Nr. 15/03364 H Zitting: 17 mei 2016 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [aanvrager] I De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
(2013). 6. Betoogd wordt dat de in dit rapport vervatte bevindingen een eerste novum oplevert in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv en het gepubliceerde onderzoek van Van Koppen een tweede novum. V Beoordeling van de aanvraag 7. Met betrekking tot dat betoog dient te worden vooropgesteld dat de Hoge Raad in zijn arresten van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:735 en 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736 het volgende heeft overwogen: “4.3.1. Op grond van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een "gegeven" in de zin van art. 457 Sv en daardoor grond kan zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan is echter niet voldoende om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken. 4.3.2. Bij de beoordeling door de Hoge Raad van de vraag of een in een aanvraag tot herziening als nieuw en/of gewijzigd gepresenteerd deskundigeninzicht van voldoende kwaliteit en gewicht is om te kunnen leiden tot herziening van de uitspraak, is tegen deze achtergrond het navolgende van belang. 4.3.3. Indien de aanvraag tot herziening zich beroept op een als nieuw en/of gewijzigd gepresenteerd deskundigeninzicht, dient die aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport zodanige informatie te bevatten dat de inhoud van dit inzicht en de nieuwheid daarvan op waarde kunnen worden geschat. In dat verband komt ook in herzieningszaken betekenis toe aan de voorschriften die op grond van het bij de Wet deskundige in strafzaken (Stb. 2009, 33) ingevoerde en op 1 januari 2010 in werking getreden art. 51i e.v. Sv gelden in gewone strafzaken waarin een deskundige is benoemd. Art. 51l Sv schrijft voor dat de deskundige een met redenen omkleed verslag uitbrengt. Uit dit verslag moet naar voren komen dat het is gebaseerd op wat de wetenschap en kennis van de deskundige hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen. De deskundige geeft daarbij zo mogelijk aan welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de methode. Hoewel de Wet deskundige in strafzaken geen verandering heeft gebracht in de vrijheid van de verdachte om de resultaten van op diens eigen initiatief uitgevoerd onderzoek in het geding te brengen, kan het voor de waarde die wordt toegekend aan een deskundigenrapport wel van belang zijn of de desbetreffende deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijke Deskundigen is ingeschreven en of het door de deskundige verrichte onderzoek en het door hem opgestelde rapport voldoet aan voornoemde voorschriften. Daarnaast gaat het in herzieningszaken erom dat de aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport de Hoge Raad in staat moet stellen te beoordelen of en zo ja in hoeverre sprake is van een deskundigeninzicht dat als nieuw en/of gewijzigd kan worden aangemerkt. Bij die beoordeling speelt ook een rol de vraag in hoeverre het deskundigeninzicht zich richt op de enkele herbeoordeling van omstandigheden waarvan de uiteindelijke weging aan de strafrechter is overgelaten. 4.3.4. Met het oog op die beoordeling door de Hoge Raad brengt het voorgaande meer in het bijzonder mee dat de aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport - zo mogelijk en voor zover toepasselijk en relevant in het voorliggende geval - informatie bevat over de volgende onderwerpen: (
- i)met betrekking tot de kennis en ervaring van de deskundige op het aan de orde zijnde vakgebied: - de door de deskundige gevolgde opleidingen, met vermelding van de specifieke vakgebieden waarin de deskundige is opgeleid; - de functies waarin de deskundige werkervaring heeft opgedaan; - een lijst van eventuele publicaties van de hand van de deskundige; - de eventuele opname van de deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, en/of andere registraties of referenties waaruit kan worden afgeleid dat de vakkennis of ervaring van de deskundige voldoet aan de voor het desbetreffende vakgebied geldende maatstaven; (
- ii)met betrekking tot de weergave en de onderbouwing van het inzicht van de deskundige op het aan de orde zijnde vakgebied: - de voorgelegde vraagstelling en de ter beschikking gestelde stukken en/of gegevens; - de door de deskundige gehanteerde onderzoeksmethode en de betrouwbaarheid daarvan, alsmede een inschatting van de mate van zekerheid waarmee de deskundige zijn conclusies heeft getrokken en/of de aan de uitkomsten van zijn onderzoek verbonden foutmarge; - de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige wordt ondersteund door dat van andere deskundigen; - de bronnen waarop het inzicht van de deskundige berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; (iii) met betrekking tot de onderbouwing van de 'nieuwheid' van het inzicht van de deskundige: - de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige steunt op hetzij (
- a)ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende wetenschappelijke ontdekkingen of inzichten, hetzij (
- b)een beoordeling van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende feiten of omstandigheden, hetzij (
- c)een ander deskundig oordeel omtrent de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting reeds bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op ten tijde van dat onderzoek ter terechtzitting reeds bekende feiten en omstandigheden; - de vraag hoe het inzicht van de deskundige zich verhoudt tot eerdere inzichten van diezelfde en/of andere deskundigen zoals die uit het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier naar voren komen.” 8. Ik meen dat het rapport van dr.ir. S.P.G. Moonen en ir. R. Blok, beiden ten tijde van hun onderzoek verbonden aan de Technische Universiteit Eindhoven, en zeker ook het hoofdstuk “Het luik van de Helpoort: bedacht bewijs” van Van Koppen niet aan deze eisen voldoen en dat reeds daarom de herzieningsaanvraag bij gebreke van een novum ongegrond is. 9. Wat het onderzoek van Van Koppen betreft – in de aanvraag (nr. 78) aangemerkt als “een nieuw gegeven omdat hij zelf met rechtspsycholoog dhr. R. Horselenberg op 6 maart 2013 ter plaatse een onderzoek heeft ingesteld” –, houd ik het kort. In de aanvraag worden ter onderbouwing enkele (kritische) notities van Van Koppen aangehaald over “de kwestie van de schoenzoolafdruk” en over het bewezenverklaarde opzet bij de aanvrager. Daar mag Van Koppen uiteraard een mening over hebben, daar gaat het mij niet om. Maar de kennelijke opvatting van de raadslieden dat slechts de enkele verwijzing naar dat hoofdstuk al een novum in de zin der wet zou opleveren, kan ik niet serieus nemen. Nu valt in de aanvraag (nr. 85) nog wel te lezen: “Alhoewel prof. Van Koppen in zijn boek geen specifiek nieuw gegeven presenteert is de analyse van prof. Van Koppen aan te merken als een deskundigenopinie die de rechtbank niet bekend was. Onder omstandigheden kan een dergelijk rapport, ook als dit op bestaand bewijsmateriaal is gebaseerd, als een nieuw gegeven worden aangemerkt. Met name nu als gezegd deze deskundige ter plaatse een onderzoek instelde nadat het vonnis van de rechtbank was gewezen.” Nog daargelaten dat “de discussie betreffende het schoenzoolspoor” zoals uiteengezet in de herzieningsaanvraag geen nieuw gegeven vormt, is voor zover mij bekend prof. Van Koppen niet (ook) deskundige op het gebied van technisch sporenonderzoek (en presenteert hij zichzelf ook niet als zodanig) en evenmin op het juridische vlak van de bewijsvoering. 10. Bij het rapport van de onderzoekers Moonen en Blok, in de herzieningsaanvraag ook wel opgewaardeerd tot het “Onderzoek Technische Universiteit Eindhoven”, wil ik iets langer stilstaan. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat beide onderzoekers over de voor hun onderzoek vereiste deskundigheid beschikken, kan hetgeen de raadslieden op grond van hun rapport aanvoeren niet worden aangemerkt als een novum in de zin der wet. In dit rapport, dat is opgemaakt op verzoek van “de verdediging”, beantwoorden Moonen en Blok een aantal (louter) door Knoops advocaten geformuleerde onderzoeksvragen. De hoofdvragen, die in tien nadere deelvragen uiteenvallen, luiden als volgt: “a. Hoe het inspectieluik in de Westelijke toren (ook aangeduid als rechter toren) van de Helpoort te Maastricht is bevestigd; b. Op wat voor manier het mogelijk is om het luik van zijn plek te krijgen zodat het naar beneden valt en; c. In welke mate de configuratie van het luik zicht geeft op mogelijke gevolgen van het openen.” 11. Met het oog op hun te verrichten onderzoek, hebben Moonen en Blok onder meer kennis kunnen nemen van kopieën van het proces-verbaal sporenonderzoek van de technische recherche d.d. 14 augustus en de daarbij als bijlage gevoegde foto-map en het vonnis. Vervolgens hebben zij op 9 september 2014 – dus ruim 14 jaar na de pleegdatum en de dagtekening van voormeld proces-verbaal van de technische recherche en de foto-map – de Helpoort bezichtigd om de situatie ter plekke van de westelijke toren te aanschouwen en hebben zij binnen in de kapconstructie aan de hand van mechanicamodellen metingen verricht en krachtberekeningen gemaakt met betrekking tot a. de kapconstructie, b. (de bevestiging van) het luik, c. de verplaatsing en verschuiving van het luik wanneer het naar beneden valt over de opstaande rand (van ca 1,5
- cm)respectievelijk langs het schuine dak, en d. de positie van de persoon die van binnenuit tegen het luik trapt respectievelijk met de handen duwt. 12. Hun bevindingen houden, voor zover hier van belang, in dat: - het luik evenals destijds met een moer is bevestigd en is opgebouwd op de wijze als in het proces-verbaal van de technische recherche beschreven (behoudens twee hier irrelevante verschillen); - het, ook voor een persoon met een lengte van 169 cm, goed mogelijk is om een statische kracht met de voet uit te oefenen en het luik te “openen” zonder daarbij het evenwicht te verliezen, nu er in de kapconstructie voldoende mogelijkheden zijn om zich vast te houden; - het deel van (de afdruk van) de schoenzool dat in foto 90 (van de foto-map zo begrijp ik, AG) een afdruk vormt zoals die bij de houding in afbeelding 9 van het rapport gevonden zou kunnen worden bij plaatsing van de voet onder de dwarsbalk; - de opstaande rand van ca 1,5 cm van binnenuit niet te zien is; - het luik gemakkelijk is te verplaatsen over deze afstand; - het luik door 1 persoon kan worden “geopend”; - het luik relatief zwaar is, maar met uitoefening van “iets meer kracht” snel losschiet en dan met moeite door 2 personen tegengehouden kan worden om te voorkomen dat het naar beneden valt; - van buitenaf het luik zichtbaar is, zij het lastig. 13. Deze bevindingen doen niets af aan de bewijsconstructie van de rechtbank ten aanzien van het opzettelijk van het leven beroven van het slachtoffer. Integendeel zelfs, lijkt mij. Dat de onderzoekers Moonen en Blok hebben vastgesteld dat het luik – op 9 september 2014 – met enige krachtsinspanning ook met de hand over de opstaande rand kan worden geduwd, maakt dat niet anders. De rechtbank was immers kennelijk bekend met deze mogelijkheid, maar heeft de desbetreffende verklaring van de aanvrager niet geloofwaardig geacht onder meer omdat op de binnenzijde van het luik een afdruk van een schoenzool is aangetroffen, welke afdruk grote gelijkenis vertoont met het patroon van de zolen van de door de aanvrager toen gedragen schoenen, en bij de aanvrager niet van enig letsel aan handen of armen is gebleken. Dat de onderzoekers hebben vastgesteld dat tijdens hun onderzoek een persoon het luik heeft “geopend” zonder daarbij verwondingen op te lopen, is niet van belang nu de rechtbank tot haar overweging omtrent het ontbreken van enig letsel is gekomen in het licht van de verklaring van de aanvrager dat hij krachtig met zijn handen tegen dat luik heeft geslagen (en dat het luik niet openging toen hij er tegenaan duwde) en dat de aanvrager niet uitsluit dat hij tegen het luik heeft getrapt. Evenmin van belang is hier de constatering van Moonen en Blok dat – op 9 september 2014 – het aan zowel de voor- als de achterzijde van de toren niet direct waar te nemen is hoe en waar het luik op een plaats zou kunnen vallen, waar zich personen kunnen bevinden. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat de aanvrager op de pleegdatum op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat direct rondom het gebouw van de Helpoort zich diverse personen bevonden, dat het terrein rondom de Helpoort vrij toegankelijk was en dat hij zich daar, alvorens de Helpoort te betreden, enige tijd heeft opgehouden. VI Slotsom 14. Nu er mijns inziens door of namens de aanvrager geen nova zijn aangevoerd, is het hier niet de plaats om met de raadslieden van de aanvrager in debat te gaan over de waardering van het door de rechtbank gebezigde bewijsmateriaal. Ik volsta met de opmerking dat in het licht van hetgeen in de herzieningsaanvraag naar voren is gebracht mij niet is gebleken dat de rechtbank is uitgegaan van een verkeerde interpretatie van de (inhoud van
- de)bewijsmiddelen. 15. De aanvraag tot herziening is ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv worden afgewezen. 16. Deze conclusie strekt ertoe dat de aanvraag wordt afgewezen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De rechtbank heeft de aanvrager voor feit 4 niet strafbaar geacht (dit feit werd hem wegens een psychisch defect niet toegerekend). Voor de feiten onder parketnummer 03/005853-99 is de aanvrager wel strafbaar bevonden (deze feiten werden hem in licht verminderde mate toegerekend). Met de aanvrager ben ik van oordeel dat uit het vonnis van de rechtbank kan worden afgeleid dat de TBS met dwangverpleging is opgelegd naar aanleiding van feit 4 (zie hierna onder 3). Ik lees 11 september 2000. Vgl. omtrent het project Gerede Twijfel en de daarin neergelegde bevindingen in de zaak van de Hoogezandse brandstichting HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:513 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Spronken.