Nr. 15/02813 H Zitting: 27 september 2016 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [de gewezen verdachte] INHOUDSOPGAVE
- De procedure
- De aanvraag tot herziening ten nadele 2.1 De zaak waarop de aanvraag betrekking heeft 2.2 De tenlastelegging 2.3 Het bewijsmateriaal dat het hof ter beschikking stond 2.4 De motivering van de gegeven vrijspraak 2.5 De grond waarop de aanvraag berust 2.6 Bewijsmiddelen AAN DE BEOORDELING VAN DE AANVRAAG VOORAFGAANDE BESCHOUWINGEN
- Inleiding
- Wettelijke bepalingen
- Schets van de wettelijke regeling 5.
- Herzieningsgronden 5.
- Beperking tot ernstige misdrijven 5.
- Overige inhoudelijke voorwaarden 5.
- Ontvankelijkheidsvoorwaarden 5.
- Het voorafgaande (opsporings)onderzoek 5.
- Onmiddellijke werking 5.
- De Aanwijzing herziening ten nadele
- Beginselen en verdragsrecht 6.
- Inleiding 6.
- Lites finiri oportet 6.
- Ne bis in idem (art. 68 Sr) 6.
- Ne bis in idem (internationaal) 6.
- Art. 6 EVRM: eerbiediging van het gezag van gewijsde 6.
- De onschuldpresumptie 6.
- Beginselen van overgangsrecht 6.
- Afsluiting
- Het novum: nieuw technisch bewijs 7.
- Inleiding 7.
- Nieuw technisch bewijs 7.
- Het ernstige vermoeden
- Bewijsuitsluiting 8.
- Inleiding 8.
- Beperkte opsporing (art. 482c lid 1 Sv) 8.
- De criteria voor bewijsuitsluiting 8.4 Anterieure bewijsgaring 8.5 Afsluitende opmerking
- In het belang van een goede rechtsbedeling BEOORDELING VAN DE AANVRAAG
- Vooropmerkingen
- Ontvankelijkheid
- De rechtmatigheid van de bewijsverkrijging
- Een ernstig vermoeden?
- Het belang van een goede rechtsbedeling
- Slotconclusie 1De procedure 1.
- Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 14 oktober 2004 is de gewezen verdachte vrijgesproken van het hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. 1.
- Mr. H.J. Bolhaar heeft namens het College van procureurs-generaal, een schriftelijke “vordering” ingediend, inhoudende een aanvraag tot herziening ten nadele in de zin van art. 482a Sv van het onherroepelijke arrest van het hof. 1.
- Namens de gewezen verdachte heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend. 1.
- Naar aanleiding van de aanvraag heb ik het College van procureurs-generaal per brief van 16 februari 2016 gevraagd om nadere informatie; deze brief heb ik bij de stukken gevoegd. Op mijn schrijven is op 20 mei 2016 een schriftelijke reactie binnengekomen van het College van procureurs-generaal. Op 7 juli 2016 is – naar aanleiding van een namens mij gedaan verzoek – nog een aanvullend schrijven van het College van procureurs-generaal binnengekomen. Beide brieven zijn bij de stukken gevoegd. 1.
- De onder 1.4 bedoelde correspondentie is bij schrijven van 21 juli 2016 ter kennis gebracht van mr. J.T.C.M. Crepin voornoemd, die daarbij in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. Van die gelegenheid heeft mr. Crepin gebruik gemaakt bij brief van 18 augustus
- Deze brief heb ik bij de gedingstukken gevoegd. 2De aanvraag tot herziening ten nadele 2.
- De zaak waarop de aanvraag betrekking heeft 2.1.
- Het gaat in deze zaak, die te boek staat als de zaak Vivaldi, om een overval op 11 december 2001 op een Aldi-supermarkt in Ridderkerk, waarbij de bedrijfsleider, [slachtoffer] , door vuurwapengeweld om het leven is gekomen. In de aanvraag wordt de vermoedelijke toedracht als volgt geschetst. “De overval werd gepleegd door 2 negroïde mannen, ieder gewapend met een vuurwapen. Daarbij heeft er een worsteling plaatsgevonden en is de bedrijfsleider door één van de overvallers doodgeschoten met een machinepistool. Van de schietpartij waren geen getuigen, nu deze heeft plaatsgevonden in het kantoortje (voorzien van zogenaamd spiegelglas) van de supermarkt, waar behalve de bedrijfsleider verder geen personeel aanwezig was. Door de toenmalige technische recherche werd vastgesteld dat er kennelijk een worsteling heeft plaatsgevonden tijdens de schietpartij (kogelbanen in diverse richtingen, achtergebleven schoen van de dader, omgegooid/verplaatst meubilair).” 2.1.
- In de aanvraag wordt voorts gesteld dat een zekere [medeverdachte] kort na de overval in de omgeving van de supermarkt als verdachte van de overval wordt aangehouden. Deze [medeverdachte] bekende de overval samen met een andere man (die door de politie werd geïdentificeerd als [de gewezen verdachte] ) te hebben gepleegd. [medeverdachte] is door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren voor kort gezegd
(1)het medeplegen van poging tot afpersing terwijl het feit de dood tot gevolg heeft dan wel het medeplegen van poging tot diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend;
(2)medeplegen van de voorbereiding van het in verenging plegen van afpersing en/of diefstal met geweld en
(3)handelen in strijd met art. 26.1 WWM. Deze veroordeling is op 29 september 2003 onherroepelijk geworden. 2.1.
- De aanvraag houdt voorts in dat [de gewezen verdachte] door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 12 juni 2002 werd vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. Van die vrijspraak ging de officier van justitie in hoger beroep. Het hof ’s-Gravenhage bevestigde evenwel de gegeven vrijspraak bij de hiervoor onder 1.1 genoemde uitspraak. Die uitspraak is op 29 september 2003 onherroepelijk geworden. In overeenstemming met de wettelijke terminologie zal [de gewezen verdachte] in het navolgende aangeduid worden als de gewezen verdachte. 2.
- De tenlastelegging 2.2.
- Het arrest waarvan herziening wordt gevraagd, bevindt zich bij de gedingstukken. Aan dat arrest is een kopie van de inleidende dagvaarding gehecht, alsmede een kopie van de in eerste aanleg toegewezen vordering wijziging tenlastelegging. Daaruit valt op te maken dat de gewezen verdachte na wijziging van de tenlastelegging heeft terechtgestaan ter zake van kort gezegd
(1)primair: het medeplegen van gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) en subsidiair: het medeplegen van poging tot afpersing en/of het medeplegen van gekwalificeerde diefstal, welk feit de dood ten gevolge had;
(2)medeplegen van de voorbereiding van het in verenging plegen van afpersing en/of diefstal met geweld en
(3)verboden wapenbezit. 2.2.2. Zoals hierna, onder 10.1 zal worden uiteengezet, kan ervan uitgegaan worden dat de herzieningsaanvraag geen betrekking heeft op de vrijspraken van de onder
(2)en
(3)tenlastegelegde feiten. Daarom volsta ik hier met de weergave van hetgeen de gewezen verdachte onder
(1)primair en subsidiair was tenlastegelegd. De gewijzigde tenlastelegging hield in zoverre ten aanzien van de gewezen verdachte in dat: “hij op of omstreeks 11 december 2001 te Ridderkerk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)opzettelijk met een vuurwapen op en/of in de richting die [slachtoffer] heeft geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of een poging diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, terwijl dat feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(
- s)straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; (artikelen 47, 288, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht) Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 december 2001 te Ridderkerk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van geld en/of een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorend aan ALDI en/of voornoemde [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan ALDI en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(
- s)hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, - voorzien van een of meer vuurwapen(
- s)en/of een of meer zogenaamde bivakmuts(
- en)die Aldi supermarkt heeft betreden en/of - heeft gekeken, althans heeft getracht vast te stellen, of er geld in de kassa(’
- s)zat en/of - die [slachtoffer] heeft gedwongen zich naar en/of in een in die Aldi supermarkt aanwezige kantoorruimte te begeven en/of - die [slachtoffer] een of meer vuurwapen(
- s)heeft getoond en/of voorgehouden en/of - (meermalen) met een vuurwapen op, althans in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad; (artikelen 45, 47, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht)”. 2.3. Het bewijsmateriaal dat het hof ter beschikking stond 2.3.1. Bij de gedingstukken bevindt zich een (kopie van) een ambtsedig proces-verbaal nr. 2001253575-1 van de politie Rotterdam-Rijnmond, op 13 mei 2002 opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie, dat tezamen met de bijlagen een politiedossier vormt van in totaal 326 pagina’s. Dit dossier bevat een volledig verslag van het opsporingsonderzoek in deze zaak. Bij de stukken bevinden zich voorts twee (kopieën van) rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) van resp. 13 en 15 mei 2002. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2002 blijkt dat de korte inhoud van de genoemde stukken aldaar is medegedeeld. Het kan er dus voor gehouden worden dat het hof in hoger beroep eveneens de beschikking heeft gehad over deze stukken. Ik beperk mij hier tot een beknopte weergave van het voor de gewezen verdachte belastende bewijs dat in deze stukken is te vinden en waarop door het Openbaar Ministerie blijkens het requisitoir in eerste aanleg en de appelmemorie een beroep is gedaan. De paginanummers verwijzen naar het genoemde politiedossier, tenzij anders aangegeven. 2.3.2. De overval op de supermarkt vond op dinsdagmorgen 11 december 2001 plaats om ongeveer 10.40 uur. Bij zijn aanhouding (om 10.51 uur) verklaarde medeverdachte [medeverdachte] spontaan dat hij niet had geschoten, maar alleen was weggerend (p. 27). Op het politiebureau (om 11.25 uur) verklaarde hij dat hij de overval had gepleegd met een man die hij alleen kende onder de bijnaam [...] (p. 63). Bij zijn verhoor om 14.30 uur verklaarde hij dat hij de mededader op straat was tegengekomen, dat hij hem verder niet kende en hem daarom Mati (dat betekent vriend) noemde (p. 269). Drie verhoren verder (op 12 december om 20.40 uur) verklaart hij dat hij Mati toch wel kent. Hij noemt hem nu [de gewezen verdachte] . Hij verklaart voorts dat kleding van hem in de kelder van [de gewezen verdachte] ’s woning aan de [a-straat] lag (p. 281). [medeverdachte] heeft deze woning aan de verbalisanten aangewezen, alsmede een aldaar geparkeerde auto waarin [de gewezen verdachte] zou hebben gereden (p. 74-75). [medeverdachte] verklaarde dat hij [de gewezen verdachte] ook kende onder de naam [...] (p. 284). Onderzoek wees uit dat de door [medeverdachte] aangewezen woning werd bewoond door de gewezen verdachte. [medeverdachte] herkent [de gewezen verdachte] voor 100% op een aan hem getoonde foto van de gewezen verdachte ( p. 291). De gewezen verdachte wordt in de nacht van 13 op 14 december 2011 aangehouden in de door [medeverdachte] aangewezen woning (p. 35). In de kelderbox van deze woning werden twee tassen met kleding aangetroffen en inbeslaggenomen (p. 46). Die kleding kwam overeen met de door [medeverdachte] gegeven omschrijving (pp. 88 en 294). [medeverdachte] heeft ook in zijn latere verhoren steeds verklaard dat hij de overval met de gewezen verdachte had gepleegd en dat de gewezen verdachte de schutter was. 2.3.3. Bij zijn verhoor op 5 februari 2002 verklaarde medeverdachte [medeverdachte] dat de gewezen verdachte in het bezit was van een groot vuurwapen dat hij liever niet gebruikte omdat hij daarmee al eerder een overval had gepleegd en ook al eens had geschoten bij de diefstal van een bromfiets (p. 303). Uit ballistisch onderzoek is naar voren gekomen dat het wapen dat in de Aldi is gebruikt anderhalve maand eerder is gebruikt bij een schietpartij aan de Stoutenburg in Rotterdam (p. 159). Bij de gedingstukken bevindt zich een op 20 november 2002 (dus na de vrijspraak in eerste aanleg) opgemaakt ambtsedig proces-verbaal, waarin verslag werd gedaan van nader onderzoek naar de bedoelde schietpartij. Een man genaamd [betrokkene 1] verklaarde dat twee mannen zijn scooter wilden hebben, hetgeen uitliep op een vuurgevecht. [betrokkene 1] herkende bij een meervoudige fotoconfrontatie met zekerheid de gewezen verdachte als de man die op hem had geschoten. 2.3.4. In de auto van de gewezen verdachte werd een bivakmuts aangetroffen (p. 166). Onder medeverdachte [medeverdachte] werd bij diens aanhouding eveneens een bivakmuts inbeslaggenomen (p. 64). [medeverdachte] heeft verklaard dat hij en de gewezen verdachte beiden een bivakmuts bij zich hadden (p. 304). In de auto werd tevens een parkeerticket van 11 december 2001 aangetroffen. Onderzoek wees uit dat het ticket om 09.25 uur was gekocht bij de parkeerautomaat aan de Hennewierstraat te Rotterdam (p. 78-79). Bij zijn aanhouding heeft de gewezen verdachte (krab)wondjes in zijn gezicht die hij niet bij zijn aanhouding heeft opgelopen (p. 203). 2.3.5. Van bloed op de nagels van het slachtoffer is een DNA-mengprofiel verkregen van celmateriaal van twee personen. Hierin zijn naast de DNA-merkers van het slachtoffer ook DNA-merkers aangetroffen die overeenkomen met het DNA-profiel van de gewezen verdachte. De kans dat bij menging van celmateriaal van het slachtoffer met celmateriaal van een willekeurige tweede persoon eenzelfde DNA-mengprofiel wordt verkregen, is kleiner dan een op de honderdduizend (Rapport NFI d.d. 15 mei 2002, p. 11/12). 2.3.6. In het kantoortje waarin het slachtoffer is neergeschoten, is een schoen aangetroffen die afkomstig moet zijn van de dader. Van materiaal afkomstig van deze schoen werd een complex DNA-mengprofiel verkregen, waarin onder meer DNA-merkers passend bij de gewezen verdachte zijn aangetroffen. Een verantwoorde statistische kansberekening was hier niet mogelijk (Rapport NFI d.d. 15 mei 2002, p. 11/12). 2.3.7. Bij een vezelonderzoek werden op de stofjas van het slachtoffer drie vezels aangetroffen die lichtmicroscopisch, infraroodspectrometisch en UV-VIS microspectrofotometrisch niet zijn te onderscheiden van een van de vezelmaterialen waaruit de jas van de gewezen verdachte was opgebouwd. De conclusie was dat deze vezels zeer wel mogelijk afkomstig zijn van deze jas (Rapport NFI d.d. 15 mei 2002, p. 7/8). 2.3.8. De gewezen verdachte heeft steeds iedere betrokkenheid bij de overval op de supermarkt ontkend. Bij zijn eerste verhoor op 14 december 2001 verklaarde hij dat hij medeverdachte [medeverdachte] niet kende. Ook verklaarde hij dat er geen spullen van iemand anders in zijn kelderbox lagen (p. 309). Toen hem bij zijn derde verhoor een foto van [medeverdachte] was getoond, zei hij dat dit een man was die hij regelmatig in de portiek tegenkwam. Hij zou hem een week geleden voor het laatst hebben gezien (p. 314). Bij zijn vierde verhoor werd de gewezen verdachte geconfronteerd met de in zijn kelderbox aangetroffen kleding van [medeverdachte] . Hij gaf uiteindelijk toe dat hij [medeverdachte] kende (p. 316-317). 2.3.9. Bij zijn eerste en tweede verhoor verklaarde de gewezen verdachte dat hij de bewuste dinsdagmorgen de hele tijd thuis was geweest met zijn vriendin en dat hij alleen de hond had uitgelaten en een praatje had gemaakt met een meisje van wie hij de naam niet wilde zeggen (p. 309 en p. 311). Toen hij bij zijn derde verhoor werd geconfronteerd met de in zijn auto gevonden parkeerticket, verklaarde hij dat hij die morgen met zijn auto een meisje naar een voor hem onbekende school in Rotterdam-West had gebracht. Het zou gaan om een Hindoestaanse vrouw van ongeveer 20 jaar oud die hij niet van naam kende, maar die hij elke dag bij de bushalte zag staan en die hij aansprak met “poppetje”. Hij had dit eerst verzwegen omdat hij niet wilde dat zijn vriendin dit wist (p. 313). De politie heeft getracht “poppetje” op te sporen, maar dat leverde niets op (zie de samenvatting op p. 23). 2.4. De motivering van de gegeven vrijspraak 2.4.1. Het arrest van het hof houdt als motivering van de gegeven vrijspraak in: “De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter. Het vonnis waarvan beroep dient derhalve te worden bevestigd.” 2.4.2. Het vonnis van de rechtbank van 12 juni 2002 houdt als motivering van de gegeven vrijspraak enkel in dat de onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Veel “beschouwingen” zijn door rechtbank en hof dus niet gewijd aan de waardering van het voorhanden bewijsmateriaal. 2.5. De grond waarop de aanvraag berust 2.5.1. In de aanvraag wordt aangevoerd dat sprake is van een novum als bedoeld in art. 482a lid 1 sub a jo. lid 3 sub b Sv. Door het NFI is op verzoek van de officier van justitie aanvullend DNA-onderzoek verricht aan hetzelfde sporenmateriaal dat in 2002 aan een DNA-onderzoek is onderworpen (zie hiervoor, onder 2.3.5). Bij het aanvullende onderzoek is eveneens een mengprofiel verkregen met DNA-kenmerken van het slachtoffer en de gewezen verdachte. Het verschil is dat de kans dat een willekeurig gekozen derde eenzelfde combinatie DNA-kenmerken heeft als de gewezen verdachte, nu wordt berekend als kleiner dan één op één miljard (in plaats van één op de honderdduizend). Dit verschil wordt verklaard door het gebruik van nieuwe onderzoekstechnieken. 2.5.2. In de aanvraag wordt, nadat eerst nog een overzicht is gegeven van wat het “Aanvullend bewijs” wordt genoemd (zie daarvoor onder 2.3), geconcludeerd dat het ernstige vermoeden is ontstaan dat, indien dit nieuwe onderzoeksresultaat destijds bekend zou zijn geweest aan de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag. Daarbij wordt erop gewezen dat financieel gewin in deze zaak heeft geleid tot een dodelijk slachtoffer en dat het onverteerbaar is voor de nabestaanden en de maatschappij als de gewezen verdachte als vermeende schutter de dans ontspringt. De conclusie is dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor herziening ten nadele en dat “het indienen van een vordering tot herziening van de onherroepelijke vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde in die zaak ten nadele van [de gewezen verdachte] noodzakelijk is in het belang van een goede rechtsbedeling”. 2.6. Bewijsmiddelen 2.6.1. De aanvraag is gebaseerd op een aanvullende rapport dat op 2 februari 2007 op verzoek van de officier van justitie is opgemaakt door dr. A.D. Kloosterman, vast gerechtelijk deskundige bij het NFI. Dit rapport, waarvan zich een afschrift bij de stukken bevindt, houdt onder meer het navolgende in: “Zaaksnummer 2001.12.13.006 (aanvraag 6 en 7) Datums aanvragen DNA-opdracht: 6 april 2006 Aanvragen onderzoek: 21 maart 2006 en 3 juli 2006 (…) Betrokkene bij dit onderzoek [de gewezen verdachte]Slachtoffer [slachtoffer](…) Bij het DNA-onderzoek van 2006 is het DNA-extract van 2002 van het celmateriaal in de bemonstering [ADC845]#1 van de nagels/nageldelen onderworpen aan een aanvullend DNA-onderzoek. Hierbij zijn de DNA-kenmerken van negen loci geanalyseerd. Dezelfde negen loci zijn geanalyseerd in de referentiemonsters van het slachtoffer [slachtoffer] en [de gewezen verdachte] . De negen geanalyseerde loci betreffen vijf niet eerder onderzochte loci en vier loci (‘overlappende loci’) die eveneens bij het onderzoek van 2002 zijn geanalyseerd. Dit betekent dat met de DNA-onderzoeken van 2002 en 2006 van 15 verschillende loci de DNA-kenmerken zijn geanalyseerd. Statistische evaluatie van het DNA-mengprofiel van de bemonstering [ADC845]#1 van de nagels. Bij de statistische evaluatie van het DNA-mengprofiel is gebruik gemaakt van methoden die zijn aangegeven in brontekst 7 “Interpretatie van DNA-bewijs II” (pagina’s 11 en 12) van de NFI-uitgave “De essenties van forensisch DNA-onderzoek”. Een fotokopie van deze brontekst is met de rapportage meegestuurd. De typeringen van het celmateriaal in de bemonstering [ADC845]#1 van de nagels/nageldelen en de typeringen van de referentiemonsters van het slachtoffer [slachtoffer] en [de gewezen verdachte] voor de vier loci die zowel in 2002 als in 2006 zijn bepaald (“de overlappende loci”) zijn gelijk.De DNA-profielen van het sporenmateriaal en van de twee referentiemonsters van de DNA-onderzoeken van 2002 en 2006 zijn met elkaar vergeleken en onderworpen aan een statistische evaluatie. Van het celmateriaal in de bemonstering [ADC845]#1 van de nagels van het slachtoffer is een DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van twee personen. Uit het DNA-mengprofiel kunnen een DNA-hoofdprofiel van een prominent aanwezige celdonor en een DNA-nevenprofiel van de andere celdonor worden afgeleid. Het DNA-hoofdprofiel is gelijk aan het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] zelf. De DNA-kenmerken van het DNA-nevenprofiel zijn gelijk aan de desbetreffende DNA-kenmerken in het DNA-profiel van [de gewezen verdachte] . Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering [ADC845]#1 bestaat uit celmateriaal dat afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer] zelf en vermengd is met celmateriaal dat afkomstig kan zijn van [de gewezen verdachte] . De berekende frequentie van het DNA-hoofdprofiel van de prominent aanwezige celdonor is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat gelijk is aan het afgeleide DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard. De berekende frequentie van de combinatie van DNA-kenmerken in het DNA-nevenprofiel van de tweede celdonor is eveneens kleiner dan één op één miljard.” 2.6.2. Bij de gedingstukken bevindt zich voorts een afschrift van e-mailberichten gedateerd 26 mei 2015 gewisseld tussen officier van justitie S. Groen en de deskundige dr. A.D. Kloosterman. Deze correspondentie werpt licht op het verschil in de in 2002 en de in 2006 en/of 2007 gehanteerde onderzoekstechnieken door het NFI. Als reactie op vragen van de officier van justitie mr. Groen houdt voornoemd bericht van dr. Kloosterman het navolgende in: “DNA onderzoek nagels slachtoffer.In 2002 zijn de bemonsteringen van de nagels [ADC845]#1 van het slachtoffer onderzocht met het SGMplus DNA-analysesysteem. Het SGMplus systeem was in 2002 de standaardmethode op het NFI voor het vergelijkend DNA-onderzoek van referentiemonsters en sporenmateriaal. Met SGMplus analyse systeem worden de loci van tien genetische merkers van het DNA onderzocht. In 2002 is van de bemonstering van de nagels [ADC845]#1 van het slachtoffer [slachtoffer] een DNA-mengprofiel verkregen met de DNA-kenmerken van twee personen. In dit DNA-mengprofiel zijn zowel DNA-kenmerken aanwezig die matchen met het slachtoffer als DNA-kenmerken die matchen met de verdachte. Het DNA-mengprofiel geeft geen aanwijzing op de aanwezigheid van DNA van een derde.De bewijskracht van de SGMplus DNA-analyse met de DNA-match van het DNA-profiel van de verdachte [de gewezen verdachte] en het DNA-mengprofiel is vastgesteld en in april 2002 door het NFI gerapporteerd:De kans dat bij menging van celmateriaal van het slachtoffer met celmateriaal van een willekeurige tweede persoon een zelfde DNA-mengprofiel wordt verkregen, zoals is aangetroffen op de nagels [ADC845] van het slachtoffer, is kleiner dan een op de honderdduizend.”. Hoewel hier sprake is van een hoge bewijskracht is in 2007 aanvullend DNA-onderzoek gedaan om de in 2002 gerapporteerde DNA-match met de verdachte [de gewezen verdachte] te verifiëren. Hiertoe zijn van het sporenmateriaal en van de referentiemonsters aanvullende DNA loci geanalyseerd. Dit aanvullend DNA-onderzoek is uitgevoerd met het zogenaamde Profiler analyse systeem. Met dit systeem worden negen loci onderzocht. De negen geanalyseerde loci betreffen vijf niet eerder onderzochte loci en vier loci (‘overlappende loci’) die eveneens bij het onderzoek van 2002 zijn geanalyseerd. Dit betekent dat met de DNA-onderzoeken van 2002 en 2006 van 15 verschillende loci de DNA-kenmerken zijn geanalyseerd.Het 15 locus DNA-mengprofiel matcht met de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [de gewezen verdachte] .Het DNA-hoofdprofiel van het verkregen mengprofiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer zelf.De DNA-kenmerken van het DNA-nevenprofiel zijn gelijk aan de desbetreffende DNA-kenmerken in het DNA-profiel van de verdachte [de gewezen verdachte] .De bewijskracht van de match tussen het 15 locus DNA-profiel van de bemonstering van het nagelvuil en de verdachte [de gewezen verdachte] is vastgesteld en op 2 februari 2007 door het NFI gerapporteerd: “De berekende frequentie van de combinatie van DNA-kenmerken in het DNA-nevenprofiel van de tweede celdonor is eveneens kleiner dan één op één miljard”. De resultaten van het aanvullende DNA-onderzoek van 2007 waarbij vijf aanvullende DNA-loci zijn geanalyseerd verklaren de veel hogere bewijskracht.Hoewel in 2002 het Profiler systeem of equivalente typeringsystemen voorhanden waren, werden deze in 2002 niet toegepast in strafzaken. De belangrijkste reden dat dit niet standaard werd toegepast, ligt in het feit dat de loci van het Profiler systeem geen deel uitmaken van de Europese standaard set van loci en daardoor ook geen deel uitmaken van de loci in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken.Anno 2015 bestaat de Europese standaardset van loci uit vijftien autosomale loci. De Europese standaardset bevat de tien loci van het SGMplus systeem en vijf additionele loci. De vijf additionele loci in de Europese standaardset zijn niet de loci van het Profilersysteem. Aanvullend DNA-onderzoek met de nieuwe standaardset heeft in deze zaak echter geen toegevoegde waarde. De bewijskracht van het DNA-onderzoek van 2007 is extreem hoog en de hoeveelheid resterend celmateriaal van de bemonstering van het nagelvuil is zeer beperkt.” AAN DE BEOORDELING VAN DE AANVRAAG VOORAFGAANDE BESCHOUWINGEN 3Inleiding 3.1. Het gaat in de onderhavige zaak om de eerste herzieningsaanvraag ten nadele die bij de Hoge Raad is ingekomen. Mede om die reden zal ik aan de eigenlijke beoordeling van de aanvraag enkele beschouwingen van meer algemene aard vooraf doen gaan. Die beschouwingen staan niet los van de beoordeling van de aanvraag; zij beogen het kader te schetsen waarbinnen die beoordeling dient te geschieden. Om een uitputtende bespreking van de wettelijke regeling gaat het dus niet. Vraagpunten die voor de beoordeling van de aanvraag niet van belang zijn, worden hooguit aangestipt, maar niet uitgebreid besproken. 3.2. Bij Wet van 11 april 2013, Stb. 2013, 138 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een regeling betreffende herziening ten nadele van de gewezen verdachte (Wet herziening ten nadele) zijn de artikelen 482a tot en met 482i aan het Wetboek van Strafvordering toegevoegd. Hierdoor is de al bestaande herzieningsregeling in het Wetboek van Strafvordering aangevuld met de mogelijkheid om een vrijspraak of een ontslag van rechtsvervolging te herzien ten nadele van de gewezen verdachte. Die herziening wordt daarbij gezien als de voortzetting van de eerdere vervolging. 3.3. Onomstreden kan de invoering van de mogelijkheid van herziening ten nadele niet genoemd worden. Dat komt vooral doordat die herzieningsmogelijkheid in een moeizame relatie staat tot het ne bis in idem-beginsel. Illustratief is dat het wetsvoorstel door de Eerste Kamer met één stem verschil (36 tegen 35) is aangenomen. De bezwaren betroffen daarbij overigens blijkens de afgelegde stemverklaringen veel minder het principe dan de uitwerking die daaraan was gegeven. Het ging daarbij in het bijzonder om de uitbreiding van het werkingsbereik die de tweede nota van wijziging had gebracht ter uitvoering van het regeerakkoord dat ten grondslag lag aan het door de PVV gedoogde VVD-CDA-kabinet. De wet had ‘terugwerkende kracht’ gekregen, dat wil zeggen: was ook van toepassing op einduitspraken die vóór de inwerkingtreding ervan onherroepelijk waren geworden. Bovendien was de kring van misdrijven waarvoor herziening ten nadele was toegelaten, aanzienlijk verruimd. In het verlengde daarvan lag dat van veel meer onherroepelijk vrijgesproken verdachten de vingerafdrukken en DNA-gegevens bewaard zouden blijven. 3.4. De parlementaire (voor)geschiedenis laat zien dat lang is gediscussieerd over de wenselijkheid van invoering van de herziening ten nadele. Aanvankelijk was de conclusie dat de voordelen van de invoering niet zouden opwegen tegen de nadelen. Dat de balans uiteindelijk naar de andere kant is doorgeslagen, zou aan het veranderde strafrechtelijke klimaat kunnen worden toegeschreven. Maar ook de onderhavige zaak lijkt enig gewicht in de schaal te hebben gelegd. Na de ontdekking van het nieuwe bewijsmateriaal dat in de onderhavige zaak als novum wordt gepresenteerd, deden de politie Rotterdam-Rijnmond en het Openbaar Ministerie een persbericht (gedateerd 22 juni 2007) uitgaan waarin die ontdekking wereldkundig werd gemaakt. Dat leidde tot persberichten waarin het Openbaar Ministerie, bij monde van de Rotterdamse hoofdofficier van justitie Korvinus en de voorzitter van het College van procureurs-generaal Brouwer, ervoor pleitte herziening ten nadele wettelijk mogelijk te maken. Die oproep aan de wetgever blies het debat nieuw leven in en lijkt zijn effect niet te hebben gemist. Bij Koninklijke Boodschap van 1 september 2009 werd het wetsvoorstel dat voorzag in de invoering van herziening ten nadele bij de Tweede Kamer ingediend. 3.5. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel wordt de onderhavige zaak, aangeduid als “de zogenaamde Vivaldi-zaak”, expliciet genoemd, zij het slechts als voorbeeld van een geval waarin nieuwe forensische technieken kunnen leiden tot een ‘gegeven’ waarmee de vrijsprekende rechter niet bekend was. Het wetsvoorstel kan niet beschouwd worden als een vorm van gelegenheidswetgeving die herziening ten nadele in deze Vivaldi-zaak mogelijk moest maken. Zoals gezegd voorzag het wetsvoorstel aanvankelijk niet in ‘terugwerkende kracht’. Dat neemt niet weg dat het feit dat de onderhavige zaak in de parlementaire discussie en in de discussie in de literatuur een rol speelt, een complicerende factor vormt. De ‘voorafgaande algemene beschouwingen’ en de ‘beoordeling van de zaak’ zijn daardoor niet helemaal goed van elkaar te scheiden. Zie in het bijzonder hierna, onder 7.3.15. 3.6. Uit de memorie van toelichting spreekt de wens om in gevallen waarin uit nieuw, overtuigend bewijs voortvloeit dat de persoon die onherroepelijk is vrijgesproken toch de dader is van een ernstig misdrijf, deze persoon alsnog te kunnen bestraffen. Gesteld wordt dat de recente ontwikkelingen op het terrein van het forensische bewijs, waaronder de toenemende mogelijkheden van DNA-onderzoek, een impuls hebben gegeven aan de discussie die al langer speelde over de herziening ten nadele. Door dergelijk nieuw DNA-bewijs, dat bijvoorbeeld aan het licht kan komen door onderzoek door een zogeheten “cold case-team”, kan een eerder gegeven vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging omstreden raken; een dergelijke herziening kan dan in het belang zijn van de materiële waarheid. Ook de belangen van slachtoffers en nabestaanden worden genoemd als een argument voor de invoering van de herziening ten nadele. Ook in andere gevallen achtte de regering de mogelijkheid van herziening ten nadele wenselijk. Dit zijn de gevallen van zogeheten “besmette vrijspraken”, dat wil zeggen gevallen waarin de rechter door strafbaar gedrag van de verdachte op een dwaalspoor is gebracht. Hier is het argument dat de gewezen verdachte niet blijvend moet kunnen profiteren van dit strafbare gedrag. 3.7. Als bezwaar tegen de herziening ten nadele wordt in de memorie van toelichting allereerst genoemd dat de (mogelijk terecht) vrijgesproken verdachte niet met rust wordt gelaten omdat het enkele bestaan van de mogelijkheid tot herziening ten nadele kan aanzetten tot rechtmatige en onrechtmatige, heimelijke en niet heimelijke vormen van opsporing, door de overheid en anders wel door particulieren. Als bezwaren worden voorts genoemd het risico dat het enkele bestaan van de mogelijkheid van herziening ten nadele in de praktijk door het Openbaar Ministerie wordt opgevat als een herkansing die de noodzaak van een goede en zorgvuldige voorbereiding van de zaak zou kunnen verminderen, het risico dat personen die de vrijspraak niet accepteren zullen blijven aandringen op nieuw opsporingsonderzoek en het risico dat verwachtingen worden gewekt bij slachtoffers en nabestaanden die niet waargemaakt kunnen worden. Ook wordt gesteld dat de mogelijkheid van herziening ten nadele “het vredestichtend effect en het gezag van rechterlijke uitspraken kan aantasten” en dat het adagium ‘lites finiri oportet’ ook ingeval van een vrijspraak geldt. 3.8. Het precaire evenwicht tussen de voor- en nadelen van de herziening ten nadele maakt het volgens de memorie van toelichting noodzakelijk dat aan de mogelijkheid van een dergelijke herziening “wezenlijke beperkingen” worden gesteld en “stringente voorwaarden” worden verbonden. Het is dan ook niet zo dat de herziening ten nadele als het ‘spiegelbeeld’ van de herziening ten voordele kan worden beschouwd. De regeling van herziening ten nadele dient daarom “restrictiever” te zijn dan die van de herziening ten voordele. Het eigen karakter dat aldus aan de wettelijke regeling, als uitdrukking van het precaire evenwicht tussen de voor- en nadelen van de herziening ten nadele dat de wetgever heeft willen bereiken, moet worden toegekend, maakt dat die regeling eigensoortige vragen oproept. De uitvoerigheid van de navolgende beschouwingen vindt daarin haar verklaring. 4Wettelijke bepalingen 4.1. De Wet herziening ten nadele heeft een negental artikelen (482a-482i) toegevoegd aan het Wetboek van Strafvordering. De kern van de wettelijke regeling is te vinden in art. 482a Sv. Dit artikel luidt als volgt. “Artikel 482a 1. De Hoge Raad kan op aanvraag van het College van procureurs-generaal een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging ten nadele van de gewezen verdachte herzien indien dit in het belang is van een goede rechtsbedeling en: a. er sprake is van een gegeven dat aan de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend was en waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft; b. de uitspraak berust op stukken waarvan de valsheid na de uitspraak is vastgesteld en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de valsheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte; c. het is komen vast te staan dat een getuige of deskundige zich met betrekking tot de zaak aan het in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf schuldig heeft gemaakt en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de meinedigheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte; d. het na het onherroepelijk worden van de uitspraak is komen vast te staan dat de gewezen verdachte zich met betrekking tot zijn strafzaak schuldig heeft gemaakt aan een van de in de artikelen 177 tot en met 178, 179, 284, 284a, 285 en 285a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de verdachte dit misdrijf niet zou hebben begaan de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte. 2. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte van een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland is tevens mogelijk indien is komen vast te staan dat de rechter zich met betrekking tot de aan zijn oordeel onderworpen zaak schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 364 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf. 3. Als een in het eerste lid, onder a, bedoeld gegeven kunnen uitsluitend worden aangemerkt: a. verklaringen, schriftelijke bescheiden of processen-verbaal, houdende een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte of van een persoon die wegens hetzelfde feit is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, dan wel b. de resultaten van technisch onderzoek. 4. Indien de in artikel 482b, tweede lid, bedoelde bewijsmiddelen het resultaat zijn van onderzoek dat niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden en waarbij een inbreuk is gemaakt op een recht van de gewezen verdachte worden deze bewijsmiddelen niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de herzieningsaanvraag en niet als bewijs in de strafzaak gebruikt. 5. Onder een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, onder a, is niet begrepen de medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf.” 4.2 Voor de beoordeling van de onderhavige herzieningsaanvraag zijn voorts de art. 482b-482e Sv van belang. Deze artikelen luiden als volgt. “Artikel 482b 1. Het College van procureurs-generaal dient de herzieningsaanvraag bij de Hoge Raad in door middel van een schriftelijke vordering. Het College van procureurs-generaal kan een procureur-generaal machtigen een of meer van de in deze afdeling opgenomen bevoegdheden uit te oefenen. 2. De herzieningsaanvraag vermeldt de gronden waarop de vordering berust, met bijvoeging van de bewijsmiddelen waaruit van die gronden kan blijken, en een kopie van de uitspraak waarvan herziening wordt gevorderd. 3. De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien: a. deze niet voldoet aan de in het eerste en tweede lid gestelde vereisten; b. op het moment waarop de herzieningsaanvraag wordt ingediend het recht tot strafvordering voor het strafbare feit waarop de aanvraag betrekking heeft is vervallen door verjaring of door het overlijden van de gewezen verdachte; c. de herzieningsaanvraag het in artikel 482a, eerste lid, onder a, vermelde geval betreft en voor hetzelfde feit reeds eerder een herziening van een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland is gevorderd, of d. de herzieningsaanvraag niet een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland betreft. Artikel 482c 1. Behoudens het bepaalde in artikel 482e worden bij een onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 482a de bevoegdheden die door de wet aan opsporingsambtenaren zijn toegekend, niet tegen de gewezen verdachte uitgeoefend. 2. Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een daartoe door het College van procureurs-generaal aangewezen officier van justitie bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die nog geen kennis heeft genomen van de zaak en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, een vordering indienen tot een nader onderzoek indien: a. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de Hoge Raad een herzieningsaanvraag gegrond zal achten en b. dat onderzoek dringend noodzakelijk is. 3. De vordering van de officier van justitie behelst een opgave van de onderzoekshandelingen die door de rechter-commissaris dienen te worden verricht en is met redenen omkleed. De vordering behoeft voorafgaande schriftelijke instemming van het College van procureurs-generaal. 4. De officier van justitie geeft zodra het belang van het onderzoek dat toelaat schriftelijk kennis van de vordering aan de gewezen verdachte en diens raadsman. 5. De rechter-commissaris wijst de vordering af indien deze kennelijk ongegrond is. 6. In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de gewezen verdachte over de vordering van de officier van justitie, tenzij het belang van het onderzoek dringend vordert dat van het horen van de gewezen verdachte over die vordering wordt afgezien. 7. De gewezen verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. Artikel 482d 1. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk over de in artikel 482c, tweede lid, bedoelde vordering. De beschikking is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de gewezen verdachte, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel, dat tegen de beschikking openstaat, moet worden ingesteld. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert kan de rechter-commissaris betekening van de beschikking aan de gewezen verdachte uitstellen. 2. Voor de officier van justitie staat binnen veertien dagen na de beschikking en voor de gewezen verdachte binnen veertien dagen na de betekening van die beschikking hoger beroep open bij de rechtbank. 3. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk. Artikel 482e 1. In geval van toewijzing van de in artikel 482c, tweede lid, bedoelde vordering verricht de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk de verzochte onderzoekshandelingen alsmede andere handelingen die hij noodzakelijk acht. De rechter-commissaris gaat niet over tot het verrichten van de onderzoekshandelingen zolang tegen zijn beschikking nog hoger beroep openstaat en zo dit is ingesteld, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van de voorgenomen onderzoekshandelingen gedoogt. Indien de rechtbank het beroep tegen een beschikking tot het instellen van een onderzoek gegrond oordeelt en de rechter-commissaris reeds onderzoekshandelingen heeft verricht, draagt de rechter-commissaris zorg dat de resultaten van dit onderzoek worden vernietigd. 2. Aan de rechter-commissaris komen tijdens het nader onderzoek de aan hem krachtens dit wetboek toekomende bevoegdheden toe, met dien verstande dat hij onverminderd het in de artikelen 63 en 64 bepaalde alleen met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend, een bevel tot bewaring van de gewezen verdachte kan verlenen indien: a. uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van een ernstig gevaar voor vlucht of b. de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de gewezen verdachte, aan de dag brengen van de waarheid. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 66 kan de rechter-commissaris het bevel tot bewaring één keer verlengen met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord. 4. Nadat de onderzoekshandelingen zijn voltooid, zendt de rechter-commissaris de daarop betrekking hebbende stukken aan de officier van justitie. Een afschrift zendt hij aan de gewezen verdachte en diens raadsman. 5. De rechter-commissaris geeft schriftelijk kennis aan de officier van justitie en aan de gewezen verdachte van de beëindiging van het onderzoek.” 5. Schets van de wettelijke regeling 5.1. Herzieningsgronden 5.1.1. In art. 482a Sv zijn in totaal vijf gronden voor een herziening ten nadele neergelegd. De eerste grond is – evenals bij de herziening ten voordele – een novum (art. 482a, lid 1 onderdeel a, Sv). De overige vier gronden worden in de memorie van toelichting aangeduid als falsa. Deze zijn te vinden in art. 482a lid 1 (onderdelen b, c en
- d)en lid 2 Sv. Een belangrijk verschil tussen het novum enerzijds en de falsa anderzijds is dat herziening ten nadele op grond van een novum alleen bij bepaalde ernstige misdrijven mogelijk is, terwijl herziening ten nadele op grond van een falsum mogelijk is bij alle delicten, zelfs bij overtredingen. De reden voor dit verschil lijkt te zijn dat het gezag van de rechtspraak ernstiger zou worden aangetast door een falsum en dat het onwenselijk zou zijn dat in de gevallen waarin het falsum is ontstaan door strafbaar gedrag van de gewezen verdachte, deze daarvan blijvend zou kunnen profiteren. 5.1.2. Van een falsum is onder meer sprake als een getuige een meinedige verklaring heeft afgelegd in de strafzaak en het vermoeden bestaat dat, als de getuige naar waarheid had verklaard, een veroordeling zou zijn gevolgd (art. 482a lid 1 sub c Sv). Een ander falsum vormt het geval waarin een getuige heeft afgezien van het afleggen van een belastende verklaring door bedreigingen van de kant van de voormalige verdachte (art. 482a lid 1 sub d Sv). Het in theorie denkbare geval dat een rechter zich heeft laten omkopen, is in het tweede lid van art. 482a Sv geregeld als een geval apart. Herziening ten nadele is in dit geval ook mogelijk als een veroordeling is gevolgd. Bij de falsa genoemd in art. 482a lid 1 sub b, c en d Sv geldt, evenals bij het novum van art. 482a lid 1 sub a Sv de eis dat het ernstige vermoeden bestaat dat de gewezen verdachte, wanneer de rechter met dit gegeven bekend zou zijn geweest, zou zijn veroordeeld. Uiteraard wordt deze eis niet gesteld bij de omgekochte rechter. Niet vereist is dat het falsum door een bewezenverklaring komt vast te staan, maar wel dat het zich voordoen daarvan buiten redelijke twijfel is. 5.1.3. Een falsum als bedoeld in art. 482a lid 1 onder b, c of d Sv zou ook als een novum aangemerkt kunnen worden. De wetgever heeft de bedoelde falsa echter een aparte status gegeven omdat de herziening ten nadele hier bij alle strafbare feiten mogelijk is. Mede daardoor blijven voor het in art. 482a lid 1 sub a Sv bedoelde novum maar twee, in art. 482a lid 3 Sv limitatief opgesomde gevallen over. Het eerste, onder a genoemde geval wordt gevormd door een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte of van een persoon die wegens hetzelfde feit is vrijgesproken. Het tweede, onder b genoemde geval wordt gevormd door “de resultaten van technisch onderzoek”. Het gevolg van deze limitatieve opsomming is dat een nieuwe, belastende getuigenverklaring geen grond voor herziening ten nadele kan opleveren. De achtergrond van deze keuze is dat volgens de regering een bekentenis maatschappelijke onrust opwerkt waardoor de gewezen verdachte zijn recht op rust verspeelt. Dat is bij getuigenverklaringen niet aan de orde. Bovendien bestaat het gevaar dat na een vrijspraak onterechte beschuldigingen gaan circuleren. Ten slotte vervagen herinneringen in de loop van de tijd. 5.1.4. De enige herzieningsgrond die in de onderhavige zaak aan de orde is, is het novum in de vorm van nieuw technisch bewijsmateriaal. Daarom zal ik alleen deze herzieningsgrond nader bespreken. Zie daarvoor hierna, onder 7. 5.2. Beperking tot ernstige misdrijven 5.2.1. Zoals gezegd geldt in geval van een novum dat herziening ten nadele alleen in geval van bepaalde ernstige misdrijven mogelijk is. Volgens art. 482a lid 1 sub a Sv moet door het nieuwe gegeven het ernstige vermoeden ontstaan dat, indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak was geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte “voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft”. Een nadere beperking is te vinden in het vijfde lid van art. 482a Sv. Onder ‘misdrijf’ zijn hier niet begrepen de medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van het misdrijf. 5.2.2. Deze begrenzing is in etappes tot stand gekomen. Aanvankelijk beperkte het wetsvoorstel de herziening ten nadele op grond van een novum tot “een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving levenslange gevangenisstraf is gesteld en dat de dood van een ander ten gevolge heeft”. Die laatste toevoeging lijkt overbodig omdat het vijfde lid de poging uitsluit, maar dat is niet het geval. Niet alle (voltooide) misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, hebben de dood van een ander ten gevolge. Art. 92 Sr stelt bijvoorbeeld levenslange gevangenisstraf op de aanslag op de Koning ondernomen met het oogmerk hem van het leven of de vrijheid te beroven. Het misdrijf is hier ook gepleegd als de Koning de aanslag overleeft. De tweede nota van wijziging bracht een aanzienlijke verruiming. De voorgestelde wijziging strekte ertoe uitvoering te geven aan het toenmalige regeerakkoord, dat inhield dat herziening ten nadele ook mogelijk moest zijn voor doodslag en gewelds- en zedendelicten met dodelijke afloop. Om die reden werd een reeks misdrijven toegevoegd ten aanzien waarvan herziening ten nadele eveneens mogelijk zou zijn. Omdat deze “technische uitwerking” van het regeerakkoord als onevenwichtig werd ervaren - waarom bijvoorbeeld was vrijheidsberoving met dodelijke afloop niet in de opsomming van strafbare feiten opgenomen? -, werd het artikellid opnieuw gewijzigd. Bij derde nota van wijziging werd de tekst voorgesteld zoals die thans luidt (“een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft”). Het ging daardoor niet langer alleen om gewelds- en zedenmisdrijven. Behouden bleef dat het misdrijf een dodelijke afloop moet hebben gehad. Behouden bleef ook dat herziening ten nadele van een poging niet mogelijk is. De vraag is of het een en ander niet om een nadere doordenking had gevraagd. Zo is van een poging tot beroving of afpersing sprake als de dader, ondanks het door hem uitgeoefende geweld, er niet in slaagt enig goed te bemachtigen. Die mislukking sluit bepaald niet uit dat het slachtoffer ten gevolge van dat geweld overlijdt. Ondanks die dodelijke afloop is, afgaande op de tekst van art. 482a lid 5 Sv, herziening ten nadele niet mogelijk. 5.2.3. Het uiteindelijke criterium lijkt zich te lenen voor een zeer ruime uitleg. Zo zou men kunnen menen dat daaronder ook de diefstal van een tas valt (art. 310 Sr) als het slachtoffer overlijdt doordat hij de medicijnen niet kon innemen die zich (zonder dat de dader dat wist) in die tas bevonden. Dat echter kan niet de bedoeling zijn geweest. De derde nota van wijziging houdt als “technische kanttekening” onder meer in dat enkel “die misdrijven zijn bedoeld waarvan de dodelijke afloop hetzij een bestanddeel van de delictsomschrijving is (…) hetzij een bestanddeel vormt van een wettelijke strafverzwaringsgrond bij een misdrijf”. Dit vindt bevestiging in de bijlage bij de derde nota van wijziging, waarin een overzicht wordt gegeven van de misdrijven die in aanmerking komen. Dat zijn alleen misdrijven die voldoen aan wat in de kanttekening wordt gesteld. 5.2.4. Met het oog op de onderhavige zaak verdient opmerking dat in de opsomming van wetsartikelen die de tweede nota van wijziging aan art. 482a lid 1 sub a Sv toevoegde, wel art. 312 lid 3 Sr wordt genoemd, maar niet art. 317 lid 3 Sr (dat art. 312 lid 3 Sr van toepassing verklaart). In de bijlage bij de derde nota van wijziging wordt art. 317 lid 3 jo. art 312 lid 3 Sr evenmin genoemd. Betekenis kan daaraan mijns inziens niet worden toegekend. Het dodelijk gevolg is bij afpersing “een bestanddeel van een wettelijke strafverzwaringsgrond”, zodat aan de tekst én de strekking van de wet is voldaan. 5.2.5. De beperking tot bepaalde misdrijven is ingebakken in het vereiste ernstige vermoeden. Dat betekent dat herziening ten nadele alleen is toegestaan als sprake is van het ernstig vermoeden dat de gewezen verdachte wegens een van de bedoelde ernstige misdrijven zou zijn veroordeeld. Niet voldoende is dus dat de gegeven vrijspraak betrekking had op een dergelijk misdrijf. De vraag die daarbij rijst, is of de herzieningsaanvraag beoordeeld moet worden op de grondslag van de tenlastelegging zoals die destijds voorlag. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat “de oorspronkelijke tenlastelegging niet beslissend is”. Als voorbeeld wordt gegeven het geval waarin alleen moord is tenlastegelegd, waarvan de verdachte is vrijgesproken. Het ernstige vermoeden kan dan betrekking hebben op een (niet tenlastegelegde) gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr). Nu heeft de oorspronkelijke tenlastelegging in dit voorbeeld betrekking op een misdrijf (moord) dat voor herziening ten nadele in aanmerking komt. De vraag is hoe het zit als dat niet het geval is. Is herziening ten nadele bijvoorbeeld mogelijk als vrijgesproken is van dood door schuld en achteraf het ernstige vermoeden rijst dat sprake was van doodslag? Ik laat die vraag hier rusten omdat zij voor de beoordeling van de onderhavige aanvraag niet van direct belang is. Ik merk slechts op dat de vraag alleen speelt als sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr. Als doodslag een ander feit zou opleveren, kan voor dat andere feit ‘gewoon’ vervolgd worden. Herziening ten nadele is dan uitgesloten (vgl. hierna, onder 5.4.3). 5.2.6. Bij de berechting die na een eventuele verwijzing van de zaak plaatsvindt, wordt recht gedaan op de oorspronkelijke tenlastelegging, die binnen de grenzen van art. 68 Sr kan worden gewijzigd. Zo kan in het door de memorie van toelichting gegeven voorbeeld (vrijspraak van moord; ernstig vermoeden met betrekking tot gekwalificeerde doodslag) bewerkstelligd worden dat voor art. 288 Sr wordt veroordeeld. Van een verplichting om de tenlastelegging toe te snijden op en te beperken tot het misdrijf waarop het gerezen ernstige vermoeden betrekking had, is echter geen sprake. Niet uitgesloten is daardoor dat, zoals in de memorie van toelichting wordt gesteld, de gewezen verdachte uiteindelijk wordt veroordeeld voor een strafbaar feit dat niet aan het wettelijke criterium (een opzettelijk begaan misdrijf met dodelijke afloop) voldoet. Als tevens juist is dat ook het feit waarvan is vrijgesproken niet aan dat criterium behoeft te voldoen (zie het vorige punt), zou zich kunnen voordoen dat de aanvraag tot herziening van een vrijspraak van (de uitsluitend tenlastegelegde) dood door schuld wordt gehonoreerd vanwege het ernstige vermoeden dat in feite sprake was van doodslag en de gewezen verdachte vervolgens, na verwijzing, wordt veroordeeld voor dood door schuld of voor een eenvoudige verkeersovertreding. Voor deze ‘omzeiling’ van de in de omschrijving van het novum ingebouwde drempel zal de Hoge Raad moeten waken. Als de drempel eenmaal is gepasseerd, vormt hij, zoals met drempels doorgaans het geval is, geen belemmering meer. Bij de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag mag niet lichtvaardig worden aangenomen dat de gewezen verdachte zou zijn veroordeeld voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge had. 5.2.7. Bij dit alles verdient opmerking dat art. 582a lid 1 Sv een vertekend beeld geeft van het geldende recht. De reikwijdte van de regeling is namelijk door een aanwijzing van het Openbaar Ministerie in feite ingeperkt. Zie hierna, onder 5.7. 5.3. Overige inhoudelijke voorwaarden 5.3.1. Als zich een herzieningsgrond voordoet ten aanzien van, voor zover nodig, een opzettelijk begaan misdrijf met dodelijke afloop, is daarmee nog niet gezegd dat de herzieningsaanvraag kan worden toegewezen. In de wettelijke regeling liggen nog andere voorwaarden besloten. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen voorwaarden die zien op de ontvankelijkheid van de aanvraag en voorwaarden die betrekking hebben op de gegrondheid ervan. Van enkele voorwaarden is niet helemaal duidelijk tot welke categorie zij moeten worden gerekend. Ik beperk mij hier tot de voorwaarden die in ieder geval de gegrondheid van de aanvraag raken. De overige voorwaarden zullen hierna, onder 5.4 worden genoemd. 5.3.2. In art. 482a lid 1 Sv wordt als zelfstandige voorwaarde vooropgesteld dat de herziening in het belang moet zijn van een goede rechtsbedeling. Het gaat hier om een opportuniteitstoetsing die in handen van de rechter (de Hoge Raad) is gelegd. Het criterium (belang van een goede rechtsbedeling) is daarbij niet vastomlijnd. Daarvoor is blijkens de memorie van toelichting welbewust gekozen, omdat bij de toetsing vele factoren een rol kunnen spelen die door de wetgever tevoren niet alle kunnen worden voorzien.Aan deze aanvullende voorwaarde zal hierna, onder 9, apart aandacht worden besteed. Zoals daar zal blijken, is deze voorwaarde mede bedoeld om te voldoen aan de eisen die uit art. 6 EVRM voortvloeien. 5.3.3. Een andere voorwaarde heeft betrekking op de rechtmatigheid van de bewijsgaring. In art. 482a lid 4 Sv is een bewijsuitsluitingsregel neergelegd. Als de bewijsmiddelen waarop de herzieningsaanvraag steunt, het resultaat zijn van onderzoek dat niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden en waarbij een inbreuk is gemaakt op een recht van de gewezen verdachte, moeten die bewijsmiddelen buiten beschouwing worden gelaten. Men kan twisten over de vraag of deze negatieve voorwaarde, die een procedureel karakter heeft, als een zelfstandige inhoudelijke voorwaarde kan worden aangemerkt. Vanwege haar belang verdient zij echter zelfstandige vermelding. Ik vermeld haar daarbij onder de inhoudelijke voorwaarden omdat het effect van de bewijsuitsluitingsregel is dat de herzieningsrechter (de Hoge Raad) bij de beoordeling van de gegrondheid van de herzieningsaanvraag dient na te gaan of de gepresenteerde bewijsmiddelen op correcte wijze zijn verkregen. Daarbij komt dat de vraag naar de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging en de vraag of de herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling is, soms dicht bij elkaar liggen. Op de bewijsuitsluitingsregel zal hierna, onder 8, nader worden ingegaan. 5.4. Ontvankelijkheidsvoorwaarden 5.4.1. De herzieningsaanvraag wordt ingediend door het College van procureurs-generaal door middel van een schriftelijke vordering bij de Hoge Raad. De aanvraag moet de gronden vermelden waarop de vordering berust, met bijvoeging van de bewijsmiddelen waaruit van die gronden kan blijken, en een kopie van de uitspraak waarvan herziening wordt gevorderd (art. 482b lid 2 Sv). Indien de aanvraag niet aan deze vereisten voldoet, verklaart de Hoge Raad deze niet-ontvankelijk, zo bepaalt art. 482b lid 3 Sv. In dat derde lid wordt ook een aantal ietwat andersoortige ontvankelijkheidsvoorwaarden opgesomd. Het desbetreffende feit mag op het moment van de aanvraag niet zijn verjaard en de gewezen verdachte moet nog in leven zijn (art. 482b lid 3 sub b Sv). Voorts geldt dat herziening ten nadele op grond van een novum uitgesloten is als reeds eerder herziening is gevorderd (art. 482b lid 3 sub c Sv). 5.4.2. De laatste grond voor niet-ontvankelijkheid die art. 482b lid 3 Sv noemt (onder d), is als niet voldaan is aan de voorwaarde dat de aanvraag een onherroepelijke uitspraak moet betreffen van een rechter in Nederland. Deze voorwaarde is ook neergelegd in de leden 1 en 2 van art. 482a Sv. In art. 482a lid 1 Sv is ook de voorwaarde neergelegd dat de onherroepelijke einduitspraak waarop dat lid betrekking heeft een vrijspraak of een ontslag van rechtsvervolging moet inhouden. Tot een in art. 482b Sv genoemde niet-ontvankelijkheidsgrond vertaalt deze voorwaarde zich niet. Gelet op de verwantschap met de in art. 482b lid 3 sub d Sv wel genoemde grond valt een niet-ontvankelijkverklaring in voorkomende gevallen echter goed te verdedigen. Een andere mogelijkheid is de afwijzing vanwege kennelijke ongegrondheid waarin art. 482b lid 4 Sv voorziet. 5.4.3. Het gerezen ernstige vermoeden moet betrekking hebben op hetzelfde feit (in de zin van art. 68 Sr) als waarop het gewijsde betrekking heeft. Die voorwaarde is niet uitdrukkelijk in de wet neergelegd, maar volgt uit het karakter van de herziening ten nadele, die gezien wordt als een voortzetting van de eerdere vervolging. Dat impliceert dat het om hetzelfde feit gaat. Onduidelijk is of het hier om een ontvankelijkheidsvoorwaarde gaat. Het Openbaar Ministerie dat een veroordeling voor een ander feit nastreeft, dient gewoon te vervolgen. Met een herzieningsaanvraag wordt dan de verkeerde weg bewandeld. Dat pleit voor niet-ontvankelijkheid. Daar staat misschien tegenover dat de vraag naar hetzelfde feit nauw kan samenhangen met de vraag of het ernstige vermoeden bestaat dat de rechter voor het feit zou hebben veroordeeld. Vgl. hiervoor, onder 5.2.5. 5.5. Het voorafgaande (opsporings)onderzoek 5.5.1. Art. 482c lid 1 bepaalt dat – behoudens het bepaalde in art. 482e Sv – voorafgaand aan de eventuele verwijzing van de zaak door de Hoge Raad (zie art. 482g lid 1 Sv) alleen in beperkte mate opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen tegen de gewezen verdachte mogen worden ingezet. In art. 482c lid 2 Sv is neergelegd dat dit alleen mogelijk is wanneer er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de Hoge Raad een herzieningsaanvraag gegrond zal achten en het onderzoek dringend noodzakelijk is. Dit om te voorkomen dat een gewezen verdachte ook na een onherroepelijke vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging wordt blootgesteld aan ongelimiteerde opsporingsactiviteiten, hetgeen – aldus de minister – zou indruisen tegen de strekking van het ne bis in idem-beginsel, terwijl bovendien de rechtsvrede te veel in het gedrang zou komen. Als er al sterke aanwijzingen voor een herzieningsgrond bestaan, kan de rechter-commissaris op vordering van een daartoe door het College van procureurs-generaal aangewezen officier van justitie onderzoek verrichten waarbij ook bevoegdheden tegen de gewezen verdachte kunnen worden uitgeoefend (art. 482c lid 2, art. 482d en art. 482e Sv). 5.5.2. Het verbod op de toepassing van opsporingsbevoegdheden geldt alleen in de fase die voorafgaat aan de beslissing van de Hoge Raad over de herzieningsaanvraag. Een algemeen verbod op de – tegen de gewezen verdachte gerichte – inzet van bevoegdheden en dwangmiddelen in de fase vóór de vernietiging van de niet-veroordelende uitspraak vond de minister niet gewenst omdat een dergelijk verbod ertoe zou kunnen leiden dat alleen bewijsmateriaal dat “spontaan” aan het licht is gekomen zou mogen meewegen bij de herzieningsaanvraag. Opmerking verdient dat het verbod op uitoefening van bevoegdheden alleen van toepassing is wanneer die ‘tegen de gewezen verdachte’ zijn gericht. Volgens de memorie van toelichting betekent dit dat in gevallen waarin daarvan geen sprake is, de bevoegdheden gewoon kunnen worden uitgeoefend, ook in gevallen waarin er nog geen aanwijzing voor een herzieningsgrond bestaat. Sporenmateriaal dat eerder is verzameld, kan op grond van de reguliere bevoegdheden opnieuw worden onderzocht, bijvoorbeeld met gebruikmaking van nieuwe technieken. Bevoegdheden die gericht tegen de verdachte worden uitgeoefend, mogen niet buiten het in art. 482e Sv geregelde nader onderzoek worden toegepast. Te denken valt onder meer aan aanhouding en verhoor van de gewezen verdachte, het doorzoeken van zijn woning en het afnemen van zijn vingerafdrukken of zijn celmateriaal met het oog op een DNA-onderzoek. Art. 482e Sv regelt het nader onderzoek dat door de rechter-commissaris kan worden verricht indien aan de voorwaarden van art. 482c lid 2 Sv is voldaan. 5.5.3. De regeling van het onderzoek dat aan de herzieningsaanvraag vooraf kan gaan, hangt nauw samen met de bewijsuitsluitingsregel die hiervoor al even ter sprake kwam. Daarom zal bij de bespreking van die bewijsuitsluitingsregel ook nader worden ingegaan op de regeling van het voorafgaande onderzoek. De vraag waarop het daarbij aankomt, is wat rechtens is met betrekking tot onderzoek dat vóór de inwerkingtreding van de wet is verricht. 5.6. Onmiddellijke werking 5.6.1. De Wet herziening ten nadele gaat uit van onmiddellijke werking van de daarin vervatte regeling. Dat betekent dat herziening ten nadele ook mogelijk is ten aanzien van misdrijven die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn begaan en ten aanzien waarvan de desbetreffende einduitspraak vóór die datum in kracht van gewijsde is gegaan. In eerste instantie was een specifieke bepaling van overgangsrecht in het wetsvoorstel opgenomen, die herziening ten nadele uitsloot van einduitspraken die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet onherroepelijk waren geworden. Bij de tweede nota van wijziging is deze bepaling ter uitvoering van het toenmalige regeerakkoord geschrapt. De als ‘terugwerkende kracht’ ervaren onmiddellijke werking die de wet aldus kreeg, is niet zonder tegenkanting door het parlement gekomen. De regering hield echter staande dat de onmiddellijke werking niet onverenigbaar is met art. 7 EVRM en niet in strijd hoefde te komen met art. 6 EVRM. 5.6.2. De onmiddellijke werking betekent niet dat elke vrijspraak die voor de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet onherroepelijk is geworden, kan worden herzien. Art. 482b lid 3 Sv stelt in zoverre grenzen dat geen herziening ten nadele mogelijk is bij strafbare feiten die zijn verjaard. Evenmin is herziening ten nadele mogelijk wanneer de gewezen verdachte is overleden. Aandacht verdient ook dat wellicht enige begrenzing voortvloeit uit de voorwaarde dat de herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling is. Die voorwaarde dient mede om strijd met het verdragsrecht te voorkomen. Zie nader hierna, onder 9.10. 5.7. De Aanwijzing herziening ten nadele 5.7.1. De uitbreiding van het werkingsbereik van de regeling tot alle opzettelijk begane misdrijven met een dodelijke afloop die de tweede en derde nota van wijziging hadden gebracht, stuitte in de Eerste Kamer op grote bezwaren. Een meerderheid meende dat herziening ten nadele wegens een novum alleen aanvaardbaar is als het ging om misdrijven waarbij het opzet op het dodelijk gevolg is gericht. Dat bracht minister Opstelten tot de toezegging dat hij zou zekerstellen dat herziening ten nadele in de praktijk alleen zou plaatsvinden “in de gevallen waarin het er echt om gaat: misdrijven waarbij de dader opzettelijk de dood van een ander heeft veroorzaakt”. Deze “nadere inkadering” zou de minister verankeren in de beleidsregels van het Openbaar Ministerie. Hij benadrukte dat die beleidsregels recht waren in de zin van art. 79 Wet RO en dat het Openbaar Ministerie daaraan was gebonden. Een eventuele wijziging van die beleidsregels zal, zo voegde hij daaraan toe, niet plaatsvinden dan na instemming van de Staten-Generaal. Voor een aantal fracties was deze toezegging niet voldoende; zij wensten een novelle. De VVD-fractie ging wél akkoord. Het wetsvoorstel werd met één stem verschil aangenomen. 5.7.2. De toegezegde beleidsregel is neergelegd in de op 1 februari 2014 in werking getreden Aanwijzing herziening ten nadele (2014A001), Stcrt. 2014, 2826. Deze aanwijzing houdt, voor zover hier van belang, het volgende in. “Bij gelegenheid van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel heeft de Minister van Veiligheid en Justitie de Eerste Kamer der Staten-Generaal toegezegd dat in de beleidsregels van het OM zal worden opgenomen dat herzieningsaanvragen op grond van een novum beperkt dienen te blijven tot de gevallen waarin het novum betrekking heeft op een misdrijf waardoor opzettelijk de dood van de ander is veroorzaakt. Onder het opzettelijk veroorzaken van andermans dood is voorwaardelijk opzet begrepen. In het licht hiervan hanteert het College van procureurs-generaal bij de beoordeling van de vraag of een aanvraag tot herziening ten nadele op grond van een novum zal worden gedaan, als criterium: Er is sprake van een gegeven dat aan de rechter tijdens de behandeling ter terechtzitting niet bekend was en waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een misdrijf waardoor opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke zin) de dood van een ander is veroorzaakt.” 5.7.3. Het in deze aanwijzing neergelegde criterium is in zeker opzicht strenger dan het criterium dat in het oorspronkelijke wetsvoorstel was neergelegd. Er zijn misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld die de dood van een ander ten gevolge kunnen hebben, maar waarbij niet vereist is dat het opzet van de dader op die dood was gericht. Voorbeelden vormen de aanslagdelicten van art. 92-95a Sr, waarbij het vereiste oogmerk niet gericht hoeft te zijn op andermans dood. 5.7.4. Van groter praktisch belang is de vraag wat rechtens is als het College van procureurs-generaal in strijd handelt met de eigen aanwijzing. In dat geval kan niet gezegd worden dat het novum zoals dat in de wet is omschreven, zich niet voordoet. De aanvraag kan dus niet worden afgewezen met het argument dat een novum ontbreekt. Verdedigbaar is dat de herzieningsaanvraag in een dergelijk geval niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde. Die oplossing – die vereist dat een buitenwettelijke, niet in art. 482b Sv opgenomen niet-ontvankelijkheidsgrond wordt aanvaard – spreekt aan in gevallen waarin de strijd met de aanwijzing evident is. Dat is bijvoorbeeld het geval als de gewezen verdachte is vrijgesproken van mishandeling de dood ten gevolge hebbend en in de aanvraag wordt gesteld dat het ernstige vermoeden is gerezen dat hij dit feit wel degelijk heeft gepleegd. Het probleem is echter dat in de meeste gevallen niet evident zal zijn dat niet aan het criterium van de aanwijzing is voldaan. Als in de herzieningsaanvraag wordt gesteld dat, hoewel de gegeven vrijspraak betrekking had op mishandeling, door het nieuwe gegeven het ernstige vermoeden is ontstaan dat de gewezen verdachte voor doodslag zou zijn veroordeeld, zal beoordeeld moeten worden of dat juist is. Die beoordeling vergt een inspectie van het aanwezige bewijsmateriaal in het licht van het in de aanvraag aangedragen nieuwe gegeven en verschilt dus naar haar aard niet van de beoordeling van de vraag of zich een novum voordoet. Dat pleit ervoor die beoordeling te betrekken op de gegrondheid van de aanvraag. Een alternatieve oplossing zou daarom zijn om de vraag of de aanwijzing is nageleefd, in te bedden in de vraag of de herziening ten nadele in het belang is van een goede rechtsbedeling. Bij die laatste vraag gaat het zoals wij zagen in wezen om een opportuniteitstoets. De aanwijzing bevat een nadere begrenzing van de gevallen waarin herziening ten nadele opportuun kan worden geacht. Het oordeel dat de gevraagde herziening niet in het belang van een goede rechtsbedeling is als de aanwijzing niet is nageleefd, past daarom bij het karakter van de aanwijzing. 5.7.5. Die alternatieve oplossing heeft mijn voorkeur. Ik merk daarbij op dat een herzieningsaanvraag in gevallen waarin de strijd met de aanwijzing evident is, op de voet van art. 482b lid 4 Sv kan worden afgewezen aangezien die aanvraag dan kennelijk ongegrond is. 6Beginselen en verdragsrecht 6.1. Inleiding 6.1.1. Nederland is niet het enige land dat herziening ten nadele kent. In de memorie van toelichting werd daarop ook gewezen. Het instituut van de herziening ten nadele bestaat wel in Scandinavische landen en in landen met een Pruisische en Oostenrijks-Hongaarse rechtstraditie. In landen met een Romaans-Franse rechtstraditie is herziening ten nadele meestal niet mogelijk. In de buitenlandse regelingen kunnen grofweg twee gronden voor een herziening ten nadele worden onderscheiden, te weten
(1)falsa, dat wil zeggen dat sprake is geweest van valse geschriften of verklaringen, of andere procedurele tekortkoming en
(2)een novum, dat wil zeggen een nieuw feit dat de gegeven vrijspraak achteraf kwestieus maakt. Ik licht een tweetal landen als voorbeeld eruit. In buurland Duitsland is herziening ten nadele in bepaalde gevallen mogelijk gemaakt (zie paragraaf 362 Strafprozessordnung). Deze gevallen zien behalve op processuele onregelmatigheden (falsa), te weten valsheid in geschrift, meineed en een ambtsmisdrijf van de rechter in verband met de strafzaak, op een bekentenis van de gewezen verdachte (novum). In 2008 is in Duitsland – net als toen in Nederland – een wetsvoorstel ingediend dat herziening ten nadele mogelijk maakt bij bepaalde levensdelicten en internationale delicten op basis van “nieuwe wetenschappelijk erkende technische onderzoeksmethoden”. Dit wetsvoorstel heeft de eindstreep echter niet gehaald.Ook in Engeland, Wales en Noord-Ierland is herziening ten nadele toegestaan. Daar is in de wet (Criminal Procedure and Investigations Act 1996) neergelegd dat een nieuwe berechting bij “tainted acquittals” (besmette vrijspraken) onder omstandigheden mogelijk is bij “interference with or intimidation of a juror or a witness or potential witness”, dat wil zeggen wanneer de gewezen verdachte is veroordeeld wegens intimidatie van juryleden of (potentiële) getuigen, dan wel andere vormen van bemoeienis met deze personen. Dan geldt wel als aanvullende voorwaarde dat er zonder de interference geen vrijspraak was gevolgd. De Criminal Justice Act 2003 heeft daaraan nog een herzieningsgrond toegevoegd. Bij een hele serie ernstige misdrijven, de zogeheten qualifying offences, is het mogelijk om een vrijspraak te herzien als sprake is van “new and compelling evidence”. Het Court of Appeal moet bij overtuigend nieuw bewijs een retrial bevelen als dat “in the interests of justice” is. Hiervoor geldt dat de herziening opportuun is vanuit het oogpunt van de “interest of justice”. Onzorgvuldige opsporing kan daarbij bijvoorbeeld een contra-indicatie zijn. Ook gelden er gedetailleerde voorschriften over het gebruik van dwangmiddelen en voor “procedure and evidence”. 6.1.
- Dit korte overzicht van buitenlands recht vormt een aanwijzing dat herziening ten nadele als zodanig niet in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen of in verdragen vastgelegde mensenrechten. Dat neemt niet weg dat de verhouding van de herziening ten nadele tot de beginselen en het verdragsrecht niet onproblematisch is. Daarbij moet in het bijzonder gedacht worden aan het ne bis in idem-beginsel en aan het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat besloten ligt in art. 6 EVRM. Daarnaast ook aan de onschuldpresumptie en het beginsel lites finiri oportet. Aan deze beginselen en dat verdragsrecht is in de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel de nodige aandacht besteed. Uit die geschiedenis blijkt dat de wettelijke regeling in het licht van de beginselen en het verdragsrecht moet worden begrepen. Dat rechtvaardigt een bespreking van de wetsgeschiedenis op dit punt. Ik begin met het beginsel lites finiri oportet. 6.
- Lites finiri oportet 6.2.
- Met een restrictieve herzieningsregeling is een gewichtig maatschappelijk belang gemoeid. Dat belang pleegt kort en krachtig te worden verwoord met het adagium lites finiri oportet: aan de rechtsstrijd moet eens een einde komen. Het strafproces verliest zelf zowat alle betekenis als de beslissing die uiteindelijk valt niet onherroepelijk is maar telkens opnieuw ter discussie wordt gesteld. Zowel de direct betrokkenen als de samenleving in haar geheel hebben recht op zekerheid. Die zekerheid vereist dat men zich bij de gegeven beslissing neerlegt, óók of juist als zij niet iedereen overtuigt. Daarbij komt dat de "oneindigheid" van het proces een premie stelt op inadequaat procederen. De herziening mag niet ontaarden in een verkapt (risicoloos) hoger beroep of cassatieberoep. Daarnaast legt oneindig doorprocederen een groot beslag op de capaciteit van het justitiële apparaat. 6.2.
- De belangen die het beginsel lites finiri oportet beoogt te beschermen, spelen zowel bij de herziening ten nadele als bij de herziening ten voordele. Vanuit dat beginsel bezien maakt het niet uit om welke vorm van herziening het gaat. Dat verklaart wellicht waarom het beginsel in de wetsgeschiedenis relatief weinig aandacht heeft gekregen. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat het “gezien het adagium «lites finiri oportet» (…) wenselijk [is] om terughoudend te zijn bij de introductie van de mogelijkheid van een herziening ten nadele”. In de nota naar aanleiding van het nader verslag wordt naar op de vraag hoe de herziening ten nadele zich verhoudt tot genoemd beginsel geantwoord dat het gaat “om een tot bijzondere gevallen beperkte, aan strenge voorwaarden gebonden, inbreuk op de onherroepelijkheid van rechterlijke uitspraken”. Daarbij wordt aan het beginsel een specifieke, tot de herziening ten nadele beperkte toepassing gegeven. Als hoofdregel had te gelden dat slechts “één herkansing” mogelijk was. Deze hoofdregel is neergelegd in art. 482b lid 3 sub c Sv: als reeds eerder een vordering tot herziening ten nadele is gedaan, is een herhaald verzoek niet ontvankelijk als dat op een novum is gebaseerd. “Men kan niet aan het herzien blijven”, zo wordt gesteld. Voor het overige speelt het beginsel lites finiri oportet in de wetsgeschiedenis nauwelijks een rol. 6.2.
- Voor de herziening ten voordele geldt niet dat men niet aan het herzien kan blijven. Ook in andere opzichten is de regeling van de herziening ten voordele veel minder restrictief dan die van de herziening ten nadele. Dat verschil kan niet verklaard worden uit het beginsel lites finiri oportet als zodanig. De verklaring moet gezocht worden in enerzijds het verschil in belangen die om doorbreking van het beginsel vragen en anderzijds om het verschil in bezwaren die op andere gronden tegen de herziening kunnen worden aangevoerd. Bij de herziening ten voordele gaat het om het belang dat geen onschuldigen worden bestraft. Dat belang weegt in het strafrecht aanmerkelijk zwaarder dan het belang dat geen schuldigen vrijuit gaan. Bij de herziening ten voordele strijdt het belang van de gewezen verdachte niet met het vervolgingsbelang en naar het mij voorkomt ook niet met dat van de slachtoffers en de nabestaanden. Die kunnen er in redelijkheid geen belang bij hebben dat een ten onrechte uitgesproken veroordeling wordt gehandhaafd. Bij de herziening ten nadele staan de belangen wel tegenover elkaar. Tegenover het vervolgingsbelang en het belang van de slachtoffers en de nabestaanden staat hier het belang van de gewezen verdachte om met rust gelaten te worden en om gevrijwaard te blijven van een herhaling van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. 6.
- Ne bis in idem (art. 68 Sr) 6.3.
- Art. 68 Sr bepaalt dat niemand andermaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter onherroepelijk is beslist. De bepaling ziet op een verbod van dubbele vervolging en bestraffing. Het verbod van een tweede vervolging beperkt zich daarbij tot het geval de eerste vervolging heeft geleid tot een inhoudelijke einduitspraak, dat wil zeggen een einduitspraak met betrekking tot de materiële vragen van art. 350 Sv. Hier van belang is dat het verbod in de eerste plaats strekt tot bescherming van de burger van wie de strafrechtelijke vervolging is geëindigd in een onherroepelijk geworden vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging. De gedachte is dat aan de belasting die een strafvervolging voor de burger oplevert, op een gegeven moment een definitief einde dient te komen. Het verbod op een tweede vervolging na een onherroepelijke vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging verschaft de gewezen verdachte rechtszekerheid. Het is dit recht om voortaan met rust te worden gelaten waarop de gewezen verdachte aanspraak heeft en dat in art. 68 Sr erkenning heeft gevonden, dat het ne bis in idem-beginsel zijn meerwaarde geeft ten opzichte van het beginsel lites finiri oportet, waarop het verbod van een tweede vervolging eveneens kan worden gebaseerd. De herziening ten voordele vormt wel een uitzondering op het lites finiri oportet-principe, maar doet geen afbreuk aan de aanspraak op rechtszekerheid van de vrijgesproken of van rechtsvervolging ontslagen verdachte. De herziening ten nadele doet dat wel. 6.3.
- Over de vraag of herziening inbreuk maakt op het ne bis in idem-beginsel wordt in de literatuur verschillend gedacht. Veel hangt er daarbij vanaf waarin de ratio van het beginsel wordt gezocht en hoe breed het beginsel wordt genomen. Als de grondslag van het ne bis in idem-beginsel mede of zelfs hoofdzakelijk wordt gezocht in het lites finiri oportet-beginsel en in de handhaving van het gezag van de rechtspraak en als mede in de beschouwing wordt betrokken dat art. 68 Sr ook de veroordeelde verdachte beschermt tegen een tweede vervolging, kan verdedigd worden dat zelfs de herziening ten voordele inbreuk maakt op het ne bis in idem-beginsel. De discussie over deze kwestie behoeft hier niet beslecht te worden. Wat hier van belang is, is dat de mogelijkheid van herziening ten nadele hoe dan ook afbreuk doet aan het recht van de onherroepelijk vrijgesproken verdachte om met rust te worden gelaten. 6.3.
- Verdedigd kan ook worden dat noch de herziening ten voordele, noch de herziening ten nadele inbreuk maakt op het ne bis in idem-beginsel om de eenvoudige reden dat het bij herziening niet gaat om een tweede vervolging, maar om een voortzetting van de eerste vervolging. Die stelling klinkt door in de memorie van toelichting: “Vooral bij herziening ten nadele kan de vraag worden gesteld of dit zich verdraagt met het ne bis in idem-beginsel volgens hetwelk niemand andermaal mag worden vervolgd voor een feit waarover (te zijnen aanzien) al bij onherroepelijke uitspraak van de rechter is beslist. De Grondwet en het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden zwijgen over dit beginsel. Het beginsel is wel gecodificeerd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Het beginsel behelst naar de kern genomen een verbod op een tweede behandeling van een al door de rechter afgedane strafzaak. Aangenomen wordt wel dat daarvan bij herziening geen sprake is, omdat het daarbij veeleer gaat om een heropening van een strafzaak. Maar ook bij een ruimere opvatting van het beginsel wordt aan de strekking daarvan niet afgedaan door herziening toelaatbaar te achten in bijzondere gevallen. Artikel 68 Sr stelt – blijkens de zinsnede «behoudens voor zover rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn» – buiten twijfel dat het in dat artikel gecodificeerde beginsel geen beletsel vormt voor herziening. Dat geldt dus ook voor een tot bijzondere gevallen beperkte regeling van herziening ten nadele, zodra deze regeling in de wet wordt opgenomen. De conclusie mag zijn dat tegen introductie van een beperkte mogelijkheid van herziening ten nadele van de gewezen verdachte geen constitutionele bezwaren bestaan en dat artikel 68 Sr en het daaraan ten grondslag liggende beginsel evenmin beletselen opwerpen. In het vervolg van deze paragraaf wordt bezien welke verdragsrechtelijke aspecten voor de herziening ten nadele van betekenis zijn.” 6.3.
- De conclusie dat art. 68 Sr en het daaraan ten grondslag liggende beginsel zich niet verzetten tegen herziening ten nadele is aanvechtbaar. De ruimte die art. 68 Sr ten tijde van de indiening van het wetsvoorstel voor herziening bood, was bedoeld voor de enige vorm van herziening die ons recht destijds kende, namelijk de herziening ten voordele. Het bestaan van die vorm van herziening doet op geen enkele wijze afbreuk aan de zekerheid die de gewezen verdachte aan de onherroepelijke vrijspraak kan ontlenen. Het openen van de mogelijkheid van herziening ten nadele doet dat wel. Dat het achterliggende beginsel niet in het geding is, kan dan ook moeilijk worden volgehouden. Als de gronden voor herziening ten nadele zo ruim zouden zijn dat iedere onherroepelijke vrijspraak die dubieus voorkomt op last van de rechtbank kan worden herzien, wordt dat beginsel compleet uitgehold. De verandering van het etiket (geen andermaal vervolgen, maar voortzetting van de eerdere vervolging) kan dat niet verhullen. Iets anders is dat juist is dat de Grondwet en het Statuut niet dwingen tot de absolute uitwerking die art. 68 Sr destijds aan het achterliggende beginsel gaf. Het staat de wetgever constitutioneel gezien vrij om een uitzondering op dat beginsel te maken en om dat beginsel door de introductie van “een beperkte mogelijkheid van herziening ten nadele” te begrenzen. Er valt daarbij wat voor te zeggen om die uitzondering te construeren als een voortzetting van de eerdere vervolging. Die juridische constructie doet het uitzonderlijke karakter ervan uitkomen en vraagt als het ware om een duidelijke afbakening van een tweede vervolging voor hetzelfde feit. Zoals aanstonds zal blijken, is dit ook de lijn die in het internationale recht valt te ontwaren. 6.3.
- Opmerking verdient nog dat de stelling dat het ne bis in idem-beginsel zich niet verzet tegen herziening ten nadele, in de loop van de parlementaire behandeling is afgezwakt. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat wel strijd met het ne bis in idem-beginsel kan ontstaan als de heropening van een met een vrijspraak afgesloten strafzaak standaard en ongelimiteerd mogelijk zou zijn, maar dat voor een dergelijke uitholling van het beginsel niet behoeft te worden gevreesd. Elders wordt de herziening ten nadele aangemerkt als een relativering van het ne bis in idem-beginsel. 6.
- Ne bis in idem (internationaal) 6.4.
- Het ne bis in idem-beginsel heeft ook in internationale rechtsinstrumenten uitdrukking gevonden. De belangrijkste daarvan zijn art. 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM en art. 14 lid 7 IVBPR. In de memorie van toelichting wordt daarop uitvoerig ingegaan. Ik geef de desbetreffende passages hier integraal (maar met weglating van een voetnoot) weer. “Het ne bis in idem-beginsel is neergelegd in artikel 4, eerste lid, van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De tekst van dit artikellid luidt: «Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.» Dit protocol is door Nederland niet geratificeerd. Een klacht tegen Nederland vanwege een (vermeende) schending van het ne bis in idem-beginsel zou daarom door het Europees Hof tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) niet-ontvankelijk worden geacht. In enkele uitspraken heeft het EHRM overwogen dat dit beginsel niet geacht wordt tevens door een ander EVRM-artikel, bijvoorbeeld artikel 6 (fair trial), te worden bestreken. Ook indien het bovengenoemde protocol door Nederland zou zijn geratificeerd, zou het zich, gelet op artikel 4, tweede lid, van dat protocol, niet verzetten tegen de invoering van de mogelijkheid van herziening ten nadele. Dit artikellid geeft de mogelijkheid van een heropening van een strafzaak indien «er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou kunnen beïnvloeden». Blijkens het Explanatory Report bij het Zevende Protocol omvat de term «new or newly discovered facts» tevens «new means of proof relating to previously existing facts» (paragraaf 30). Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM wordt in artikel 4 van het Zevende Protocol een duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds een tweede – verboden – vervolging en anderzijds de – wel toegestane – «resumption of a trial in exceptional circumstances», bijvoorbeeld door de «reopening» van een zaak nadat nieuw bewijsmateriaal is opgekomen of een fundamenteel gebrek aan het licht is gekomen (zie bijvoorbeeld EHRM 20 juli 2004, Nikitin t. Rusland, appl. nr. 50178/99). De kernvraag is derhalve of sprake is van een «nieuwe vervolging/berechting» dan wel van «heropening» van een zaak. De term «reopening» dient in deze context niet al te letterlijk te worden opgevat, aangezien deze blijkens de jurisprudentie van het EHRM verschillende vormen kan omvatten. Zo heeft het EHRM in het zojuist vermelde arrest ten aanzien van het Russische «supervisory review» overwogen dat dit gelijk is te stellen met «reopening» van een zaak, nu deze kan worden aangemerkt als een voortzetting van de eerdere procedure, omdat «the ultimate effect of the supervisory review would be to annull decisions previously taken by courts and to determine the criminal charge in a new decision». Gezien de tekst van artikel 4 van het Zevende Protocol en de jurisprudentie van het EHRM, verzet dit artikel zich niet tegen de invoering van een herziening ten nadele zolang deze maar niet kan worden aangemerkt als een nieuwe vervolging of berechting. Zoals hierboven aan de orde is gekomen zijn er verschillende lidstaten van de Raad van Europa, zoals Duitsland, Oostenrijk en een aantal Scandinavische landen, die de mogelijkheid van herziening ten nadele kennen. (…) Het ne bis in idem-beginsel is tevens neergelegd in artikel 14, zevende lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De tekst is vrijwel identiek aan die van artikel 4, eerste lid, van het Zevende Protocol bij het EVRM. Het IVBPR kent echter geen bepaling vergelijkbaar met het tweede lid van artikel 4, van het Zevende Protocol. Op het eerste gezicht lijkt artikel 14, zevende lid, van het IVBPR aan een herziening ten nadele in de weg te staan. In deze bepaling namelijk wordt gesteld: «Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken». Het toezichthoudend Comité van het IVBPR (het comité voor de rechten van de mens) legt artikel 14, zevende lid, IVBPR echter restrictief uit. In de General Comment van 13 april 1984 (nr. 13) stelt dit Comité: «In considering State reports differing views have often been expressed as to the scope of paragraph 7 of article
- Some States parties have even felt the need to make reservations in relation to procedures for the resumption of criminal cases. It seems to the Committee that most States parties make a clear distinction between a resumption of a trial justified by exceptional circumstances and a retrial prohibited pursuant to the principle of ne bis in idem as contained in paragraph
- This understanding of the meaning of ne bis in idem may encourage States parties to reconsider their reservations to article 14, paragraph 7.» Recent heeft het Comité dit nog eens bevestigd in de General Comment nr. 32, uitgegeven op 23 augustus
- Volgens het Comité staat artikel 14, zevende lid, van het IVBPR niet in de weg aan «the resumption of a criminal trial justified by exceptional circumstances, such as the discovery of evidence which was not available or known at the time of the acquittal». Gezien deze General Comments verzet artikel 14, zevende lid, van het IVBPR zich niet tegen de invoering van een mogelijkheid van herziening ten nadele in het Nederlandse strafprocesrecht. Ook wanneer men zou aannemen dat de tekst van artikel 14, zevende lid, van het IVBPR ondanks de bovengenoemde General Comments een herziening ten nadele uitsluit, is er ruimte voor een herziening ten nadele gezien het door Nederland gemaakte voorbehoud bij deze bepaling. Dit voorbehoud luidt voor zover relevant: «The Kingdom of the Netherlands accepts this provision only insofar as no obligations arise from it further to those set out in article 68 of the Criminal Code (...) as they now apply.» Van belang bij dit voorbehoud is dat ingevolge artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht het verbod van dubbele vervolging geldt «behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn». De tekst van het voorbehoud zelf biedt daarom ruimte voor de invoering van herziening ten nadele. Van belang daarbij is dat een dergelijke uitbreiding van de reikwijdte van het voorbehoud niet in strijd is met het voorwerp en doel van het IVBPR gezien de strekking van de bovenstaande General Comments. De conclusie luidt dan ook dat het IVBPR niet in de weg staat aan de invoering van de mogelijkheid van een herziening ten nadele.” 6.4.
- Dat het voorbehoud dat Nederland maakte bij art. 14 lid 7 IVBPR tot gevolg heeft dat de weg naar herziening ten nadele open ligt, lijkt mij voor betwisting vatbaar. Dat voorbehoud houdt in dat Nederland zich internationaal gebonden achtte aan de uit art. 68 Sr voortvloeiende verplichtingen “as they now [dat wil zeggen: ten tijde van het voorbehoud] apply”. Als juist is dat art. 68 Sr zoals dat destijds gold, zo moet worden uitgelegd dat het alleen ruimte liet voor herziening ten voordele, schept het voorbehoud niet de ruimte om herziening ten nadele te introduceren. Van veel belang is dit overigens niet, omdat inderdaad aannemelijk is dat art. 14 lid 7 IVBPR heropening van het proces na een vrijspraak in uitzonderlijke omstandigheden toestaat. De strekking van het betoog in de memorie van toelichting is ook niet dat herziening ten nadele onbeperkt mogelijk is. De regering sluit zich juist aan bij het onderscheid dat het EHRM maakt tussen “een tweede – verboden – vervolging en anderzijds de – wel toegestane – «resumption of a trial in exceptional circumstances»”. Dat betekent dat zij niet verder wilde gaan dan volgens de internationale standaard toelaatbaar is, ongeacht de vraag of Nederland ten volle aan die standaard gebonden is. 6.4.
- Op de vraag hoe het EHRM de grens trekt tussen de verboden tweede vervolging en de wel toegestane heropening van de strafzaak in uitzonderlijke omstandigheden, zal hierna, in paragraaf 6.5, worden ingegaan. Zoals daar zal blijken, hangt die vraag nauw samen met de invulling die het EHRM geeft aan het recht op een eerlijk proces. Het lijkt voor de hand te liggen dat de bedoelde grens door het EHRM op basis van het tweede lid van art. 4 van het Zevende Protocol wordt getrokken. Dat zou betekenen dat het EHRM niet alleen toetst of de heropening van de strafzaak “in accordance with the law and penal procedure of the State concerned” is, maar ook beoordeelt of daadwerkelijk sprake is, hetzij van “evidence of new or newly discovered facts”, hetzij van “a fundamental defect in the previous proceedings” en zo ja, of dit “could affect the outcome of the case”. Zoals zal blijken wordt die voor de hand liggende benadering echter niet, of althans niet in alle gevallen, gevolgd. 6.4.
- Hier verdient nog wel de uitspraak van de Grote Kamer in de zaak Marguš tegen Kroatië (EHRM 27 mei 2014, nr. 4455/10) vermelding. In deze zaak was de strafvervolging tegen de verdachte, een militair die meegevochten had in de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, door de rechtbank gestaakt op grond van de amnestiewet die van kracht was geworden. Op last van de Kroatische Hoge Raad werd de zaak heropend omdat de rechtbank de amnestiewet onjuist had toegepast. Zij had namelijk miskend dat de amnestiewet geen betrekking had op oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Het EHRM wees op de positieve verplichtingen die voor de Staat voortvloeien uit de artt. 2 en 3 EVRM; verplichtingen die meebrengen dat misdrijven die door “State agents” tegen burgers zijn begaan om een effectief (strafrechtelijk) onderzoek vragen (en dus niet om het verlenen van amnestie). Daarnaast besteedde het Hof veel aandacht aan de vraag of het verlenen van amnestie voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid zich nog wel verdroeg met het internationale recht. Het oordeelde daarbij dat, zo al moest worden aangenomen dat een amnestieverlening in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd was, dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zich in de onderhavige zaak niet voordeden. Dat bracht het Hof tot de volgende slotsom. “
- The Court considers that by bringing a fresh indictment against the applicant and convicting him of war crimes against the civilian population, the Croatian authorities acted in compliance with the requirements of Articles 2 and 3 of the Convention and in a manner consistent with the requirements and recommendations of the above-mentioned international mechanisms and instruments.
- Against the above background, the Court concludes that Article 4 of Protocol No. 7 to the Convention is not applicable in the circumstances of the present case.” 6.4.
- Uit deze uitspraak volgt dat er situaties zijn waarin het EVRM verplicht tot herziening ten nadele. Het EHRM oordeelde immers dat de Kroatische autoriteiten “acted in compliance with the requirements of Articles 2 and 3 of the Convention”. Dat verklaart mogelijk ook waarom het EHRM art. 4 van het Zevende Protocol niet toepasselijk oordeelde. Er waren andere, minder radicale oplossingen geweest om de klacht van Marguš te laten stranden. Zo had het Hof kunnen oordelen dat de stopzetting van het strafproces geen “acquittal” was in de zin van het eerste lid van art. 4 (vgl. art. 68 Sr, dat een uitspraak “over het feit” eist). Het Hof had ook kunnen oordelen dat de heropening van het proces gerechtvaardigd was omdat het oordeel van de rechtbank in strijd was met zowel het nationale als het internationale recht en aldus “a fundamental defect” vertoonde in de zin van art. 4 lid
- Dat het EHRM daarvoor niet koos, vindt zijn verklaring mogelijk in het feit dat het onder geen beding wenst dat een Staat zich met een beroep art. 4 van het Zevende Protocol kan onttrekken aan de verplichtingen die uit de artt. 2 en 3 EVRM voortvloeien in gevallen waarin sprake is van door “State agents” begane misdrijven. 6.
- Art. 6 EVRM: eerbiediging van het gezag van gewijsde 6.5.
- Zoals wij onder 6.4.1 zagen, wordt in de memorie van toelichting gesteld dat het EHRM in enkele uitspraken overwogen heeft dat het ne bis in idem-beginsel niet door art. 6 EVRM wordt bestreken. Daarbij wordt in een voetnoot verwezen naar de zaken Rabus tegen Duitsland (EHRM 9 februari 2006, nr. 43371/02) en Ponsetti en Chesnel tegen Frankrijk (EHRM 14 september 1999, nrs. 36855/97 en 41731/98). Gewezen had ook kunnen worden op de zaak Blokker tegen Nederland (EHRM 7 november 2000, nr. 45282/99). In al deze zaken wordt de klacht over schending van het ne bis in idem-beginsel (partieel) niet-ontvankelijk verklaard voor zover die klacht was gebaseerd op art. 6 EVRM. Tegenover of naast deze uitspraken staan evenwel andere, waaruit blijkt dat een herziening ten nadele wel degelijk in strijd kan zijn met het recht op een eerlijk proces. In de memorie van toelichting wordt dat ook onderkend. Gesteld wordt: “Wel toetst het EHRM of de procedure in zijn geheel voldoet aan de eisen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM. Ondanks de bovengenoemde beperkingen wat betreft de reikwijdte van artikel 6 EVRM beoordeelt het EHRM daarbij wel of er sprake is van «to the maximum extent possible, a fair balance between the interests of an individual and the need to ensure the effectiveness of the system of criminal justice» (EHRM 24 mei 2007, Radchikov t. Rusland, appl. nr. 65582/01, rechtsoverweging 43). Dit houdt volgens het EHRM onder meer in dat de herzieningsprocedure niet louter gebruikt mag worden voor een nieuwe behandeling, maar dat het moet gaan om de correctie van juridische misslagen en foute beslissingen. Bovendien kan artikel 6 EVRM in het gedrang komen wanneer de herzieningsprocedure wordt gebruikt als tweede kans na een slecht politieonderzoek. Het EHRM overweegt in het zojuist aangehaalde arrest (rechtsoverweging 60): «Otherwise, the burden of the consequences of the investigative authorities» lack of diligence during the pre-trial investigation would be shifted entirely onto the applicant and, more importantly, the mere allegation of a shortcoming or failure in the investigation, however minor and insignificant it might be, would create an unrestrained possibility for the prosecution to abuse process by requesting the reopening of finalised proceedings».” 6.5.
- Men kan zich afvragen hoe het standpunt van het EHRM dat het ne bis in idem-beginsel niet vervat is in art. 6 EVRM (hetgeen ertoe leidt dat een op dat verdragsartikel gebaseerde klacht over schending van dat beginsel zonder omwegen niet-ontvankelijk wordt verklaard) zich verhoudt tot het standpunt van het EHRM dat een herziening ten nadele een duidelijke rechtvaardiging behoeft, wil zij niet in strijd zijn met art. 6 EVRM. Voordat ik daarop inga, schets ik eerst de jurisprudentie waarvan de door de memorie van toelichting genoemde zaak Radchikov tegen Rusland deel uitmaakt. Deze jurisprudentie is tot ontwikkeling gekomen naar aanleiding van het zogenaamde ‘supervisory review’ dat destijds in de voormalige Oostbloklanden bestond (en mogelijk in Rusland nog steeds bestaat). Dat supervisory review, waarvan naar wij onder 6.4.1 zagen ook de memorie van toelichting gewag maakt, kwam er in de kern op neer dat van hogerhand de heropening kon worden bevolen van zaken die in een onherroepelijke einduitspraak waren geëindigd in gevallen waarin die einduitspraak gebreken vertoonde. 6.5.
- In de zaak Brumărescu tegen Roemenië (EHRM 28 oktober 1999, nr. 28342/95) ging het om een civiele procedure over de eigendom van een woning, die door de Staat was genationaliseerd. Nadat die procedure was geëindigd met een onherroepelijke uitspraak waarbij de klager in het gelijk was gesteld, beval de Roemeense Hoge Raad op vordering van de Procureur-Generaal de heropening ervan. Het EHRM overwoog dat het recht op een eerlijk proces geïnterpreteerd moet worden in het licht van de preambule bij het EVRM, waarin de rule of law een prominente plaats inneemt. Daaraan voegde het EHRM toe: “One of the fundamental aspects of the rule of law is the principle of legal certainty, which requires, inter alia, that where the courts have finally determined an issue, their ruling should not be called into question”. Dat leidde tot het oordeel dat art. 6 EVRM was geschonden. Het EHRM wees er daarbij op dat de bevoegdheid van de Procureur-Generaal om heropening van de zaak te bevorderen aan geen termijn was gebonden, “so that judgments were liable to challenge indefinitely” en dat de Roemeense Hoge Raad, door de vordering ontvankelijk te achten en te honoreren, “set at naught an entire judicial process” en “infringed the principle of legal certainty”. 6.5.
- In een vergelijkbare zaak, de zaak Ryabykh tegen Rusland (EHRM 24 juli 2003, nr. 52854/99), werd eveneens een schending van art. 6 EVRM aangenomen. Daarbij overweegt het EHRM onder meer het volgende (§§ 52, 54, 55 en 56). “
- Legal certainty presupposes respect for the principle of res judicata (ibid., § 62), that is the principle of the finality of judgments. This principle underlines that no party is entitled to seek a review of a final and binding judgment merely for the purpose of obtaining a rehearing and a fresh determination of the case. Higher courts’ power of review should be exercised to correct judicial errors and miscarriages of justice, but not to carry out a fresh examination. The review should not be treated as an appeal in disguise, and the mere possibility of there being two views on the subject is not a ground for re-examination. A departure from that principle is justified only when made necessary by circumstances of a substantial and compelling character.(…)
- The Court notes that the supervisory review of the judgment of 8 June 1998 was set in motion by the President of the Belgorod Regional Court (…).
- The Court reiterates that Article 6 § 1 secures to everyone the right to have any claim relating to his civil rights and obligations brought before a court or tribunal. In this way it embodies the “right to a court”, of which the right of access, that is the right to institute proceedings before courts in civil matters, constitutes one aspect. However, that right would be illusory if a Contracting State’s domestic legal system allowed a final, binding judicial decision to remain inoperative to the detriment of one party. It would be inconceivable that Article 6 § 1 should describe in detail procedural guarantees afforded to litigants – proceedings that are fair, public and expeditious – without protecting the implementation of judicial decisions; to construe Article 6 as being concerned exclusively with access to a court and the conduct of proceedings would be likely to lead to situations incompatible with the principle of the rule of law which the Contracting States undertook to respect when they ratified the Convention (see Hornsby v. Greece, judgment of 19 March 1997, Reports 1997-II, pp. 510-11, § 40).
- The Court considers that the right of a litigant to a court would be equally illusory if a Contracting State’s legal system allowed a judicial decision which had become final and binding to be quashed by a higher court on an application made by a State official.” Dat het EHRM het recht op een eerlijk proces koppelt aan respect voor het gezag van gewijsde valt goed te begrijpen. Als al het eerlijk procederen geen bindende beslissingen oplevert, heeft men niets aan zijn recht op toegang tot de rechter. 6.5.
- De beide genoemde zaken hadden betrekking op civiele procedures. Wat daarbij opvalt, is dat het EHRM wel de mogelijkheid lijkt te aanvaarden dat herziening in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd is (zie § 52 van Ryabykh), maar niet of althans niet expliciet ingaat op de vraag of een dergelijke rechtvaardiging zich in de concrete zaak voordeed. Het gebod het gezag van gewijsde te respecteren, lijkt aldus vrij absoluut te zijn gedacht. Toch is dat niet het geval, in ieder geval niet als het om strafzaken gaat. De vraag of het gezag van gewijsde ook in strafzaken dient te worden gerespecteerd, kwam aan de orde in de zaak Nikitin tegen Rusland (EHRM 20 juli 2004, nr. 50178/99), die ook in de memorie van toelichting ter sprake komt (hiervoor, onder 6.4.1). Het EHRM overwoog het volgende (§§ 55, 56 en 57). “In particular, the Court reiterates that it has previously held that the institution of supervisory review can give rise to problems of legal certainty, as judgments in civil cases remained open to review indefinitely, on relatively minor grounds (see Brumărescu and Ryabykh, both cited above). The position regarding criminal cases is somewhat different, at least in so far as acquittals are concerned, as a review could only be requested during a period of one year following the date of the acquittal in question. Moreover, the Court observes that the requirements of legal certainty are not absolute. In criminal cases, they must be assessed in the light of, for example, Article 4 § 2 of Protocol No. 7, which expressly permits a State to reopen a case due to the emergence of new facts, or where a fundamental defect is detected in the previous proceedings, which could affect the outcome of the case. The possibility of re-examining or reopening cases was also considered by the Committee of Ministers as a guarantee of restitution, particularly in the context of the execution of the Court’s judgments. In its Recommendation No. R
(2000)2 on the re-examination or reopening of certain cases at the domestic level following judgments of the European Court of Human Rights, it urged member States to ensure that their domestic legal systems provided for a procedure whereby a case could be re-examined or reopened. The mere possibility of reopening a criminal case is therefore prima facie compatible with the Convention, including the guarantees of Article
- However, certain special circumstances of the case may reveal that the actual manner in which it was used impaired the very essence of a fair trial. In particular, the Court has to assess whether, in a given case, the power to launch and conduct a supervisory review was exercised by the authorities so as to strike, to the maximum extent possible, a fair balance between the interests of the individual and the need to ensure the effectiveness of the system of criminal justice.” In de door de memorie van toelichting aangehaalde zaak Radchikov tegen Rusland worden de voorgaande overwegingen als ‘general principles’ samengevat. Aan die samenvatting wordt, direct aansluitend op de stelling dat een ‘fair balance’ is vereist en dat een heropening van de zaak niet mag worden bevolen “merely for the purpose of obtaining a rehearing and a fresh determination of the case” en alleen mag dienen om “judicial errors and miscarriages of justice” recht te zetten, het volgende toegevoegd (§ 44). “The relevant considerations to be taken into account in this connection include, in particular, the effect of the reopening and any subsequent proceedings on the applicant’s individual situation and whether the reopening resulted from the applicant’s own request; the grounds on which the domestic authorities revoked the finality of the judgment in the applicant’s case; the compliance of the procedure at issue with the requirements of the domestic law; the existence and operation of procedural safeguards in the domestic legal system capable of preventing abuses of this procedure by the domestic authorities; and other pertinent circumstances of the case (see Nikitin, cited above, § 60; Bratyakin v. Russia (dec.), no. 72776/01, 9 March 2006; Fadin v. Russia, no. 58079/00, § 34, 27 July 2006; and Savinskiy, cited above, §§ 24-26). Furthermore, proceedings before the supervisory review court should afford all the procedural safeguards of Article 6 § 1 and must ensure the overall fairness of the entire proceedings (see Vanyan v. Russia, no. 53203/99, §§ 63-68, 15 December 2005).” 6.5.
- Voor ogen dient te worden gehouden dat deze ‘general principles’ ook in die zin algemeen zijn, dat zij niet alleen betrekking hebben op de herziening van onherroepelijke vrijspraken ten nadele van de gewezen verdachte. Ook de heropening van zaken die in een onherroepelijke veroordeling zijn geëindigd, kan een schending van art. 6 EVRM opleveren. Dat ligt voor de hand in gevallen waarin de justitiële autoriteiten meenden dat de verdachte te licht was bestraft en daarom heropening vorderden. Er zijn echter ook gevallen waarin het initiatief voor een supervisory review van de veroordeelde uitgaat en de heropening van de zaak vervolgens in zijn nadeel uitpakt. Hoewel een schending van art. 6 EVRM dan niet snel lijkt te worden aangenomen, is zij niet uitgesloten. Zelfs in gevallen waarin de herziening van een veroordeling in het voordeel van de veroordeelde uitvalt, is een schending van art. 6 EVRM denkbaar. Onder omstandigheden kan het slachtoffer daarover namelijk klagen. 6.5.
- In de zaak Radchikov tegen Rusland ging het om de herziening van een onherroepelijke vrijspraak op initiatief van de justitiële autoriteiten. Het EHRM nam een schending van art. 6 EVRM aan en overwoog daarbij onder meer het volgende (§ 48). “In the Court’s view, the mere consideration that the investigation in the applicant’s case was “incomplete and one-sided” or led to an “erroneous” acquittal cannot in itself, in the absence of jurisdictional errors or serious breaches of court procedure, abuses of power, manifest errors in the application of substantive law or any other weighty reasons stemming from the interests of justice (such as in the above-cited Bratyakin case), indicate the presence of a fundamental defect in the previous proceedings. Otherwise, the burden of the consequences of the investigative authorities’ lack of diligence during the pre-trial investigation would be shifted entirely onto the applicant and, more importantly, the mere allegation of a shortcoming or failure in the investigation, however minor and insignificant it might be, would create an unrestrained possibility for the prosecution to abuse process by requesting the reopening of finalised proceedings. The fear of an abuse of process is even more serious in situations where, such as in the case at issue, the prosecution authorities, having been fully aware of the alleged deficiencies in the investigation (see paragraphs 10 and 11 above) and free to request the first-instance and appeal courts to remit the case for an additional investigation at earlier stages of proceedings prior to the adoption of a final judgment in the case (see paragraphs 32 and 33 above), choose not to avail themselves of this opportunity and have recourse to an extraordinary remedy instead.” De beslissing in de zaak Radchikov tegen Rusland staat bepaald niet op zichzelf. Er zijn meer zaken waarin de supervisory review van een onherroepelijke vrijspraak leidde tot het oordeel dat art. 6 EVRM was geschonden. Zo oordeelde het EHRM in de zaak Bujniţa tegen Moldavië (EHRM 16 januari 2007, nr. 36492/02) als volgt (§ 23). “The Court notes that the grounds for the re-opening of the proceedings were based neither on new facts nor on serious procedural defects, but rather on the disagreement of the Deputy Prosecutor General with the assessment of the facts and the classification of the applicant’s actions by the lower instances. The Court observes that the latter had examined all the parties’ statements and evidence and their original conclusions do not appear to have been manifestly unreasonable. In the Court’s view, the grounds for the request for annulment given by the Deputy Prosecutor General in the present case were insufficient to justify challenging the finality of the judgment and using this extraordinary remedy to that end. The Court, therefore considers, as it has found in similar circumstances (see, for instance, Savinskiy v. Ukraine, no. 6965/02, § 25-27, 28 February 2006), that the State authorities failed to strike a fair balance between the interests of the applicant and the need to ensure the effectiveness of the criminal justice system.” Uit de hier weergegeven overwegingen lijkt te kunnen worden afgeleid dat het EHRM de gronden voor een herziening ten nadele niet beperkt tot “new facts”. Zo noemt het EHRM ook de onjuiste toepassing van materieel recht als een mogelijke grond voor herziening. Hetzelfde geldt voor een bewijswaardering die “manifestly unreasonable” is en voor “serious procedural defects”. Die laatste categorie lijkt ruimer te zijn dan de procedurele gebreken die de wetgever onder de falsa schaart. Toch is hier voorzichtigheid geboden en wel om twee redenen. De eerste is dat het in de desbetreffende overwegingen gaat om de toepassing van general principles die als gezegd ook op andere gevallen van herziening betrekking hebben. Het EHRM doet daarbij niet meer dan constateren dat de bedoelde ernstige tekortkomingen zich niet voordoen. Dat het EHRM herziening ten nadele toelaatbaar zal oordelen als wel van een dergelijke tekortkoming sprake is, is daarmee niet gezegd. Er is immers een afweging (fair balance) vereist. Hoeveel gewicht de beide in § 44 van de zaak Radchikov tegen Rusland als eerste genoemde factoren (te weten: effect van de heropening op de persoonlijke situatie van de klager en heropening anders dan op verzoek van de klager) in de schaal zullen leggen, is onzeker. Gevallen waarin het EHRM een op initiatief van de autoriteiten tot stand gekomen herziening van een onherroepelijke vrijspraak niet in strijd oordeelt met art. 6 EVRM, zijn zeldzaam en misschien zelfs wel non existent. De tweede reden waarom voorzichtigheid is geboden, is dat de besproken jurisprudentie betrekking heeft op supervisory review-procedures die aan een termijn zijn gebonden. Als het om een niet in de tijd beperkte mogelijkheid gaat om vonnissen in het nadeel van de veroordeelde te herzien, zou het EHRM wel eens strenger kunnen zijn. 6.5.
- Aparte vermelding verdient dat de herzieningsprocedure zelf gebreken kan vertonen die maken dat art. 6 EVRM is geschonden. In de zaak Vanyan tegen Rusland (EHRM 15 december 2005, nr. 53203/99) had de vicepresident van de Russische Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend omdat hij van mening was dat Vanyan voor een te zware strafbepaling was veroordeeld. Het gerechtshof van Moskou honoreerde dat verzoek en verlaagde de opgelegde straf aanzienlijk. Toch oordeelde het EHRM dat art. 6 EVRM was geschonden, en wel omdat het gerechtshof het verzoek buiten aanwezigheid van Vanyan en zijn raadsman had behandeld. Hieruit blijkt dat de conclusie die in de memorie van toelichting uit de zaak Nikitin tegen Rusland wordt getrokken, namelijk dat er pas na de heropening van de zaak sprake is van de determination of a criminal charge’, zodat de herzieningsprocedure buiten de reikwijdte van art. 6 EVRM valt, niet juist is. De zaak Nikitin tegen Rusland was in zoverre uitzonderlijk, dat het presidium van de Russische Hoge Raad het verzoek van de Procureur-Generaal tot herziening van de gegeven onherroepelijke vrijspraak had afgewezen. Desondanks klaagde Nikitin in Straatsburg omdat zijn recht om met rust te worden gelaten door het verzoek van de Procureur-Generaal was verstoord zonder dat daarvoor een goede reden aanwezig was. Het EHRM erkende dat het verzoek “could itself be criticised as being arbitrary and an abuse of power”, maar dat dit geen “decisive impact on the fairness of the procedure for reopening as a whole” had gehad. Daarom faalde de klacht. 6.5.
- Dan nu de vraag hoe deze op art. 6 EVRM gebaseerde jurisprudentie zich verhoudt tot art. 4 van het Zevende Protocol. In dit verband verdient allereerst opmerking dat de niet-ontvankelijkverklaringen die onder 6.5.1 ter sprake kwamen, geen betrekking hebben op de aantasting van het gezag van gewijsde, laat staan op een herziening ten nadele. Het ging in die zaken om een “duplication of proceedings”, om het naast elkaar bestaan van verschillende procedures (een strafvervolging enerzijds en een bestuursrechtelijke of een disciplinaire procedure anderzijds) die betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex. Duidelijk is dat daarover uitsluitend op grond van art. 4 van het Zevende Protocol – en dus niet op grond van art. 6 EVRM – kan worden geklaagd. Het lijkt er daarbij op dat dat ook het enige is waarover op grond van art. 4 van het Zevende Protocol kan worden geklaagd. Dit kan verduidelijkt worden aan de hand van de zaak Bratyakin tegen Rusland (EHRM 9 maart 2006, nr. 72776/01). Het EHRM beoordeelde eerst of art. 4 van het Zevende Protocol was geschonden. Het constateerde dat de desbetreffende onherroepelijke uitspraak op grond van ernstige procedurele tekortkomingen was vernietigd en dat dezelfde criminal charge vervolgens opnieuw was beoordeeld. Daaruit trok het de conclusie dat sprake was van een heropening van de zaak en dat de klacht daarom kennelijk ongegrond was. Daarmee echter was de kous niet af. “The Court further notes that, having dismissed a complaint under Article 4 of Protocol No. 7, it should nevertheless pursue its examinatio