Nr. 16/02003 U Zitting: 6 september 2016 Mr. P.C. Vegter Standpunt/conclusie inzake: [de opgeëiste persoon=veroordeelde] Het cassatieberoep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2016, waarbij zij de uitlevering van [veroordeelde] aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar heeft verklaard ter fine van de tenuitvoerlegging van een vonnis van de United States District Court of Maryland (Verenigde Staten van Amerika) van 21 april 1998 waarbij [veroordeelde] wegens “conspirary to distribute cocaine” (dat door de rechtbank is vertaald als “samenspanning om cocaïne te distribueren”) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 maanden. Tegen deze uitspraak is namens de opgeëiste persoon cassatieberoep ingesteld. Namens de opgeëiste persoon hebben mr. B. Stapert en mr. D.M. Kamp, beiden advocaat te Amsterdam, tijdig een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar is vanwege een reeds voltooide inbreuk op het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces die eruit bestaat dat, “voorafgaande aan het vonnis in de Verenigde Staten een onvrijwillige plea bargain tot stand is gekomen door oneigenlijke druk”. De rechtbank heeft het verweer verworpen en daartoe overwogen dat het verweer “onvoldoende onderbouwd” is. In cassatie wordt dit oordeel onbegrijpelijk genoemd “gelet op de informatie die naar voren is gebracht ter terechtzitting [bedoeld zal zijn: zitting], de uitvoerige bespreking over het systeem van plea bargaining en de stukken die ter onderbouwing zijn ingebracht.” Uit het proces-verbaal dat van de zitting van de rechtbank van 17 maart 2016 is opgemaakt en de daar overgelegde pleitnota met bijlagen, blijkt wél dat algemene bezwaren tegen het Amerikaanse systeem van plea bargaining zijn aangevoerd maar kan niet blijken dat is aangevoerd dat en waarom de plea bargain die met de opgeëiste persoon tot stand is gekomen in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. In de eerste alinea van de pleitnota wordt gesteld: “De plea bargain is niet vrijwillig tot stand gekomen, door oneigenlijke druk, [veroordeelde] was zich niet bewust van alle consequenties, en het is onduidelijk of deze zorgvuldig door de rechter is getoetst.” Deze algemeenheden worden vervolgens nergens echt voldoende concreet gemaakt. Ter zitting zijn vooral vragen opgeworpen. Ik citeer weer uit de pleitnota: “Wie heeft het initiatief genomen? Is [veroordeelde] voldoende geïnformeerd over zijn processuele mogelijkheden, de alternatieven die hij had? Wist hij voldoende wat de consequenties van een plea, van deze plea, zouden zijn? Is er een schriftelijke weergave van de plea […]? Op welke manier heeft de rechter getoetst of [veroordeelde] wel voldoende besef had van de consequenties. Mijn cliënt geeft namelijk een heel ander beeld […] en het uitleveringsverzoek geeft onvoldoende informatie om dat beeld te weerleggen.”
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.