedanigheid [eiser] die auto’s verkreeg en daarmee op de vraag of hij daarvan eigenaar is geworden. 2.4 Bij de bespreking van het onderdeel stel ik het volgende voorop. Art. 10:127 lid 1 BW onderwerpt het goederenrechtelijke regime van een zaak aan het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt (de lex rei sitae). De bepaling stemt overeen met het vóór de invoering van Boek 10 BW – op 1 januari 2012 – geldende internationaal privaatrecht, toen in art. 2 lid 1 Wet conflictenrecht goederenrecht eveneens naar de lex rei sitae werd verwezen. De regel is in art. 10:127 lid 1 BW ongewijzigd teruggekeerd. Art. 10:127 lid 4 BW geeft de omvang van het goederenrechtelijke statuut aan, in die zin dat het de lex rei sitae is die in het bijzonder bepaalt of een zaak roerend of onroerend is, of een zaak vatbaar is voor overdracht van de eigendom of voor vestiging van een recht erop, welke vereisten aan die overdracht of vestiging worden gesteld, welke rechten op een zaak kunnen rusten en wat de aard en de inhoud van die rechten is en op welke wijze die rechten ontstaan, zich wijzigen, overgaan, tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is. Deze opsomming is niet uitputtend, zoals blijkt uit de in art. 10:127 lid 4 gebruikte woorden ‘in het bijzonder’, maar er is naar gestreefd deze opsomming zo volledig mogelijk samen te stellen. Revindicatie is niet met zo veel woorden in art. 10:127 lid 4 BW genoemd, maar ook de vraag of en zo ja, door wie revindicatie kan worden ingesteld, is onderworpen aan de lex rei sitae. De door de eigenaar ingestelde vordering tot revindicatie wordt beheerst door Nederlands recht als de lex rei sitae van de zaken ten tijde van de instelling van de revindicatie. Uiteraard geldt de lex rei sitae ten tijde van het relevante rechtsfeit om te beoordelen of degene die pretendeert een eigendomsrecht te hebben dat recht ook daadwerkelijk heeft, zie art. 10:127 lid 5 BW. Art. 10:130 BW heeft betrekking op de kwestie in hoeverre rechten op een zaak blijven rusten in het geval die zaak wordt verplaatst naar een andere staat (‘conflit mobile’). De rechten die overeenkomstig de oorspronkelijke lex rei sitae op de zaak zijn gevestigd, blijven daarop rusten, ook bij verplaatsing van de zaak naar een andere staat, maar zij kunnen niet worden uitgeoefend op een wijze die onverenigbaar is met het recht van de nieuwe lex rei sitae. 2.5 Het hof heeft in rov. 2.8 overwogen dat de vraag naar de eigendom van de auto’s wordt beheerst door Nederlands recht overeenkomstig het bepaalde in art. 10:127 BW, nu de litigieuze auto’s zich in Nederland bevinden. In cassatie is onbestreden dat, zoals het hof in rov. 3.8 heeft vooropgesteld, in de onderhavige zaak de eigendomsoverdracht zelf niet in geschil is en dat, voor zover alle daarvoor noodzakelijke rechtsfeiten reeds waren geschied in het buitenland, het eigendomsrecht na verplaatsing van de auto’s naar Nederland daarop is blijven rusten. Evenmin is de inhoud van het eigendomsrecht onderwerp van geschil. Het gaat om de vraag of de vordering tot revindicatie van [eiser] slaagt, welke vordering moet worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse recht als lex rei sitae op het moment van het instellen van de vordering. Het hof heeft een en ander niet miskend, zodat het onderdeel in zoverre faalt. 2.6 Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof had moeten beoordelen of het naar het recht dat de koop van een auto beheerst, mogelijk is om op grond van een rechtsverhouding voor een ander te verkrijgen, kan de klacht niet tot cassatie leiden. Het gaat hier om een goederenrechtelijke vraag die niet beoordeeld moet worden aan de hand van het recht dat op de koopovereenkomst van toepassing is. 2.7 Voor zover het onderdeel – welwillend gelezen – betoogt dat de (buitenlandse) lex rei sitae van toepassing is op de vraag in welke hoedanigheid [eiser] de auto’s verkreeg, merk ik het volgende op. In de kern gaat het in deze zaak inderdaad om de vraag in welke hoedanigheid [eiser] ten opzichte van (de rechtsvoorganger van) Daytona de auto’s in zijn macht heeft gekregen: voor zichzelf of als houder voor (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona. Voor het antwoord op deze vraag is beslissend de beoordeling van de strekking van de rechtsverhouding ter uitvoering waarvan de verkrijging van de auto’s plaatsvond tussen [eiser] en [betrokkene 1] dan wel één van de rechtspersonen waarvan de laatste economisch gerechtigde was. De vraag of van middellijke dan wel onmiddellijke vertegenwoordiging sprake is en wat de verhouding is tussen vertegenwoordigde en vertegenwoordiger wordt, voor zover sprake is van een vertegenwoordigingsverhouding met internationale elementen, niet beheerst door het recht dat op de koopovereenkomst van de desbetreffende auto van toepassing is, maar door het recht dat wordt aangewezen door het Haagse Vertegenwoordigingsverdrag. Het verdrag is op 1 oktober 1992 in werking getreden voor Nederland. Het verdrag heeft een universeel formeel toepassingsgebied (art. 4). Art. 1 regelt het materiële toepassingsgebied van het verdrag en omvat de onmiddellijke en middellijke vertegenwoordiging, evenals de bemiddeling (art. 1). Krachtens art. 6 lid 1 Vertegenwoordigingsverdrag geldt, bij gebreke van rechtskeuze, dat de interne verhouding tussen de vertegenwoordigde en de vertegenwoordiger wordt beheerst door het recht van de staat waarin op het tijdstip van het tot stand komen van de vertegenwoordigingsverhouding, de vertegenwoordiger zijn kantoor, of bij gebreke daarvan, zijn gewone verblijfplaats heeft. Vaststaat dat [eiser] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zodat Nederlands recht op de vertegenwoordigingsverhouding van toepassing is. 2.8 De vraag of [eiser] voor zichzelf is gaan houden of voor Daytona is echter een goederenrechtelijke vraag die buiten het materiële toepassingsgebied van het Vertegenwoordigingsverdrag valt. In het Toelichtend Rapport van I.G.F. Karsten op het Vertegenwoordigingsverdrag valt hierover het volgende te lezen: ‘The relationships with which the Convention is concerned belong to the law of obligations and not to the law of property. The Convention covers personal, not real, rights. Although agency in relation to transactions concerning both movable and immovable property is within the scope of the Convention, the applicable law only governs such questions as the obligations of the parties under the agency agreement, or the authority of the agent to enter into a contract to transfer the property to the third party. It does not govern questions involving proprietary or possessory rights in respect of such property. In other words, while questions relating to the obligation to transfer property may be within the Convention, the transfer itself is outside it’. 2.9 De vraag of bij middellijke vertegenwoordiging de directe leer dan wel de doorleveringsleer geldt, dient naar Nederlands internationaal privaatrecht te worden gekwalificeerd als een kwestie van goederenrecht en wordt derhalve beheerst door de lex rei sitae van de zaken op het moment van het relevante rechtsfeit. Bepalend is de lex rei sitae van de auto’s op het moment van de op eigendomsoverdracht gerichte rechtshandeling (art. 10:127 lid 5 BW). Bevinden de auto’s (of een van de auto’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.