ECLI:NL:PHR:2016:568
Nr. 15/01218 Zitting: 29 maart 2016 Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] 1. De verdachte is bij arrest van 27 februari 2015 door het hof Amsterdam wegens 1 primair “medeplegen van witwassen”, 2 primair “als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen”, 3 “valsheid in geschrift”, 4 “overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, opzettelijk begaan”, 5 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.
Witwassen (middelen 1 en 2) 6. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de wetenschap dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn: dat verdachte wist van de criminele herkomst van de gelden die op de derdenrekening werden gestort, berust op een overtuiging die vooral tot uitdrukking komt in onderstrepingen, retorische vragen en aannames, maar bewijs is er niet.
De verdachte stelt voor de betalingen zijn derdengeldrekening ter beschikking. Hij fungeert daardoor als tussenstap (op de derdengeldrekening) voor de betalende partij [A] aan wie het zicht verdwijnt op de geldstroom en de uiteindelijk gerechtigden. De medeverdachte [medeverdachte 1] is dan ook bereid om een zeer ruime vergoeding te betalen voor - in de kern - alleen het ter beschikking stellen van deze rekening.
In het geheel van de gedragingen van de verdachte is het kenmerkend dat de (administratieve) vastlegging en dossiervorming apert in strijd is met art. 6 van de Administratieverordening, zoals in de inleidende overwegingen is weergegeven. Relevante stukken ontbreken.
Dit alles klemt te meer nu ook in de ten laste gelegde periode, zoals overwogen, het een feit van algemene bekendheid was dat derdengeldrekeningen van geheimhouders, zoals de verdachte, worden gebruikt voor het verhullen van de criminele herkomst van geld (witwassen). Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte willens en wetens hieraan medewerking heeft verleend. Hij heeft slechts gefungeerd als ‘bankier’ voor de medeverdachte [medeverdachte 1] .
De enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , de extern accountant en [B] op de hoogte waren van het bestaan en verloop van de derdengeldrekening, maakt niet dat reeds daarom geen sprake kan zijn van verbergen of verhullen. Immers, de derdengeldrekening werd door de medeverdachte [medeverdachte 1] gebruikt om te verhullen dat Bouwfonds-winsten via [A] (voor derden niet kenbaar) naar hem konden vloeien, dat genoemde personen noodzakelijkerwijs van een deel van dat traject op de hoogte waren maakt niet dat verbergen en verhullen naar derden daarmee ook onmogelijk was geworden.
Op grond van al wat is overwogen in bovengenoemde subparagrafen, de daarin opgenomen bewijsmiddelen en de verwijzingen daarnaar, acht het hof bewezen dat de verdachte wist dat de geldbedragen die op zijn rekening werden gestort en die hij vervolgens doorbetaalde aan [betrokkene 6] en de medeverdachte [medeverdachte 1] , middellijk of onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Door aldus zijn medewerking, zonder enige terughoudendheid, te verlenen aan het doorsluizen van gelden - waarvan hij wist dat die afkomstig waren uit enig misdrijf - door ze op zijn derdengeldrekening te laten storten en pas na verloop van enige jaren uit te betalen aan medeverdachten, verdween voor de betalende partij [A] het zicht op de geldstroom, en werd tevens aan de geldbeweging (door het ambt van notaris) een schijn van legitimiteit verleend. Daarmee is van deze bedragen de aard en herkomst verborgen en verhuld en heeft de verdachte het door de medeverdachte [medeverdachte 1] onttrekken van gelden bij Bouwfonds gefaciliteerd.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk witwassen van gelden uit de projecten Coolsingel, Solaris en Hollandse Meester. Het hof merkt de verdachte aan als pleger, aangezien uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zelf de strafbare handelingen heeft verricht en de rechtspersonen c.q. stichtingen c.q. maatschappen alleen heeft gebruikt als middel om de strafbare gedragingen te kunnen plegen.”
14Zowel het eerste als het tweede middeltreffen geen doel.
Passieve ambtelijke omkoping (middel 3) 15. Het derde middel bevat de klacht dat het hof het tweede feit heeft bewezenverklaard, terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat verdachte wist dat de gift strekte tot een met zijn ambtsplicht strijdige tegenprestatie (art. 363 Sr).
19Het derde middelfaalt.
Valsheid in geschrift (middel 4 en 5) 20. Het vierde middel klaagt over het ontbreken van motivering van de in het oordeel van het hof besloten liggende beslissing die inhoudt dat het openbaar ministerie kan worden ontvangen in het hoger beroep voor zover het feit 4 betreft.
Toepassing van art. 416 Sv is een bevoegdheid van de rechter en geen verplichting. De steller van het middel miskent dit niet, maar is van oordeel dat gelet op een zin uit r.o. 2.4.4. van het zojuist bedoelde arrest van de Hoge Raad bij afwijzing van een verzoek enige motivering is vereist. Gedoeld wordt op de volgende zin: “In eerstgenoemd arrest is daarnaast beslist dat de toepassing van art. 416 Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft in zijn beslissing terzake en dat zeker aan de motivering van de afwijzing van een verzoek tot toepassing van art. 416 Sv geen zware eisen kunnen worden gesteld.”
Bij aankoop van onroerende zaken dient onderscheid te worden gemaakt tussen ‘eigen gebruik’ en (de andere mogelijkheid) ‘beleggen’. Gelet op de omvang van het pakket kan van eigen gebruik (in dit geval, door [C] ) geen sprake zijn zodat de omschrijving ‘beleggen’ in de koopovereenkomst derhalve correct is. Dit beleggen kan ook voor (zeer) korte tijd geschieden waarna verkocht wordt om winst te genereren. Het vastgoed heeft als bestemming verhuur (en verkoop). Het doel van de koper is om het vastgoed te verwerven ter belegging: het betreft blijkens de overeenkomst immers een beleggingsobject. Het middel om deze belegging in dit geval te laten renderen is de doorverkoop. De overeenkomst is daarom niet vals. Collega-notaris [betrokkene 5] heeft in een verkoopovereenkomst tussen [E] en Fortis een soortgelijke passage opgenomen, terwijl een deel van de gekochte onroerende zaken dezelfde dag werd doorverkocht, desondanks is deze notaris niet vervolgd (pag. 63-65, pleitnotities).
Standpunt openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft gevorderd de verdachte van dit ten laste gelegde feit vrij te spreken. De verklaring waar het om gaat wordt in de overeenkomst door de koper opgenomen zodat de verkoper later niet voor verrassingen komt te staan als de koper het registergoed heel anders gaat gebruiken, dan waarvoor de verkoper het heeft verkocht. Het betreft een zekerheid voor de verkoper om claims te voorkomen (pag. 8, bijzonder requisitoir).
Beoordeling Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt, waarbij voorop wordt gesteld dat waar in het navolgende wordt gesproken over koop en doorverkoop - ten behoeve van de leesbaarheid, voor zover van toepassing - (mede) wordt bedoeld de levering dan wel doorlevering.
De verdachte heeft in zijn functie van notaris de koopovereenkomst opgemaakt waarbij Stichting Philips Pensioenfonds (Philips) aan [C] BV ( [C] ) op 1 februari 2006 een pakket onroerende zaken verkoopt. In de overeenkomst is, voor zover hier van belang, opgenomen:
Verklaringen van koper Artikel 6 Koper verklaart: a. (...) b. Hij is voornemens het verkochte te gebruiken als beleggingsobject bestemd voor de verhuur en - voor zoveel het de woningen betreft - verkoop na het einde van een huurovereenkomst. [C] heeft echter geen enkele intentie om het pakket te gebruiken als beleggingsobject, al dan niet met uitponden. [C] koopt het pakket en verkoopt hetzelfde pakket binnen enkele minuten door aan [D] BV (een vennootschap van de medeverdachte [medeverdachte 1] ) en maakt daarbij een winst van € 2 miljoen. De verdachte treedt bij beide transacties op als notaris, de verkoop is in de maanden daaraan voorafgaand besproken en voorbereid met de medeverdachte [medeverdachte 1] en zijn belastingadviseur [betrokkene 3] . De verdachte weet dan ook, bij het opmaken van de koopovereenkomst tussen Philips en [C] , dat het in wezen de medeverdachte [medeverdachte 1] is die het pakket van Philips koopt, [C] is er door de medeverdachte [medeverdachte 1] slechts tussengeschoven en ontvangt daarvoor een (forse) premie. De verdachte is in contact gekomen met [C] via de medeverdachte [medeverdachte 1] .
De verdachte had nog niet eerder van het bedrijf gehoord en heeft in het kader van de aan- en verkoop de directeur van [C] slechts een aantal malen ontmoet. Omdat de statuten van [C] niet voorzien in het handelen in onroerende zaken, verzorgt de verdachte een statutenwijziging zodat er geen sprake meer is van doeloverschrijding, maar nog altijd wel strijd met de richtlijnen van de NVM. De verdachte brengt daarvoor aan [C] geen kosten in rekening.
De medevennoot [betrokkene 2] verklaart dat de verdachte hem heeft verteld dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onroerende zaak heeft gekocht van Philips en daarbij garanties heeft gekregen van Philips, en dat de medeverdachte [medeverdachte 1] er in ieder geval bij het begin en bij het eind bij betrokken is geweest.
De getuige [betrokkene 3] bevestigt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] alles regisseerde, en [C] er tussen heeft geschoven. In een bijeenkomst met de verdachte, [betrokkene 4] (van [C] ) en de getuige [betrokkene 3] heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] uitgelegd dat dit (alleen) gebeurde vanwege de naamsbekendheid van [C] . [C] loopt verder geen risico en krijgt een bedrag van € 2 miljoen wat door [betrokkene 4] , de directeur van [C] wordt bevestigd.
In de kern komt het er op neer dat de verdachte voor de medeverdachte [medeverdachte 1] de aankoop van een pakket onroerende zaken begeleidt. In dat kader wordt hij door de medeverdachte [medeverdachte 1] in contact gebracht met [C] die het pakket zal kopen van Philips en direct weer doorverkoopt aan een vennootschap van de medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte weet dat, zo bevestigt hij ter zitting van het hof, en hij weet ook dat [C] daar € 2 miljoen mee verdient. Hij weet voorts dat het bij beleggen in onroerende zaken gaat om een langere termijn (van bijvoorbeeld tien jaar), terwijl handel in onroerende zaken ziet op een kortere termijn.
Door desondanks in de koopovereenkomst de passage op te nemen dat (koper) [C] voornemens is het pakket te gebruiken als beleggingsobject bestemd voor verhuur en uitponden, heeft de verdachte willens en wetens deze overeenkomst (op dit onderdeel) valselijk opgemaakt. Immers, de verdachte wist dat [C] het pakket onmiddellijk daarna zou doorverkopen en derhalve dit voornemen onmogelijk kon hebben. De overeenkomst was bedoeld (en heeft gediend) als grondslag voor de transport van het pakket onroerende zaken, zodat de verdachte ook het oogmerk had het als echt en onvervalst te gebruiken en te laten gebruiken.
De stelling van de verdediging dat slechts onderscheid gemaakt kan (moet) worden tussen ‘eigen gebruik’ en ‘beleggen’, is voor het hof niet te volgen. Binnen (de onderneming van) [C] is ‘eigen gebruik’ inderdaad niet aan de orde, maar dan nog past het niet om geen onderscheid te maken tussen onroerende zaken die worden verworven om er over een langere periode rendement uit te halen (in de vorm van huurbaten en/of verkoopopbrengsten bij uitponding) dan wel als voorraad ter verkoop (op korte termijn doorverkoop teneinde alleen een transactieresultaat te behalen). In het onderhavige geval had [C] evident en onmiskenbaar verkoop ten doel, zoals alleen al blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] die slechts € 2 miljoen wil ‘vangen’ en niet eens weet aan wie [C] het pakket vier minuten later verkoopt. Alsdan was er op geen enkel moment sprake van enig voornemen tot verhuur en/of uitponden, en de verdachte was daar (van begin af aan) van op de hoogte.
Dat bedoelde passage in dit soort overeenkomsten (alleen maar) wordt opgenomen om claims te voorkomen, zoals het openbaar ministerie stelt, mag in zijn algemeenheid juist zijn bij partijen die te goeder trouw dergelijke overeenkomsten aangaan. Maar daar is in onderhavige zaak geen sprake van.
Het gaat in onderhavige zaak immers om een opzetje van de medeverdachte [medeverdachte 1] , waarbij [C] er tussen is geschoven als ‘stroman’, om het pakket onroerende zaken enkele minuten later door te leveren aan een vennootschap van de medeverdachte [medeverdachte 1] . De omstandigheid dat notaris [betrokkene 5] een soortgelijke passage in een verkoopovereenkomst heeft opgenomen treft dan ook geen doel, nog daargelaten dat in dit door de verdediging beschreven geval slechts een deel van de gekochte onroerende zaken direct werd doorverkocht en de rest wel degelijk als (langdurige) belegging werd gehouden door Fortis.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, zoals ten laste gelegd.”
30Het vierde en vijfdemiddel treffen geen doel.
Geen melding van ongebruikelijke transactie (middelen 6 t/m 9) 31. De bewezenverklaring van het vierde feit in het bestreden arrest luidt als volgt: “hij in de periode van 1 december 2005 tot en met 1 augustus 2008 in Nederland, beroepsmatig een dienst heeft verleend, te weten het opstellen en/of passeren van notariële akten met betrekking tot:
Volgens de verdediging dient bij de beoordeling of de verdachte melding had moeten doen van ongebruikelijke transacties, onderscheid te worden gemaakt tussen indicatoren van de wet MOT en de richtsnoeren van de KNB. Philips en Fortis waren professionele partijen die zich van deskundige bijstand hebben voorzien zodat advisering en informering door de verdachte niet noodzakelijk was. [D] BV is tussengeschoven om daar het risicovolle (onder meer milieurisico’s) kantoorpand [D] in onder te brengen, waarmee het tussenschuiven een legitieme reden had, wat ook blijkt uit de notitie van [betrokkene 3] . Philips wist dat [C] het pakket zou doorverkopen. Vele andere (deskundige) betrokkenen hebben, net als de verdachte, ook geen MOT-melding gedaan.
Onduidelijk is, wanneer er sprake is (bij welke procentuele toename) van een ongebruikelijk hoge winstsmarge. Bij de verkoop van het kantoorpand [D] op 1 maart 2007 is geen sprake van een ABC-transactie, omdat de daarvan voorafgaande transactie méér dan zes maanden eerder was. Het pand was bij die eerdere transactie op 1 februari 2006 tegelijk met andere registergoederen verworven waardoor het voor een relatief lage prijs was aangekocht. Het BCD huurcontract was op 1 maart 2007 nog niet getekend, zodat niet duidelijk is of het moet worden meegerekend in fase 1 of in fase 2. De verdediging verwijst voorts naar de opmerkingen en verklaringen die de verdachte heeft opgenomen in de door hem opgemaakte MOT-notities (blz. 68-70, 73-74 en 107 en 120 en 125, 76-77, 87, 100-106 en 119-126, pleitnotities).
Beoordeling Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
De hiervóór, onder feit 3, besproken verkoop door Philips aan [C] van een pakket onroerende zaken wordt dezelfde dag nog gevolgd door de verkoop van het pakket door [C] aan [D] BV ( [D] BV), dat het pakket (grotendeels) weer direct doorverkoopt aan [E] NV.
Deze drie leveringen vinden plaats ten overstaan van de verdachte. Ten slotte verkoopt [E] NV nog dezelfde dag het resterende pakket (grotendeels) aan Fortis Verzekeringen Vastgoed Maatschappij NV (Fortis). Dit transport vindt plaats ten overstaan van notaris [betrokkene 5] . Bij deze ABCDE transacties, op 1 februari 2006, worden in de verschillende schakels verkoopwinsten behaald.
De verdachte wordt verweten dat hij ten aanzien van deze (en daaruit voortvloeiende) transacties ten onrechte heeft afgezien van een ‘melding ongebruikelijke transacties’.
De verdachte was als notaris op grond van de toen geldende Wet MOT verplicht een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. De beroepsgroep van de verdachte, de - tegenwoordig geheten - Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft dienaangaande een lijst opgesteld van omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor een melding. Een uitdraai van deze lijst, gedateerd 22 december 2005, is bij de verdachte aangetroffen (in een set met diverse MOT-notities van zijn hand) en heeft - zo begrijpt het hof - voor de verdachte als handleiding gediend. Eén van de door de KNB beschreven omstandigheden is het in een korte periode meer keren verhandelen van onroerende zaken met een ongebruikelijk hoge winstmarges, terwijl daarvoor geen duidelijke verklaring kan worden gegeven (punt 11 van de lijst). Een andere omstandigheid is het gebruik van een tussengeschakelde vennootschap waarvoor geen legitieme fiscale, juridische of commerciële redenen aanwezig is of lijkt te zijn (punt 4 van de lijst). Het hof merkt op dat deze richtsnoeren overeenkomen met de in 1996 door het KNB vastgestelde indicatoren.
De verdachte heeft bij de hierna te noemen transactie overwogen of een melding noodzakelijk was, daarvan aantekeningen gemaakt, overleg gehad met zijn medevennoot [betrokkene 2] , en uiteindelijk afgezien van melden. De stelling van de verdediging dat onduidelijk is bij welke procentuele toename sprake is van een ongebruikelijk hoge winstsmarge kan dan ook onbesproken blijven, omdat de verdachte zelf al de ongebruikelijk hoge winstsmarge heeft gesignaleerd.
Transactie 1 februari 2006 Zoals hierboven omschreven koopt [D] BV op 1 februari 2006 van [C] , waarvan de verdachte wist dat die door de medeverdachte [medeverdachte 1] er tussen was geschoven, het hiervóór omschreven pakket onroerende zaken en verkoopt het vijf minuten later aan [E] , maar dan zonder het kantoorgebouw [D] (hierna: het pand). [D] BV is kort voor 1 februari 2006 en speciaal voor deze transactie opgericht en kent als enig aandeelhouder en bestuurder [E] NV, een vennootschap die op haar beurt bestuurd wordt door de medeverdachte [medeverdachte 1] .
Met betrekking tot het er tussenschuiven van [C] , wordt het navolgende overwogen.
De verdachte ziet [betrokkene 4] als makelaar in de hele transactie, niet als zelfstandig investeerder. Uit de notitie van de getuige [betrokkene 3] (van een bespreking met de medeverdachte [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] , waarbij de verdachte ook aanwezig was) blijkt ook dat [E] NV alles regelt en alleen met [betrokkene 4] afspreekt dat [C] er tussen wordt geschoven tegen betaling van € 2 miljoen. Van een aparte, zelfstandige rol van [betrokkene 4] (zoals door hem nog verdedigd bij de RC) en een door hem zelfstandig behaald transactieresultaat is geen sprake. Indien [betrokkene 4] wordt ingeschakeld omdat Philips alleen aan hem (vanwege de naam van zijn bedrijf, waaruit de suggestie voortvloeit dat hij handelt namens een grote belegger met een bijna gelijke naam) wil verkopen, is dat juist een reden voor de verdachte om (als onpartijdig notaris) de verkoper te informeren, en in ieder geval geen argument om maar niet te (hoeven) melden. [D] BV koopt het pakket voor € 386.510.000 en verkoopt het voor € 399.110.000 en realiseert daarmee een transactiewinst van € 12.600.000, terwijl een deel van het pakket (het pand) bij de verkoper achterblijft. Dat roept vragen op die ook bij de verdachte (gezien zijn MOT-notitie) zijn opgekomen. Zeker nu zowel verkoper als koper vennootschappen zijn die (direct of indirect) worden bestuurd door de medeverdachte [medeverdachte 1] . Beide vennootschappen beschikken daarmee, in de persoon van haar bestuurder [medeverdachte 1] , over dezelfde waardebepalende informatie over het pakket zoals de afgesproken doorverkoop aan Fortis.
Uit de verkoopaktes - waarin een onderverdeling is opgenomen van het totale pakket - blijkt voorts het volgende. Binnen het totale pakket worden onderscheiden de daarin opgenomen woningen (omschreven als ‘a t/m y’) en het pand (omschreven als ‘bb’). Aan deze combinatie wordt bij de verschillende transacties de navolgende verkoopprijs toegekend:
Philips/ [C] € 337.400.000 [C] / [D] BV € 339.400.000 – toename € 2.000.000 tbv [C] [D] BV/ [E] € 352.000.000 – toename € 12.600.000 (excl pand) [E] /Fortis € 372.593.456 – toename € 20.593.000 De eerste drie verkoopaktes heeft de verdachte opgesteld, over de vierde heeft hij contact gehad met notaris [betrokkene 5] en is hij opgetreden als adviseur voor de verkoper.
De eerste van € 2 miljoen is de vergoeding voor [C] . De tweede toename is de bovenomschreven verkoopwinst van € 12.600.000 die [D] BV behaald bij de doorverkoop. De derde toename van € 20.593.000 is de winst die wordt behaald bij verkoop door [E] aan Fortis. Daarmee wordt op het pakket door (vennootschappen van) [medeverdachte 1] een winst (exclusief de € 2 miljoen voor [C] ) behaald van ruim € 33 miljoen, zo’n 10% van de aankoopprijs.
Hierbij is echter nog geen rekening gehouden met de waarde van het pand dat bij de verkoper achterblijft. De verdachte neemt deels de stelling in (op basis van mededelingen van de medeverdachte [medeverdachte 1] ) dat het pand geen waarde heeft vanwege leegstand en de staat van onderhoud, maar gaat bij de aangifte overdrachtsbelasting uit van een waarde van € 15 miljoen. In zijn MOT-notities stelt de verdachte dat te hebben gedaan op basis van een taxatie door [F] . Bij de FIOD verklaart de verdachte echter dat hij dit rapport pas kreeg in april 2006. [F] gaat uit van een waarde van € 14,6 miljoen, rekening houdend met leegstand en toekomstig onderhoud. Uitgaande van deze waarde is de winst voor de medeverdachte [medeverdachte 1] geen € 33 miljoen maar € 48 miljoen, ruim 14% van de aankoopprijs.
De verdachte vindt deze winstmarge zodanig opmerkelijk, dat hij in een MOT-notitie argumenten aanvoert waaruit de toename verklaard kan worden. Zo stelt de verdachte dat [E] NV aan Fortis (huur)garanties heeft gegeven, die Philips niet heeft afgegeven. Deze garanties zijn volgens de verdachte waardeverhogend, maar het betreft grotendeels woningen te Amsterdam die aan particulieren verhuurd zijn, waarvoor in de regel geen huurgarantie hoeft te worden afgegeven gelet op de woningmarkt. Voorts noteert de verdachte dat Philips en Fortis bekend waren met alle tussentransacties. Dat is echter zeer de vraag. Zo worden in mails tussen de verdachte, notaris [betrokkene 5] en medewerkers van Fortis alleen Philips - [E] - Fortis geschetst, en notaris [betrokkene 5] ontkent te hebben geweten van de rol (het tussenschuiven) van [C] en [D] BV.
De notitie van de verdachte dat de medeverdachte [medeverdachte 1] andere projecten zou gaan ontwikkelen met zowel Philips als Fortis is - zo dat invloed heeft op de marge - niet alleen niet onderbouwd, maar juist aanleiding voor verdere vragen naar de wederzijdse beïnvloeding van de verschillende projecten. Zijn aantekening dat de winstmarge lager is omdat € 15 miljoen te hoog is voor het pand omdat geen rekening wordt gehouden met leegstand en renovatiekosten is strijdig met de uitgangspunten van [F] .
De conclusie van de verdachte is dat er geen melding nodig was, maar naar het oordeel van het hof vormen de door hem opgestelde MOT-notities daarvoor onvoldoende onderbouwing.
Er is echter nog een tweede te bespreken aspect, en dat is de rol van [D] BV.
Het is een speciaal voor deze transactie opgerichte vennootschap die is tussengeschoven zonder dat daar een legitieme reden voor is. Veeleer had het voor hand gelegen om [C] het pakket direkt aan [E] te laten verkopen (dat is ook het uitgangspunt in de notitie van [betrokkene 3] ) waarna [E] NV het pand desgewenst in [D] BV had kunnen onderbrengen. Daarmee worden eventuele risico’s net zo goed beheersbaar gemaakt, een tussenschuiven is - anders dan de verdediging stelt - daarvoor niet nodig. De verwijzing - door de verdediging - naar het verslag van [betrokkene 3] faalt eveneens, aangezien uit dit verslag niet blijkt van dergelijke risico’s. De geschetste risico’s blijken ook niet uit de waardering, omdat van een negatieve waarde voor het pand geen sprake is. Dat de ‘Nachgrundung’ van art. 2:204c van het Burgerlijk Wetboek (BW) nog van belang zou zijn is zonder toelichting, welke geheel ontbreekt, niet te begrijpen.
Het tussenschuiven heeft echter wel een ander gevolg, dat juist aanleiding had moeten zijn tot melden.
De winst die de medeverdachte [medeverdachte 1] behaalt valt deels bij [D] BV en deels bij [E] NV neer. Echter, het zijn rechtspersonen die, zowel commercieel als fiscaal met elkaar hebben te handelen ‘at arm’s length’. Dus als zakelijke, onafhankelijke derden. Een verdeling van de winst over beide rechtspersonen ligt dan niet voor de hand. Immers, beide vennootschappen worden (direct of indirect) bestuurd door de medeverdachte [medeverdachte 1] en beschikken daarmee over zijn kennis van de aankoopsom die Fortis zal betalen. De gehele winst had dan ook door [D] BV gerealiseerd moeten worden, voor een ‘gunnen’ of toedelen van een deel aan [E] NV (door het pakket voor een te lage prijs te verkopen zodat [E] er ook nog winst op kon maken) is geen enkele reden. Dat maakt dat het tussenschuiven van [D] voor de hand liggende vragen oproept die de verdachte (in zijn MOT-notities) negeert. Zijn verwijzing naar de betrokkenheid van gerenommeerde partijen als Philips en Fortis faalt, nu die geen betrokkenheid hadden bij de tussenschakels.
Conclusie Gelet op het voorgaande, de aanzienlijke toename van de aankoopsom (met ruim 14%), het zonder reden tussenschuiven van [D] BV (en daaraan toegevoegd [C] ), en het verdelen door de medeverdachte [medeverdachte 1] van de winst over twee van zijn vennootschappen, is, naar het oordeel van hof, meer dan voldoende reden om deze transacties als ongebruikelijk aan te merken. De verdachte heeft daar bewust van afgezien. De daarvoor gehanteerde argumenten zijn onvoldoende - nog daargelaten dat de verdachte zich veelal verlaat op mededelingen van partijen, in het bijzonder de medeverdachte [medeverdachte 1] , zonder eigen onderzoek. Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met zijn verplichting op grond van de wet MOT bovengenoemde ongebruikelijke transacties niet heeft gemeld. Dat andere betrokkenen geen MOT-melding hebben gedaan, maakt dat niet anders.
Ten aanzien van de overige transacties kan niet uit de bewijsmiddelen zonder meer worden afgeleid dat er sprake is van ongebruikelijke transacties die door de verdachte gemeld hadden moeten worden. Het hof spreekt de verdachte in zoverre partieel vrij.”
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, Wet MOT (oud): "ongebruikelijke transactie: een transactie die aan de hand van de ingevolge artikel 8 bepaalde indicatoren als zodanig wordt aangemerkt"
Artikel 8, eerste lid Wet MOT (oud): "Bij algemene maatregel van bestuur worden zo nodig per daarbij te onderscheiden categorieën transacties de indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie wordt aangemerkt als een ongebruikelijke transactie. "
Artikel 9 lid 1 Wet MOT (oud): "Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, meldt een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan het meldpunt"
Op het moment dat aan de hand van een of meer indicatoren is vastgesteld dat een transactie ongebruikelijk is, dient deze transactie te worden gemeld. Ingevolge artikel 19 van de Wet MOT dient daarbij geheimhouding van het feit dat een melding wordt gedaan tegenover de cliënt in acht te worden genomen. Dit stelsel van meldingsplicht en geheimhouding brengt met zich dat de beroepsbeoefenaar niet wordt geacht over de melding in overleg te treden met de cliënt. Hoewel artikel 8, tweede lid, van de herziene richtlijn inzake witwassen voor (kandidaat)-notarissen, advocaten, onafhankelijke juridische beroepsbeoefenaars, accountants en belastingadviseurs de mogelijkheid open laat om een uitzondering op de geheimhoudingsplicht in het leven te roepen, is hier niet voor gekozen. Reden hiervoor is dat in de aard van de door dit besluit aangewezen dienstverlening geen rechtvaardiging kan worden gevonden om te voorzien in een regeling die afwijkt van de reeds bestaande voorschriften inzake geheimhouding. Immers, de meldingsplicht is op zichzelf niet onverenigbaar met de door het vertrouwensbeginsel beheerste relatie tussen advocaat en cliënt.
Het meldingssysteem zoals dat in deze paragraaf verkort is weergeven, geeft uitvoering aan de verplichting van de herziene richtlijn inzake witwassen om vermoedens van witwassen te laten melden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de door de richtlijn in artikel 6, derde lid, tweede alinea, mogelijk gemaakte uitzonderingen daarop. Als gevolg daarvan komt de regeling in zijn geheel bezien voor de wettelijke gereguleerde juridische beroepen welbeschouwd neer op een verplichting te handelen overeenkomstig overweging 17 van de herziene richtlijn inzake witwassen.”
Vermoedelijke witwastransacties of terrorismefinanciering Transacties waarbij aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme.”
51De middelen zes, zeven, acht en negenzijn tevergeefs voorgesteld.
Deelneming aan een criminele organisatie (middel 10) 52. Het tiende middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou de wetenschap van verdachte van het oogmerk van de criminele organisatie niet zijn af te leiden.
Beoordeling Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
Zoals hiervóór overwogen heeft de verdachte - in opdracht van en in samenwerking met [betrokkene 6] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] - gelden witgewassen door hen zijn derdengeldrekening ter beschikking te stellen. De gelden zijn uiteindelijk afkomstig van Bouwfonds. De medeverdachte [medeverdachte 1] was van mening dat hij recht had op deze bedragen, door hem omschreven als winstuitkeringen. De gelden werden onder meer aan Bouwfonds onttrokken door [A] te hoge bedragen bij Bouwfonds in rekening te laten brengen. De acceptatie van deze kunstmatig opgehoogde facturen werd door de medeverdachte [medeverdachte 1] (als directeur van Bouwfonds) geregeld alsmede door de medeverdachte [medeverdachte 2] (als controller bij Bouwfonds). Nadat de bedragen aldus door [A] werden ontvangen kregen zij vervolgens door [betrokkene 6] winstdelingsovereenkomsten opgedrongen waarmee de extra winsten werden afgeroomd. Op dat punt komt de verdachte in beeld: hij adviseert over de inhoud van de winstdelingsovereenkomsten, stelt zijn derdengeldrekening ter beschikking voor het storten van gelden door [A] , stelt de pooloverkomsten op (in opeenvolgende versies) die als basis dienen voor de verdeling van de aldus ontvangen gelden, en betaalt - op gezette tijden - in de loop der jaren ten slotte de ontvangsten door aan [betrokkene 6] en de medeverdachte [medeverdachte 1] .
De verdachte heeft met zijn faciliterende handelingen gedurende langere tijd deelgenomen aan een criminele organisatie, omdat hij met genoemde gedragingen een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekten tot en rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie (vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3). De verdachte behoorde ook tot die organisatie en hij had ook wetenschap van het oogmerk van de organisatie.”
56Het tiende middelfaalt.
Strafmotivering (middelen 11, 12 en 13) 57. Het bestreden arrest bevat de volgende strafmotivering: “De rechtbank Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 5 juni 2014 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Het hof hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Uit de bewezenverklaarde feiten volgt dat de verdachte vele miljoenen euro’s heeft witgewassen. Hij heeft daarbij zelf een voordeel verkregen van ruim fl. 1 miljoen, zowel in absolute als in relatieve zin (in vergelijking met de jaaromzet van zijn kantoor) een zeer aanzienlijk bedrag. Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is derhalve op zijn plaats, waarbij het hof voorts de volgende factoren betrekt.
De notaris heeft een bijzondere positie in het maatschappelijk verkeer. Van een notaris wordt onafhankelijkheid en onpartijdigheid verwacht. Daartoe heeft de notaris een geheimhoudingsplicht die wordt geschraagd door een wettelijk erkend verschoningsrecht, ter waarborging van zijn positie en het in hem gestelde vertrouwen. Dat noopt de notaris tot een zorgvuldige uitoefening van zijn ambt, waarbij hij diensten weigert die in strijd zijn met het recht of de openbare orde, of de handelingen die een ongeoorloofd doel of gevolg hebben. De notaris dient in zijn ambt de rechtszekerheid, hij is bij uitstek een functionaris bij wie betrouwbaarheid hoog in het vaandel moet staan. Dat geldt - uit de aard der zaak - ook voor het gebruik van de derdengeldrekening waar de notaris over beschikt en die ziet op gelden die hij in verband met zijn werkzaamheden ‘als zodanig’ onder zich neemt. Voor deze derdengeldrekening geldt de geheimhoudingsplicht evenzeer.
Dit alles heeft de verdachte met voeten getreden. Ook heeft hij het in hem gestelde vertrouwen beschaamd en zijn positie als professionele geheimhouder misbruikt door actief mee te werken aan het witwassen van miljoenen euro’s die door misdrijf waren verkregen.
De Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (de Commissie Van Traa) heeft al in 1996 gewaarschuwd voor de belangrijke faciliterende rol die notarissen kunnen vervullen voor de georganiseerde misdaad, een rol die de verdachte in deze zaak ook daadwerkelijk heeft vervuld: de verdachte heeft zijn deskundigheid verschaft aan de medeverdachten, hij heeft de benodigde afscherming aan zijn medeverdachten geboden, en hij heeft - door zijn betrokkenheid bij de transacties - de schijn van vertrouwen gewekt.
De bevindingen van de Commissie Van Traa waren voor de beroepsorganisatie van de verdachte aanleiding om maatregelen te nemen, die aan de verdachte kennelijk niet waren besteed. Ondanks deze waarschuwingen heeft hij willens en wetens - tegen een aanzienlijke vergoeding van ruim € 450.000 - zijn derdengeldrekening ter beschikking gesteld aan zijn medeverdachten voor het faciliteren van een geldstroom waarvan hij wist dat deze een criminele oorsprong had. Door zijn tussenkomst is niet alleen de aard en herkomst van deze geldstroom verborgen en verhuld, maar is daarenboven aan deze gelden (door het vertrouwen dat in het algemeen in de maatschappij bestaat in het ambt van notaris) een schijn van legitimiteit verleend.
Een notaris dient zich onkreukbaar op te stellen en ook als zodanig te handelen. Het in het algemeen in een notaris te stellen vertrouwen is door verdachtes handelen ernstig aangetast. Hij heeft slechts oog gehad voor zijn eigen gewin. Het hof vindt het handelen van de verdachte dan ook in hoge mate laakbaar, hetgeen de verdachte door het hof zwaar wordt aangerekend.
Daarnaast heeft verdachte in het project 126 afgezien - hoewel daartoe verplicht - van het melden van een ongebruikelijke transactie, en heeft hij inzake een door hem opgestelde verkoopovereenkomst valsheid in geschrift gepleegd.
Tevens rekent het hof de verdachte aan dat hij de strafbare feiten heeft gepleegd gedurende een lange periode.
Zoals hiervóór overwogen is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Nu hij daarbij gebruik heeft gemaakt van een middel, zijnde de derdengeldrekening, hem door zijn ambt geschonken, kan de op het feit gestelde straf, met uitzondering van een geldboete, met een derde worden verhoogd.
Voorwaardelijk verzoek (elektronisch toezicht) De raadslieden hebben verzocht om bij een oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onderzoek te laten doen naar de mogelijkheid van elektronisch toezicht als voorwaarde bij een voorwaardelijke straf (par. 7.5, pleitnotities). Naar het oordeel van het hof komt de verdachte daarvoor niet in aanmerking, nu het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zal opleggen.
Redelijke termijn Ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het hof als volgt.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft in beginsel het volgende te gelden.
Wat betreft de berechting van een zaak in eerste aanleg dient de zaak ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel, eveneens behoudens bijzondere omstandigheden.
Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De raadslieden hebben betoogd dat de redelijke termijn is aangevangen met de doorzoeking, op 29 en 30 mei 2008, op het kantoor van de verdachte (par. 7.1, pleitnotities). Het hof volgt dat standpunt niet. Als beginpunt van de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde termijn heeft te gelden het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld (HR 17 juni 2008, NJ 2008/358). Anders dan wordt betoogd door de verdediging en het openbaar ministerie, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat de doorzoeking op het kantoor van de verdachte of het eerste verhoor van de verdachte door de FIOD als zodanige handelingen hebben te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als zodanige handelingen te worden aangemerkt (vgl. HR 5 juni 2007, JOL 2007/393, r.o 3.3 en HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, r.o 3.12).
Nu de verdachte ook niet in verzekering is gesteld heeft als aanvangsmoment van de redelijke termijn te gelden 9 november 2012, zijnde de datum waarop de inleidende dagvaarding is betekend. Ten aanzien van de procedure bij het hof is de termijn aangevangen op 3 januari 2013, de datum waarop door de officier van justitie hoger beroep is ingesteld. Het hof doet op 27 februari 2015 uitspraak.
Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de vervolging van verdachte in eerste en tweede aanleg in totaal ongeveer twee jaren en vier maanden in beslag heeft genomen. De redelijke termijn is dan ook niet geschonden.
Het hof komt tot de volgende slotsom.
Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van aanzienlijke duur opgelegd, die hoger is dan door de rechtbank opgelegd, en ook hoger is dan door het openbaar ministerie is gevorderd. Het hof komt immers tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van een deelvrijspraak van het ten laste gelegde feit onder 4. Verder komt het hof tot een bewezenverklaring van het witwassen, waar de rechtbank schuldwitwassen bewezen heeft verklaard. Ten slotte rekent het hof het de verdachte zwaar aan dat hij als professionele geheimhouder misbruik heeft gemaakt van zijn functie.
Al het voorgaande, waarbij het hof tevens acht heeft geslagen op de overigens nog door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden, brengt met zich dat aan de verdachte een gevangenisstraf van na te melden duur wordt opgelegd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren passend en geboden.”
70De middelen 11, 12 en 13falen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:GHAMS:2015:633.
Er verschenen twee boeken van Van der Boom/Van der Marel: De vastgoedfraude (2011) en De ontknoping (2012).
HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:258.
Ik volsta met verwijzing naar De Hullu, 2015, p. 230/231 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak. Zie daar ook voor de aan Rozemond ontleende term normaal opzet. De steller van het middel spreekt van vol opzet.
Onder verwijzing naar EHRM 6 december 2012, EHRC 2013/92, r.o. 97 (Michaud vs Frankrijk).
De steller van het middel die dit - als ik het goed begrijp - betwist, verwijs ik naar bijlage X deel III, p. 28 e.v. bij de in hoofdtekst al genoemde rapportage van de Enquêtecommissie opsporingsmethoden.
Daarop spitst de klacht zich toe blijkens de toelichting onder 8.
HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:3169, NJ 2016/83 m.nt. Keulen. De annotator wijst er terecht op dat het goed mogelijk is dat de Hoge Raad de beslissing in stand laat bij een anders ingerichte motivering.
Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat het er om gaat of de handelingen in het licht van het concrete geval gericht zijn op het wegnemen van het zicht op het (in dit geval) geld en geschikt zijn dat doel te bereiken. Kamerstukken II 2000-2001, 27 159, nr. 5, p. 17, Kamerstukken II 2001-2002, 27 159, nr. 33a, p. 5.
HR 16 maart 1999, NJ 1999/370.
HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8673, NJ 2008/318.
Bij schrijven van 30 oktober 2015 heeft de steller van het middel een kennelijke misslag in het middel zelf hersteld.
Verwezen wordt in het oordeel van de rechtbank naar Asser/Hijma 5-I, aantek. 344 en in de schriftuur naar B.C.M. Waaijer, WPNR 2015, 7062 (p. 425-430). In beide bronnen lees ik niet dat wordt verdedigd dat in een geval als het onderhavige van valsheid geen sprake kan zijn.
Het beroep op Asser/Hijma 5-I, aantek. 344 waarin uiteengezet wordt dat onder gebruik zowel feitelijk (eigen) gebruik als gebruik voor handelsdoeleinden (aanschaf voor doorverkoop) valt, is dus niet relevant.
HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:BI1171, NJ 2009/541 m.nt. Reijntjes.
Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2015, p. 237-239. Ik voeg toe dat in cassatie wel ruimte is voor de vraag of een term puur kwalificatief is. Die vraag wordt in het middel terecht niet aan de orde gesteld.
De Wet MOT is vervallen per 1 augustus 2008 (Stb.2008, 304) en vervangen door de Wet ter voorkoming van witwassen en financieel terrorisme (Stb. 2008, 303). Vgl. M. van Dijck, De nieuwe Wet MOT, van een regel-georiënteerd naar een risico-georiënteerd stelsel in de melding van ongebruikelijke transacties, DD 2006, 24.
Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2015, p. 207 e.v.
Besluit van 13 april 2006, Stb. 2006, 212.
Besluit van 24 februari 2003, Stb. 2003, 94.
In art. 8 Wet MOT was bepaald dat de Ministers van Financiën en Justitie gezamenlijk, na overleg met het meldpunt ongebruikelijke transacties, voor een termijn van ten hoogste zes maanden de indicatoren vaststellen aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als een ongebruikelijke transactie. De indicatoren blijven na afloop van de periode van zes maanden van kracht als ze binnen die periode worden goedgekeurd bij AMvB.
Op 1 november 2005 is de regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005 (Stcrt 2005, 164) in werking getreden dat voor wat betreft het subjectieve criterium gelijkluidend is aan het criterium uit de bijlage bij art. 5c van voormeld Uitvoeringsbesluit, zodat het hetzelfde subjectieve criterium in de gehele bewezenverklaarde periode van toepassing was. De regeling gold tot 30 april 2006 (Stcrt. 2006, 187 en 211).
Zie art. 1 onder 2 jo 2 onder 1 WED (oud).
Wet van 13 december 2001, Stb. 2001, 665. Deze bepaling trad in werking op 28 december 2001.
Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 990, nr. 3, p. 7 en 14.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 (r.o. 3.12.1) m.nt. Mevis.
Zie voor voorbeelden Corstens/Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, 2014, p. 609. Zie ook het aldaar genoemde HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7697, NJ 2010/341 (geen aanvang termijn bij doorzoeking in het kader van rechtshulp).
Ik volg hier vrijwel letterlijk de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt (PHR: 2015:2697) voor HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:306 (art. 81 RO).
A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 310.
HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3, HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3, HR 25 november 2003, NS 2004, 18, rov. 4.4, HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en Van Dorst, a.w., p. 313.
HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236, NJ 2014/364 m.nt. Borgers, rov. 2.5, HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2745, NJ 2011/410, rov. 2.5, HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6702, NJ 2011/411 m.nt. Borgers, rov. 2.5 en HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8838, NJ 2003/570, rov. 3.2.4.
Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (ECLI:NL:PHR:2014:430) onder 3.4 voorafgaande aan HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236, NJ 2014/364 m.nt. Borgers en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:HR:2011:BP2745) onder 8 voorafgaande aan HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2745, NJ 2011/410. Zie nader: F. Vellinga-Schootstra, Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces, in: Pet af, p. 493-516.
Vgl. HR 25 februari 1947, NJ 1947/161 (Gold Flake) m.nt. Pompe: in uitzonderlijke gevallen volstaat een standaardstrafmotivering niet.
Voor art. 43a Sr onder verwijzing naar HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:AD6981, NJ 2003/126 m.nt. Reijntjes (zie r.o. 4.13 onder c) beslist in HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:BX6916, NJ 2012/561.
Zie voor middel en macht NLR, aantek. 4 bij art. 44 Sr.
Het voorbeeld wordt in een andere context gebruikt A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a, Wetboek van Strafvordering, aantek. 6 bij art. 483.