Nr. 16/00914 CW Zitting: 23 februari 2016 Mr. Hofstee Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake: [betrokkene]
(1971), hebben hun beslag gekregen in de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 528) en het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 1994, 866). Deze wet van 7 juli 1994 is op 1 september 1995 in werking getreden en bracht een grondige herziening en vereenvoudiging van zowel het jeugdsanctierecht als het jeugdstrafprocesrecht met zich, maar wel met behoud van het pedagogische karakter. Hier verdient opmerking dat de jeugd-tbr (een opvoedingsmaatregel) en de plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling (deels een beveiligingsmaatregel) samensmolten tot één nieuwe jeugdmaatregel, de PIJ-maatregel, naar sindsdien wordt aangenomen ‘de zwaarste sanctie uit het sanctiearsenaal voor jeugdigen’. Het doel van deze PIJ-maatregel is er vooral op gericht om de jeugdige dader de (her)opvoeding, verzorging en behandeling te geven die voor hem noodzakelijk wordt geacht. Dat neemt niet weg dat deze vrijheidsbenemende jeugdmaatregel ook dient ter bescherming van de samenleving.
- De PIJ-maatregel heeft haar wettelijke basis gevonden in art. 77s Sr. Aanvankelijk golden voor de oplegging ervan slechts déze drie voorwaarden: a. er is sprake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; b. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel; en c. de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Bij de inwerkingtreding van de Wet van 27 november 2013 tot invoering van het adolescentenstrafrecht op 1 april 2014 (Stb. 485) is het eerste lid onder a gewijzigd en is een vierde materiële voorwaarde ingevoegd, waardoor de PIJ-maatregel niet alleen als een ultimum remedium is te beschouwen maar onmiskenbaar ook trekken gemeen heeft gekregen met de TBS voor volwassenen. Het moet thans namelijk gaan om een verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Naast de vier materiële voorwaarden, geldt bovendien als formeel vereiste dat de rechter zich een multidisciplinair advies van gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, doet overleggen (art. 77s, tweede lid, Sr).
- Aanvankelijk gold de PIJ-maatregel voor de tijd van twee jaar. Verlenging was, met inachtneming van de daarvoor geldende criteria, telkens voor ten hoogste twee jaar mogelijk en in beginsel slechts voor zover de maatregel de duur van vier jaar respectievelijk – indien sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens – de duur van zes jaar niet te boven ging (art. 77t, tweede lid oud Sr). Na ommekomst van de opleggingstermijn, eindigde de Pij-maatregel van rechtswege. Niet was toen nog voorzien in een nazorgtraject. Bevoegd tot het voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen, was de minister van Justitie te allen tijde, indien het doel van de maatregel was bereikt of op andere wijze beter kon worden bereikt (art. 5 Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994). Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de wet van 13 december 2010 (Stb. 818) geldt de termijn van de PIJ-maatregel echter voor een termijn van drie jaar en is onder meer bepaald dat de maatregel na twee jaar van rechtswege voorwaardelijk eindigt tenzij hij wordt verlengd op de wijze als bedoeld in art. 77t Sr. Door een wetswijziging op 1 juli 2012 heeft de rechter in die fase (weer) een rol gekregen. Over het voorgaande nu meer.
- De PIJ-maatregel: relevante wettelijke bepalingen, wetswijzigingen sinds 1994 en een blik op de naaste toekomst
- De artikelen 77s en 77t Sr zijn sinds de invoering van de Wet van 7 juli 1994 een aantal keer gewijzigd. In hun eerste bewoordingen luidden deze artikelen, voor zover hier van belang: Artikel 77s Sr