15/02090 mr. Keus Zitting 8 juli 2016 Conclusie inzake: 1. Distriport Noord-Holland C.V. (hierna: Distriport CV) 2. Distriport Noord-Holland B.V. (hierna: Distriport BV) 3. [eiseres 3] , voorheen genaamd [A] B.V. (hierna: [A] ) 4. Distriport Vastgoed B.V., voorheen genaamd Zeeman Vastgoed B.V. (hierna: Zeeman Vastgoed oud) (hierna gezamenlijk: Distriport c.s.) eiseressen tot cassatie, verweersters in het incidentele cassatieberoep advocaten: mrs. B.T.M. van der Wiel en J.F. de Groot tegen de provincie Noord-Holland (hierna: de Provincie) verweerster in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep advocaten: mrs. J.W.H. van Wijk en M.E.M.G. Peletier Het gaat in deze zaak om een samenstel van overeenkomsten tussen (onder meer) de Provincie en enkele projectontwikkelaars tot ontwikkeling en realisering van een bedrijventerrein, in het kader waarvan een commanditaire vennootschap (CV) is opgericht. Het principale cassatieberoep betreft onder meer de vraag of de Provincie tot ontbinding van (een deel van) een van deze overeenkomsten was gerechtigd of wanprestatie heeft gepleegd dan wel in schuldeisersverzuim verkeerde. Ook komt in het principale beroep de vraag aan de orde wie als commanditaire vennoten hebben te gelden, nu in de samenwerkingsovereenkomst waarin tot oprichting van de CV werd besloten andere commandieten dan in de uiteindelijke oprichtingsakte werden genoemd. Ten slotte wordt in het principale beroep (onder meer) nog opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de commandieten het beheersverbod van art. 20 lid 2 WvK hebben overtreden en op grond daarvan hoofdelijk aansprakelijk zijn geworden. In het incidentele cassatieberoep komt onder meer de vraag aan de orde of de projectontwikkelaars in hun rol van bestuurder van de beherend vennoot op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk zijn. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan van de navolgende feiten worden uitgegaan:
- a)[A] en Zeeman Vastgoed oud zijn projectontwikkelaars. Alle aandelen in Zeeman Vastgoed oud worden via Zeeman Management B.V. (hierna: Zeeman Management) gehouden door Zeeman Real Estate B.V. (hierna: Zeeman Real Estate; voor 5 december 2013 de Stichting Administratiekantoor Zeeman Management). Op 16 december 2013 heeft Zeeman Real Estate een vennootschap genaamd Zeeman Vastgoed B.V. (hierna: Zeeman Vastgoed nieuw) opgericht.
- b)Het Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord N.V. (hierna: NHN) is belast met de uitvoering van de Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) voor de Provincie. De Provincie houdt 50% van de aandelen in NHN. De Kamer van Koophandel en 26 gemeenten, waaronder de gemeente Koggenland, houden de andere 50% van de aandelen in NHN. NHN houdt 100% van de aandelen in NHN Vastgoed B.V. (hierna: NHN Vastgoed).
- c)Distriport BV is beherend vennoot van Distriport CV. De aandelen in Distriport BV worden gehouden door NHN Vastgoed en [A] samen met (naar Distriport c.s. stelllen:) de besloten vennootschap Zeeman Bestuur B.V. (hierna: Zeeman Bestuur) of (naar de Provincie stelt:) Zeeman Vastgoed. Het bestuur van Distriport B.V. wordt gevormd door NHN Vastgoed, Zeeman Bestuur en [A] . Zij zijn gezamenlijk bevoegd.
- d)Sinds 2006 hebben de Provincie, Zeeman Vastgoed oud en [A] overleg gevoerd over de totstandkoming van een samenwerkingsverband voor de ontwikkeling en realisering van een bedrijventerrein Distriport Noord-Holland in de gemeente Koggenland, destijds geheten “Jaagweg”.
- e)Op 20 juni 2007 hebben de Provincie, NHN, Zeeman Vastgoed oud en [A] een document ondertekend getiteld “Afsprakenkader inzake de ontwikkeling en realisering van het bedrijventerrein c.a. Jaagweg te Koggenland, onder meer bestaande uit contractovernames en een koop en verkoop van de gronden als aangegeven in deze overeenkomst, alsmede uit intenties met betrekking tot een tot stand te brengen samenwerking(sovereenkomst) c.a. terzake” (hierna: het Afsprakenkader). In het Afsprakenkader is, voor zover relevant, het volgende vermeld: “1.1. Partijen hebben de intentie om - op basis van een nader tussen hen te bepalen verdeling - voor gezamenlijke rekening en risico en op basis van een nog definitief tussen hen te bepalen participatie in het resultaat, de deelname in het kapitaal en de benodigde financiering(
- en)en de terzake te stellen garanties en te verstrekken zekerheden samen te werken bij de verdere ontwikkeling en realisering van het bedrijventerrein Jaagweg c.a. in het Plangebied, waarbij er vooralsnog vanuit wordt gegaan dat NHN - in de plaats van de provincie - naast de ontwikkelaars terzake zal participeren en dat Zeeman, [A] en NHN ieder terzake voor een gelijk deel zullen participeren. (...) 2.3 De intentie van partijen is erop gericht dat NHN - dan wel de provincie - [A] en Zeeman ieder voor een gelijk deel zullen participeren in het resultaat van de Grondexploitatie. Voorts zullen partijen volgens een nog nader tussen hen te bepalen verdeling deelnemen in het kapitaal en bijdragen in de financiering van de Grondexploitatie en de terzake benodigde garanties afgeven en de terzake benodigde zekerheden verstrekken. Voordat tot een winstuitkering zal worden overgegaan dienen - voorzover ingevolge deze Overeenkomst, de Samenwerkingsovereenkomst en/of nog nader tussen partijen in onderlinge overeenstemming te maken afspraken terzake, aanspraak op een vergoeding ervan bestaat - alle kosten, die de betreffende partij met het oog op de verdere ontwikkeling en realisering van het bedrijventerrein c.a. heeft gemaakt, aan de betreffende partij te worden vergoed, verhoogd met een rentevergoeding daarover, ten aanzien waarvan partijen het percentage nog in onderlinge overeenstemming zullen bepalen en vastleggen in de Samenwerkingsovereenkomst (...) (...) 3. Contractsovername en mogelijk (terug-)verkoop en -koop van de Koopovereenkomst-gronden I en II (...) 4. De verkoop en levering van de Verworven gronden (...)”
- f)Bij de gedingstukken bevindt zich een door de Provincie opgesteld en als “interne notitie concept voorstel afspraken PNH inzake bedrijventerrein Jaagweg” aangeduid stuk, gedateerd 29 november 2007, dat ook aan Zeeman Vastgoed oud en aan [A] is gezonden en dat, voor zover van belang, het volgende inhoudt: “(...) Voor de provinciale betrokkenheid (grondoverdracht en, indien nodig, financiering) bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein Jaagweg zal de Provincie Noord-Holland garanties/zekerheden van de ontwikkelende partijen vragen. Deze garanties moeten ervoor zorgen dat de Provincie Noord-Holland geen financieel risico loopt en dat het risico komt te liggen waar het thuis hoort: bij de ontwikkelende partijen. (...)”
- g)Op 19 juni 2008 hebben de Provincie, NHN, Zeeman Vastgoed oud, [A] en een partij, genoemd Distriport Noord-Holland C.V. i.o., een als grondverkoopovereenkomst met betrekking tot gronden in het (toekomstig) bedrijventerrein c.a. Distriport Noord-Holland te Koggenland aangeduide akte getekend (hierna: de grondverkoopovereenkomst). Distriport Noord-Holland CV i.o. is daarbij vertegenwoordigd door haar beherend vennoot, Distriport Noord-Holland B.V. i.o.. In de grondverkoopovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende vermeld: “1.1 In het kader van de uitvoering van het Afsprakenkader heeft de Provincie de eigendom verworven van de gronden in het Projectgebied. De onderhavige overeenkomst regelt de verkoop van deze gronden - in de vorm van bouwterrein als bedoeld in artikel 11, lid 1, sub a onder 1 jo. Artikel 11, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 - aan GEM en de bepalingen en voorwaarden waaronder zulks plaatsvindt. 1.2 Het Afsprakenkader blijft tussen partijen voortbestaan. Indien en voorzover het bepaalde in de onderhavige overeenkomst afwijkt van het Afsprakenkader, prevaleert de onderhavige overeenkomst.(...) (...) 2.2 De in verband met bedoelde koop en verkoop verschuldigde totaalsom - zoals ook in het Afsprakenkader reeds aangegeven - is uit de volgende componenten opgebouwd: “- (...) - de aantoonbaar door de Provincie betaalde redelijk en marktconform te achten kosten inzake het verrichten van vervaardigingshandelingen met betrekking tot de gronden opdat deze zich ten tijde van de levering ervan kwalificeren als bouwterrein (...) - een rente over de betalingen (...) vanaf het moment waarop de betreffende betalingen door de Provincie zijn verricht tot aan het moment waarop de betreffende na te noemen (deel)koopsom(men) aan de Provincie voldaan is (zijn), en welke rente overeenkomt met het gemiddelde rentepercentage over de aan het betreffende jaar voorafgaande drie kalenderjaren van het zogenaamde driejaars Staatspapier, zoals dat percentage jaarlijks wordt bepaald door de treasury-manager van de afdeling FEZ van de Provincie (...). 2.3 De (juridische) levering van de gronden zal - in afwijking van het terzake bepaalde in het Afsprakenkader - plaatsvinden, indien en zodra de gronden zijn aan te merken als bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 1 sub a onder 1 jo artikel 11, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Daartoe zal de Provincie voor haar rekening en risico op de kortst mogelijke termijn zodanige vervaardigingshandelingen met betrekking tot de gronden (doen) verrichten dat deze zich als bouwterrein in vorenbedoelde zin kwalificeren. Partijen zullen in onderling en gezamenlijk overleg met een terzake fiscaal deskundige en de Belastingdienst vaststellen welke minimaal noodzakelijk vervaardigingshandelingen moeten worden verricht teneinde de gronden te kunnen aanmerken als bouwterrein. (...) De verkoop van de gronden vindt ook plaats onder de opschortende voorwaarde dat de gronden zich hebben gekwalificeerd als bouwterrein in vorenbedoelde zin. (...) (...) 7.5 De bepalingen ter zake van ontbinding van een overeenkomst, zoals opgenomen in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zijn onverkort van toepassing. (...)”
- h)Eveneens op 19 juni 2008 hebben de Provincie, NHN, Zeeman Vastgoed oud, [A] en een partij, genoemd Distriport Noord-Holland C.V. i.o., een als borgovereenkomst met betrekking tot de (verdere) ontwikkeling en realisering van het (toekomstig) bedrijventerrein c.a. Distriport Noord-Holland te Koggenland aangeduide akte getekend (hierna: de borgovereenkomst). In de borgovereenkomst, waarin Distriport CV i.o. wordt aangeduid als GEM, is voor zover relevant het volgende vermeld: “1.1 Mede ter uitvoering van het Afsprakenkader en voorts als tegenprestatie voor de bereidheid van GEM om geheel onverplicht voor haar rekening en risico een groene buffer met een oppervlak ad circa 50 ha in het Projectgebied aan te leggen, om eveneens geheel onverplicht onder bepaalde voorwaarden een bedrag ad € 6.500.000 (...) aan de Provincie te voldoen als bijdrage in de kosten, verbonden aan het aansluiten van het bedrijventerrein Jaagweg op de A7 en bovendien om eveneens geheel onverplicht - in het kader van de realisering van het Project - 15% ruimtewinst te realiseren en 10% duurzame energie toe te passen, is de Provincie bereid - gelijktijdig met het aangaan van de betreffende Financieringsovereenkomst door GEM met de Financiële Instelling - tot maximaal 80% van de door de Financiële Instelling te verstrekken financiering een borgstelling te verstrekken (...) 2. Voorwaarden en bepalingen van borgstelling 2.1 De Provincie zal om niet tot maximaal 80% van de te verstrekken financiering jegens de Financiële instelling borg staan voor al hetgeen de Financiële instelling van GEM te vorderen heeft uit hoofde van een tussen die instelling en GEM tot stand te brengen financieringsovereenkomst ten behoeve van de (verdere) ontwikkeling en realisering van het Project. (...) 2.3 GEM is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van een financiering bij een Financiële instelling. De terzake door GEM tot stand te brengen financieringsovereenkomst(
- en)behoeft (behoeven) de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Provincie. De Provincie zal bedoelde goedkeuring niet op onredelijke gronden weigeren. (...)”
- i)Voorts hebben Zeeman Vastgoed oud, [A] en NHN Vastgoed op 19 juni 2008 een als samenwerkingsovereenkomst Distriport Noord-Holland te Koggenland aangeduide akte getekend (hierna: de samenwerkingsovereenkomst). In de samenwerkingsovereenkomst is, voor zover relevant, vermeld: “Artikel 2 Hoedanigheid van partijen 2.1 NHN, Zeeman Vastgoed en [A] gaan de onderhavige overeenkomst voor (...) aan, alsdan in hun hoedanigheid van Commandieten en Aandeelhouders in GEM. Artikel 3 Samenwerking 3.1 Partijen gaan hierbij een samenwerking aan die gericht is op de gezamenlijke Locatie-ontwikkeling in het Projectgebied en het faciliteren van de Projectontwikkeling in het Projectgebied, een en ander zoals in de onderhavige overeenkomst is bepaald. Artikel 4 Oprichting GEM en GEM Beheer 4.1 Partijen verbinden zich jegens elkaar om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 6 maanden na de inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst, over te gaan tot de oprichting en het aangaan van de in dit artikel 4 bedoelde vennootschappen: GEM Beheer en GEM. 4.4 Bij de oprichting van GEM Beheer zullen 120 aandelen worden geplaatst van €180,= (zegge: éénhonderdtachtig euro) nominaal per aandeel. De aandeelhouders zullen voor een gelijk deel deelnemen. 4.5 Partijen (de commandieten) gaan dadelijk nadat GEM Beheer is opgericht met inachtneming van de onderhavige overeenkomst een commanditaire vennootschap, in de onderhavige overeenkomst aangeduid als "GEM" aan (...) 4.9 Het kapitaal in GEM bedraagt € 18.000,= (zegge: achttienduizend euro). De vennoten kunnen uitsluitend in onderling overleg bij unanimiteit van stemmen en in schriftelijke vorm besluiten tot wijziging van het kapitaal van GEM (...) 4.11 De vennoten van GEM zijn gerechtigd tot de winsten van GEM naar rato van hun kapitaaldeelname in GEM, terwijl verliezen van GEM aan hen worden toegerekend eveneens conform hun kapitaaldeelname in GEM (...) Artikel 10 Financiering Locatie-ontwikkeling en te stellen zekerheden en af te geven garanties. 10.1 GEM en GEM Beheer beogen - naast de in artikel 4 bedoelde kapitaalinbreng in GEM - in hun financieringsbehoefte zoveel mogelijk te voorzien door middel van externe financiering door derden en waarbij de Provincie zich als borg stelt uit hoofde van de met de Provincie te sluiten Borgovereenkomst. (...) 10.2 Indien en voorzover niet door middel van de in artikel 10.1 bedoelde financiering in de financieringsbehoefte van GEM en GEM Beheer kan worden voorzien, zullen Partijen ieder voor een gelijk deel GEM en GEM Beheer voorzien van de door GEM en GEM Beheer benodigde financieringsmiddelen.”
- j)Grontmij heeft op 27 januari 2009 een Milieueffectenrapportage voor het bedrijventerrein Distriport Noord-Holland opgesteld.
- k)Bij brief van 24 april 2009 heeft de Belastingdienst Amsterdam de Provincie onder meer bericht: “U heeft mij een vraag voorgelegd over de levering van onbebouwde terreinen in een gebied, alwaar de Provincie voornemens is het regionale bedrijventerrein Distriport NH te Koggenland te realiseren. De Provincie wenst de levering van rechtswege belast met omzetbelasting te doen plaatsvinden. Daartoe is benodigd dat de onbebouwde grond als bouwterrein in de zin van artikel 11, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kwalificeert. (...) Uitgaande van de door u verstrekte informatie ben ik van mening dat de werkzaamheden aan de brug zijn aan te merken als een voorziening die wordt getroffen met het oog op de bebouwing van het plangebied. Aldus zal de levering van grond in het plangebied, nadat de werkzaamheden aan de brug zijn aangevangen, als de levering van een bouwterrein voor de omzetbelasting kwalificeren. Voor de goede orde wijs ik u nog op het volgende. Beoordeling of sprake is van een bouwterrein dient plaats te vinden op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. Indien een terrein kwalificeert als bouwterrein maar zich nadien omstandigheden voordoen waardoor objectief duidelijk is dat in het plangebied geen bebouwing plaats zal kunnen vinden, kan daardoor de kwalificatie ‘bouwterrein’ komen te vervallen. (...)”
- l)Bij akte van 9 juni 2009 is Distriport BV opgericht.
- m)Op 24 juni 2009 is een document genaamd “overeenkomst tot het aangaan van een commanditaire vennootschap” (hierna: de CV-akte) getekend. Partijen bij die akte zijn Zeeman Vastgoed oud, NHN Projectbeheer B.V. (hierna: NHN Projectbeheer) en [B] B.V. (hierna: [B] ), als commanditaire vennoten en Distriport BV als beherend vennoot. NHN Projectbeheer en [B] zijn dochtervennootschappen van respectievelijk NHN Vastgoed en [A] . In de considerans van de CV-akte is het volgende opgenomen: “IN AANMERKING NEMENDE DAT: - partijen in het kader van de door hen gesloten Samenwerkingsovereenkomst Distriport Noord-Holland te Koggenland, d.d. 19 juni 2008, hierna te noemen de "Samenwerkingsovereenkomst”, overeengekomen zijn een commanditaire vennootschap aan te gaan, waarin NHN, Zeeman Vastgoed en [A] commanditaire vennoten en Distriport Noord-Holland B.V. beherend vennoot zullen zijn; - deze commanditaire vennootschap in overeenstemming met de Samenwerkingsovereenkomst voor eigen rekening en risico het project, als aangegeven in de Samenwerkingsovereenkomst, hierna te noemen: het “Project”, zal ontwikkelen en realiseren.”
- n)Eind 2009 heeft de Provincie het bouwgebied ontsloten, in die zin dat een reeds bestaande dam zodanig is verstevigd dat toekomstig zwaar bouwverkeer van en naar het projectgebied mogelijk werd gemaakt.
- o)Bij brief van 9 juli 2009 heeft Distriport CV onder meer aan de Provincie geschreven: “Op 2 juni hebben wij van u de kopie brief van de Belastingdienst Amsterdam inzake Distriport Noord-Holland en omzetbelasting ontvangen. (...) Wij zijn van mening dat de juridische levering en betaling niet eerder kan plaatsvinden, voordat de inspecteur ter plaatse de uitgevoerde maatregelen m.b.t. het fiscaal bouwrijp maken heeft beoordeeld en goedgekeurd. De inspecteur moet dit dan schriftelijk verklaren, zodat er daarna gepasseerd kan worden bij de notaris.(...)”
- p)Bij brief van 20 januari 2010 heeft de Provincie onder meer aan Distriport CV geschreven: “De provincie Noord-Holland, het Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord, Zeeman Vastgoed BV en [A] BV hebben op 20 juni 2007 in het zogenaamde Afsprakenkader een aantal afspraken vastgelegd over de voorgenomen ontwikkeling van bedrijventerrein Jaagweg, later Distriport geheten. Deze afspraken zijn nader uitgewerkt in de Borgovereenkomst en de Grondverkoopovereenkomst, beide van 19 juni 2008. (...) Op 9 en 24 juni 2009 zijn de Distriport Noord-Holland B.V. en de Distriport Noord-Holland C.V. opgericht. (...) Het fiscaal bouwrijp maken van deze gronden is intussen geaccordeerd door de Belastingdienst en ook feitelijk uitgevoerd. (...) De provincie Noord-Holland wil, conform de afspraken zoals vastgelegd in de Grondverkoopovereenkomst, de verworven grond uiterlijk op l april 2010 terugleveren aan de Distriport Noord-Holland C.V. (...) Wij ontvangen graag van u op korte termijn een schriftelijk voorstel hoe u de afname van de grond wil vormgeven. (...)”
- q)Bij brief van 9 juli 2010 heeft de Provincie onder meer aan Distriport CV geschreven: “Per brief van 20 januari 2010 heeft de provincie Noord-Holland u schriftelijk verzocht om uiterlijk 1 april 2010 mee te werken aan de teruglevering van de gronden aan Distriport, conform de afspraken zoals vastgelegd in de Grondverkoopovereenkomst. Aan dit verzoek hebt u geen gevolg gegeven. De provincie is tot nu toe terughoudend geweest in aanmanen omdat zij wel begrijpt dat de economische situatie veranderd is. (...) Wij willen u hiermee meedelen dat wij u tot 1 november 2010 de gelegenheid bieden alsnog de bedoelde grond over te nemen. Dit is wat ons betreft de uiterste termijn waarop u aan de verplichtingen voortvloeiend uit de Grondverkoopovereenkomst kunt voldoen. (...)”
- r)Daarop heeft [betrokkene 2] namens de directie van Distriport B.V. de Provincie bij brief van 24 september 2010 onder meer laten weten: “U maakt er in uw brief voorts melding van dat in het kader van de Borgovereenkomst is afgesproken dat vijf financieringsalternatieven zullen worden uitgewerkt. Gelet op het gezamenlijk belang bij de ontwikkeling van Distriport, acht Distriport Noord-Holland CV het van belang dat het onderzoek in nauw overleg wordt uitgevoerd, zodat daarover ook gedragen besluitvorming kan plaatsvinden. Dit ligt ook volledig in lijn met de in de Borgovereenkomst opgenomen overlegverplichting in geval van wijziging van omstandigheden, zoals hier aan de orde is. In dit verband is het minder gelukkig dat gesprekken over de financiering recentelijk door de provincie zijn uitgesteld. Wij dringen er bij u op aan deze gesprekken thans met voortvarendheid te voeren. (...) Nu de provincie en Distriport Noord-Holland C.V. nog met elkaar in overleg zijn over de financiering, ligt een uiterste afnamedatum niet voor de hand. Van belang hierbij is dat de Grondverkoopovereenkomst direct gerelateerd is aan de Borgovereenkomst. Distriport Noord-Holland C.V. zal op het moment dat de gronden geleverd worden de koopprijs aan de provincie moeten voldoen. De volgorde zal derhalve alleen deze kunnen zijn dat Distriport C.V. eerst haar financiering verkrijgt - in welk kader ook duidelijkheid dient te bestaan omtrent de Borgovereenkomst, al dan niet aangepast of aangevuld - en pas daarna de levering van de gronden en betaling van de koopprijs kan plaatsvinden. (...) Aan het verzoek om uitvoering te geven aan de Grondverkoopovereenkomst kan niet worden voldaan zolang niet ook aan de Borgovereenkomst is voldaan. Ook moet op het volgende worden gewezen. Afname van de gronden zonder zekerheid over het fiscaal bouwrijp behandeld worden van de gronden - dat mede afhangt van het in werking treden c.q. onherroepelijk worden van het bestemmingsplan Distriport - stemt niet overeen met het bepaalde in de Grondverkoopovereenkomst (artikel 2.3). De verkoop van de gronden door de provincie aan Distriport Noord-Holland C.V. vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de gronden zich hebben gekwalificeerd als bouwterrein. De bevoegde Inspecteur heeft aangegeven dat de beoordeling of sprake is van een bouwterrein plaatsvindt op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt, en dat de kwalificatie “bouwterrein” komt te vervallen als zich nadien omstandigheden voordoen waardoor objectief duidelijk is dat in het plangebied geen bebouwing plaats zal kunnen vinden. De kwalificatie als bouwterrein is dus op dit moment voorlopig, en is pas definitief als er geen publiekrechtelijke belemmeringen meer kunnen ontstaan. Dit betekent dat de opschortende voorwaarde (nog) niet ingetreden is zodat geen (onherroepelijke) titel bestaat voor een levering van gronden op dit moment. Gelet op de noodzakelijke financiering en borgstelling kan en mag Distriport Noord-Holland C.V. niet het risico lopen dat als gevolg van bestemmingsplanperikelen wordt geleverd zonder dat de opschortende voorwaarde in werking is getreden.”
- s)Bij brief van 8 oktober 2010 heeft [betrokkene 1] zich namens (de directie van) Distriport BV tot de Provincie gericht. Hij heeft meegedeeld dat de gronden aan Distriport kunnen worden geleverd nadat aan alle voorwaarden uit de overeenkomst van 2008 met betrekking tot het fiscaal bouwrijp maken is voldaan en dat dit naar overtuiging van Distriport c.s. nog niet het geval is. Verder heeft hij onder meer het volgende geschreven: “Ten tijde van de totstandkoming van de Borgovereenkomst en de Grondovereenkomst zag de (financiële) wereld er totaal anders uit dan nu. Daar waar financiering van dergelijke projecten voorheen relatief eenvoudig was, is het nu zeer lastig een financier te vinden die onder haalbare marktcondities bereid is de financiering van Distriport Noord-Holland op zich te nemen. Gelukkig hebben wij de Bank Nederlandse Gemeenten hiertoe bereid gevonden. Zij stellen echter een aantal voorwaarden, die helaas niet geheel overeenkomen met de uitgangspunten uit 2008.”
- t)Bij brief van 22 oktober 2010, verzonden op 16 november 2010, heeft de Provincie onder meer aan Distriport BV geschreven: “Het klopt dat u dit jaar bij herhaling voorstellen heeft gedaan ter financiering van het project Distriport. (...) Alle voorstellen leiden echter tot grotere risico’s voor de provincie. (...) De provincie wenst (...) vast te houden aan de inhoud van de overeenkomsten die er liggen. (...) Zoals reeds in onze vorige brief betoogd zijn wij van mening dat voldaan is aan onze verplichting ter zake van het ‘fiscaal bouwrijp’ maken van de gronden. Niets stond dus aan afname van de gronden op uiterlijk 1 november 2010 in de weg. Wij constateren thans dat u hiermee in gebreke bent gebleven.”
- u)Bij brief van 26 januari 2011 heeft de Belastingdienst Holland-Noord, kantoor Hoorn, aan Ontwikkelcombinatie Distriport NH, p/a Zeeman Vastgoed, ter attentie van [betrokkene 1] , onder meer geschreven: “(...) In de brief van 9 juli 2009 geeft Distriport aan dat zij omtrent een aantal zaken zekerheid vooraf wenst. Men wil graag een verklaring van de belastingdienst dat er ter zake van de levering van de grond door de provincie aan Distriport geen 6% overdrachtsbelasting is verschuldigd aangezien het een levering betreft die is belast met omzetbelasting. Hiervoor is van belang dat een beoordeling van de werkzaamheden aan de brug leidt tot de conclusie dat er sprake is van “fiscaal bouwrijp” maken. (...) Op 24 januari 2011 hebben namens de belastingdienst (...) geconstateerd, dat de betreffende werkzaamheden aan een drietal toegangsdammen (...) kwalificeren als “fiscaal bouwrijp” maken. De onbebouwde grond kwalificeert als bouwterrein zoals omschreven in artikel 11, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Voor de volledigheid merk ik op dat namens Distriport [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hierbij aanwezig waren. Nu de levering van de grond is belast met 19% omzetbelasting is op grond van artikel 15 lid 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 geen 6% overdrachtsbelasting verschuldigd. Dit laatste geldt overigens ook als de Raad van State na de beroepsprocedure uiteindelijk mocht besluiten een andere bestemming aan het bouwterrein te geven.”
- v)Bij brief van 21 februari 2011 hebben Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Holland onder meer aan Distriport CV geschreven: “Ontbinding Nu Distriport bij herhaling in gebreke is gebleven de gronden over te nemen zoals door partijen is afgesproken in de Grondverkoopovereenkomst en Distriport hiervan reeds in november 2010 in gebreke is gesteld, roept de provincie bij deze de ontbinding in van artikel 2.1 van de Grondverkoopovereenkomst die op 19 juni 2008 is gesloten. De provincie hoeft daarmee niet langer de gronden te leveren aan Distriport. Dit betekent dat de provincie Noord-Holland vrij is om te handelen met de gronden zoals zij goeddunkt. Nu de provincie artikel 2.1 van de Grondverkoopovereenkomst heeft ontbonden zijn de artikelen 2.1 en 2.2 van de Borgovereenkomst niet langer uitvoerbaar voor wat betreft de ‘GEM’. Deze bepalingen zijn derhalve voor zover betrekking hebbend op de ‘GEM’ automatisch ontbonden. Schade De overname van de gronden door de provincie zou zeer tijdelijk van aard zijn. Daarnaast zou de provincie niet risicodragend deel uitmaken van de ontwikkeling. Door het bezit van de gronden langer bij de provincie te hebben gelaten heeft de provincie schade geleden. Het hoeft geen betoog dat indien de gronden niet afgenomen worden de kosten en rente over de financiering doorlopen. Voor deze schade stelt de provincie haar contractspartijen en Distriport aansprakelijk.”
- w)Bij brief van 24 juni 2011 van mr. De Groot namens Distriport CV en Distriport BV aan Gedeputeerde Staten is onder meer het volgende vermeld: “(...) de ontwikkelaars hadden hun gronden niet aan de Provincie verkocht, als de gronden niet tevens zouden worden terugverkocht en geleverd aan de ontwikkelaars. Indien derhalve de ontbinding van artikel 2.1 Grondverkoopovereenkomst geldig zou zijn - quod non - dan zou dit tevens gevolgen hebben voor (de artikelen 3 en 4) van het Afsprakenkader, welk Afsprakenkader immers - zie de Borgovereenkomst en de Grondverkoopovereenkomst - tussen partijen is blijven gelden. Blijft de ontbinding van artikel 2.1 Grondverkoopovereenkomst in stand, dan is gelet op artikel 1.2 Grondverkoopovereenkomst ook het Afsprakenkader ontbonden voor zover dat ziet op verkoop van de gronden van de ontwikkelaars aan de Provincie, althans doet Distriport - door deze en mitsdien voorwaardelijk - een beroep op ontbinding van (de desbetreffende bepalingen van artikel 3 en 4 van) het Afsprakenkader. Dit heeft tot gevolg dat de gronden door de Provincie aan Distriport dienen te worden geleverd. (...) De Provincie is gelet op de sommatie als opgenomen in de brief van 26 mei 2011 in verzuim. (...) Distriport houdt de Provincie integraal aansprakelijk voor alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van de handelwijze van de Provincie.”
- x)Op 27 juni 2011 hebben Distriport c.s., na daartoe verkregen verlof, conservatoir leveringsbeslag gelegd op de betreffende gronden.
- y)Bij de gedingstukken bevindt zich een als Geheime besluitenlijst van de vergadering van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 27 september 2011 aangeduid geschrift. Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Het College besluit: In te stemmen met de inhoud en het verzenden door huisadvocaat Pels Rijcken van bijgevoegde conclusie van antwoord als verweer op hetgeen in de dagvaarding door (...) Distriport c.s. is gesteld voor de rechtszitting van 5 oktober 2011.” In de bijlage bij deze besluitenlijst is als toelichting op het voorstel vermeld: “De provincie is door Distriport c.s. gedagvaard voor de zitting van 5 oktober 2011. De dagvaarding is uitgebracht naar aanleiding van het beslag dat Distriport c.s. medio juni 2011 op de gronden van de provincie had gelegd. De conclusie van antwoord is een verweer op de stellingen die door Distriport c.s. ingenomen worden in de dagvaarding. In de conclusie van antwoord dient de provincie tevens een ‘reconventionele eis’ in tot vergoeding van de schade die de provincie lijdt als gevolg van het voortdurende grondbezit.”
- z)Bij brief van 23 december 2011 heeft de belastingdienst Holland-Noord, kantoor-Hoorn, aan Ontwikkelcombinatie Distriport NH, p/a Zeeman Vastgoed t.a.v. [betrokkene 2] als volgt laten weten: “In aanvulling op de brieven van mijn collega’s, [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , van 26 januari 2011 en van 15 september 2011 inzake vrijstelling overdrachtsbelasting ter zake van de levering van grond door de provincie aan Distriport wil ik u het volgende nog meedelen c.q. een kleine aanvulling geven op de brieven van mijn collega’s. In de brief van 26 januari hebben mijn collega's de onbebouwde grond gekwalificeerd als bouwterrein zoals omschreven in artikel 11 lid 4 van de Wet op de Omzetbelasting 1968. Bij deze beoordeling zijn zij uitgegaan van de situatie zoals die toen bekend was. Daarbij gingen zij er van uit dat de levering van de grond op korte termijn zal plaatsvinden en er verder niets aan de feiten/situatie zou wijzigen. Er was in hun ogen ook geen aanleiding om van zo’n mogelijkheid uit te gaan. Daar hebben zij wellicht ten onrechte geen clausule, zoals in de brief van de Belastingdienst Amsterdam van 24 april 2009 wel het geval was, opgenomen voor het geval de bestemming van de grond zou wijzigen. Naar nu blijkt heeft de levering van de grond nog niet plaatsgevonden en is onzeker of de bestemming van de grond gehandhaafd blijft. In verband hiermee wil ik u er op wijzen dat de verleende vrijstelling vervalt als op het moment van levering de grond door een of andere wijziging in feiten of omstandigheden niet meer kwalificeert als bouwterrein. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de Raad van State (de wijziging van) het bestemmingsplan vernietigd, een en ander conform de eerder door de Belastingdienst Amsterdam aangebrachte nuancering. In verband met de bestemmingswijziging loopt er immers nog een procedure bij de Raad van State. Mijn collega’s hebben destijds zo volledig mogelijk willen antwoorden op uw verzoek teneinde te proberen om duidelijkheid te verschaffen. Maar hierbij konden zij uiteraard géén rekening houden met veranderende omstandigheden. Regel blijft echter dat uiteindelijk pas op het moment van levering (als het belastbare feit zich voordoet) definitief beoordeeld kan worden op (lees: of; LK) deze levering al dan niet belast is met omzetbelasting. Die vraag kan en moet, als er op dat moment nog onduidelijkheid is, beantwoord worden door de belastingdiensteenheid die competent is voor de leverende partij. In het geval dat de provincie Noord-Holland leverende partij is de belastingdienst Amsterdam dus de competente eenheid. (...)”
- aa)De Provincie heeft, na daartoe verkregen verlof, op 14 mei 2012, conservatoir beslag gelegd op aan Zeeman Vastgoed oud toebehorende gronden, en op diezelfde datum ten laste van Zeeman Vastgoed oud onder de Rabobank conservatoir derdenbeslag gelegd. Bij akte van 30 december 2013 heeft Zeeman Vastgoed oud nagenoeg haar gehele vastgoedportefeuille, waaronder de onder
- v)genoemde gronden, via Zeeman Management verkocht en geleverd aan Zeeman Real Estate. Zeeman Real Estate heeft in kort geding opheffing van het conservatoir beslag op de gronden gevorderd, welke vordering bij vonnis van 4 augustus 2014 door de voorzieningenrechter is afgewezen.
- bb)De gronden zijn nog in eigendom bij de Provincie. 1.2 Bij dagvaarding van 7 juli 2011 hebben Distriport c.s. de onderhavige procedure ingeleid bij de rechtbank Haarlem. Daarbij hebben zij - samengevat en voor zover in cassatie nog relevant - gevorderd, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
(1)de Provincie te veroordelen tot nakoming van het samenstel van contractuele afspraken, bestaande uit (
- i)het geven van goedkeuring aan een financieringsvoorstel van Distriport CV, (
- ii)het verlenen van medewerking aan een borgtochtovereenkomst, alsmede (iii) het verlenen van medewerking aan de juridische levering van de gronden aan Distriport CV;
(2)te verklaren voor recht dat de overeenkomsten tussen partijen onverminderd van kracht zijn en dat de eenzijdige (gedeeltelijke) ontbinding van de grondverkoopovereenkomst door de Provincie geen effect sorteert;
(3)te verklaren voor recht dat de Provincie toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, althans toerekenbaar onrechtmatig handelt en mitsdien aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade; en
(4)de Provincie te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat. 1.3 De Provincie heeft verweer gevoerd, geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Distriport c.s. en reconventionele vorderingen ingesteld, waarbij zij - eveneens samengevat en voor zover in cassatie nog relevant - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad heeft gevorderd:
(1)te verklaren voor recht dat art. 2.1 van de grondverkoopovereenkomst is ontbonden;
(2)Distriport c.s. hoofdelijk te veroordelen om de schade te vergoeden als gevolg van de tekortkomingen, althans het onrechtmatig handelen van Distriport c.s., nader op te maken bij staat;
(3)Distriport c.s. hoofdelijk te veroordelen om bij wijze van voorschot aan de Provincie € 2.289.249,39 exclusief BTW te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2011; en
(4)te verklaren voor recht dat de art. 3 en 4 van het Afsprakenkader door de buitengerechtelijke ontbinding d.d. 24 juni 2011 van Distriport c.s. niet zijn ontbonden. Tegen deze reconventionele vorderingen hebben Distriport c.s. zich verweerd. 1.4 Nadat de rechtbank Haarlem bij tussenvonnis van 9 november 2011 een - in cassatie niet relevante - incidentele vordering van Distriport c.s. om de Provincie op de voet van art. 843a Rv. te veroordelen tot afgifte van enkele documenten had afgewezen, en nadat zij bij hetzelfde tussenvonnis een comparitie van partijen had gelast, welke comparitie op 10 januari 2012 heeft plaatsgehad, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 2 mei 2012 geoordeeld dat de vorderingen in conventie voor afwijzing gereed liggen (rov 4.18). Daartoe heeft zij overwogen dat de gronden na mei 2009 fiscaal bouwrijp waren in de zin van art. 2.3 van de grondverkoopovereenkomst, zodat Distriport CV reeds vanaf juni 2009 gehouden was aan de (terug)levering van de gronden mee te werken (rov. 4.4-4.8). Voorts heeft zij overwogen dat de Provincie geen voorstellen behoeft te accorderen waarin van haar een financiële inbreng wordt verlangd naast de borgstelling en dat, aangezien Distriport c.s. geen concrete voorstellen hebben gedaan die in de aldus beperkte rol van de Provincie voorzien, geen sprake is van een situatie waarin de Provincie op onredelijke gronden goedkeuring heeft onthouden (rov. 4.9-4.16). Dat leidt ertoe dat geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de Provincie en evenmin van toerekenbaar onrechtmatig handelen, maar wel van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Distriport CV. De Provincie heeft de grondverkoopovereenkomst daarmee op rechtsgeldige wijze ontbonden (rov. 4.17). Ten aanzien van de vorderingen in reconventie heeft de rechtbank hieraan nog toegevoegd dat voor de teruglevering van de gronden toereikende financiering aanwezig moest zijn, die niet mogelijk is gebleken, zodat de gronden niet kunnen worden teruggeleverd. Voor ontbinding van het Afsprakenkader op grond van de samenhang met de overige overeenkomsten zonder dat sprake is van enige tekortkoming in de nakoming van de bepalingen van het Afsprakenkader, bestaat volgens de rechtbank dan ook geen aanleiding (rov. 4.24). De verklaring voor recht dat de art. 3 en 4 van het Afsprakenkader niet zijn ontbonden, zal derhalve worden toegewezen (rov. 4.25). Distriport CV en beherend vennoot Distriport BV zijn volgens de rechtbank hoofdelijk aansprakelijk voor de gevorderde schade uit hoofde van de tekortkoming in de nakoming (rov. 4.27). Ten aanzien van de in reconventie gevorderde schadevergoeding en betaling van een voorschot met betrekking tot de beweerdelijk commanditaire vennoten Zeeman Vastgoed oud en [A] heeft de rechtbank overwogen dat daarover zal worden beslist nadat de Provincie in de gelegenheid is gesteld om de CV-oprichtingsakte in het geding te brengen en om een toelichting te geven op het gevorderde voorschot (rov. 4.32 en 4.35). Daarbij heeft zij wel reeds geoordeeld dat indien Zeeman Vastgoed oud en [A] zijn opgetreden als commandiet, zij door het leggen van conservatoir leveringsbeslag onder de provincie een beheersdaad hebben verricht, hetgeen op de voet van art. 21 WvK meebrengt dat zij in dat geval hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de Provincie gevorderde schade uit hoofde van de tekortkoming in de nakoming (rov. 4.30). Voor het aannemen van aansprakelijkheid van deze partijen uit hoofde van onrechtmatig handelen in hun hoedanigheid van bestuurder van Distriport BV bestaat volgens de rechtbank geen reden (rov. 4.31). De rechtbank heeft bij haar tussenvonnis van 2 mei 2012 iedere (verdere) beslissing aangehouden. 1.5 Na enkele aktewisselingen en een pleidooizitting op 19 november 2012, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 12 december 2012 een verzoek van Distriport c.s. om terug te komen van in het tussenvonnis van 2 mei 2012 gegeven bindende eindbeslissingen afgewezen, nu geen sprake is geweest van een feitelijke of juridische misslag (rov. 2.1-2.3) en heeft zij eisvermeerderingen van beide zijden wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing gelaten (rov. 2.6). Voorts heeft zij overwogen dat Zeeman Vastgoed oud is opgetreden als commandiet en derhalve hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de Provincie gevorderde schade uit hoofde van de tekortkoming in de nakoming (rov. 2.12). Ten slotte heeft zij wat betreft de reconventionele vordering tot betaling van een voorschot geconstateerd dat hierover niet is gepleit en de Provincie alsnog in de gelegenheid gesteld deze vordering nader te onderbouwen bij akte, en iedere (verdere) beslissing wederom aangehouden. 1.6 Na een nadere aktewisseling, heeft de rechtbank (inmiddels: de rechtbank Noord-Holland) bij eindvonnis van 29 mei 2013 de vorderingen van Distriport c.s. in conventie afgewezen. De voorschotvordering van de Provincie in reconventie - de vordering van de Provincie onder
(3)- heeft zij als niet afdoende onderbouwd beoordeeld (rov. 2.8) en afgewezen. De vorderingen van de Provincie in reconventie onder
(1)en
(4)heeft zij toegewezen. Voorts heeft zij in het kader van de vordering onder
(2)Distriport CV, Distriport BV en Zeeman Vastgoed oud hoofdelijk tot het betalen van een nader bij staat op te maken schadevergoeding veroordeeld. 1.7 Bij dagvaarding van 27 augustus 2013 zijn Distriport c.s. van de genoemde vier vonnissen in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam met conclusie (onder vermeerdering van eis die in cassatie niet van belang is, en na meerdere eiswijzigingen) dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voor zover gewezen in conventie en reconventie en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - voor zover in cassatie relevant - alsnog zal beslissen zoals, kort gezegd, gevorderd in eerste aanleg in conventie onder
(3)en
(4), en voorts zal verklaren voor recht dat de overeenkomsten voor zover nog niet uitgevoerd, ontbonden zijn op grond van toerekenbare tekortkoming door de Provincie in de nakoming van haar verplichtingen, met veroordeling van de Provincie tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat. Ook heeft zij geconcludeerd tot, primair, afwijzing van de reconventionele vorderingen van de Provincie met uitzondering van die onder
(4), of subsidiair, toewijzing zonder het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring de voorwaarde te verbinden tot zekerstelling. 1.8 De Provincie heeft verweer gevoerd, incidenteel appel ingesteld en in principaal appel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de grieven van Distriport c.s.. In haar incidentele appel heeft de Provincie geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 2 mei 2012, 12 december 2012 en 29 mei 2013 voor zover in dat appel bestreden en, opnieuw rechtdoende, in conventie, tot afwijzing van het gevorderde, en in reconventie, tot hoofdelijke veroordeling van [A] in de door haar gevorderde schade uit hoofde van tekortkoming in de nakoming althans onrechtmatig handelen en tot hoofdelijke veroordeling Distriport c.s. tot betaling van een voorschot ter grootte van € 13.885.471,71 exclusief BTW, althans € 2.289.249,39 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2012, en voorts tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen in eerste aanleg. Haar incidentele grieven zien op de afwijzing van de aansprakelijkheid van Zeeman Vastgoed oud en [A] uit hoofde van onrechtmatig handelen, op het oordeel dat de commanditaire vennootschap die op 24 juni 2009 tot stand is gekomen als contractspartij van de Provincie heeft te gelden en dat [A] hierin niet als commanditair vennoot heeft te gelden en derhalve niet aansprakelijk is uit dien hoofde, en op de afwijzing van haar vordering tot betaling van een voorschot. 1.9 Bij arrest van 27 januari 2015 heeft het hof Amsterdam - voor zover hier relevant - de bestreden vonnissen bekrachtigd voor zover in conventie gewezen, en de bestreden vonnissen vernietigd voor zover in reconventie gewezen, doch slechts voor zover daarbij zijn afgewezen de vordering van de Provincie dat [A] hoofdelijk wordt veroordeeld tot vergoeding aan de Provincie van de door haar gevorderde schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming door Distriport CV, op te maken bij staat, en de vordering van de Provincie dat Distriport c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een voorschot. Het hof heeft in zoverre opnieuw rechtdoende in aanvulling op het dictum van de rechtbank (ook) [A] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door de Provincie gevorderde schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Distriport CV, op te maken bij staat, en voorts Distriport c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 2.289.249,39 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2012. Ten slotte heeft het hof deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 1.10 Distriport c.s. hebben - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De Provincie heeft geconcludeerd tot verwerping en heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Distriport c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en hebben vervolgens gere- en gedupliceerd. 2Bespreking van het principale cassatieberoep 2.1 Distriport c.s. hebben één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel omvat acht onderdelen (“klachten”), die elk uit verschillende subonderdelen bestaan. 2.2 Onderdeel 1 telt negen subonderdelen. Het is gericht tegen het oordeel van het hof in de rov. 3.8-3.11 dat voor de teruglevering van de gronden niet de voorwaarde gold dat Distriport c.s. externe financiering had verkregen en goedkeuring daarvan door de Provincie, welke voorwaarde ten tijde van de ontbinding niet zou zijn vervuld, zodat Distriport c.s. niet in verzuim zouden kunnen zijn, en welke voorwaarde aan de Provincie in verband met de ontbinding zou kunnen worden tegengeworpen dan wel zou leiden tot tekortschieten van de Provincie in haar verplichting om haar goedkeuring niet op onredelijke gronden te weigeren, of tot schuldeisersverzuim. De bestreden rechtsoverwegingen luiden als volgt: “(
- b)Financiering 3.8 Distriport c.s. hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat er (primair) contractueel, dan wel (subsidiair) op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid sprake was van dubbele voorwaardelijkheid, in de zin dat teruglevering van de gronden (naast de voorwaarde van fiscale bouwrijpheid) ook afhankelijk was van het verkregen zijn van externe financiering door de joint venture en goedkeuring daarvan van de Provincie; deze voorwaarde was ten tijde van de ontbinding evenmin vervuld, zodat Distriport c.s. niet in verzuim konden zijn. De Provincie heeft deze dubbele voorwaardelijkheid betwist. 3.9 Vooropgesteld zij, dat geen van de tussen partijen gesloten overeenkomsten een bepaling bevat die de door Distriport c.s. bedoelde tweede voorwaarde behelst. Artikel 2.3 van de borgovereenkomst bepaalt dat Distriport CV zelf verantwoordelijk is voor het verkrijgen van een financiering. De rol van de Provincie is krachtens diezelfde bepaling ertoe beperkt, dat de door Distriport CV ter zake tot stand te brengen financieringsovereenkomsten voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Provincie behoeven, die de Provincie niet op onredelijke gronden zal onthouden. Distriport c.s. hebben echter niet gesteld dat zij een financieringsovereenkomst tot stand hebben gebracht en die ter verkrijging van goedkeuring aan de Provincie hebben voorgelegd, zodat aan de vraag of de Provincie daaraan op onredelijke gronden haar goedkeuring heeft onthouden niet wordt toegekomen. 3.10 Beoordeeld moet dan worden of die voorwaarde van (samengevat) voorafgaande financiering niettemin in de overeenkomsten besloten ligt, dan wel of de toepasselijkheid daarvan moet worden aangenomen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid en of ter zake het niet-vervullen van die voorwaarde de Provincie in schuldeisersverzuim verkeerde. Distriport c.s. hebben daartoe - samengevat - aangevoerd dat zij er van aanvang af vanuit gingen dat de rechtspersoon die in de plaats van de Provincie in Distriport CV deelnam, NHN, door de Provincie van kapitaal zou worden voorzien (zou worden “gefund”), dat de Provincie dat niet heeft gedaan als gevolg waarvan (in de context van de uitwerking van de financiële crisis sedert medio 2008) Distriport CV er buiten haar schuld niet in is geslaagd om een financiering voor het project te verkrijgen. Funding door de Provincie? 3.10.1. Distriport c.s. hebben in dat verband in het bijzonder op de volgende stukken gewezen: - De concept-notulen van 25 april 2007 van de stuurgroep het Regionaal Bedrijventerrein Jaagweg, Koggenland, waarin namens de Provincie is vermeld “Het ontwikkelingsbedrijf [hof: NHN] zal met geld van de Provincie partij worden in het samenwerkingsverband.” - Een nota GS over het onderwerp “Participatie in ontwikkeling Jaagweg” voor de vergadering van gedeputeerde staten van 19 juni 2007 waarin onder meer is vermeld: “Voorgesteld wordt om als Provincie mee te financieren in het project en hierover op korte termijn intentionele afspraken te maken met de andere betrokken partijen.” - Een brief van NHN aan de Provincie van 16 november 2012 (productie 92 van Distriport c.s.) waarin onder meer staat: “De Provincie is er altijd van de op de hoogte geweest dat NHN (...) voor 1/3 deel zou participeren in de B.V./C.V. De Provincie was ook bij de ondertekening van de desbetreffende overeenkomsten aanwezig. Dat lag ook voor de hand, nu NHN de facto de positie innam die oorspronkelijk voor de Provincie zelf bedoeld was. NHN is er later “tussengeschoven”. Daarmee kwam op de Provincie de verplichting te rusten om NHN te funden voor zover nodig om NHN haar verplichtingen na te kunnen laten komen. De provincie wist als 50% aandeelhouder dat NHN zelf niet over middelen beschikte om Distriport te funden.” - Een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] (productie 83 van Distriport c.s.) waarin hij onder meer verklaart dat in de verslagen van de stuurgroep namens de Provincie werd verklaard dat het ontwikkelingsbedrijf (hof: NHN) met geld van de Provincie partij zou worden in het samenwerkingsverband en dat die mededeling voor de marktpartijen cruciaal was. 3.10.2. De Provincie heeft bestreden de intentie tot funding te hebben gehad en in dat verband onder meer verwezen naar de in r.o. 2.7 aangehaalde interne notitie. 3.10.3. Het hof is van oordeel dat uit de door Distriport c.s. naar voren gebrachte stukken kan worden afgeleid dat het op enigerlei wijze risicodragend participeren in het project op enig moment door (ambtenaren van) de Provincie kan zijn overwogen, maar niet meer dan dat. Voor verdergaande conclusies bestaan geen aanwijzingen. Dat ligt ook in de rede, gezien de inhoud van de door de Provincie aangehaalde interne notitie. Distriport c.s. hebben niet bestreden dat zij die notitie kenden. Daarbij komt dat de Provincie als overheidsorgaan een bijzondere vertegenwoordigingsstructuur en besluitvormingsprocedure kent, die belangrijke beperkingen meebrengt aan hetgeen Distriport c.s. aan uitlatingen van ambtenaren van de Provincie konden ontlenen. In beginsel kan slechts worden afgegaan op hetgeen door of namens de Provincie als uitkomst van het formele besluitvormingsproces van de Provincie wordt medegedeeld, of uit met de Provincie gesloten overeenkomsten blijkt. Distriport c.s. moeten, als professionele (vastgoed)partijen, daarmee bekend zijn geweest. 3.10.4. Uit de borgovereenkomst van 19 juni 2008 blijkt dat de Provincie zich (uiteindelijk) heeft verplicht om tot 80% borg te staan voor de externe financiering van Distriport CV met een maximum van € 50 miljoen. Daarmee heeft zij naar ’s hof(
- s)oordeel kennelijk invulling gegeven aan haar (financiële) bijdrage aan de samenwerking die in artikel 1.1 van het Afsprakenkader was voorzien. Dat de borgstelling uitsluitend een tegenprestatie was voor bijdragen in investeringen die Distriport c.s. op zich hadden genomen en dus los stond van de 1/3 participatie door NHN, zoals Distriport c.s. stellen, is niet in overeenstemming met artikel 1.1 van de borgovereenkomst. Daaruit volgt immers dat de borgstelling niet alleen als tegenprestatie geschiedt voor onverplichte bijdragen van Distriport c.s. maar “mede ter uitvoering van het Afsprakenkader”. De borgovereenkomst bepaalt ook, zoals reeds in r.o. 3.9 werd overwogen, dat Distriport CV zelf verantwoordelijk is voor het verkrijgen van een financiering bij een financiële instelling, terwijl in die overeenkomst, alsmede in de overige op 19 juni 2008 getekende overeenkomsten (de grondverkoopovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst) bepalingen ontbreken die de Provincie tot een verdergaande financiële bijdrage verplichten. De samenwerkingsovereenkomst bepaalt weliswaar dat NHN als commanditaire vennoot, naast commanditaire vennoten [A] en Zeeman Vastgoed oud, zal gaan deelnemen in Distriport CV maar dat brengt op zichzelf nog geen verplichting mee voor de Provincie om NHN van kapitaal te voorzien: hiervoor zijn specifieke daartoe strekkende contractuele verplichtingen nodig, die ontbreken. In deze constellatie moet het voor Distriport c.s. op 19 juni 2008, bij het ondertekenen van genoemde overeenkomsten, duidelijk zijn geweest hoever de financiële betrokkenheid van de Provincie strekte. Deze betrokkenheid hebben zij door het ondertekenen van de overeenkomsten kennelijk aanvaard. Gesteld noch gebleken is dat zij voorafgaand aan het sluiten van die contracten aan de Provincie te kennen hebben gegeven dat zij - buiten de borgstelling - verdere financiële bijdragen van de Provincie verwachtten en evenmin op grond waarvan die verwachting gerechtvaardigd was. De Provincie heeft gesteld dat partijen er altijd vanuit zijn gegaan dat het project volledig extern zou worden gefinancierd en Distriport c.s. hebben dat bevestigd. 3.10.5. Distriport c.s. hebben nog een beroep gedaan op wijziging van omstandigheden als gevolg van de financiële crisis vanaf medio 2008. Dat beroep faalt. Niet alleen hebben zij in dat verband nagelaten te stellen waarom dat de Provincie tot het aanvaarden van een (groter) financieel risico had moeten brengen, maar ook hebben zij onvoldoende feiten gesteld en concreet toegelicht waaruit volgt dat zolang de Provincie niet bereid was om verdergaande financiële verplichtingen te aanvaarden, het voor hen onmogelijk was geworden om voor het project een financiering te verkrijgen. 3.10.6. Voor zover Distriport c.s. zich ook in hoger beroep erop beroepen dat zij door overmacht geen financiering hebben kunnen verkrijgen faalt dat beroep, als onvoldoende concreet toegelicht. 3.11 Ook op de onder r.o. 3.8 genoemde grondslagen valt dus geen voorwaarde te baseren die de Provincie in verband met de ontbinding kan worden tegengeworpen dan wel die leidt tot tekortschieten van de Provincie in haar verplichting om haar goedkeuring niet op onredelijke gronden te weigeren. Van schuldeisersverzuim is evenmin sprake.” 2.3 Subonderdeel 1.1 bevat een algemene, niet verder uitgewerkte rechts- en motiveringsklacht tegen de hierboven geciteerde rechtsoverwegingen - welke rechtsoverwegingen in het subonderdeel verkort worden weergegeven - en vormt daarmee (slechts) een inleiding op de uitwerking van de klachten in de overige subonderdelen van het eerste onderdeel. 2.4 Subonderdeel 1.2 betoogt dat het hof met bovenstaande beslissing buiten de rechtsstrijd in appel is getreden. Het voert daartoe aan dat de rechtbank in haar vonnis van 2 mei 2012 als volgt had overwogen (tweede volzin van rov. 4.24): “(…) In dat samenstel van Afsprakenkader en de uitwerking van de plannen van partijen in de gezamenlijke overeenkomsten ligt evenwel besloten dat voor de teruglevering toereikende financiering aanwezig moest zijn. (…)” Volgens het subonderdeel hebben Distriport c.s. aangevoerd dat de Provincie dit in deze procedure niet heeft betwist en tegen het desbetreffende oordeel van de rechtbank ook geen incidentele grief heeft gericht. Aldus stond dit oordeel in appel niet meer ter discussie. Het hof zou hetzij hebben miskend dat tegen dit oordeel geen grief was gericht, hetzij, door ervan uit te gaan dat zijn oordeel in rov. 3.9 niet in strijd is met het geciteerde rechtbankoordeel, een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg aan laatstgenoemd oordeel hebben gegeven. Althans heeft het hof miskend dat Distriport c.s. dit oordeel van de rechtbank aldus hebben uitgelegd dat het inhoudt dat de grondverkoopovereenkomst wél de “door Distriport c.s. bedoelde tweede voorwaarde behelst”. Nu de Provincie deze uitleg van dit oordeel niet heeft bestreden, had het hof niet, althans niet zonder meer van deze uitleg mogen afwijken. 2.5 Subonderdeel 1.2 kan naar mijn oordeel niet slagen. Het ziet immers voorbij aan de context van de geciteerde volzin. Rov. 4.24 van het vonnis van 2 mei 2012 heeft (slechts) betrekking op de beoordeling door de rechtbank van de door de Provincie gevorderde verklaring voor recht dat in geval van een geldige ontbinding van art. 2.1 van de grondverkoopovereenkomst door de Provincie - zoals naar het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.21) heeft plaatsgevonden - niet ook de art. 3 en 4 van het Afsprakenkader (door de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van 24 juni 2011 van Distriport c.s.) zijn ontbonden. Dit laatste zou volgens Distriport c.s. het geval zijn omdat tussen Afsprakenkader en grondverkoopovereenkomst een zodanig onverbrekelijk samenhang bestaat dat (partiële) ontbinding van de grondverkoopovereenkomst (partiële) ontbinding van het Afsprakenkader met zich brengt (zie de rov. 4.22-4.23; volgens de - hierboven onder 1.1 sub w geciteerde - ontbindingsverklaring zou (partiële) ontbinding van het Afsprakenkader tot gevolg hebben dat de gronden door de Provincie aan Distriport c.s. dienen te worden geleverd). In de rov. 4.24 en 4.25 heeft de rechtbank het betoog van Distriport c.s. afgewezen. In hun geheel luiden deze overwegingen: “4.24 Distriport c.s. heeft met juistheid betoogd dat uit het gehele samenstel van contractuele afspraken blijkt dat het de bedoeling van partijen was dat de provincie de gronden slechts voor een korte periode in eigendom zou hebben. In dat samenstel van Afsprakenkader en de uitwerking van de plannen van partijen in de gezamenlijke overeenkomsten ligt evenwel besloten dat voor de teruglevering toereikende financiering aanwezig moest zijn. In het geval dat, zoals thans aan de orde, de financiering vervolgens niet mogelijk is gebleken, volgt daaruit logischerwijs dat de gronden niet kunnen worden teruggeleverd. Voor ontbinding van het Afsprakenkader op grond van de samenhang, zonder dat sprake is van enige tekortkoming van de bepalingen van het Afsprakenkader, bestaat geen aanleiding. 4.25 Het voorgaande leidt ertoe dat de gevraagde verklaring voor recht dat de artikelen 3 en 4 van het Afsprakenkader niet zijn ontbonden, zal worden toegewezen.” Rov. 4.24 heeft derhalve slechts betrekking op de vraag of een gedeeltelijke ontbinding van de grondverkoopovereenkomst ook een gedeeltelijke ontbinding van het Afsprakenkader (en een daaruit voor de Provincie voortvloeiende verplichting tot teruglevering) met zich brengt, welke vraag de rechtbank ontkennend heeft beantwoord, juist in verband met de mogelijkheid dat Distriport c.s. niet in de voor teruglevering noodzakelijke financiering zouden kunnen voorzien. Daaruit kan onmogelijk de conclusie worden getrokken dat de ingevolge de grondverkoopovereenkomst voor Distriport c.s. bestaande verplichting om de gronden van de Provincie af te nemen, van de voorwaarde van een voorafgaande en toereikende financiering afhankelijk zou zijn gesteld. Het is evident dat dit laatste niet is wat de rechtbank (die in rov. 4.21 heeft geoordeeld dat Distriport CV in de nakoming van haar verplichting tot afname van de gronden is tekortgeschoten) hier heeft bedoeld. Daarom kan het hof niet worden verweten van een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg van het oordeel van de rechtbank te zijn uitgegaan. 2.6 Dat Distriport c.s. het oordeel van de rechtbank bij pleidooi in hoger beroep aldus hebben uitgelegd dat dit inhoudt dat de grondverkoopovereenkomst wél de door Distriport c.s. bedoelde tweede voorwaarde behelst en dat de Provincie die uitleg niet uitdrukkelijk heeft bestreden, behoefde het hof niet ervan te weerhouden zonder nadere motivering van een andere uitleg van het bestreden vonnis uit te gaan, zoals het kennelijk (en niet onbegrijpelijk) heeft gedaan. Het stond het hof immers geheel vrij een geheel eigen (en van die van partijen afwijkende) uitleg aan het vonnis van 2 mei 2012 te geven. 2.7 Subonderdeel 1.2 is derhalve tevergeefs voorgesteld. 2.8 Subonderdeel 1.3 klaagt - ten eerste - dat het hof, voor zover het tot uitgangspunt heeft genomen dat de verplichtingen van de Provincie zijn beperkt tot hetgeen uit de teksten van de overeenkomsten volgt, heeft miskend dat de contractuele verplichtingen van de Provincie moeten worden vastgesteld door (
- i)uitleg van (het samenstel van) de tussen partijen geldende overeenkomsten op grond van, kort gezegd, de Haviltex-maatstaf, en door (
- ii)het in aanmerking nemen van hetgeen de redelijkheid en billijkheid eisen overeenkomstig art. 6:248 lid 1 BW. 2.9 In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. Het hof heeft niet tot uitgangspunt genomen dat de verplichtingen van de Provincie zijn beperkt tot hetgeen volgt uit de teksten van de overeenkomsten. Na in rov. 3.9 te hebben onderzocht of de door Distriport c.s. bedoelde tweede voorwaarde expliciet in de gesloten overeenkomsten is verwoord, heeft het hof in rov. 3.10 immers overwogen dat óók moet worden beoordeeld of die voorwaarde niettemin in de overeenkomsten ligt besloten of op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden aangenomen. 2.10 Het subonderdeel klaagt voorts dat indien het hof het voorgaande niet mocht hebben miskend, de bestreden beslissing niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de volgende, door het subonderdeel als essentieel aangemerkte stellingen. a. Het Afsprakenkader, de borgovereenkomst en de grondverkoopovereenkomst waren - (juist ook) voor wat betreft de vereiste financiering - onlosmakelijk met elkaar verbonden: (
- i)in zowel de borgovereenkomst als de grondverkoopovereenkomst is bepaald dat het Afsprakenkader blijft gelden; (
- ii)de borgovereenkomst en de grondverkoopovereenkomst verwijzen op diverse plaatsen kruiselings naar elkaar; (iii) de borgovereenkomst en de grondverkoopovereenkomst hangen inhoudelijk nauw met elkaar samen; (
- iv)de borgovereenkomst maakt een onverbrekelijk onderdeel uit van de door de ontwikkelende partijen vereiste financiering van de levering van de gronden, en beoogde ook die functie te vervullen; (
- v)de borgovereenkomst en de grondverkoopovereenkomst zijn, samen met de samenwerkingsovereenkomst, in één ondertekensessie tot stand gekomen; (
- vi)ook de provincie koppelt de beide overeenkomsten, bijvoorbeeld in de ontbindingsbrief van 21 februari 2011 waar wordt gesteld dat art. 2.1 van de grondverkoopovereenkomst wordt ontbonden waardoor de artikelen 2.1 en 2.2 van de borgovereenkomst niet langer meer uitvoerbaar zijn voor de GEM (Distriport CV). b. Uit de als productie 24 door Distriport c.s. overgelegde “Korte samenvatting van conclusies/afspraken bestuurlijk overleg Stuurgroep Distriport en gedeputeerde Bond op 25 november
(2009)te Haarlem” volgt dat voor de Provincie de relatie tussen levering, financiering en borgstelling volstrekt helder was: “(…) 5. Grondlevering PNH aan Distriport. Doorlevering gronden provincie (fiscaal bouwrijp) naar Distriport zal zo snel mogelijk plaats vinden. Voor betaling van deze levering is Distriport afhankelijk van het afsluiten van een bancaire financiering. Deze is weer direct gerelateerd aan de vertaling van de borgstelling van provincie aan het project. (…)” 2.11 Deze stellingen maken het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat van een samenhang geen sprake was (zodat de stellingen onder a sub (ii), (iii), (
- v)en (
- vi)niet als essentieel kunnen worden aangemerkt), maar heeft in de rov. 3.10.3 en 3.10.4 geoordeeld dat - kort gezegd - de financieringsplannen in de loop der tijd zijn geëvolueerd van een (mogelijk) door (ambtenaren van) de Provincie overwogen risicodragende participatie in het project tot de - uiteindelijk - in de borgovereenkomst opgenomen verplichting om tot 80% borg te staan voor de door Distriport CV te verkrijgen externe financiering met een maximum van € 50 miljoen, met welke laatste verplichting de Provincie naar het oordeel van het hof kennelijk invulling heeft gegeven aan haar (financiële) bijdrage aan de samenwerking die in art. 1.1 van het Afsprakenkader was voorzien. Daarbij heeft het hof nog aangetekend dat in beginsel slechts kan worden afgegaan op hetgeen door of namens de Provincie als uitkomst van het formele besluitvormingsproces van de Provincie wordt medegedeeld, of uit met de Provincie gesloten overeenkomsten blijkt (waarmee ook de stellingen onder a sub (
- iv)en onder b - voor zover die al in tegenspraak met het oordeel van het hof zouden zijn - hun belang hebben verloren). 2.12 De door het subonderdeel genoemde stellingen staan derhalve niet aan het bestreden oordeel in de weg. Daarbij verdient nog aantekening dat aan de voor alle partijen kenbare bepaling dat het Afsprakenkader tussen partijen blijft voortbestaan - art. 1.2 van de grondverkoopovereenkomst en art. 1.2 van de borgovereenkomst - is toegevoegd dat indien en voor zover het bepaalde in de grondverkoopovereenkomst en de borgovereenkomst afwijkt van het Afsprakenkader, de grondverkoopovereenkomst c.q. de borgovereenkomst prevaleert (waarmee de stelling onder a sub (
- i)dusdanig aan betekenis inboet dat ook zij niet van beslissende betekenis kan worden geacht). 2.13 Subonderdeel 1.3 faalt derhalve in zijn geheel. 2.14 Subonderdeel 1.4 betoogt dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.9 - dat de rol van de Provincie krachtens art. 2.3 van de borgovereenkomst ertoe is beperkt dat de door Distriport CV tot stand te brengen financieringsovereenkomsten voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Provincie behoeven, die de Provincie niet op onredelijke gronden zal onthouden - een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan art. 2.3 van de borgovereenkomst, nu dit artikel ook bepaalt dat de Provincie “niet op onredelijke gronden haar medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst van borgtocht met de Financiële instelling [zal] onthouden.” Distriport c.s. hebben zich volgens het subonderdeel ook in zoverre op deze bepaling beroepen. Voorts heeft het hof, aldus het subonderdeel, voor zover het tot uitgangspunt heeft genomen dat de verplichtingen van de Provincie zijn beperkt tot hetgeen volgt uit de tekst van de borgovereenkomst, miskend dat de contractuele verplichtingen van de Provincie moeten worden vastgesteld door (
- i)uitleg van (het samenstel van) de tussen partijen geldende overeenkomsten volgens de Haviltex-maatstaf en afhangt van alle relevante omstandigheden van het geval en (
- ii)het in aanmerking nemen van hetgeen redelijkheid en billijkheid eisen in de zin van art. 6:248 lid 1 BW. 2.15 Ook hier geldt dat het subonderdeel feitelijke grondslag mist in zoverre het betoogt dat het hof met miskenning van de Haviltex-maatstaf tot uitgangspunt heeft genomen dat de verplichtingen van de Provincie zijn beperkt tot hetgeen uit de tekst van de overeenkomsten (en in het bijzonder de borgovereenkomst) volg. Daarvoor kan verwezen worden naar hetgeen hiervóór (onder 2.9) bij de behandeling van subonderdeel 1.3 is opgemerkt. 2.16 Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof aan art. 2.3 van de borgovereenkomst een onbegrijpelijke uitleg zou hebben gegeven, geldt eveneens dat die klacht feitelijke grondslag mist. Er is immers geen enkele reden om aan te nemen dat het hof van de door het subonderdeel beschreven uitleg - waarbij de geciteerde verplichting van de Provincie zou zijn miskend - is uitgegaan. Dat het hof in de context van rov. 3.9 deze verplichting niet (mede) expliciet heeft genoemd, vindt zijn oorsprong mijns inziens veeleer in het feit dat het deze verplichting in de betrokken context niet van belang heeft geacht. In rov. 3.9 oordeelde het hof immers over de vraag of de tussen partijen gesloten overeenkomsten een bepaling bevatten die de door Distriport c.s. bedoelde tweede voorwaarde behelsde: de voorwaarde van verwerving van externe financiering door de joint venture en de goedkeuring daarvan door de Provincie. Dat de Provincie - op grond van art. 2.1 van de borgovereenkomst - was gehouden tot een borgstelling tot maximaal 80% van de te verstrekken financiering jegens de Financiële instelling met een maximum van € 50 miljoen, en dat zij - op grond van art. 2.3 van de borgovereenkomst - aan de totstandkoming van de ter uitvoering van deze verplichting vereiste overeenkomst van borgtocht haar medewerking niet op onredelijke gronden mocht onthouden, deed in die context niet ter zake. Om die reden valt overigens ook niet in te zien welk belang Distriport c.s. zou hebben bij gegrondverklaring van haar klacht dat het hof deze verplichting van de Provincie zou hebben miskend. Aan het oordeel van het hof in rov. 3.9 over de door Distriport c.s. gestelde tweede voorwaarde zou dit in elk geval niet afdoen. 2.17 Ook subonderdeel 1.4 kan derhalve niet tot cassatie leiden. 2.18 Subonderdeel 1.5 klaagt dat het hof, voor zover het in rov. 3.9 tot uitgangspunt heeft genomen dat Distriport c.s. hun beroep op schuldeisersverzuim hebben beperkt tot de stelling dat de Provincie art. 2.3 van de borgovereenkomst heeft geschonden, een onbegrijpelijke lezing aan de stellingen van Distriport c.s. heeft gegeven. Distriport c.s. hebben immers volgens het subonderdeel aan hun stelling dat sprake is van schuldeisersverzuim zijdens de Provincie een aanzienlijk breder betoog ten grondslag gelegd, zoals zou blijken uit de in subonderdeel 1.7 aangehaalde stellingen. Uit die stellingen zou ook blijken dat, voor zover het hof in rov. 3.10 tot uitgangspunt heeft genomen dat Distriport c.s. naast schending van art. 2.3 van de borgovereenkomst zich ter onderbouwing van hun beroep op schuldeisersverzuim alleen op het niet-funden van NHN door de Provincie hebben beroepen, dit evenzeer blijk geeft van een onbegrijpelijke lezing van de stellingen van Distriport c.s.. De in subonderdeel 1.7 aangehaalde stellingen van Distriport c.s. houden immers mede in dat ook los van het achterwege blijven van funding van NHN door de Provincie sprake is van wanprestatie althans schuldeisersverzuim van de Provincie, aldus het subonderdeel. 2.19 Ter verduidelijking van het in dit subonderdeel betoogde, geef ik reeds hier de in subonderdeel 1.7 aangehaalde stellingen - in enigszins verkorte vorm - weer :
- a)De Provincie heeft pas na de betwisting door Distriport c.s. van de gerechtvaardigdheid van de ontbinding van art. 2.1 van de grondverkoopovereenkomst de nadruk erop gelegd en beslissend geacht dat sprake was van financieringsvoorstellen en niet van financieringsovereenkomsten (zoals art. 2.3 van de borgovereenkomst bepaalt). Uit verschillende omstandigheden blijkt dat de Provincie wel degelijk financieringsvoorstellen heeft willen bespreken en op basis van tussen partijen besproken financieringsvoorstellen ook heeft geoordeeld omtrent de aanvaardbaarheid van de beoogde financiering.
- b)Van Distriport CV kon niet worden verwacht dat zij eerst met de bank een perfecte financieringsovereenkomst zou sluiten, zonder dat Distriport CV een redelijke mate van zekerheid zou hebben dat de Provincie daarmee vanuit haar contractuele recht zou kunnen instemmen.
- c)De levering van de gronden was (ook) afhankelijk van het geregeld zijn van de financiering daarvan. De Provincie heeft, door haar opstelling in de besprekingen over de financieringsvoorstellen, zelf de hand gehad in het feit dat aan dat vereiste voor levering niet was (en kon worden) voldaan: (
- i)de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) had medewerking kunnen verlenen aan financiering volledig binnen de kaders van de tussen partijen geldende overeenkomsten; (
- ii)Distriport CV, Distriport BV en BNG samen hebben aan de Provincie financieringsvoorstellen voorgelegd die volledig pasten binnen de kaders van de overeenkomsten, en geen ongerechtvaardigde staatssteun inhielden, en voor zover al sprake zou zijn van enige afwijking, zouden zij steeds bereid zijn daarover met de Provincie inhoudelijk te spreken, welk gesprek de Provincie niet (op redelijke wijze) wilde aangaan; (iii) de Provincie heeft redelijke voorstellen op onredelijke gronden afgewezen; (
- iv)met het beding dat de Provincie een financieringsovereenkomst dient goed te keuren en moet meewerken aan borgstelling, is een afhankelijkheidsrelatie ontstaan waarvoor de redelijkheidsgronden van art. 2.3 van de borgovereenkomst een waarborg beoogden te zijn. Dit moet doorwerken in de (redelijke) uitleg van hetgeen waartoe partijen jegens elkaar gehouden zijn; (
- v)de Provincie heeft art. 2.1 van de grondverkoopovereenkomst ontbonden op een moment dat gesprekken met BNG nog tot constructieve oplossingen binnen de kaders van de overeenkomsten konden leiden; (
- vi)de Provincie heeft art. 2.1 van de grondverkoopovereenkomst ontbonden naar aanleiding van een voorstel van 31 januari 2011 waarbij NHN niet gefund zou behoeven te worden; (vii) de Provincie heeft de financieringsvoorstellen van Distriport CV respectievelijk term sheets van BNG niet op de voor dit soort specifieke financieringen vereiste respectievelijk gebruikelijke wijze beoordeeld; (viii) de Provincie heeft Distriport CV - onterecht - voorgehouden dat op basis van een advies van haar advocaat was gebleken dat financieringsvoorstellen zijdens Distriport CV niet konden worden aanvaard wegens staatssteunproblemen;
- d)De Provincie wilde NHN in haar plaats laten deelnemen in de CV, met geld van de Provincie, zodat het feit dat NHN niet aan de financiering kan bijdragen omdat de Provincie haar (toch) niet heeft willen funden, aan de Provincie toerekenbaar is. 2.20 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat het hof in rov. 3.9 strikt genomen slechts heeft geoordeeld over de vraag of de tussen partijen gesloten overeenkomsten al dan niet een grondslag bieden aan de in rov. 3.8 omschreven en door Distriport c.s. bedoelde tweede voorwaarde, volgens welke de medewerking van Distriport CV aan teruglevering mede hiervan afhankelijk was of externe financiering en goedkeuring daarvan door de Provincie zou zijn verkregen. Volgens het hof bieden de overeenkomsten een dergelijke grondslag niet en beperkt de rol van de Provincie in het kader van de financiering zich tot art. 2.3 van de borgovereenkomst, welke bepaling de Provincie volgens het hof bovendien niet heeft geschonden. Van schuldeisersverzuim wordt in rov. (3.8
- en)3.9 niet gerept. In zoverre mist de klacht van het subonderdeel dat rov. 3.9 van een te beperkte opvatting van het beroep van Distriport c.s. op schuldeisersverzuim blijk geeft, feitelijke grondslag. In rov. 3.10 heeft het hof vooropgesteld dat moet worden beoordeeld of de hiervóór bedoelde tweede voorwaarde van voorafgaande financiering niettemin in de tussen partijen gesloten overeenkomsten ligt besloten dan wel op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden aangenomen en of de Provincie ter zake van het niet-vervullen van die voorwaarde in schuldeisersverzuim verkeerde. Volgens het hof hebben Distriport c.s. daartoe aangevoerd dat zij van aanvang af ervan uitgingen dat NHN door de Provincie van kapitaal zou worden voorzien (zou worden gefund). Strikt genomen mist het subonderdeel óók feitelijke grondslag voor zover het klaagt dat rov. 3.10 van een te beperkte opvatting van het beroep van Distriport c.s. op schuldeisersverzuim blijk geeft; rov. 3.10 is immers beperkt tot een mogelijk schuldeisersverzuim als sequeel van (niet-naleving van) de door Distriport c.s. gestelde tweede voorwaarde en beoogt kennelijk niet de mogelijkheid van schuldeisersverzuim van de Provincie uitputtend te bespreken. 2.21 De rov. 3.9 en 3.10, zoals hiervóór (onder 2.20) uitgelegd, vallen echter moeilijk te rijmen met de algemeen geformuleerde conclusie in rov. 3.11 dat “(v)an schuldeisersverzuim (…) evenmin sprake (is).” In de tussenliggende rov. 3.10.1-3.10.6 zijn immers geen andere mogelijke gronden voor schuldeisersverzuim besproken dan de reeds in rov. 3.10 bedoelde (schending van een) mogelijke verplichting van de Provincie tot het funden van NHN. De conclusie dat van schuldeisersverzuim geen sprake is, kan daarom (naast de uitsluiting van een door de Provincie gepleegde schending van art. 2.3 van de borgovereenkomst) inderdaad slechts op het ontbreken van een verplichting van de Provincie tot het funden van NHN berusten. Dat laatste impliceert echter niet dat het hof aan de hiervóór onder 2.19 bedoelde stellingen, die, voor zover van belang, op de opstelling van de Provincie in het overleg over de financiering betrekking hebben, zou zijn voorbijgegaan. Voor het oordeel van het hof dat de Provincie niet tot funding van NHN was verplicht, was blijkens rov. 3.10.4 in het bijzonder bepalend dat de Provincie zich niet had verbonden tot “een verdergaande financiële bijdrage” c.q. een verdergaande “financiële betrokkenheid” dan met de overeengekomen borgstelling door de Provincie was gegeven. Het oordeel van het hof dat de Provincie niet was gehouden tot “verdere financiële bijdragen” c.q. een verdergaande “financiële betrokkenheid” dan met de overeengekomen borgstelling was gegeven, was mede bepalend voor hetgeen het hof in rov. 3.14 in verband met de door de Provincie ingeroepen ontbinding over de opstelling van de Provincie in het overleg over de financiering heeft overwogen: “3.14 Nadat het verzuim van Distriport CV op 1 november 2010 was ingetreden zijn Distriport c.s. voortgegaan met het zoeken naar een financieringsoplossing en zijn uitgangspunten/voorstellen daartoe aan de Provincie gepresenteerd. De Provincie kan niet worden tegengeworpen dat zij enerzijds haar belangen zekerstelde door op 21 februari 2011 de ontbinding in te roepen, maar dat zij anderzijds voor en na die datum zich heeft ingespannen om te pogen de samenwerking niettemin tot een goed einde te brengen. Gelet op het reeds ingetreden verzuim van Distriport CV was de Provincie daartoe niet verplicht, laat staan dat zij gehouden was om alsnog verdergaande risico’s te accepteren dan eerder tussen partijen was afgesproken. Dat de Provincie, terwijl Distriport c.s.. in verzuim verkeerden, term-sheets en (fmancierings)voorstellen in aanmerking heeft willen nemen (niet is gebleken dat de Provincie reeds vóór het intreden van het verzuim term-sheets ter beoordeling voorgelegd heeft gekregen) maar uiteindelijk heeft afgewezen kunnen Distriport c.s. de Provincie dan ook niet verwijten. Voor de juistheid van het betoog van Distriport c.s. dat zij in de periode na de ontbinding door de Provincie aan het lijntje zijn gehouden en aan het werk zijn gezet terwijl de uitkomst al vaststond zijn onvoldoende aanknopingspunten voorhanden, nog daargelaten dat Distriport c.s. niet duidelijk hebben gemaakt wat van dat betoog de gevolgen moeten zijn.” Nog daargelaten of de hiervóór (onder 2.19) bedoelde stellingen, gelet op de context waarin zij werden betrokken, het hof tot een behandeling daarvan in het kader van het beroep van Distriport c.s. op schuldeisersverzuim dwongen, meen ik dat de in rov. 3.14 vervatte beoordeling van de opstelling van de Provincie in het overleg over de financiering, in samenhang met het in rov. 3.10.4 vervatte oordeel dat de Provincie niet was gehouden tot “verdere financiële bijdragen” c.q. een verdergaande “financiële betrokkenheid” dan met de overeengekomen borgstelling was gegeven, in elk geval impliceert dat die opstelling evenmin een grond voor het door Distriport c.s. bepleite schuldeisersverzuim opleverde. 2.22 Subonderdeel 1.5 is derhalve tevergeefs voorgesteld. 2.23 Subonderdeel 1.6 klaagt dat, voor zover uit het oordeel van het hof in rov. 3.9 zou moeten worden afgeleid dat het hof heeft geoordeeld dat (alleen
- al)omdat Distriport c.s. geen concrete financieringsovereenkomsten ter goedkeuring hebben voorgelegd, niet wordt toegekomen aan de vraag of de Provincie daaraan op onredelijke gronden haar goedkeuring heeft onthouden en niet kan worden gezegd dat de Provincie in (schuldeisers)verzuim is gekomen, het hof heeft miskend dat van schuldeisersverzuim ook sprake is indien nakoming van een verbintenis wordt verhinderd doordat zij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van haar zijde opkomt. Volgens het subonderdeel getuigt het bestreden oordeel althans van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitleg van de tussen partijen geldende overeenkomsten door te miskennen dat deze uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf dient te geschieden en van alle relevante omstandigheden van het geval afhangt, althans is dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de in onderdeel 1.7 aangehaalde, door het hof niet (kenbaar) bij zijn beoordeling betrokken stellingen van Distriport c.s., die mede inhouden dat sprake is van schuldeisersverzuim van de Provincie. 2.24 Aan het subonderdeel ligt, blijkens de in subonderdeel 1.7 aangehaalde stellingen, waarnaar het onderdeel uitdrukkelijk verwijst, kennelijk de gedachte ten grondslag dat art. 2.3 van de borgovereenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat Distriport CV de Provincie geen perfecte financieringsovereenkomsten, maar slechts financieringsvoorstellen behoefde voor te leggen, en dat de Provincie haar goedkeuring aan zulke voorstellen niet op onredelijke gronden mocht weigeren (zie in het bijzonder de stelling onder b: “Daarbij past niet dat de Provincie van Distriport CV zou (kunnen) verwachten dat zij eerst met de bank een perfecte financieringsovereenkomst zou sluiten, zonder dat Distriport CV een redelijke mate van zekerheid zou hebben dat de Provincie daarmee vanuit haar contractuele recht zou kunnen instemmen.”). Bij de beoordeling van deze klacht stel ik voorop dat het hof in rov. 3.9 weliswaar heeft gesproken van het (door Distriport c.s. niet gestelde) geval dat Distriport c.s. “een financieringsovereenkomst tot stand hebben gebracht”, maar dat het hof daarbij kennelijk niet het oog heeft gehad op een reeds perfecte en ook daadwerkelijk gesloten overeenkomst. In rov. 3.9 heeft het hof art. 2.3 van de borgovereenkomst immers aldus uitgelegd dat “de door Distriport CV ter zake tot stand te brengen financieringsovereenkomsten voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Provincie behoeven”. Ook in de kennelijke visie van het hof gaat de vereiste goedkeuring aan de totstandkoming van de bedoelde financieringsovereenkomsten vooraf en behoefden Distriport c.s. daarom niet reeds perfecte en reeds totstandgekomen financieringsovereenkomsten ter goedkeuring aan de Provincie voor te leggen, maar slechts mogelijk gebleken en voorgenomen financieringsovereenkomsten, of, zo men wil, financieringsvoorstellen die althans de essentialia van dergelijke mogelijk gebleken overeenkomsten omvatten. Rov. 3.9 moet naar mijn mening daarom aldus worden verstaan, dat Distriport c.s. niet hebben gesteld dat zij de Provincie tijdig een voorgenomen financieringsovereenkomst in laatstbedoelde zin hebben voorgelegd. Aldus beschouwd mist de klacht van subonderdeel 1.6 feitelijke grondslag. Hiervóór (onder 2.21) kwam overigens al aan de orde dat voor het oordeel van het hof dat de Provincie niet tot funding van NHN was verplicht, blijkens rov. 3.10.4 in het bijzonder bepalend was dat de Provincie zich niet had verbonden tot “een verdergaande financiële bijdrage” c.q. een verdergaande “financiële betrokkenheid” dan met de overeengekomen borgstelling door de Provincie was gegeven. Het onderliggende oordeel van het hof dat de Provincie niet was gehouden tot “verdere financiële bijdragen” c.q. een verdergaande “financiële betrokkenheid” dan met de overeengekomen borgstelling was gegeven, sloot echter tevens uit dat de Provincie gehouden was in te stemmen met voorstellen ter financiering van het project die een zodanige verdere financiële bijdrage of betrokkenheid van de Provincie impliceerden. Waar in de feitelijke vaststellingen van het hof ligt besloten dat (althans tot het moment waarop Distriport CV in verzuim geraakte) door Distriport c.s. slechts voorstellen zijn gedaan die tot grotere financiële risico’s voor de Provincie zouden leiden (zie in het bijzonder de rov. 2.20 en 2.21: “Gelukkig hebben wij de Bank Nederlandse Gemeenten hiertoe bereid gevonden. Zij stellen echter een aantal voorwaarden, die helaas niet geheel overeenstemmen met de uitgangspunten uit 2008.” respectievelijk “Het klopt dat u dit jaar bij herhaling voorstellen heeft gedaan ter financiering van het project Distriport. (…) Alle voorstellen leiden echter tot grotere risico’s voor de provincie. (…) De provincie wenst (…) vast te houden aan de inhoud van de overeenkomsten die er liggen.”), missen Distriport c.s. belang bij de klacht van het subonderdeel, óók in het geval dat sprake zou zijn van voorgenomen financieringsvoorstellen waarover de Provincie zich op de voet van art. 2.3 van de borgovereenkomst had moeten uitlaten. 2.25 Subonderdeel 1.7 klaagt dat het oordeel dat (alleen
- al)omdat Distriport c.s. geen concrete financieringsovereenkomsten ter goedkeuring hebben voorgelegd, niet kan worden gezegd dat de Provincie in (schuldeisers)verzuim is gekomen, niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd gelet op hetgeen Distriport c.s. heeft aangevoerd en niet (kenbaar) door het hof bij zijn oordeel is betrokken. Distriport c.s. wijst daartoe op de hiervóór (onder 2.19) reeds weergegeven stellingen. 2.26 De klacht faalt op grond van hetgeen reeds bij de bespreking van de subonderdelen 1.5 en 1.6 is opgemerkt. 2.27 Subonderdeel 1.8 klaagt dat het hof, door in rov. 3.10.6 te oordelen dat het beroep van Distriport c.s. op overmacht onvoldoende concreet is toegelicht, hetzij heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het overmachtsbegrip door te miskennen dat van overmacht sprake is indien de tekortkoming noch te wijten is aan schuld zijdens Distriport c.s. noch krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor hun rekening komt, hetzij zijn oordeel dat Distriport c.s. onvoldoende concreet hebben toegelicht dat hun tekortkoming niet aan hen kan worden toegerekend, onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd in het licht van het in subonderdeel 1.7 aangehaalde betoog van Distriport c.s., dat het hof - in ieder geval op grond van art. 25 Rv - ook in aanmerking had behoren te nemen bij de beantwoording van de vraag of van overmacht sprake is. 2.28 De in het subonderdeel aangevoerde klacht dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het overmachtsbegrip heeft blijk gegeven, kan ik niet volgen. Het subonderdeel geeft niet aan waaruit zou blijken dat het hof (dat heeft geoordeeld dat Distriport c.s. de stelling dat zij door overmacht geen financiering hebben kunnen verkrijgen, onvoldoende concreet hebben toegelicht) heeft miskend dat van overmacht sprake is indien de tekortkoming noch aan schuld zijdens Distriport c.s. is te wijten noch krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komt. Ook de klacht dat het oordeel in rov. 3.10.6 in het licht van de in subonderdeel 1.7 aangehaalde stellingen (zie voor die stellingen hiervóór onder 2.19) onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, mist doel. Ook als het hof die stellingen al ambtshalve in aanmerking had moeten nemen bij de beoordeling van het beroep van Distriport c.s. op overmacht, valt niet zonder meer in te zien dat en waarom die stellingen aan het bestreden oordeel in de weg zouden staan. Het hof heeft die stellingen (die uitgaan van een voorwaarde van voorafgaande financiering en van gehoudenheid van de Provincie NHN te funden en financieringsvoorstellen van Distriport CV - ook als deze tot grotere financiële risico’s voor de Provincie zouden leiden - in aanmerking te nemen) niet gevolgd en heeft in plaats daarvan de verantwoordelijkheid van Distriport CV voor het verkrijgen van een financiering benadrukt. Bij die stand van zaken valt niet zonder meer in te zien waarom uit de bedoelde stellingen zou voortvloeien dat het niet voor rekening van Distriport CV zou komen dat zij de overeengekomen financiering niet heeft kunnen verkrijgen. Ook subonderdeel 1.8 kan derhalve niet slagen. 2.29 Subonderdeel 1.9 betoogt dat met het slagen van een of meer van de voorafgaande klachten ook (onder meer) de rov. 3.11, 3.13, 3.15, 3.20 en 3.21 en het dictum niet in stand kunnen blijven. 2.30 Nu geen van de voorafgaande klachten slaagt, doet de door het subonderdeel bedoelde doorwerking zich niet voor. 2.31 Onderdeel 2 telt vijf subonderdelen. 2.32 Subonderdeel 2.1 is gericht tegen het oordeel van het hof in het eerste deel van rov. 3.10.3: “Het hof is van oordeel dat uit de door Distriport c.s. naar voren gebrachte stukken kan worden afgeleid dat het op enigerlei wijze risicodragend participeren in het project op enig moment door (ambtenaren van) de Provincie kan zijn overwogen, maar niet meer dan dat. Voor verdergaande conclusies bestaan geen aanwijzingen. Dat ligt ook in de rede, gezien de inhoud van de door de Provincie aangehaalde interne notitie. (…)” Volledigheidshalve geef ik ook het vervolg van de geciteerde rechtsoverweging weer: “Distriport c.s. hebben niet bestreden dat zij die notitie kenden. Daarbij komt dat de Provincie als overheidsorgaan een bijzondere vertegenwoordigingsstructuur en besluitvormingsprocedure kent, die belangrijke beperkingen meebrengt aan hetgeen Distriport c.s. aan uitlatingen van ambtenaren van de Provincie konden ontlenen. In beginsel kan slechts worden afgegaan op hetgeen door of namens de Provincie als uitkomst van het formele besluitvormingsproces van de Provincie wordt medegedeeld, of uit met de Provincie gesloten overeenkomsten blijkt. Distriport c.s. moeten, als professionele (vastgoed)partijen, daarmee bekend zijn geweest.” Voorts geef ik enkele overwegingen uit rov. 3.10.4 weer: “Uit de borgovereenkomst van 19 juni 2008 blijkt dat de Provincie zich (uiteindelijk) heeft verplicht om tot 80% borg te staan voor de externe financiering van Distriport CV met een maximum van € 50 miljoen. Daarmee heeft zij naar ’s hof(
- s)oordeel kennelijk invulling gegeven aan haar (financiële) bijdrage aan de samenwerking die in artikel 1.1 van het Afsprakenkader was voorzien. (…) De samenwerkingsovereenkomst bepaalt weliswaar dat NHN als commanditaire vennoot, naast commanditaire vennoten [A] en Zeeman Vastgoed oud, zal gaan deelnemen in Distriport CV maar dat brengt op zichzelf nog geen verplichting mee voor de Provincie om NHN van kapitaal te voorzien: hiervoor zijn specifieke daartoe strekkende contractuele verplichtingen nodig, die ontbreken. In deze constellatie moet het voor Distriport c.s. op 19 juni 2008, bij het ondertekenen van genoemde overeenkomsten, duidelijk zijn geweest hoever de financiële betrokkenheid van de Provincie strekte. (…) De Provincie heeft gesteld dat partijen er altijd vanuit zijn gegaan dat het project volledig extern zou worden gefinancierd en Distriport c.s. hebben dat bevestigd.” 2.33 Subonderdeel 2.1.1 klaagt - ten eerste - dat het oordeel in het in subonderdeel 2.1 aangehaalde deel van rov. 3.10.3 van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitleg van de tussen partijen geldende overeenkomsten getuigt door te miskennen dat deze uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf dient te geschieden en van alle relevante omstandigheden van het geval afhangt. Althans heeft het hof volgens het subonderdeel miskend dat van schuldeisersverzuim ook sprake is indien nakoming van een verbintenis wordt verhinderd doordat de Provincie de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van haar zijde opkomt. 2.34 De klacht verduidelijkt niet waarom het hof in rov. 3.10.3 (de toepasselijkheid van) de Haviltex-maatstaf zou hebben miskend. Evenmin maakt het subonderdeel duidelijk waarom het hof zou hebben miskend dat van schuldeisersverzuim ook sprake is indien nakoming van een verbintenis wordt verhinderd doordat de Provincie de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van haar zijde opkomt. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de klachten van onderdeel 1, verwijs ik naar de bespreking daarvan. 2.35 Het subonderdeel klaagt voorts dat het bestreden oordeel althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van een aantal door het subonderdeel als essentieel aangemerkte stellingen, waarop het hof niet (kenbaar) zou hebben gerespondeerd. Ik geef die stellingen hieronder weer, steeds vergezeld van een korte bespreking.
- a)De Provincie heeft, na een bestuurlijke (niet: ambtelijke) uitspraak dat NHN met geld van de Provincie partij zou worden in het samenwerkingsverband, daadwerkelijk de joint venture waarin NHN risicodragend zou participeren uitgewerkt en heeft daartoe besloten. Het subonderdeel verwijst naar de volgende stellingen: (
- i)In het door alle partijen goedgekeurde verslag van de Stuurgroepvergadering van 25 april 2007 is vastgelegd: “ [betrokkene 5] (gedeputeerde [betrokkene 5] , toevoeging van de advocaat) geeft aan dat de Provincie haar regierol wil overdragen aan het Ontwikkelingsbedrijf. (…) Het Ontwikkelingsbedrijf zal met geld van de Provincie partij worden in het samenwerkingsverband.” Het was, aldus het subonderdeel, derhalve een gedeputeerde en nota bene de Stuurgroepvoorzitter die deze mededeling heeft gedaan. Ad
- a)(
- i)Mijns inziens is de weergegeven passage niet onverenigbaar met rov. 3.10.3. De bedoelde mededeling werd niet gedaan als uitkomst van een formeel besluitvormingsproces van de Provincie en is evenmin opgenomen in de met de Provincie gesloten overeenkomsten. Ook is de weergegeven mededeling in overeenstemming met het (feitelijke) oordeel van het hof dat het op enigerlei wijze risicodragend participeren in het project wel op enig moment is overwogen, maar niet meer dan dat. (
- ii)In het Plan van Aanpak van 11 juni 2007 dat de Provincie vervolgens heeft opgesteld, is vermeld: “Bij een Joint Venture is sprake van een gezamenlijk risico en gezamenlijke verantwoordelijkheden en wordt het gehele proces gezamenlijk uitgevoerd. (…) Vanuit de noodzaak tot centrale regie en integrale aanpak is de Joint Venture de meest aangewezen constructie. Gezien de voorbeeldfunctie die nagestreefd wordt is een combinatie van marktpartijen, gemeente en het Ontwikkelingsbedrijf NHN aan te bevelen. (…)” Ad
- a)(
- ii)Voor zover de weergegeven passage al afdoet aan het oordeel dat de Provincie niet tot funding was gehouden, geldt hiervoor hetzelfde als ten aanzien van de stelling onder
- a)(
- i)werd opgemerkt. Overigens is niet geheel duidelijk door wie het plan is opgesteld en/of met wie vanuit de Provincie het in het Plan van Aanpak onder 1.1 genoemde overleg is gevoerd. Uit het aldaar gestelde blijkt overigens wel dat de samenwerking pas eind 2007/begin 2008 formeel gestalte zou krijgen in een samenwerkings- en ontwikkelingsovereenkomst, hetgeen met de overeenkomsten van 19 juni 2008 is gebeurd. (iii) In de toelichtende nota voor GS voor ondertekening van het Afsprakenkader is vermeld: “Voorgesteld wordt om als Provincie mee te financieren in het project en hierover op korte termijn intentionele afspraken te maken met de andere betrokken partijen.” Ad
- a)(iii) Ook hier geldt het ten aanzien van de stelling onder
- a)(
- i)opgemerkte. Daarbij verdient nog opmerking dat in de nadien gesloten grondverkoop- en borgovereenkomst onder 1.2 bepalingen zijn opgenomen waarin wordt vermeld dat het Afsprakenkader tussen partijen blijft voortbestaan, maar dat indien en voor zover het bepaalde in die overeenkomsten van het Afsprakenkader afwijkt, de overeenkomsten prevaleren.
- b)Distriport c.s. heeft in appel erop gewezen dat de rechtbank de Notitie van 29 november 2007 - waarop de Provincie zich heeft beroepen - onvolledig heeft geciteerd. Het hof heeft volgens het subonderdeel in rov. 2.7 precies hetzelfde gedaan. Naar Distriport c.s. hebben uiteengezet, bevat deze notitie juist de overwegingen leidend tot de uiteindelijk door de Provincie gekozen constructie (“constructie 3: BNG leent aan GEM BV met een borgstelling van Provincie Noord-Holland”): “PNH loopt met deze constructie een financieel risico door de borgstelling en (indirect) haar belang in Ontwikkelingsbedrijf NHN.” Ad
- b)Ook hier geldt het ten aanzien van de stelling onder
- a)(
- i)opgemerkte. Bovendien volgt uit het feit dat de Provincie een belang had in NHN (en daardoor een financieel risico liep), niet zonder meer dat zij ook tot - aan de teruglevering van de gronden voorafgaande - funding was gehouden.
- c)Distriport c.s. hebben aangevoerd dat de Notitie toont dat NHN als onderdeel van GEM BV werd aangeduid als ontwikkelende partij en daarmee volgens de Notitie ook risicodragende partij die bovendien volledig mee zou moeten doen met het verstrekken van de garanties en de zekerheden die in het citaat in rov. 2.7 worden bedoeld. Ad
- c)Ook hier geldt het ten aanzien van de stellingen onder
- a)(
- i)en onder
- b)opgemerkte. Bovendien betreft hetgeen hier wordt aangevoerd NHN, en niet (zonder meer ook) de Provincie. Aan het standpunt van Distriport c.s. draagt evenmin bij dat de garanties en zekerheden die in het citaat in rov. 2.7 worden genoemd, garanties en zekerheden zijn die de ontwikkelende partijen aan de Provincie zouden moeten verlenen om ervoor te zorgen dat het financiële risico niet bij de Provincie, maar bij de ontwikkelende partijen komt te liggen.
- d)NHN zelf heeft de Provincie aansprakelijk gesteld. In de brief van 16 november 2012 van NHN aan de Provincie staat: “De Provincie is er altijd van op de hoogte geweest dat NHN (dan wel haar dochters/deelnemingen) voor 1/3 deel zou participeren in de C.V./B.V. (…) Daarmee kwam op de Provincie de verplichting te rusten om NHN te funden voor zover nodig om NHN haar verplichtingen na te kunnen laten komen. De Provincie wist als 50% aandeelhouder dat NHN zelf niet over middelen beschikte om Distriport te funden.” Volgens het subonderdeel heeft de Provincie jegens NHN niet inhoudelijk op deze aansprakelijkstelling gereageerd. Ad
- d)Naar mijn mening staat de bedoelde opvatting van NHN, die overigens eerst werd geuit toen de onderhavige procedure reeds in eerste aanleg aanhangig was, niet in de weg aan het oordeel van het hof dat de Provincie jegens Distriport CV niet tot funding van NHN was gehouden.
- e)De Provincie heeft zich in deze opgesteld als feitelijk beleidsbepaler van NHN, terwijl zowel de directie van NHN, als de andere aandeelhouders van NHN in het niet-funden van NHN - door de Provincie in deze procedure niet betwist - niet werden gekend, en daarvan blijkens afgelegde en in het geding gebrachte verklaringen ook niet op de hoogte waren, en integendeel van de juistheid van de lezing van Distriport c.s. uitgaan. Ad
- e)Voor de opvatting van de directie en de andere aandeelhouders van NHN geldt hetgeen ten aanzien van de stelling onder d reeds werd opgemerkt. Overigens heeft de Provincie in appel gemotiveerd betwist feitelijk beleidsbepaler binnen het Ontwikkelbedrijf te zijn en zeggenschap binnen NHN Vastgoed en NHN Projectbeheer te hebben (pleitnota hoger beroep onder 2.22).
- f)De stelling van de Provincie dat zij NHN niet wil funden en dat dit reeds bij het sluiten van de overeenkomsten bekend kon zijn, kan niet juist zijn nu het GS-besluit om NHN niet te funden dateert van 23 maart 2010 en 15 februari 2011, over welke besluitvorming Distriport c.s. pas in juli 2012 na een Wob-verzoek is geïnformeerd. Ad
- f)Uit rov. 3.10.3 blijkt niet dat het hof deze stelling van de Provincie aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Het hof heeft in rov. 3.10.3 slechts overwogen dat Distriport c.s. niet hebben bestreden dat zij de in rov. 2.7 bedoelde notitie kenden. Die notitie dateerde van 29 november 2007, dus van vóór het sluiten van de overeenkomsten op 19 juni 2008. Bovendien heeft het hof in rov. 3.10.4 uitvoerig gemotiveerd geoordeeld dat het voor Distriport c.s. op 19 juni 2008, bij het ondertekenen van de overeenkomsten, duidelijk moet zijn geweest hoever de financiële betrokkenheid van de Provincie strekte. Dit oordeel is niet gebaseerd op het GS-besluit waarop het subonderdeel doelt.
- g)De stelling van de Provincie dat zij NHN niet wil funden en dat dit reeds bij het sluiten van de overeenkomsten bekend kon zijn, verdraagt zich niet met de (ook door de Provincie niet erkende) consequentie dat dan de beide andere commandieten geacht zouden moeten worden te hebben ingestemd met een derde commandiet die door het ontbreken van funding nimmer als gelijkwaardige partij naast de beide andere commandieten zou kunnen functioneren, terwijl het voor zich spreekt dat Zeeman en [A] nimmer met participatie van NHN zouden hebben ingestemd als op voorhand duidelijk was dat NHN wel zou meedelen in eventuele winsten van de joint-venture maar geen middelen zou hebben om aan financiële verplichtingen van de joint-venture bij te dragen. Ad
- g)Het hof heeft in rov. 3.10.4 overwogen dat de Provincie heeft gesteld dat partijen altijd ervan zijn uitgegaan dat het project volledig extern zou worden gefinancierd en dat Distriport c.s. dat hebben bevestigd. In dat licht is het bestreden oordeel ook in het licht van de onder g genoemde consequentie niet zonder meer onbegrijpelijk. Het onder g gestelde houdt overigens niet in dat (Distriport c.s. in feitelijke instanties hebben gesteld dat) de overige commanditaire vennoten wél over eigen middelen beschikten. Bovendien verdient vermelding dat de CV-akte van 24 juni 2009 in art. 9.3 vermeldt dat de door de vennootschap te behalen winsten komen ten gunste van de vennoten in de verhouding van hun inbrengverplichting (die blijkens art. 5.3 ook voor NHN bestond), elke vennoot voor zover hij aan deze verplichting heeft voldaan. Zolang de vennoot niet aan deze verplichting zal hebben voldaan, is hij niet tot de winst gerechtigd. Wat de te lijden verliezen betreft, bepaalt de akte in art. 9.4 dat zij ten laste van de vennoten komen in de verhouding waarin zij tot inbreng zijn gehouden, met dien verstande dat een commanditaire vennoot niet aansprakelijk is voor - noch gehouden zal zijn bij te dragen in - enig verliessaldo tot een hoger bedrag dan zijn inbrengverplichting (of tot hetgeen naderhand meer mocht zijn overeengekomen, dan wel tot hetgeen meer dan dat mocht zijn ingebracht door de commanditaire vennoot). 2.36 Conclusie uit het vorenstaande is dat het oordeel van het hof in (het eerste deel van) rov. 3.10.3 ook in het licht van de door het subonderdeel aangehaalde stellingen - zelfs als zonder meer van de juistheid daarvan wordt uitgegaan - voldoende begrijpelijk is en dat subonderdeel 2.1.1 dient te falen. 2.37 Subonderdeel 2.2 keert zich tegen het oordeel van het hof in het laatste deel van rov. 3.10.3: “(…) In beginsel kan slechts worden afgegaan op hetgeen door of namens de Provincie als uitkomst van het formele besluitvormingsproces van de Provincie wordt medegedeeld, of uit met de Provincie gesloten overeenkomsten blijkt. Distriport c.s. moeten, als professionele (vastgoed)partijen, daarmee bekend zijn geweest.” Het subonderdeel klaagt dat, voor zover de beslissing van het hof in rov. 3.11 mede op deze overweging is gestoeld, de beslissing in strijd is met het recht, althans niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend hetgeen het in rov. 3.10 wel heeft vooropgesteld, te weten dat (ook) moet worden onderzocht of de toepasselijkheid van het door Distriport c.s. gestelde (tweede) vereiste van voorafgaande financiering moet worden aangenomen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. In dit verband wijst het subonderdeel op de in subonderdeel 2.1.1 vermelde stellingen van Distriport c.s. die volgens het subonderdeel de conclusie kunnen dragen dat deze toepasselijkheid (in elk geval) op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden aangenomen. 2.38 Dat moet worden onderzocht of de toepasselijkheid van het door Distriport c.s. gestelde (tweede) vereiste van voorafgaande financiering op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden aangenomen, heeft het hof allerminst miskend. Het hof heeft de noodzaak van een dergelijk onderzoek in rov. 3.10 vooropgesteld, om na de beschouwingen in de rov. 3.10.1-3.10.4, uiteindelijk in rov. 3.11 te concluderen te oordelen dat het bedoelde vereiste op de in rov. 3.8 genoemde grondslagen (waaronder de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid) niet geldt. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Dat de in subonderdeel 2.1.1 vermelde en hiervóór (onder 2.35) besproken stellingen, zoals het subonderdeel stelt, de conclusie kunnen dragen dat het bedoelde vereiste wél moet worden aangenomen, kan, wat daarvan overigens zij, aan de begrijpelijkheid het bestreden oordeel niet afdoen. Het subonderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld. 2.39 Subonderdeel 2.3 is gericht tegen rov. 3.10.4. 2.40 Subonderdeel 2.3.1 klaagt - ten eerste - dat, voor zover de beslissing van het hof in rov. 3.11 (mede) op deze overweging is gestoeld, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitleg van de tussen partijen geldende overeenkomsten door te miskennen dat deze uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf dient te geschieden en van alle relevante omstandigheden van het geval afhangt. 2.41 Het subonderdeel werkt niet uit waarom het hof de Haviltex-maatstaf zou hebben miskend en voldoet in zoverre niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. 2.42 Het subonderdeel klaagt voorts dat de beslissing in rov. 3.10.4 althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van een aantal door het subonderdeel als essentieel aangemerkte stellingen, die het hof niet (kenbaar) bij zijn oordeel zou hebben betrokken. Ik geef die stellingen hieronder - in enigszins verkort vorm - weer, steeds vergezeld van een korte bespreking:
- a)Niet in geschil is dat het project volledig extern zou worden gefinancierd, dat de CV voor het verkrijgen van financiering verantwoordelijk was en dat Distriport c.s. naast de borgstelling geen verdere financiële bijdragen van de Provincie hebben verlangd. Distriport c.s. verkeerden echter in de gerechtvaardigde veronderstelling dat commanditaire deelneming in de CV door NHN zou betekenen dat de drie commandieten gezamenlijk aan de resterende financiële verplichtingen uit de door de CV aan te trekken financiering konden voldoen. Ad
- a)Deze stelling is - in enigszins andere vorm - reeds aan de orde geweest in subonderdeel 2.1.1 onder g en doet om redenen die reeds hiervóór (onder 2.35 Ad g)) werden aangevoerd, niet af aan het oordeel van het hof. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat een volledige externe financiering kan inhouden dat ook de aan de financiering verbonden lasten worden meegefinancierd.
- b)Niet valt in te zien dat de beide “private” commandieten redelijkerwijs ermee rekening moesten houden dat de Provincie welbewust NHN als lege commandiet naar voren zou schuiven - zonder dat expliciet te melden - die wel zou meedelen in de winsten van de CV, maar niet financieel zou bijdragen in de lasten van de CV. Ware het anders, dan zou niet kunnen worden ingezien welke functie NHN alsdan als commandiet zou hebben. De functie van de commanditaire of stille vennoot in een CV is bij uitstek (en bij uitsluiting) die van inbrenger van kapitaal. NHN heeft de Provincie hierop zelf in haar aansprakelijkstelling uitdrukkelijk gewezen. Ad
- b)(Ook) dit betoog strandt op hetgeen hiervóór (onder 2.35 Ad
- d)en g)) reeds aan de orde kwam. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de rol van NHN als commanditaire vennoot niet tot die van inbrenger van kapitaal was beperkt, maar mede een aandeel in de interne besluitvorming kon omvatten (vergelijk art. 7.7 van de CV-akte van 24 juni 2009).
- c)In (art. 4.11 van) de samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat de drie commandieten voor gelijke delen zijn gerechtigd tot de winsten van GEM (Distriport CV), en voor gelijke delen draagplichtig zijn voor de verliezen van GEM. In (art. 10.2 van) de samenwerkingsovereenkomst is vooropgesteld dat GEM zoveel mogelijk in de financieringsbehoefte zal voorzien door middel van externe financiering door derden waarbij de Provincie zich borg stelt uit hoofde van de met de Provincie te sluiten borgovereenkomst, en is bepaald dat indien de CV niet of niet volledig in externe financiering (als bedoeld in art. 10.1) kan voorzien, commandieten voor een gelijk deel de CV zullen voorzien van de benodigde financieringsmiddelen. Ad
- c)Ook deze bepalingen, die, zoals hiervóór (onder 2.35 Ad g)) reeds werd vermeld, in de CV-akte van 24 juni 2009 verder zijn uitgewerkt (waarbij overigens een bepaling als die in art. 10.2 van de samenwerkingsovereenkomst ontbreekt en in art. 5.6 verdere inbreng van geld of goederen afhankelijk wordt gesteld van een unaniem besluit van de vergadering van vennoten), staan niet in de weg aan het oordeel van het hof. Dat heeft immers in rov. 3.10.4 overwogen dat de deelname van NHN als commanditaire vennoot in Distriport CV op zichzelf nog geen verplichting voor de Provincie meebrengt om - buiten de borgstelling - NHN van kapitaal te voorzien, maar dat daarvoor specifieke daartoe strekkende contractuele verplichtingen nodig zijn, die ontbreken. Die overweging acht ik niet onbegrijpelijk, (ook niet) in het licht van de hier genoemde bepalingen uit de samenwerkingsovereenkomst. Ook hier verwijs ik mede naar hetgeen ik hiervóór (onder 2.35 Ad g)) opmerkte.
- d)NHN Projectbeheer B.V. is opgericht met als uitsluitende doelomschrijving: “deelnemen als vennoot in een commanditaire vennootschap”. NHN Projectbeheer B.V. heeft op 14 juni 2009 (bedoeld zal zijn 24 juni 2009; LK) de overeenkomst tot het aangaan van een commanditaire vennootschap gesloten. Tot de doelomschrijving van deze CV behoort het risicodragend deelnemen aan een gebiedsontwikkeling. Ad
- d)Ook deze stellingen doen niet af aan het oordeel van het hof. Bij de CV-akte was de Provincie geen partij.
- e)Essentieel is volgens het subonderdeel dat de Provincie: (
- i)tijdens de gesprekken over de financieringsvoorstellen medio 2010 aanvankelijk zich op het standpunt stelde dat funding van NHN (als commandiet) zich niet zou verdragen met regels van staatssteun; (
- ii)daartoe schermde met een advies van haar huisadvocaat, terwijl naar later bleek
- a)dit advies (van 18 oktober 2010) toen nog niet bestond en
- b)dit advies het standpunt van de Provincie niet onderschreef; (iii) pas na de ontbinding jegens Distriport c.s. de stelling heeft betrokken dat NHN (überhaupt) niet zou worden gefund en dat dit van aanvang af duidelijk moet zijn geweest; (
- iv)Distriport c.s. nadien via de Wet openbaarheid van bestuur kennis heeft genomen van provinciale besluitvorming uit 2010 en 2011 waaruit volgt dat GS na het sluiten van de overeenkomsten met Distriport c.s. - kennelijk eigenmachtig en zonder NHN en de andere aandeelhouders van NHN daarin te kennen - heeft besloten dat NHN niet zou worden gefund, waaruit moet volgen dat de eigen stelling als verwoord onder (iii) (ook) niet juist is geweest. Ad
- e)Het subonderdeel werkt niet uit (en zonder toelichting, die ontbreekt, is ook niet duidelijk) waarom deze stellingen aan het oordeel in rov. 3.10.4 zouden afdoen. 2.43 Conclusie uit het voorgaande is dat de door subonderdeel 2.3.1 bedoelde stellingen de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 3.10.4 niet aantasten en dat het subonderdeel in zijn geheel dient te falen. 2.44 Subonderdeel 2.4 stelt dat het slagen van een of meer van de voorafgaande klachten betekent dat ook (onder meer) de rov. 3.11, 3.13, 3.15, 3.20 en 3.21 en het dictum niet in stand kunnen blijven. 2.45 Nu geen van de voorafgaande klachten slaagt, doet de door het subonderdeel bedoelde doorwerking zich niet voor. 2.46 Subonderdeel 2.5 geeft een aanvullende adstructie van de onderdelen 1 en 2. Die komt - kort gezegd - erop neer dat Distriport BV in een eerdere, bestuursrechtelijke procedure met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur heeft verzocht om openbaarmaking van documenten met betrekking tot het project Distriport en de positie van NHN in den brede. In die procedure heeft de Provincie gesteld dat alle onder haar berustende stukken in een inventarislijst zijn opgenomen. Volgens het subonderdeel zijn Distriport c.s. nadien echter bekend geworden met (het bestaan van) nog meer relevante stukken. Volgens het subonderdeel hebben Distriport c.s. thans geen andere mogelijkheid dan die nieuwe feiten, alsmede de feitelijke gegevens en/of stukken die de Provincie alsnog zal (moeten) overleggen, in cassatie naar voren te brengen. Distriport c.s. hebben door toedoen van de wederpartij niet eerder een beroep op deze stukken kunnen doen en zij moeten er rekening mee houden dat art. 383 Rv verhindert dat zij voor het einde van deze procedure herroeping van het bestreden arrest kunnen vorderen. Zij behouden zich in verband daarmee het recht voor hun cassatieklachten aan te vullen. 2.47 Het subonderdeel bevat geen klachten over de in cassatie bestreden uitspraak en behoeft daarom geen behandeling. Tot een andere conclusie met betrekking tot de voorafgaande subonderdelen kan het niet leiden. 2.48 Onderdeel 3 omvat twee subonderdelen. 2.49 Subonderdeel 3.1 is gericht tegen (het slot van) rov. 3.13, waarin het hof heeft overwogen en beslist dat de verplichting van Distriport CV om mee te werken aan de teruglevering van de gronden een essentieel onderdeel van de grondverkoopovereenkomst betreft, zodat haar tekortkoming niet van ondergeschikte aard was, en de Provincie op 21 februari 2011 art. 2.1 van de grondverkoopovereenkomst (strekkend tot verkoop aan Distriport CV) mocht ontbinden. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof heeft miskend dat het antwoord op de vraag of de door de Provincie nagestreefde ontbinding kan worden gerechtvaardigd door het medewerkingsverzuim van Distriport c.s. (bedoeld wordt kennelijk Distriport CV; LK) dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen, afhangt van de omstandigheden van het geval, en/althans dat bij gedeeltelijke ontbinding slechts ruimte is voor een evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties. Bovendien/althans heeft het hof volgens het subonderdeel aldus, en met zijn afzonderlijke behandeling van hetgeen na de ontbinding is geschied in rov. 3.14, miskend dat voor het antwoord op de vraag of de door de Provincie nagestreefde ontbinding is gerechtvaardigd, ook hetgeen na de ontbinding heeft plaatsgevonden, relevant kan zijn, althans in ieder geval als de ontbinding gegrond is op enkele vertraging in de nakoming. 2.50 Op grond van art. 6:265 BW geldt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van één van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Met zijn oordeel dat de tekortkoming van Distriport CV een essentieel onderdeel van de overeenkomst betrof en niet van ondergeschikte aard was, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat van een bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming geen sprake was, en de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen derhalve rechtvaardigde. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is het bestreden oordeel in elk geval niet. Een tekortkoming in de nakoming van een essentieel onderdeel van een overeenkomst als de onderhavige die bestaat in een vertraging van de nakoming van nagenoeg een jaar kan immers niet zonder meer als een tekortkoming van slechts geringe betekenis worden gekwalificeerd. Dat een gedeeltelijke ontbinding een evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties tot gevolg heeft, staat vast. Het hof heeft zulks echter niet miskend, nu het in de rov. 3.13 en 3.14 slechts heeft geoordeeld over de vraag of de tekortkoming de ontbinding van art. 2.1 van de grondverkoopovereenkomst rechtvaardigde. Ook geeft het bestreden oordeel geen blijk ervan dat het hof zou hebben miskend dat de vraag of de ontbinding door de tekortkoming van Distriport CV wordt gerechtvaardigd, van de omstandigheden van het geval afhangt. In dat verband is onder meer van belang dat het hof kennelijk heeft teruggegrepen op zijn eerdere overwegingen over het verweer van Distriport c.s. (“Nu hiervoor is geoordeeld dat de redenen waarop Distriport CV zich in dat verband had beroepen niet deugdelijk waren (…)”), waarin het onder meer het belang van een spoedige teruglevering van de gronden heeft onderkend (rov. 3.7.8). Of het bestreden oordeel verenigbaar is met concrete, door Distriport c.s. gestelde omstandigheden, wordt door het hierna te bespreken subonderdeel 3.2 aan de orde gesteld. Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof zou hebben miskend dat ook hetgeen na de ontbinding heeft plaatsgevonden relevant kan zijn voor het antwoord op de vraag of de ontbinding is gerechtvaardigd, miskent het dat het hof in rov. 3.14 de ontwikkelingen na de ontbinding heeft besproken, kennelijk óók met het oog op de vraag of de ontbinding op 21 februari 2011 met die ontwikkelingen viel te rijmen (“De Provincie kan niet worden tegengeworpen dat zij enerzijds haar belangen zekerstelde door op 21 februari 2011 de ontbinding in te roepen, maar dat zij anderzijds (…) na die datum (…).”). 2.51 Volgens subonderdeel 3.2 is de beslissing van het hof dat de door de Provincie nagestreefde ontbinding is gerechtvaardigd, althans niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de volgende (volgens het subonderdeel essentiële) stellingen van Distriport c.s., die het hof niet (kenbaar) bij zijn oordeel heeft betrokken.
- a)Indien al sprake zou zijn van een tekortkoming van Distriport c.s., zou deze vanuit het gezichtspunt van de Provincie bestaan in het niet meewerken aan teruglevering van de gronden op het moment dat de Provincie meende daarop aanspraak te maken. In de situatie dat de overeenkomsten (nog) konden worden nagekomen en de Provincie geen andere tekortkoming kan noemen dan een langere termijn voor het afnemen van de gronden - wat daarvan verder ook zij - terwijl de Provincie ermee bekend is dat latere teruglevering als gevolg van de werking van art. 2.2 van de grondverkoopovereenkomst voor haar geen nadeel oplevert - immers kosten en rente worden volledig vergoed - is de keuze voor ontbinding met (
- i)een eigen schade van naar eigen stelling van de Provincie - ofschoon door Distriport c.s. betwist - vele miljoenen, (
- ii)een schade van een vergelijkbare omvang voor de wederpartij en (iii) directe frustratie van het beoogde project tot gevolg, buitenproportioneel en in strijd met de verplichting de schade zoveel als mogelijk te beperken.
- b)De uitkomst is volstrekt onevenwichtig, in zoverre de Provincie de gronden houdt en van de waardestijging profiteert, en de entiteit die exclusief bevoegd is de ontwikkeling van het bedrijventerrein ter hand te nemen, te weten Distriport CV - die immers met de gemeente Koggenland een exploitatieovereenkomst heeft gesloten - verstoken blijft van de beschikking over de gronden, daarmee feitelijk vleugel