Nr. 15/00098 Zitting: 14 juni 2016 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] Bij arrest van 31 december 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verdachte wegens “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals in het arrest vermeld. De onderhavige zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nummer 15/00101 P, waarin ik vandaag eveneens concludeer. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur tien middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Namens de verdachte is op 5 januari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 23 oktober 2015 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Het middel is terecht voorgesteld. De overige middelen bevatten bewijsklachten. Alvorens over te gaan tot bespreking van deze middelen, geef ik de bewezenverklaring en – voor zover voor de beoordeling van de middelen relevant – de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 juli 2010 tot en met 18 februari 2011, te Vuren (gemeente Lingewaard) en te Tilburg, althans in Nederland, telkens voorwerpen, te weten één of meer geldbedragen (van in totaal 58.314,90 Euro) en een Mercedes-Benz type CLS500 (gekentekend [AA-00-BB] , ter waarde van ongeveer 25.000 Euro), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.” 10. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen: “1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL 1820 2011015508-3, (pagina’s 20 en 21 ), opgemaakt op 19 februari 2011 door [verbalisant 1] , agent van politie en [verbalisant 2] , brigadier van politie, inhoudende als relaas van verbalisanten voor zover van belang -zakelijk weergegeven-: Op 18 februari 2011, omstreeks 22.10 uur, hebben wij een onderzoek ingesteld, op locatie Zeiving, 4214 KT, Vuren. Wij reden het parkeerterrein van het aldaar gevestigde wegrestaurant ‘De Goudreinet’ op. Wij zagen dat in een hoek een personenauto stond. Wij zagen dat het een Mercedes-Benz, type CLS betrof voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . Wij vroegen de bestuurder van het voertuig naar zijn rijbewijs. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , kreeg van de bestuurder een geldig rijbewijs voorzien van de navolgende gegevens: • [verdachte] • [geboortedatum] -1980 te [geboorteplaats] • Bsn [001] • Rijbewijsnummer [002] Ik, verbalisant [verbalisant 1] , liep naar de bijrijderszijde. Ik zag dat op de vloermat voor de bijrijdersstoel een stapel briefgeld lag. Ik zag dat het uitsluitend briefjes van vijftig betrof. Ik zag dat de stapel briefgeld op een half geopende boodschappentas lag. Verdachte [verdachte] vertelde ons dat in de plastic boodschappentas nog meer geld lag. Wij zagen dat in de boodschappentas diverse grote stapels geld lagen. Dit betrof gebundelde stapels briefgeld van vijftig euro. Bij telling bleek dat in de boodschappentas een totaalbedrag van negenenveertigduizend vijfhonderd vierennegentig euro en negentig eurocent ( € 49.594,90). Tevens kwam er uit de broekzakken van verdachte nog diverse briefgeld, te weten 8 x 500, 2 x 200, 1 x 100, 3 x 20, 2 x 10 en 2 x 5 euro. 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd, PL083R 2011017624-2, (pagina’s 40 en 41), opgemaakt op 19 februari 2011 door [verbalisant 3] , hoofdinspecteur van politie, [verbalisant 4] , hoofdagent van politie, [verbalisant 5] , agent van politie en [verbalisant 6] , buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, aktenummer 6030633/0, inhoudende als relaas van verbalisanten voor zover van belang -zakelijk weergegeven-: Op 19 februari 2011, omstreeks 15.23 uur, hebben wij een onderzoek ingesteld. Verdachte : [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , burger servicenummer [001] , nationaliteiten Nederlandse en Turkse, [woonplaats] , Bevindingen: Ten behoeve van de overname van de verdachte van Zuid-Holland-Zuid is het (naar het hof begrijpt: onder/bij verdachte) in beslaggenomen geld geteld en overgenomen. Aanwezig was: 900 biljetten van 50 euro; 8 biljetten van 500 euro; 2 biljetten van 200 euro; 1 biljet van 100 euro; 3 biljetten van 20 euro; 2 biljetten van 10 euro; 2 biljetten van 5 euro; 4,90 euro aan muntgeld; 39 biljetten van 200 euro; 8 biljetten van 50 euro; 1 biljet van 500 euro; 1 biljet van 20 euro. Het totale bedrag was € 58.314,90, waarvan € 4.594,90 was aangetroffen bij de veiligheidsfouillering van verdachte, een bedrag van € 8.720,-- bij de insluitingsfouillering van verdachte en de rest lag in zijn auto. 3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL 1820 2011015508-10 (pagina’s 24 en 25), opgemaakt op 19 februari 2011 door [verbalisant 7] , brigadier van politie en [verbalisant 8] , agent van politie, inhoudende de bevindingen van verbalisanten voor zover van belang -zakelijk weergegeven-: Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, verklaren wij verbalisanten het navolgende: Bij deze fouillering werd in kleding van de aangehouden verdachte een geldbedrag van in totaal 8.720,- euro aangetroffen. Het geldbedrag in diverse coupures werd aangetroffen tussen de broek en de onderbroek, net onder de broeksband aan de rugzijde van de verdachte. (…) 8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL183R 2011017624-19, (pagina 71), opgemaakt door [verbalisant 6] , buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, aktenummer 6030633/0, inhoudende als relaas van verbalisant voor zover van belang -zakelijk weergegeven-: Naar aanleiding van het beslag op en het onderzoek naar de Mercedes CLS 500 met kenteken [AA-00-BB] , op het moment van inbeslagname eigendom van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1980 te [geboorteplaats] , heb ik, verbalisant, op donderdag 10 maart 2011 telefonisch contact gehad met [betrokkene 1] (fon.) van het garagebedrijf [A] BV te Tilburg, waar [verdachte] de Mercedes had gekocht. [betrokkene 1] vertelde mij dat [verdachte] de Mercedes in juli 2010 voor 35.000 euro had gekocht en dat hij een auto ter waarde van 10.000 euro had ingeruild. Het saldo van 25.000 euro had hij contant betaald. (overweging hof: als bijlage bij voormeld proces-verbaal is op pagina 72 een bescheid gevoegd, te weten de van de aankoop van de bewuste auto opgemaakte factuur, die op naam van verdachte staat). 9. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank te Arnhem van 19 juni 2012 voor zover van belang inhoudende -zakelijk weergegeven-: De auto (het hof begrijpt: de Mercedes Benz met kenteken [AA-00-BB] ) heeft tot 9 december op mijn naam gestaan. Ik reed het meest in de auto.” 11. Het hof heeft onder het kopje “Overweging met betrekking tot het bewijs” onder meer het volgende overwogen: “Op 18 februari 2011 is verdachte aangetroffen in een personenauto, een Mercedes Benz met kenteken [AA-00-BB] , staande in een hoek van een parkeerplaats langs de rijksweg A15 te Vuren. Verdachte had een grote hoeveelheid briefgeld op de vloer van de bijrijdersstoel liggen van in totaal € 58.314.90.-. Verdachte heeft de Mercedes Benz [AA-00-BB] tegen contante betaling gekocht op 19 juli 2010 bij [A] te Tilburg voor een bedrag van € 35.000,--. Bij die aanschaf werd een andere personenauto, een Mercedes Benz met kenteken [CC-00-DD] , ingeruild. Er moest nog een bedrag worden bijbetaald. De Mercedes Benz [AA-00-BB] heeft tot 9 december 2010 op naam van verdachte gestaan, waarna deze op naam van zijn vader is gezet. Het hof stelt evenals de rechtbank voorop dat voor de beantwoording van de vraag of het onder verdachte aangetroffen contant geld en de auto uit ‘enig misdrijf afkomstig’ zijn, bepalend is of het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daartoe is niet vereist dat op grond van de beschikbare bewijsmiddelen een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. Het hof overweegt evenals de rechtbank hiertoe als volgt. Het geld Bij zijn aanhouding op 18 februari 2012 was verdachte in het bezit van een bedrag van in totaal € 58.314,90, bestaande uit onder meer acht biljetten van € 500,- en 41 biljetten van € 200,00. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van dergelijke grote contante geldbedragen door particuliere personen hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal of brand waarbij het geld niet verzekerd is. Deze risico’s worden in het algemeen geaccepteerd indien sprake is van het verbergen van crimineel geld. Bovendien gaat criminaliteit veelal gepaard met grote hoeveelheden contant geld in diverse, vaak grote coupures terwijl coupures van € 500,- en € 200,- in het normale betalingsverkeer in bijvoorbeeld een cafébedrijf een zeldzaamheid zijn. Hierbij neemt het hof evenals de rechtbank in aanmerking dat verdachte het geld op een zeer ongebruikelijke en risicovolle manier vervoerde, namelijk deels op en deels in een plastic boodschappentas op de grond van de bijrijdersstoel van de auto en in zijn broek, net onder de broeksband aan de rugzijde van verdachte. Een aannemelijke verklaring voor het op deze wijze vervoeren van dergelijke grote bedragen heeft verdachte niet gegeven. Verdachte heeft steeds wisselend verklaard over de reden voor zijn aanwezigheid ter plaatse en over de reden voor de aanwezigheid van het geld. Allereerst heeft hij verklaard dat hij uit Tilburg was gekomen om een auto te kopen. Later vertelde hij dat hij op het bewuste parkeerterrein aan het wachten was op ene [betrokkene 2] die bij hem gokschulden zou hebben. Weer later zegt verdachte dat hij met het geld wilde gaan gokken. De reden dat hij hierover steeds wisselend heeft verklaard, is volgens verdachte dat hij niet wilde dat zijn vader erachter zou komen dat hij gokte. Vorenstaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden van witwassen. Dat verdachte tijdens zijn verhoor daadwerkelijk is gebeld door ene [betrokkene 2] maakt dat - mede gelet op de steeds wisselende verklaringen van verdachte - niet anders. Immers, een dergelijk telefoontje ondersteunt nog niet het verhaal van verdachte, maar laat ruimte voor andere scenario’s. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat hij door het verschaffen van verifieerbare gegevens op punten die eenvoudig te achterhalen zijn een aannemelijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Over de herkomst van het geld heeft verdachte enerzijds bij de politie verklaard het geld uit de kluis in café […], waarin het geld van de ondernemingen van de familie [verdachte] ligt dat verdachte en zijn vader beheren, te hebben gepakt om ermee te gaan gokken. Anderzijds heeft verdachte verklaard dat hij het geld uit die kluis had meegenomen nadat er was ingebroken. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard het geld te hebben meegenomen nadat er was ingebroken en om er vervolgens mee te gokken, maar dat dit meer een verhaal was dat hij zijn vader zou vertellen als hij erachter zou komen dat het geld weg was. Ook de verklaring die verdachte heeft gegeven voor zijn wisselende verklaringen acht het hof evenals de rechtbank, mede op grond van het navolgende, niet geloofwaardig. Het hof acht evenals de rechtbank de uitleg van verdachte over de herkomst van het geld niet geloofwaardig gelet op de hiervoor genoemde sterk wisselende en onderling tegenstrijdige inhoud van de verklaringen die hij hierover op diverse momenten heeft afgelegd. Daar komt bij dat verdachtes verklaring dat het geld uit de spaarpot van de familie afkomstig is niet aannemelijk is. (…) Het voorgaande houdt in dat verdachte geen aannemelijke en redelijke verklaring kan geven voor de grote hoeveelheid contant geld die hij bij zich had. Het hof komt evenals de rechtbank op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het onder verdachte aangetroffen geld middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was en dat verdachte dat wist. (…) De auto Verdachte heeft verklaard dat hij de Mercedes Benz met kenteken [AA-00-BB] op 19 juli 2010 heeft gekocht en ongeveer een halfjaar op zijn naam heeft gehad, waarna deze op de naam van zijn vader is gezet vanwege de verzekeringskosten. Bij de aanschaf van de Mercedes werd een andere auto, een Mercedes Benz met kenteken [CC-00-DD] , ingeruild welke op naam stond van de (toenmalige) vriendin van verdachte te weten [betrokkene 3] . Verdachte heeft het restsaldo ad € 25.000,- contant voldaan. Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld de auto voor een hoger bedrag namelijk € 15.000,-- te hebben ingeruild. Het hof ziet evenals de rechtbank hierin geen aanleiding te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal d.d. 14 maart 2011 en gaat derhalve uit van een inruilwaarde van € 10.000,--. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard de auto namens zijn vader en met diens geld te hebben gekocht. Het feit dat in eerste instantie verdachte de auto op zijn naam had staan, was puur om praktische redenen, namelijk omdat hij de auto heeft opgehaald en betaald. Vanwege hoge verzekeringskosten is de auto na ongeveer een halfjaar alsnog op naam van de vader gezet. De auto werd door de gehele familie gebruikt maar verdachte reed het meeste in de auto. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte niet geloofwaardig is. Immers, verdachte heeft de auto deels betaald met een groot contant geldbedrag en deels met de inruil van een auto die op naam van zijn (toenmalige) vriendin stond. Het is onaannemelijk dat de vader van verdachte een auto zou kopen door inruil van een auto die niet hem toebehoort maar aan de vriendin van zijn zoon. Daarbij heeft verdachte de auto op zijn naam gezet, hetgeen niet vereist is als men slechts de auto voor een ander komt ophalen. Dit is des te vreemder nu de auto zelfs een halfjaar lang op zijn naam is blijven staan. Voorts is verdachte degene geweest die veelvuldig gebruik heeft gemaakt van de auto. Tenslotte komt uit de verklaring van de verkoper van de auto naar voren dat de vader van verdachte bij de aankoop geen enkele betrokkenheid of bemoeienis heeft gehad. Op grond van deze omstandigheden is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat verdachte de auto heeft gekocht en betaald en dat de auto slechts op naam van vader is gezet uit verzekeringsoverwegingen en om witwassen te verhullen. Dat er sprake is van witwassen leidt het hof evenals de rechtbank af uit de volgende omstandigheden. Verdachte heeft het geldbedrag dat voor de auto nog moest worden betaald, zijnde € 25.000,-- geheel contant betaald. Dit is in het betalingsverkeer uiterst ongebruikelijk, zodat sprake is van het vermoeden van witwassen. Wederom mag van verdachte in een dergelijk geval worden verlangd dat hij een aannemelijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld waarmee de auto is aangeschaft. Verdachtes enkele verklaring dat de auto is betaald uit de familiepot, acht het hof evenals de rechtbank onvoldoende waarbij zij verwijst naar de door haar onder het kopje “Het geld” gebezigde argumenten. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat het geld voor de aanschaf van de auto slechts afkomstig kan zijn van een misdrijf en dat verdachte dat wist. De verklaring van vader maakt dit niet anders, nu gelet op de onder ‘Het geld’ overwogen bewijsmiddelen ook dit verhaal niet aannemelijk is. Conclusie Het hof acht het met de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.” 12. Het tweede tot en met negende middel behelzen telkens de klacht dat “de bewezenverklaring”, met daarbij een nadere aanduiding van hetgeen de bewezenverklaring zou inhouden, niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Hetgeen volgens deze middelen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, betreft telkens echter geen onderdeel van de bewezenverklaring, maar door het hof onder het kopje “Overweging met betrekking tot het bewijs” genoemde feiten en omstandigheden. Ik versta deze middelen daarom aldus, dat telkens wordt geklaagd dat de daarin genoemde feiten en omstandigheden niet kunnen volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. 13. Bij de beoordeling van de – aldus verstane – middelen kan het volgende worden voorop gesteld. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.