Nr. 15/01638 Zitting: 29 maart 2016 Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 27 januari 2012 verdachte wegens 1. “medeplegen van valsheid in geschrift”, 2. “medeplegen van valsheid in geschrift”, 3. “medeplegen van valsheid in geschrift”, 4. “medeplegen van witwassen” en 5. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Er bestaat samenhang met de zaken 15/01218, 15/01317, 15/01433, 15/01452, 15/01520, 15/02551, 15/03518, 15/03519 en 15/03520. In deze zaken zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte hebben mr. J. Kuijper en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur negen middelen van cassatie voorgesteld. Nadien is nog een aanvullende toelichting op de schriftuur ingekomen. Het betreft hier één van de zaken uit het zogenaamde Klimoponderzoek. Kort gezegd gaat het om aanzienlijke fraude met vastgoed die de media bepaald niet is ontgaan. Daarbij zou meer dan 200 miljoen euro zijn onttrokken aan het toenmalige Bouwfonds (thans: Rabo Vastgoedgroep) en het Philips Pensioenfonds. Meer dan honderd natuurlijke personen en rechtspersonen zijn als verdachte aangemerkt. De hoofdverdachte [medeverdachte] zou zich hebben verrijkt door voor bouwopdrachten bovenmatige bedragen te (doen) facturen en zo in de terminologie van verdachte ‘potjes te creëren’ die hij naar believen zou hebben aangewend onder meer door het bovenmatige deel in eigen zak te steken. De onderhavige zaak heeft grotendeels betrekking op slechts één onderdeel van deze fraude, het project Eurocenter. Verdachte wordt het medeplegen verweten (onder 3) van het opmaken van een brief waardoor een valse titel werd gecreëerd voor een tweetal betalingen van Bouwfonds aan de (gedelegeerd) projectontwikkelaar [FF] NV (hierna: [FF] ), alsook van het opmaken van (onder 1) een deelopdrachtbevestiging en van (onder 2) een bevestigingsbrief waarmee valse titels werden gecreëerd om de van Bouwfonds ontvangen betalingen deels te kunnen doorstorten aan [S] Ltd en/of [T] (hierna samen aangeduid als [S] ). De betalingen die aan [S] op basis van deze titels hebben plaatsgevonden zijn aangemerkt als witwassen (feit 4). Tot slot is verdachte veroordeeld (onder 5) voor deelneming aan een criminele organisatie (feit 5). 5. De middelen betreffen de afwijzing van verzoeken getuigen te horen (middelen 1 en 2) en stukken in het dossier te voegen (middel 3), klagen over de motivering van de bewezenverklaring (middelen 4 t/m 8) en richten zich tegen de motivering van de strafoplegging (middel 9).Alvorens ik de middelen in die volgorde zal bespreken, merk ik op dat in de 229 pagina’s tellende schriftuur en de 13 pagina’s tellende nadere toelichting daarop uitvoerig wordt verwezen naar en geciteerd uit de gedingstukken. In het navolgende streef ik er naar om niet in herhaling te treden en tracht ik de middelen zo beknopt mogelijk te bespreken. De bestreden uitspraak is gepubliceerd en de volledige tekst kan dus via die weg worden geraadpleegd. 6. Het eerste middel richt zich tegen de afwijzingen van zes verzoeken tot het horen van getuigen en een verzoek een deskundige te horen. 7. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het hof het verzoek [verbalisant 1] , voormalig opsporingsambtenaar FIOD-ECD, als getuige te horen heeft afgewezen. 8. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek de maatstaf van het verdedigingsbelang aangelegd. Daarover klaagt het middel – terecht – niet. Het tussenarrest van 20 juni 2013 houdt in: “Standpunt verdedigingDe raadsman wenst de getuige te horen over de wijze waarop het door haar uitgevoerde onderzoek is ingericht en uitgevoerd, over het geselecteerde feitenmateriaal en de getrokken conclusies op basis van het geselecteerde feitenmateriaal. Meer in het bijzonder wenst de verdediging haar te ondervragen over hetgeen door haar is geverbaliseerd ten aanzien van “JON” (schriftuur d.d. 17 januari 2013 pagina 12 en repliek d.d. 4 april 2013, pagina 4). Ten slotte wil de raadsman de getuige [verbalisant 1] ook vragen stellen over de geretourneerde stukken (aanvullende schriftuur d.d. 7 maart, pagina 4). BeoordelingHet hof overweegt en beslist als volgt.Voor de in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen is slechts van belang datgene wat een verbalisant relateert omtrent feiten en omstandigheden, niet welke interpretatie een verbalisant daaraan geeft. Voorts geldt dat de stelling van de raadsman dat de selectie die de getuige heeft gemaakt op gespannen voet staat met recentelijk teruggegeven stukken, te onbepaald is en overigens bij pleidooi verder uitgewerkt kan worden alsook welke gevolgen daaraan zouden moeten worden verbonden. Verder wordt in het geheel niet gemotiveerd, dan behalve dat deze stukken ontlastend zouden zijn, waarom de getuige zou moeten worden gehoord over de in beslag genomen stukken die zijn teruggegeven en over welke stukken dan in het bijzonder.Het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] wordt daarom afgewezen.” 9. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd, dat [verbalisant 1] een proces-verbaal (AH-6084) heeft opgemaakt op basis van een selectie van enkel belastend feitenmateriaal, waardoor in dat proces-verbaal eenzijdige en voor de verdachte belastende conclusies worden getrokken. De rechter en de overige procesdeelnemers zijn daardoor op het verkeerde been gezet. Het horen van de getuige is van belang met het oog op de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag en de vraag naar de bewijsgaring. 10. In het licht van dit aangevoerde, is de hiervoor weergegeven afwijzing geenszins onbegrijpelijk voor zover het verzoek zag op het horen van de getuige met het oog op de bewijsgaring. Zoals het hof heeft overwogen, kunnen de in een proces-verbaal weergegeven conclusies op zichzelf immers niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring (art. 344, eerste lid onder 2°, Sv). 11. Daarbij merk ik op dat de door het hof in de bewijsmiddelen opgenomen passages uit dit proces-verbaal ook geen conclusies inhouden. Dat geldt ook voor de in de schriftuur opgenomen passages uit de bewijsmiddelen 18, 32, 57 , 58 en 69 (nr. 37 van de toelichting). Hetgeen daar is vermeld, zijn slechts feitelijke beschrijvingen van hetgeen in het onderzochte materiaal (niet) is aangetroffen. Overigens vraag ik mij af of bij het opstellen van een proces-verbaal, waarin de chronologie van een opsporingsonderzoek wordt weergegeven en verricht onderzoek wordt verantwoord, steeds het weergeven van vermoedens en trekken van (tussen)conclusies valt te vermijden. Dat is ook niet bezwaarlijk. Het weergeven van dergelijke vermoedens en conclusies getuigt niet per definitie van vooringenomenheid maar kan evengoed duiden op transparantie en het bieden van een mogelijkheden tot toetsing. Het biedt de verdediging immers, wanneer in een proces-verbaal conclusies worden getrokken die door haar worden betwist, de mogelijkheid die conclusies te ontkrachten of te nuanceren. Wanneer de verdediging blijkt dat bepaalde stukken niet in het proces-verbaal zijn verwerkt – omdat zij niet beschikbaar waren of omdat zij buiten beschouwing zijn gelaten – kan zij die stukken overleggen of een verzoek doen die stukken alsnog aan het dossier te laten toevoegen. Waarom die omstandigheid aanleiding moet vormen de desbetreffende verbalisant als getuige te horen, vermag ik niet in te zien. Ook al zou die verbalisant, na door de verdediging met ontlastende stukken te zijn geconfronteerd eventuele conclusies nuanceren, kunnen ook die conclusies immers niet voor het bewijs worden gebezigd. 12. Dat het hof, zoals in punt 36 van de toelichting wordt opgemerkt, vergelijkbare conclusies heeft getrokken als die ook in het proces-verbaal zijn getrokken, maakt de afwijzing van het verzoek [verbalisant 1] als getuige te horen evenmin onbegrijpelijk. Het hof baseerde die conclusies immers niet rechtstreeks op het proces-verbaal maar op rechtstreeks op de voorhanden zijnde (primaire) stukken. 13. Voor zover de schriftuur bedoelt te klagen dat het hof heeft miskend dat het horen van de getuige ook relevant kan zijn voor de ontvankelijkheidsvraag van art. 348 Sv (zo begrijp ik nr. 41 van de toelichting), neem ik aan dat de stellers van de middelen daarmee willen aansluiten op de daarvoor (nr. 40) opgezette redenering dat uit het horen van de verbalisant mogelijk zou kunnen blijken “dat het proces-verbaal is opgemaakt op basis van een (al dan niet doelbewust vergaard) select aantal (belastende) stukken met weglating van ontlastende stukken, dan geeft dat de rechter en de overige procesdeelnemers een vertekend beeld van de werkelijkheid”. Ook in zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden, al was het maar omdat het verzoek niet op deze stellige wijze ten overstaan van het hof is gedaan en een dergelijk verzoek in hoge mate het karakter heeft van een “fishing expedition”. Daar komt bij dat aan het verzoek onder meer ten grondslag is gelegd dat bepaalde ontlastende stukken niet in het proces-verbaal zijn verwerkt, alsook dat de verdediging over die stukken de beschikking had. Stel dat – uitgaande van het ergste geval – [verbalisant 1] als getuige zou verklaren dat zij een proces-verbaal heeft opgesteld en daarin doelbewust ontlastend materiaal heeft weggelaten, volgt uit de omstandigheid dat de verdediging over dat materiaal de beschikking had of heeft kregen dan juist niet reeds dat geen sprake (meer) was van een onherstelbaar vormverzuim? Voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging lijkt mij onder deze omstandigheden hoe dan ook onvoldoende grond. Ik zou denken dat het hof het verzoek hoe dan ook slechts had kunnen verwerpen. 14. De afwijzing van het verzoek [verbalisant 1] te horen is niet onbegrijpelijk. 15. Ten tweede wordt in de toelichting geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het hof het verzoek [verbalisant 2] , controleambtenaar Belastingdienst Utrecht- Gooi, als getuige te horen heeft afgewezen. 16. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek de maatstaf van het verdedigingsbelang aangelegd. Daarover klaagt het middel – terecht – niet. Het tussenarrest van 20 juni 2013 houdt in: “Standpunt verdediging De verdediging wenst de getuige te horen in het kader van een nader onderzoek naar de aanvang van het onderzoek Klimop, de bevoegdheden die door de Belastingdienst zijn aangewend in de periode voordat er sprake was van “een redelijk vermoeden” en in de periode daarna, alsmede naar de verhouding daarvan tot de subjecten van het onderzoek (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina’s 11 en 12, repliek d.d. 4 april 2013, pagina 4). Beoordeling Het hof overweegt en beslist als volgt. Het verzoek wordt afgewezen. Het hof is van oordeel dat - nu door de verdediging slechts wordt verwezen naar een controleonderzoek - de onderbouwing van het verzoek te kort schiet, aangezien geen op de onderhavige procedure enigszins toegespitst argument is aangevoerd. Minst genomen had concreet door de verdediging kunnen worden aangegeven wanneer en welke controlebevoegdheden ten aanzien van deze verdachte zijn uitgeoefend en welke (voor de verdachte nadelige) informatie, afhankelijk van zijn wil, toen is verstrekt. Dit is informatie waarover de verdachte zelf beschikt. Het ligt verder op de weg van de verdediging om ter onderbouwing van het verzoek aan te geven op welk moment bij het uitoefenen van welke controlebevoegdheden, de belangen van de verdachte zijn veronachtzaamd. Hetgeen door de verdediging hiertoe is gesteld is daarvoor te weinig concreet. Daarenboven zijn in eerste aanleg verscheidene belastingambtenaren meermalen als getuige gehoord omtrent het belastingonderzoek, hetgeen de raadsman overigens ook heeft erkend (repliek d.d. 4 april 2013, pagina 4). De enkele stelling van de raadsman dat de rol van de getuige [verbalisant 2] niet althans onvoldoende aan de orde is geweest is - gelet op bovenstaande - een onvoldoende onderbouwing.” 17. Uit de gedingstukken blijkt dat is aangevoerd dat (specifiek) [verbalisant 2] moet worden gehoord, omdat: - het in het belang van de verdediging, in het bijzonder in het kader van de ontvankelijkheids- en de bewijsvraag, is “dat nader onderzoek wordt verricht naar de aanvang van het onderzoek Klimop, de bevoegdheden die door de Belastingdienst zijn aangewend in de periode voordat er sprake was van ‘een redelijk vermoeden’ en in de periode daarna (waaronder de in de verklaringen genoemde periode van ‘radiostilte’), alsmede naar de verhouding daarvan tot de subjecten van het onderzoek”; - het belang van de verdediging om [verbalisant 2] te horen evident is, omdat [verbalisant 2] als belastingambtenaar betrokken is geweest bij een derdenonderzoek bij [FF] (bij gelegenheid van welk onderzoek ook vragen zijn gesteld en beantwoord namens de onderneming [FF] ) en bij dat onderzoek stukken zijn verkregen die (ook) beschikbaar kwamen voor het strafrechtelijk onderzoek; en - [verbalisant 2] een grote rol speelt in de vorming van het dossier [verdachte] en meerdere gesprekken heeft gehad bij [FF] . Daarbij heeft de verdediging voorts opgemerkt: “Er zijn ook verslagen van de gesprekken met de directie. De verdediging beschikt niet over deze gespreksverslagen. Ik heb tevergeefs deze proberen te achterhalen. Het heeft mij verrast dat [verbalisant 2] is aangestuurd door [belastingambtenaar; PV] [getuige 3] , dat [getuige 3] duidelijke instructies geeft en bijvoorbeeld zegt: ‘ze zullen wel weer aankomen met een winstdelingsovereenkomst’. [getuige 3] kan het zich niet herinneren en daarom wil ik aan [verbalisant 2] vragen welke instructies hij heeft ontvangen en welke verdenking er op dat moment was”. 18. Volgens (nr. 54 van) de toelichting op het middel is ten aanzien van het verzoek aangevoerd dat een verklaring van [verbalisant 2] de stelling van de verdediging dat (naar ik aanneem fiscale; PV) bevoegdheden zijn overschreden kan ondersteunen, alsook dat en welke aanwijzingen de verdediging heeft dat [verbalisant 2] controlebevoegdheden heeft aangewend voor het parallel lopende strafrechtelijke onderzoek. Uit het aangevoerde zou naar voren komen dat de door de verdediging “gestelde gang van zaken, indien aannemelijk geworden door onder meer de van [verbalisant 2] te verkrijgen verklaring, (mede) een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (het Zwolsmancriterium)” (nr. 54). 19. Ik lees dat echter niet terug in de onderbouwing die van het verzoek is gegeven. Volgens die onderbouwing is het verzoek gericht op het verkrijgen van gegevens over welke bevoegdheden überhaupt zijn ingezet en welke instructies er zijn gegeven. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof het aldus onderbouwde verzoek op de hiervoor weergegeven wijze heeft afgewezen. Dat geldt ook voor de overweging dat het op de weg van de verdediging had gelegen “ter onderbouwing van het verzoek aan te geven op welk moment bij het uitoefenen van welke controlebevoegdheden, de belangen van de verdachte zijn veronachtzaamd”. Voor zover de toelichting op het middel klaagt dat het hof met die overweging te zware eisen stelt, omdat het “juist die informatie [is] die de verdediging wil krijgen door het stellen van vragen aan deze getuige” (nr. 57), lijkt zij vooral te bevestigen dat van de eerder bedoelde “aanwijzingen” nog helemaal geen sprake was en het verzoek een veel onbestemder karakter had en veeleer was gericht op het mogelijk vergaren van dergelijke aanwijzingen. 20. De afwijzing van het verzoek [verbalisant 2] te horen is niet onbegrijpelijk. 21. Als derde behelst de toelichting de klacht dat het hof bij de verzoeken [betrokkene 18] , adviseur van [S] LTD, en [betrokkene 19] , architect bij [S] LTD, als getuigen ten onrechte bij de invulling van de toepasselijke maatstaf heeft betrokken dat sprake is van een voortbouwend appel, althans dat deze afwijzing onbegrijpelijk is. 22. Op de terechtzitting van 31 mei 2013 is het verzoek gedaan de bij appelschriftuur opgegeven getuigen [betrokkene 18] en [betrokkene 19] te horen. Het verzoek [betrokkene 18] te horen is op een nadere terechtzitting herhaald. Het hof heeft bij de beoordeling van de eerste verzoeken de maatstaf van het verdedigingsbelang aangelegd. Het tussenarrest van 20 juni 2013 houdt in: “De getuigen ter zake de ‘zakelijkheid van de betalingen’ Inleidende overwegingen De raadsman heeft in de schriftuur aangegeven dat de bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg onder meer bestaan uit de keuzes die de rechtbank heeft gemaakt bij het gebruik van de bewijsmiddelen die zien op de ‘zakelijkheid van de betalingen’ (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina’s 6 en 7). Verder wordt betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van de achtergrond van de betalingen zoals die naar voren komt uit de verklaringen van de getuigen [medeverdachte] en [betrokkene 12] (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina 9). Voor de beoordeling van deze verzoeken is van belang of en in hoeverre de getuigen uit eigen wetenschap concreet kunnen verklaren over de ten laste gelegde geschriften - nu immers valsheid in geschrift is ten laste gelegd die ziet op een aantal specifieke documenten - en of en in hoeverre de getuigen uit eigen wetenschap kunnen verklaren over de ten laste gelegde betrokkenheid waarvan de verdachte wordt verdacht bij de ten laste gelegde valsheid in geschrift. Verder is van belang dat in eerste aanleg al getuigen zijn gehoord omtrent de ‘zakelijkheid van de betalingen’. Het hof wijst in dit verband op de verklaringen van de getuigen [getuige 14] (RC-verhoor d.d. 6 mei 2010), [getuige 15] (RC-verhoor d.d. 19 oktober 2010), [getuige 16] (RC-verhoren d.d. 3 mei 2010 en 28 oktober 2010), [getuige 17] (RC-verhoor d.d. 21 september 2010), [getuige 18] (RC-verhoor d.d. 18 mei 2010), [betrokkene 12] (RC-verhoor d.d. 24 juni 2010) en [medeverdachte] (RC-verhoren d.d. 5 september 2012 en 29 oktober 2012). Verder is in eerste aanleg ook een brief van de getuige [getuige 19] van 20 januari 2010 overgelegd. Naar het hof begrijpt wenst de verdediging in het kader van de ‘zakelijkheid van de betalingen’ in hoger beroep opnieuw een aantal getuigen te horen. Het gaat dan om de getuigen [betrokkene 18] ( [S] ), [betrokkene 19] ( [S] ), [getuige 20] (fiscalist), [getuige 21] , [getuige 22] , [betrokkene 12] ( [S] ), [medeverdachte] en [getuige 19] als getuige-deskundige (schriftuur, pagina’s 13, 14, 15, 16 en 17; aanvulling schriftuur d.d. 7 maart 2013, pagina’s 4 en 5; repliek d.d. 4 april 2013, pagina’s 5, 6, 7 en 8). De getuigen kunnen allemaal vanuit hun eigen invalshoek verklaren over de ‘knip’ en de planwijzigingen in het project Eurocenter (pleitaantekeningen d.d. 31 mei 2013, pagina’s 8, 9 en 10). Gelet echter op het voortbouwende karakter van het hoger beroep mag van de verdediging worden verwacht dat ten aanzien van deze getuigen een stevigere onderbouwing aan de getuigenverzoeken ten grondslag wordt gelegd, die ziet op nieuwe gezichtspunten die in eerste aanleg niet aan de orde zijn gekomen. Een en ander klemt temeer in het licht van hetgeen de verdachte stelt omtrent de inhoud van de stukken die zijn geretourneerd, welke stukken overeenkomstig het bepaalde in artikel 414 Sv kunnen worden overgelegd (aanvulling schriftuur d.d. 7 maart 2013). Bovenstaande in ogenschouw genomen overweegt en beslist het hof als volgt over de verzoeken. De getuige [betrokkene 18] Standpunt verdediging De getuige [betrokkene 18] was volgens de raadsman adviseur van [S] en kan verklaren over de detailengineering (repliek d.d. 4 april 2013, pagina’s 6 en 7). De raadsman legt in zijn verzoek de relatie met de betalingen aan de getuige [betrokkene 12] in 2004 en de veronderstelling van de verdachte dat deze een zakelijke grondslag hadden (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina 13). Voorts kan de getuige verklaren over de periode na de ‘knip’(pleitaantekeningen d.d. 31 mei 2013, pagina 10). Beoordeling Dit verzoek wordt afgewezen. De raadsman onderbouwt niet op grond van welke nieuwe gezichtspunten, die in eerste aanleg nog niet aan de orde zijn gekomen de getuige zou moeten worden gehoord. De raadsman geeft verder niet aan over welk ten laste gelegd geschrift hij de getuige wenst te horen en of en in hoeverre de getuige daarover kan verklaren en op welke punten. Verder wenst de raadsman de getuige te horen over de geretourneerde in beslag genomen stukken (aanvulling schriftuur d.d. 7 maart 2013, pagina 4). De raadsman brengt echter niet naar voren over welke documenten in het bijzonder de getuige zou moeten worden gehoord en of de getuige daaromtrent uit eigen wetenschap kan verklaren. De getuige [betrokkene 19] Standpunt verdediging De raadsman heeft betoogd dat de getuige kan verklaren over de ontwerpwerkzaamheden van [S] gedurende de verschillende projectfasen (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina 14), meer specifiek of een vergoeding gerechtvaardigd was (repliek d.d. 4 april 2013, pagina 6) en over de periode na de ‘knip’(pleitaantekeningen d.d. 31 mei 2013, pagina 10). Verder zou de getuige moeten worden gehoord over de geretourneerde in beslag genomen stukken (aanvulling schriftuur d.d. 7 maart 2013, pagina 4). Beoordeling Dit verzoek wordt afgewezen. De raadsman onderbouwt niet op grond van welke nieuwe gezichtspunten, die in eerste aanleg nog niet aan de orde zijn gekomen de getuige zou moeten worden gehoord. De raadsman onderbouwt verder niet over welk ten laste gelegd geschrift hij de getuige wenst te horen en of en in hoeverre de getuige daarover kan verklaren en op welke punten. Verder wenst de raadsman de getuige te horen over de geretourneerde in beslag genomen stukken. De raadsman geeft in het geheel niet aan over welke documenten in het bijzonder de getuige zou moeten worden gehoord en of de getuige daaromtrent uit eigen wetenschap kan verklaren.” 23. Op de terechtzitting van 31 januari 2014 is nogmaals verzocht [betrokkene 18] als getuige te horen. Dat verzoek is afgewezen omdat volgens het hof niet de noodzaak tot het horen bestond, waarbij het hof heeft overwogen geen aanleiding te zien tot heroverweging van de beslissing van 20 juni 2013. 24. De verdediging heeft verzocht [betrokkene 18] en [betrokkene 19] als getuigen te horen over de veranderende rol van architectenbureau [S] en daarmee gepaard gaande vergoedingen. Daartoe is aangevoerd dat vanaf de tweede fase van het project de taak van [S] buitengewoon veelomvattender en zwaarder is geworden dan in de oorspronkelijke overeenkomst van juli 2001 was overeengekomen. Volgens de verdediging kunnen verklaringen van de getuigen bijdragen aan de beoordeling van de vraag welke werkzaamheden wel en niet onder de oorspronkelijke overeenkomst vielen. Daarbij wil de verdediging de getuigen confronteren met door justitie teruggeven stukken, waaruit zou blijken dat inderdaad sprake is geweest van aanvullende werkzaamheden. 25. Over de vragen of sprake is geweest van aanvullende werkzaamheden en – en die vraag lijkt relevanter – of (het redelijk was dat) daarvoor een vergoeding is betaald, zijn in de loop van het onderzoek reeds verschillende getuigen gehoord. In haar onderbouwing van de verzoeken [betrokkene 18] en [betrokkene 19] als getuigen te horen, besteedt de verdediging geen enkele aandacht aan het hetgeen door die eerdere getuigen ten aanzien van dit onderwerp reeds is verklaard. Het oordeel van het hof dat in een grootschalig onderzoek als het onderhavige en in de stand waarin het geding zich bevond ten tijde van het verzoek – zo vat ik althans de verwijzing van het hof naar het “voortbouwend appel” op – van de verdediging mocht worden verwacht dat zij haar verzoeken in die zin nader motiveerde getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik niet onbegrijpelijk. 26. Datzelfde geldt ten aanzien van de afwijzing van het herhaalde verzoek tot het horen van [betrokkene 18] . In die herhaling wordt weliswaar gewezen op een verklaring van [getuige 21] maar wordt niet onderbouwd waarom die verklaring in het licht van de verklaringen van andere getuigen tot het horen van [betrokkene 18] aanleiding zou geven. 27. Voor zover het middel klaagt over de afwijzing van de verzoeken [betrokkene 18] en [betrokkene 19] te horen faalt het. 28. De vierde klacht in de toelichting op het middel luidt dat het hof ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd, het verzoek [getuige 23] als getuige te horen heeft afgewezen. 29. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek de maatstaf van het verdedigingsbelang aangelegd. Het tussenarrest van 20 juni 2013 houdt in: “Standpunt verdediging De raadsman wenst de getuigen [getuige 23] , [getuige 24] en [getuige 25] te horen in het kader van het onder 5 ten laste gelegde feit (de criminele organisatie). Meer in het bijzonder wenst de raadsman de getuige [getuige 23] te horen over de afwikkeling van de bouwclaims en de activiteiten welke de getuige of [GG] BV heeft verricht of zou verrichten in het project Eurocenter (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina 15). (…) Beoordeling Het hof overweegt en beslist als volgt. Het hof wijst, met inachtneming van de daarvoor geldende maatstaf, het verzoek tot het horen van voornoemde getuigen af, nu de punten waaromtrent de getuigen zouden moeten worden bevraagd in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak van de verdachte te nemen beslissing. Aan de verdachte is onder 5 ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Aan de orde is derhalve de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij de navolgende bewijsvragen beantwoord dienen te worden: was sprake van een criminele organisatie en -indien dit het geval is- of de verdachte heeft deelgenomen aan die organisatie en of het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven. Hierbij wordt opgemerkt dat dit andersoortige bewijsvragen betreffen dan de vraag of de verdachte zelf heeft deelgenomen aan een ander strafbaar feit dan de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie. De raadsman heeft niet onderbouwd op welke van deze bewijsvragen de getuigen gehoord kunnen worden en waarom dat het geval is. De vraagpunten zoals die in de schriftuur naar voren zijn gebracht kunnen in ieder geval op zichzelf niet dienen als punten die de bewijsvragen aangaan.” 30. De deelklacht dat het hof ten onrechte toepassing heeft geven aan het bepaalde in art. 288 Sv faalt. Volgens de stellers van de middelen had het hof de getuige als een niet verschenen getuige in de zin van art. 287, derde lid onder b, Sv dienen te behandelen, omdat het Openbaar Ministerie de getuige weliswaar niet had opgeroepen doch daartoe geen gebruik heeft gemaakt van de in art. 264 Sv genoemde gronden. Nog daargelaten dat de gronden van art. 288 Sv ook in het geval van art. 287, derde lid onder b, Sv van toepassing zijn, miskennen de stellers dat art. 287, derde lid onder a, Sv ook ziet op het geval de Officier van Justitie de oproeping van een getuige heeft verzuimd. 31. In de toelichting op het middel (nrs. 93-94) wordt aangevoerd dat de afwijzing onbegrijpelijk is, omdat door de verdachte wordt ontkend dat de bouwclaim van [getuige 23] vals is en het voor de verdediging van belang is dat [getuige 23] wordt gehoord over de rechtmatigheid van de van diens bedrijf afkomstige bouwclaim. In die zin heeft het hof het verzoek echter kennelijk niet opgevat. Gelet op de onderbouwing van het verzoek, is dat niet onbegrijpelijk. In die onderbouwing wordt immers de nadruk gelegd op de vraag of sprake was van betrokkenheid van de verdachte bij de strafbare gedragingen waarop het oogmerk van de in de tenlastelegging bedoelde criminele organisatie was gericht: “De verdediging acht het horen van [getuige 23] in haar belang gelet op het oordeel van de rechtbank dat de bouwclaims deel uit maakten van de ‘moeilijke betalingen’ en de ‘potjesstructuur’ die bedacht was door medeverdachte [medeverdachte] en waar ook appellant volgens de rechtbank betrokkenheid bij had, welk oordeel onder andere is gebaseerd op de handgeschreven aantekeningen uit document D-0832”. 32. Dat het hof het op die betrokkenheid gerichte verzoek heeft afgewezen op de wijze als hiervoor bedoeld, is niet onbegrijpelijk. 33. Ten vijfde wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het hof de verzoeken [betrokkene 12] , medeverdachte, als getuige te horen heeft afgewezen. 34. De verdediging heeft verzocht [betrokkene 12] als getuige te horen op de terechtzitting van 31 mei 2013 en heeft dat verzoek herhaald tijdens de terechtzitting van 31 januari 2014. Het hof heeft bij de beoordeling van beide verzoeken de maatstaf van de noodzakelijkheid aangelegd. Het tussenarrest van 20 juni 2013 houdt in: “Standpunt verdediging De raadsman wil de getuige vragen stellen over de door [S] ter zake van het project Eurocenter verrichte werkzaamheden, alsmede over de daarvoor door [getuige 21] voldane vergoeding (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina 16). De raadsman wenst de getuige verder te confronteren met de geretourneerde in beslag genomen stukken, waaruit volgt dat sprake was van meerwerk e.d.. Verder blijkt uit deze stukken dat de getuige op de hoogte was van werkzaamheden van [S] die direct het budget van detailengineering raken (aanvulling schriftuur d.d. 7 maart 2013, pagina 5 en repliek d.d. 4 april 2013, pagina’s 7 en 8) en over de periode na de ‘knip’ (pleitaantekeningen d.d. 31 mei 2013, pagina’s 10 en 11). Beoordeling Het hof wijst het verzoek af. De getuige [betrokkene 12] is in eerste aanleg in de zaak van de verdachte al inhoudelijk op 24 juni 2010 bij de rechter-commissaris gehoord. De getuige heeft ten overstaan van de rechter-commissaris uitgebreid verklaard over de werkzaamheden in het project Eurocenter. Door de raadsman zijn in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht, die in eerste aanleg nog niet aan de orde zijn gekomen, op grond waarvan de getuige zou moeten worden gehoord. Dat de raadsman de getuige wenst te horen over de geretourneerde in beslag genomen stukken maakt dit niet anders, nu deze stukken, volgens de raadsman, zien op de onderwerpen waarover de getuige eerder al uitvoerig is gehoord en de raadsman niet heeft aangegeven welke concrete nieuwe punten, die de tenlastelegging raken, een nieuw verhoor noodzakelijk maken.” 35. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2014 houdt voorts in: “Gelet op hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een heroverweging van de eerder ter terechtzitting van 20 juni 2013 gegeven beslissing waarbij de verzoeken zijn afgewezen of tot toewijzing van de nieuwe getuigenverzoeken. Naar het oordeel van het hof bestaat - gezien de gegeven onderbouwing van de verzoeken - niet de noodzaak tot het horen van de overige getuigen”. 36. De verdediging heeft verzocht [betrokkene 12] als getuige te horen en heeft daartoe onder meer opgemerkt dat daardoor “een breder beeld op het gehele feitencomplex” kan worden verkregen, alsook dat het hof daardoor een “juist beeld kan krijgen van de positie en betrokkenheid” van de verdachte in de samenwerking tussen [medeverdachte] en [betrokkene 12] . Meer concreet is aangevoerd dat de verdediging vragen wil stellen “over de door [S] ter zake van het project Eurocenter verrichtte werkzaamheden, alsmede over de daarvoor door [FF] voldane vergoeding”. Het horen zou evident in het belang van de verdediging zijn, gelet op de bewijsvraag. In de schriftuur ex art. 410 Sv en de schriftelijke aanvullingen daarop alsook ter terechtzitting van 31 mei 2013 is die gestelde evidentie verder uitgewerkt. De toelichting op het middel spitst zich met name toe op de vraag of de motivering van de afwijzing van het verzoek ook stand houdt voor zover aan dat verzoek ten grondslag is gelegd dat de verdediging [betrokkene 12] wilde confronteren met stukken waarover zij ten tijde van het eerdere verhoor bij de rechter-commissaris nog niet de beschikking had (nrs. 106-108). Ten aanzien van die stukken is in hoger beroep aangevoerd dat uit die stukken blijkt dat (“wel degelijk” , “evident” dan wel “daadwerkelijk”) sprake is geweest van meerwerk en detailengineering, alsook dat [betrokkene 12] daarvan (“wel degelijk” en “direct in strijd is met hetgeen [betrokkene 12] ten opzichte van de FIOD-ECD en de R-C heeft verklaard”) op de hoogte was. 37. Als bewijsmiddelen 26 en 27 zijn door het hof verklaringen gebezigd die door [betrokkene 12] in het kader van het opsporingsonderzoek en tijdens de procedure in eerste aanleg zijn afgelegd. [betrokkene 12] verklaart daarin dat sprake is geweest van meerwerk en dat [S] voor dat meerwerk niet extra betaald heeft kregen. 38. Dat het hof, bij die stand van zaken, het verzoek om [betrokkene 12] nogmaals als getuige te horen als ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen omdat de verdediging verzuimde concrete nieuwe punten aan te voeren die een nieuw verhoor noodzakelijk maken, is niet onbegrijpelijk. 39. In de toelichting op het middel (nr. 108) wordt er voorts nog op gewezen dat door de verdediging is aangevoerd dat uit een op 29 oktober 2012 door [medeverdachte] afgelegde verklaring blijkt van “nieuwe omstandigheden waaromtrent de verdediging [betrokkene 12] destijds bij de rechter-commissaris niet heeft kunnen ondervragen” welke omstandigheden – zo begrijp ik althans – aanleiding hadden moeten vormen voor het opnieuw horen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 mei 2013 en de aldaar overgelegde pleitnota blijkt dat in dat verband door de verdediging is aangevoerd: “Zo verklaart [medeverdachte] : ‘Betalingsverplichtingen die ik nog moest verzorgen, bijvoorbeeld doelde op de betalingsverplichting die ikzelf had naar [betrokkene 12] toe. Het klopt dat ik over de achtergrond van dergelijke betalingsverplichtingen niet met [verdachte] heb gesproken.’ De verdediging van [verdachte] wil [betrokkene 12] in dit kader vragen stellen.” “Het is de vraag wat [verdachte] daarover kon weten.” 40. Dat het hof op grond van dit aangevoerde het opnieuw horen van [betrokkene 12] niet noodzakelijk achtte, is evenmin onbegrijpelijk. Het aangevoerde behelst immers niet meer dan het uiten van de wens vragen te stellen in het kader van betalingsverplichtingen die [medeverdachte] ten opzichte van [betrokkene 12] zegt te hebben (gehad), over de achtergrond van welke verplichtingen [medeverdachte] niet met verdachte zegt te hebben gesproken. 41. Ook de afwijzing van het op 31 januari 2014 gedane herhaling van het verzoek is niet onbegrijpelijk. In de onderbouwing van die herhaling wordt weliswaar als nieuw gezichtspunt gewezen op de op 16 januari 2014 door [getuige 21] afgelegde verklaring, de inhoud van die verklaring wordt voorts echter niet betrokken bij het formuleren van de redenen waarom [betrokkene 12] nogmaals als getuige zou moeten worden gehoord. Slechts wordt (wederom) verzocht [betrokkene 12] te horen over “de omvang van de verrichte werkzaamheden van [S] ”, “de hoogte van de vergoeding die aan deze werkzaamheden is gekoppeld” alsook over “zakelijkheid van de vergoeding van € 1.900.000 inzake meerwerk”. 42. De klachten ten aanzien van de afwijzing van het verzoek [betrokkene 12] als getuige te horen, falen. 43. Tot slot wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat onbegrijpelijk is het verzoek [getuige 19] , als “getuige-deskundige” te horen. 44. Het tussenarrest van 20 juni 2013 houdt in: “Standpunt verdediging De raadsman heeft verzocht de getuige [getuige 19] als deskundige te horen omtrent zijn wetenschap van en ervaring met samenwerkingsverbanden van architecten uit de Verenigde Staten en Nederland. Verder kan deze getuige verklaren over de honorariagrondslagen, alsmede over programma- en ontwerpwijzigingen (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina’s 17 en 18). Beoordeling Het verzoek wordt afgewezen. De raadsman onderbouwt niet op grond van welke nieuwe gezichtspunten, die in eerste aanleg nog niet aan de orde zijn gekomen de getuige zou moeten worden gehoord. Bovendien heeft de raadsman eerder, ter terechtzitting in eerste aanleg, de visie van de getuige [getuige 19] al bekend gemaakt aan de rechtbank.” 45. Ter onderbouwing van het verzoek is door de verdediging aangevoerd: “De verdediging wenst [getuige 19] als deskundige te horen, omdat [getuige 19] wetenschap heeft van en ervaring met samenwerkingsverbanden tussen architecten uit de Verenigde Staten en Nederlandse architecten. Voorts kan [getuige 19] onder meer uit eigen wetenschap verklaren over honorariagrondslagen die door architecten worden gehanteerd, alsmede over programma – en ontwerpwijzigingen en de daarmee gepaard gaande (meerwerk)vergoedingen voor de betrokken architecten. [getuige 19] heeft voorafgaande aan en door hem afgelegde verklaring, die zich reeds bij de stukken bevindt, inzage gekregen in onder meer de TEO, de KBA's en een overzicht van de door [S] vervaardigde ontwerpen. De verdediging wil [getuige 19] als deskundige onder meer vragen stellen over zijn visie ter zake van de totstandkoming van het ontwerp c.q. de ontwerpen van het project Eurocenter en de in dat kader bedongen (meerwerk)vergoedingen door de betrokken architecten”. 46. Het aan het verzoek ten grondslag gelegde houdt in dat de verdediging aan [getuige 19] vragen wil stellen over zijn visie. Als ik het goed begrijp, is die visie reeds neergelegd in een schriftelijke verklaring die door de verdediging aan de Rechtbank is overgelegd. De onderbouwing van het verzoek houdt niet in waarom [getuige 19] over deze visie moet worden gehoord. Zulks in aanmerking genomen, is de hiervoor weergegeven afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk. 47. Aan die begrijpelijkheid doet niet af dat het hof in het kader van de beoordeling van de bewijsvraag het standpunt van [getuige 19] niet is gevolgd. 48. Dan nu nog iets over de nadere toelichting op de cassatieschriftuur. In de kern heeft die toelichting geen betrekking op de beslissingen van het hof over het oproepen van de getuigen, maar op de vraag of verklaringen van die getuigen en processen-verbaal die (mede?)door hen opgemaakt zijn voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Zo bezien vormt de nadere toelichting een nieuwe klacht en kan reeds om die reden niet tot cassatie leiden. Min of meer ten overvloede nog het volgende. 49. In de nadere toelichting wordt uitvoerig betoogd welke criteria volgens de rechtspraak van het EHRM moeten worden toegepast bij het gebruik van bewijs afkomstig van een ondanks een daartoe strekkend verzoek niet door de rechter gehoorde getuige. Ik beperk mij tot het vereiste dat een bewijsmiddel geproduceerd door een dergelijke getuige niet ‘sole or decisive’ voor de bewezenverklaring mag zijn. De aanvulling met bewijsmiddelen leert dat het hof voor het bewijs zowel schriftelijke stukken, verklaringen van de verdachte en verklaringen van nogal wat getuigen heeft gebruikt. De nadere toelichting is niet of nauwelijks precies te noemen voor wat betreft het feit of de feiten waarbij de ‘sole and decisive’ regel is geschonden. Gelet op het aanzienlijke aantal bewijsmiddelen van verschillende aard kan niet bedoeld zijn dat sprake is van een bewijsmiddel dat enkel en alleen (‘sole’) aan een bewezenverklaring ten grondslag ligt. Het gaat dus kennelijk slechts om het beslissend (‘decisive’) zijn van een bewijsmiddel. De nadere toelichting op de cassatieschriftuur werkt dit onder verwijzing naar de schriftuur slechts enigszins uit voor de verzochte getuigen [verbalisant 1] en [betrokkene 12] . Ik beperk mij daar dus toe. 50. Voor wat betreft [verbalisant 1] zou het beslissende karakter van het bewijsmiddel blijkens de nadere toelichting (p. 10) reeds zijn toegelicht in het in de cassatieschriftuur onder 35 t/m 37 gestelde. Ik lees daar wel over het belang van het proces-verbaal van de [verbalisant 1] voor de bewezenverklaring, maar niet over het beslissende karakter ervan. De nadere toelichting bij [betrokkene 12] (p. 11) verwijst naar het in de cassatieschriftuur onder 105 gestelde. Ik citeer: “…rust het bewijs dat rekwirant de hem verweten feiten heeft gepleegd in belangrijke mate op de verklaringen van [betrokkene 12] en de verklaring van [medeverdachte] ...”. Uit deze onderbouwing blijkt al van een beslissend karakter geen sprake is. Hetgeen in de nadere toelichting is aangevoerd vormt daarmee geen grond voor enige bijstelling van mijn standpunt dat het eerste middel kan worden verworpen. 51. Het tweede middel klaagt dat onbegrijpelijk is de afwijzing van het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de gehele projectadministratie ten aanzien van het project Eurocenter van [S] LTD en van [HH] B.V. 52. Het tussenarrest van 20 juni 2013 houdt in voor zover voor de beoordeling van het middel relevant: “Standpunt verdediging De verdediging heeft bij schriftuur (schriftuur d.d. 17 januari 2013, pagina’s 18 en 19) en aanvullende schriftuur (aanvulling schriftuur d.d. 7 maart 2013, pagina’s 6 en 7) verzocht om toevoeging van dan wel inzage in de gehele projectadministratie ten aanzien van het project Eurocenter van [S] LTD en [HH] B.V. over de periode 1998-2003 (de planvoorbereidingsfase) en 2004-2006 (de realiseringsfase), waaronder alle e-mailverkeer, faxen, correspondentie en telefoonlijsten alsmede de tekeningen op A0-formaat. Ook wordt verzocht om kennisname of voeging van alle verslagen van bouwvergaderingen in het project Eurocenter (aanvulling schriftuur, pagina 6). Standpunt openbaar ministerie Het openbaar ministerie staat afwijzend tegenover toewijzing van het verzoek. Het openbaar ministerie ziet geen reden, ook niet in voor verdachte ontlastende zin, het dossier uit te breiden met de complete projectadministraties en/of de verslagen van bouwvergaderingen in het project Eurocenter. Het openbaar ministerie wijst erop dat het niet beschikt over bedoelde stukken, maar ook dat het verzoek onbepaald is. Daarnaast is het openbaar ministerie van mening dat door de gevraagde stukken geen inzicht wordt verkregen in de strafbare feiten die de verdachte worden verweten en dat daarmee die stukken niet relevant zijn voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing (brief openbaar ministerie d.d. 21 maart 2013, pagina’s 23 en 24). Beoordelingsmaatstaf Voorop wordt gesteld dat het verzoek ziet op stukken die niet in het bezit zijn van het openbaar ministerie en door middel van een strafvorderlijk dwangmiddel zouden moeten worden gevorderd bij genoemde architectenkantoren. Het gaat hier naar het oordeel van het hof daarom niet om processtukken in de zin van artikel 149a Sv (vgl. TK 32468, MvT). De vraag is dan ook of de toewijzing van het verzoek tot het opvragen van stukken door middel van een strafvorderlijk dwangmiddel noodzakelijk is. Beoordeling verzoek Het hof overweegt en beslist als volgt. De raadsman heeft -in de kern- aan het verzoek ten grondslag gelegd dat uit deze stukken zou blijken dat er sprake is geweest van aanzienlijke planwijzigingen (aanvulling schriftuur, pagina 6). Uit de aanvullende schriftuur (pag. 2 onder 2 en pag. 6 onder 18) volgt dat door de teruggave van een grote hoeveelheid (21 dozen) door de FIOD bij onder andere [getuige 21] in beslag genomen stukken, de verdediging de beschikking heeft over een aanzienlijke hoeveelheid - haars inziens - ontlastende stukken. De verdediging moet aldus in staat zijn ruim vóór de verdere inhoudelijke behandeling nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen die in haar ogen ontlastend zijn. Het hof acht, gelet hierop, maar ook gelet op de onbepaaldheid van het verzoek, toewijzing van het verzoek tot opvordering van stukken niet noodzakelijk.” 53. In de aanvulling op de schriftuur ex 410 Sv van 7 maart 2013 is het in het middel bedoelde verzoek als volgt onderbouwd: “2. Onderhavige aanvulling op de appelschriftuur is mede gefundeerd op het gegeven dat appellant op 16 januari 2013 werd geconfronteerd met een teruggave door de FIOD van een grote hoeveelheid destijds in beslag genomen stukken bij [FF] , [getuige 21] en/of appellant zelf. Het betrof een eenentwintigtal dozen, welke tot verbijstering van appellant een grote hoeveelheid materiaal bevatte die zijn ter zitting in eerste aanleg verstrekte toelichting op de realiteit van de verrichte werkzaamheden ondersteunt en in die zin als ontlastend bewijsmateriaal dient te worden gekwalificeerd. (…) 16. Bij appelschriftuur van 17 januari 2013 is door de verdediging reeds verzocht toe te voegen aan het procesdossier: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.