Nr. 16/05585 Zitting: 11 juli 2017 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 8 november 2016 door het hof Den Haag wegens
(1)uur eerder. De daadwerkelijke tijdspanne is van circa 16:15:34 tot 16:45:34 uur. De datum is wel correct. De tijdstippen verderop in dit proces-verbaal betreffen de daadwerkelijke tijdstippen. Bevindingen bestand: 06152012-151534 ~ 06152012-154534[1].avi Vanuit het standpunt van de camera is de gevel van coffeeshop [A] te zien, welke is gericht op de Beijerlandselaan te Rotterdam. Op bijgevoegde plattegrond is aangegeven welk gedeelte van de openbare weg er op de camerabeelden te zien is. Doormiddel van een pijl is aangegeven wat de opnamerichting is. Ter verduidelijking is ook een foto van de daadwerkelijke situatie ter plaatse bij gevoegd (foto 12). 16:31:23 - 16:31:34 uur (foto 1) Vanaf de linkerzijde, de Beijerlandselaan komende vanuit de richting van de Groningerstraat is een persoon te zien die vanaf de Beijerlandselaan rechtsaf slaat de Slaghekstraat op. Voordat de persoon daadwerkelijk rechtsaf.slaat, staat diegene met zijn lichaam in de richting van de overkant van de Beijerlandselaan en blijft diegene een kort moment staan. Vervolgens draait de persoon zich om en loopt een aantal meter de Slaghekstraat in. Terwijl de persoon dat doet, maakt hij met zijn rechterarm bewegingen alsof hij iets in zijn rechterjaszak doet of daar iets uithaalt. Vervolgens gaat hij naast een persoon staan die daar op een paaltje zit (die later de getuige [getuige 1] blijkt te zijn) en blijft daar een seconde staan. De persoon heeft een zwarte jas met daaronder een lichte kleur, een -vermoedelijk- blauwe spijkerbroek, zwarte pet en witte schoenen. In de rest van het proces-verbaal wordt deze persoon dader 1 genoemd. 16:31:57 uur (foto 3) Dader 1 loopt twee personen tegemoet en steekt de voetgangersoversteekplaats van de Beijerlandselaan over en blijft vervolgens ongeveer, tien seconden staan. Dader 1 staat op dat moment tussen de voetgangersoversteekplaats en de trambaan, zijnde het trottoir waarop de tramhalte zich bevindt. Dader 1 heeft kennelijk zijn rechterhand in zijn rechter jaszak. Zijn linkerarm hangt langs zijn lichaam. Ter hoogte van de tramhalte staan op dat moment vijf personen naast elkaar. Van links naar rechts: Persoon die in de rest van dit proces-verbaal dader 2 zal worden genoemd, persoon welke later blijkt getuige [getuige 2] te zijn, het latere slachtoffer [slachtoffer] , persoon met roodkleurige bovenkleding en dader
- Dader 2 komt links het beeld ingelopen en loopt direct op het latere slachtoffer af. Hij maakt daarbij een beweging alsof hij het slachtoffer van achteren beet pakt. 16:32:00 uur (foto 4) Op het moment dat dader 2 het slachtoffer beet heeft gepakt, rent dader 1 de trambaan over richting dader 2 en het slachtoffer. Hierbij haalt hij zijn rechterhand uit zijn jaszak. 16:32:03 (foto 5) Links boven in beeld is te zien dat dader 2 en het slachtoffer bewegingen maken alsof zij met elkaar aan het worstelen dan wel vechten zijn. Dader 1 staat inmiddels bij dader 2 en het slachtoffer. 16:32:04 (foto 6) Nadat er enkele momenten een worsteling heeft plaatsgevonden, valt het slachtoffer op de grond. 16:32:21 (foto 8) Dader 1 en 2 rennen samen weg. Dader 1 heeft het volgende signalement: - (licht) getint uiterlijk - normaal tot slank postuur - zwarte baseballpet Dader 2 heeft het volgende signalement: - donkergekleurd/negroïde uiterlijk - kaal hoofd dan wel zeer kort gemillimeterd haar.(…)
- Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 maart 2014, opgemaakt en ondertekend door dr. ir. A. Knijnenberg. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 7-16): als relaas van deze deskundige: (…) De bevindingen van het onderzoek die betrekking hebben op de beschadiging 1 zijn veel waarschijnlijker wanneer de schootsafstand groter is dan 25 centimeter, dan wanneer de schootsafstand kleiner is of gelijk is aan 25 centimeter.
- Een proces-verbaal van verhoor getuige van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 19 juni 2012, nr. PL 1710 2012377150-
- Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 179-184): als de op 19 juni 2012 afgelegde verklaring van [getuige 1] : Ik stond tegen een soort elektriciteitskastje op de hoek van de Beijerlandselaan en de Slaghekstraat. Ik zag links van mij een man staan. Ik zal hem verder dader 1 noemen. Ik zag dat dader 1 een wapen uit zijn zak haalde en dat hij het wapen gereed maakte om te schieten. Ik zag dat de man aan het kijken was in de richting van de Mac Donalds. Ik zag dat er een man aan kwam lopen aan de andere kant van de tramrails. De man kwam vanuit de richting van de Mac Donalds. Ik zal hem verder slachtoffer noemen. Ik zie dat een andere man naar het slachtoffer toeloopt. Ik zal deze tweede man verder dader 2 noemen. Ik zag dat dader 2 het slachtoffer van achteren vast pakte. Ik zag dat dader 2 zijn arm van achteren om de hals van het slachtoffer deed, met zijn andere arm blokkeerde dader 2 zijn arm die hij om het slachtoffer heen had. Ik zag dat het slachtoffer zich los wilde maken van dader
- Hierdoor liepen zij de tramrails op. Ik zag op dat moment dat dader 1 naar het slachtoffer toeliep. Ik zag dat dader 1 onderweg het wapen pakte. Ik zag en hoorde dat dader 1 vervolgens met het wapen schoot op hele korte afstand in de richting van het slachtoffer. Dader 1 bewoog daarbij zijn arm nog. Dader 2 had het slachtoffer praktisch nog vast als dader 1 schoot. Dader 2 liet vervolgens het slachtoffer los. Ik zag dat het slachtoffer op de grond viel. Dader 1 was een jongere jongen. Hij was slank. Hij droeg een zwarte pet. Dader 2 was kaal. Het was een oudere man. Hij was groot gebouwd.
- Een proces-verbaal van verhoor getuige van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 16 juni 2012, nr. PL 1710 2012377150-
- Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 63-69): als de op 15 juni 2012 afgelegde verklaring van [getuige 2] : Op 15 juni 2012 was ik met mijn vriend " [slachtoffer] " op weg naar de halte van tram
- Toen we er bijna waren zei " [slachtoffer] ": "Kijk daar is die man waar ik problemen mee heb en die gewapend is". Die man stond aan de ander kant van de tramhalte. Ik sprak de man aan. Toen ik achterom keek naar " [slachtoffer] ", zag ik dat een andere persoon " [slachtoffer] " van achteren beetpakte. Ik zag dat de man waar ik mee stond te praten een pistool uit zijn rechterjaszak pakte. De man met het pistool' liep naar " [slachtoffer] ". " [slachtoffer] " probeerde zich los te worstelen van de man die bij hem stond. Ik hoorde een schot. Ik zag dat " [slachtoffer] " zich los had gemaakt. Ik zag dat " [slachtoffer] " één of twee passen maakte en toen viel. Het schot is gevallen toen " [slachtoffer] " zich al vechtend probeerde los te worstelen. De twee mannen en " [slachtoffer] " stonden allemaal dicht bij elkaar.
- Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam van 16 december
- Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 16 december 2013 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 2] : Op 15 juni 2012 waren [slachtoffer] en ik op weg naar de tramhalte. Wij zagen [verdachte] lopen. [slachtoffer] zei tegen mij: "Het lijkt of hij gewapend is". [slachtoffer] stopte toen met lopen. Ik liep naar [verdachte] toe. Ik zei tegen hem: "Laat hem met rust, die persoon wil geen problemen krijgen". Toen ik achterom keek naar [slachtoffer] bleek dat een andere persoon [slachtoffer] van achter had vast gegrepen. [verdachte] haalde vervolgens een wapen te voorschijn. [verdachte] rende richting [slachtoffer] en de andere persoon. Ik weet dat er geschoten is omdat ik dat hoorde. Ik heb één schot gehoord. U vraagt mij of ik bij iemand anders dan [verdachte] een vuurwapen heb gezien. Nee. [verdachte] is de naam die [slachtoffer] heeft gezegd. Het is een soort aanduiding.
- Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2012, nr. PL 1710 2012377150-
- Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 862-863): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Op vrijdag 15 juni 2012 omstreeks 16:29 uur vond er een schietincident plaats op de Beijerlandselaan ter hoogte van de Slaghekstraat te Rotterdam. Op 18 juni 2012 heb ik contact opgenomen met de gebruiker van een telefoonnummer welke op 15 juni 2012 gebeld had naar de meldkamer van Rotterdam-Rijnmond. De gebruiker van dat nummer verklaarde dat hij op de vrijdag van de schietpartij zich als passagier in een auto bevond die stond te wachten bij de Kijkshop. Hij zag een man een vuurwapen pakken. Hij zag dat de man een wapen in zijn rechterhand had op het moment dat hij een harde knal hoorde. Er was nog een tweede man bij. Volgens hem hoorden zij bij elkaar. De tweede man was dik en de schutter was magerder.
- Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 juni 2012, nr. PL 17J0 2012377150-
- Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 39-41): als de op 15 juni 2012 afgelegde verklaring van [getuige 3] : Ik ben getuige geweest van een schietpartij. Ik liep op de Slaghekstraat en ik ging linksaf de Beijerlandselaan op. Ik hoorde één knal. Ik zag een man naar voren vallen. Ik zag dat er twee mensen bij het slachtoffer stonden. Ik zag dat er twee daders waren, een had een pistool, die zal ik dader 1 noemen. De ander was een flinke man, die zal ik dader 2 noemen. Toen de daders mij passeerden zag ik dat dader 1 het pistool in zijn broeksband stopte.”
- Het eerste middel klaagt dat het hof het verweer dat “de verklaring van de getuige [getuige 1] niet voor het bewijs kan worden gebezigd, omdat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de getuige te ondervragen en er overigens onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van de getuige, op onjuiste gronden, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.”
- De getuigenproblematiek zorgt voor een stroom rechtspraak van de Hoge Raad, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de arresten gewezen op 4 juli
- Twee arresten bevatten een overzicht van de stand van de rechtspraak, omdat mede naar aanleiding van recente rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de vraag is gerezen hoe de eisen, die in de rechtspraak van de Hoge Raad worden gesteld aan de onderbouwing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige, zich verhouden tot het in art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bedoelde recht van de verdachte op een eerlijk proces.
- In de onderhavige zaak staat niet de onderbouwing van het verzoek tot het horen van een getuige centraal, maar de onmogelijkheid tot ondervraging van de getuige door de verdediging. Voor dat geval zijn de volgende overwegingen uit een ander arrest van 4 juli 2017 van betekenis: “3.2.
- Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd. 3.2.
- Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel. 3.2.
- Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”
- Uit de hierboven onder punt 5 geciteerde bewijsoverwegingen blijkt dat het hof heeft onderzocht of de verklaring van de getuige [getuige 1] het enige en beslissende bewijs is en of het daderschap van verdachte voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Daarmee is het uitgangspunt van de benadering van het hof juist. Ik begrijp het middel zo dat het de vinger probeert te leggen op de omstandigheid dat steunbewijs voor de betwiste onderdelen van de belastende verklaring ontbreekt. Er is namelijk in de opvatting van de steller van het middel geen ander (direct) bewijs dat verdachte het fatale schot heeft gelost en dat ontkent hij nu ook juist.
- Het komt mij voor dat het bewijs dat verdachte het fatale schot heeft gelost mede valt te baseren op andere in de bewijsvoering van het hof vervatte feiten en omstandigheden dan de verklaring van de getuige [getuige 1] . Verdachte heeft van korte afstand een doorgeladen vuurwapen op verdachte gericht, alleen verdachte en zijn vader stonden bij het slachtoffer (bewijsmiddel 1), terwijl de vader het slachtoffer vasthield (bewijsmiddel 2) en er viel een schot toen het slachtoffer zich probeerde los te worstelen (bewijsmiddel 12). Zowel verdachte (bewijsmiddel 2) als getuige [getuige 2] (bewijsmiddel 13) en getuige [getuige 3] (bewijsmiddel 15) heeft/hebben één schot/knal gehoord en er is door verdachte (bewijsmiddel 3) en de getuige [getuige 2] (bewijsmiddel 13) niemand anders met een vuurwapen gezien.
- Ook al heeft verdachte niet verklaard dat hij heeft geschoten en is door [getuige 2] en [getuige 3] niet verklaard dat verdachte de schutter is, uit andere bewijsmiddelen dan de verklaring van de getuige [getuige 1] heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het verdachte is die waarschijnlijk heeft geschoten. Dat die waarschijnlijkheid in aanzienlijke mate wordt versterkt door de verklaring van de getuige [getuige 1] staat wel vast, maar voor het schieten door verdachte is die verklaring niet het enige en beslissende bewijs. 13Het eerste middel faalt.
- Het tweede middel klaagt over een onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerde afwijking van een door verdachte naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
- In de toelichting op het middel wordt gesteld dat in feitelijke aanleg is betoogd dat uit de camerabeelden en de verklaringen van getuigen blijkt dat verdachte op het schietmoment niet achter het slachtoffer stond, waardoor verzoeker het schot niet kan hebben gelost, gelet op de baan van het schot in het lichaam van het slachtoffer.
- Merkwaardigerwijs wordt in de toelichting op het middel weliswaar een passage uit de hierboven onder punt 5 opgenomen bewijsoverwegingen geciteerd, maar dat is nu juist niet de passage waarin het hof dit standpunt bespreekt met als aanhef dat het hof de raadsvrouwe niet in het standpunt kan volgen. Het hof licht toe dat de baan van het schot niet uitsluit dat verdachte niet achter het slachtoffer heeft gestaan. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat, nu het slachtoffer in beweging was, de rug van het slachtoffer op enig moment naar verdachte gekeerd kan zijn geweest. Deze niet onbegrijpelijke vaststelling is op zich reeds toereikend ter verwerping van het ingenomen standpunt. Dat het hof vervolgens in het midden laat of wellicht een arm/hand/polsbeweging van verdachte de verklaring vormt voor de baan van het schot, maakt dit niet anders. 17Ook het tweede middel treft geen doel.
- Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan aan de hand van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De voetnoten zijn weggelaten. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:
- De Hoge Raad noemt Schatschaschwili t. Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, EHRC 2016/89, m.nt. M.J. Dubelaar) en doelt – naar valt aan te nemen – voorts (onder meer) op Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk (EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. T.N.B.M. Spronken). HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016.