Nr. 14/05086 P Zitting: 28 juni (bij vervroeging) Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 29 september 2014 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 3.100,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Er bestaat samenhang met de zaak 15/04525P. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen. Namens de betrokkene heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat geen rechtsgevolg verbonden hoefde te worden aan de vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de appelfase is overschreden. De bestreden uitspraak van het hof houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in: “Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2013 de ontnemingsvordering beperkt tot een bedrag van € 3.100,-, zijnde het bedrag dat de veroordeelde zou hebben verdiend met de door hem toegegeven verkoop van LSD aan [betrokkene 1] . De advocaat-generaal heeft bij schriftelijk standpunt van 1 september 2014 het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 90.000,- en de betalingsverplichting op € 70.000,-. De advocaat-generaal heeft het standpunt zoals het Openbaar Ministerie dat ter terechtzitting van 12 februari 2013 heeft ingenomen, zijnde beperking van het ontnemingsbedrag en betalingsverplichting tot een bedrag van € 3.100,-, ter terechtzitting van 15 september 2014 gehandhaafd. Het hof zal de advocaat-generaal volgen door zich wat betreft de vaststelling van het door de veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel uit de jegens de veroordeelde bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2005 (parketnummer 13/520039-05) bewezenverklaarde feiten dan wel uit dat dossier aannemelijk geworden soortgelijke feiten, te beperken tot de verkoop van LSD-trips door de veroordeelde aan [betrokkene 1] . Het hol hanteert in navolging van de advocaat-generaal de volgende transactieberekening: 15.500 LSD-trips x 0,20 euro per stuk = € 3.100,-. Dat aldus en tot dit bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde is genoten is van de zijde van de veroordeelde niet betwist. (…). Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde uit de baten van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen dat het hof schat op een bedrag van € 3.100,-. Het hof ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Verplichting tot betaling aan de Staat De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat dit dient te leiden tot matiging van de op te leggen betalingsverplichting. Het hof constateert dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM in de fase in hoger beroep. De veroordeelde heeft op 31 mei 2007 hoger beroep ingesteld. De stukken zijn bij het hof binnengekomen op 24 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.