Nr. 16/03833 P Zitting: 29 augustus 2017 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene]
(1)gram cocaïne hebben gekocht. Door verschillende aanbieders van vaste- en mobiele telefonie werden historische verkeersgegevens verstrekt v het door de verdachte [betrokkene] gebruikte telefoonnummer Uit de historische gegevens bleek dat er veel gesprekken plaatsvonden met een korte gespreksduur met verschillende telefoonnummers. In de periode 28 april 2014 tot en met 18 november 2014 betrof het een grote hoeveelheid verschillende telefoonnummers waarmee contact was geweest. Uit eerdere onderzoeken door de Politie Flevoland naar het dealen van harddrugs bleek dat dergelijk belgedrag duidt op zogenaamd ‘dealgedrag’. Voorts bleek uit onderzoek dat meerdere personen die gekoppeld waren aan aangetroffen telefoonnummers binnen het bedrijfsprocessensysteem van de Politie Flevoland bekend stonden als harddrugsgebruiker, dan wel dat ambtshalve bekend was dat deze personen harddrugsgebruikers waren. Op de door de verdachte [betrokkene] voor zijn handel in harddrugs gebruiken mobiele telefoons bleek in de periode van 28 april 2014 tot en met 18 november 2014 4316 keer gebeld te zijn. Genoemde periode bestaat uit 203 dagen. Er wordt uitgegaan van twee gesprekken per drugsgebruiker (één gesprek voor het bestellen, afspreken van een plaats van overdracht en één gesprek voor het zich melden op de plaats van overdracht). Uit het onderzoek bleek dat een bol cocaïne voor € 50,- werd verkocht. Uit onderzoek is gebleken dat een bol ongeveer 1 gram is. Uit soortgelijke onderzoeken en jurisprudentie blijkt dat het gewicht van een bol cocaïne ongeveer 1 gram bedraagt. Gezien de prijs van € 50,- is het aannemelijk dat het gewicht van één bol cocaïne in dit geval 1 gram bedraagt. 4.2.
- kosten - Verdachte [betrokkene] heeft geen verklaring afgelegd over de prijs van de door hem ingekochte hoeveelheid verdovende middelen. - Uit het rapport drugsinbeslagnemingen en drugsprijzen Nederland 2010 opgemaakt door de Dienst Nationale Recherche informatie van de Nationale Politie bleek dat de gemiddelde groothandelsprijs van cocaïne op dat moment lag tussen de € 28,- en € 36,- per gram. In het voordeel van de verdachte [betrokkene] zal over de onderzoeksperiode worden uitgegaan van een gemiddelde groothandelsprijs van € 36,- per gram cocaïne. De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat, zoals in het arrest is vermeld.”
- Uit dit bewijsmiddel volgt mijns inziens dat de berekening in het bestreden arrest is toegespitst op de rol van betrokkene en diens verdiensten en dat, in weerwil van het betoog van de steller van het middel, gezegd kan worden dat het bedrag van € 19.228,00 voordeel is dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval zelf daadwerkelijk heeft behaald. Ik wijs er daarbij op dat in de ontnemingszaak tegen [medebetrokkene] (rolnummer 16/03180P) aan deze niet de betalingsverplichting voor het bedrag van € 19.228,00 of een gedeelte daarvan is opgelegd en dat in die zaak een heel ander “Rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel” voor het desbetreffende bewijs is gebezigd.
- Het derde middel faalt daarom.
- Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel falen.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p.
- Zie ook Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 6, p.
- Corstens/Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, 2014, p. 49 en
- Zie onder meer EHRM 2 oktober 2012, nr. 18498/04 (Khrabrova/Rusland), EHRM 10 december 2009, nr. 20437/05 (Shagin/Ukraine) en eerder al EHRM 8 december 1983, nr. 7984/77 (Pretto/Italië). Art. 495b Sv is in het Wetboek van Strafvordering geplaatst in het Vierde Boek “Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard” onder Titel II “Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen”. Zie daarover Kamerstukken II 1992/93, 21 327, nr. 12, p. 15 en 16 (Nota naar aanleiding van het Eindverslag bij het voorstel van wet tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen). Zie voetnoot
- Vgl. ook art. 40, tweede lid aanhef en onder (vii), van het Verdrag inzake de rechten van het kind: “Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat: (...) b. ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft: dat zijn of haar privéleven volledig wordt geëerbiedigd tijdens alle stadia van het proces.” Zie: Kamerstukken II 1991/92, 22 584, nr. 3 (MvT), p. 5 en 6; Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 3, p. 4-5 en p. 20-22; Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 6, p. 8; en het hierna in de tekst aan te halen arrest van HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/
- In het concept wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 1 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is onder onderdeel “
- Behandeling van zaken door de rechter” in 1.2.1.
- [art. 269] opgenomen: “De terechtzittingen zijn openbaar, tenzij de wet anders bepaalt.” (Zie ook de daarbij horende concept-memorie van toelichting, p. 69). Bij belangen van minderjarigen moet hier niet aan de verdachte – daarover later meer – worden gedacht, maar aan de bezetting van de publieke tribune. Jeugdigen bijvoorbeeld voor wie gelet op hun leeftijd het als toehoorder bijwonen van een strafzaak niet geschikt wordt geacht (vijfde lid). Verzuim op dit punt leidt niet tot nietigheid, aldus HR 5 december 1927, NJ 1928, p. 112 en HR 25 november 1929, NJ 1930, p.
- Zie ook J. Wöretshofer, aant. 4 bij art. 269 Sv in T&C-Sv. Inmiddels oud, thans art. 4 RO. In gelijke zin HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:689, NJ 2016/230, HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1311 en HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:
- Ook wordt in de (vak)literatuur wel de term jeugdige gebruikt, die een iets andere inhoud dekt. (Zie daarover M.J.M. Verpalen in T&C Strafvordering, Inl. opm. bij Titel II, aant. 7). Voor de onderhavige conclusie is het onderscheid tussen minderjarige en jeugdige niet relevant. Zie Kamerstukken II 1992/93, 21 327, nr. 12, p. 15 en 16, alsook Verpalen in T&C Strafvordering, aant. 1 e.v. bij art. 495b Sv. HR 22 oktober 1963, NJ 1964/
- Wat wel het geval was van 1 januari 1988 tot 1 september
- Zie Kamerstukken II 1992/93, 21 327, nr. 12, p. 25 en verder G. de Jonge & A.P. van der Linden, Handboek Jeugd & Strafrecht, 2013, p. 181 en J. uit Beijerse, Jeugdstrafrecht. Beginselen, wetgeving en praktijk, 2013, p.
- Vgl. HR 2 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0881, NJ 1998/
- Zie ook Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3 (MvT), p.
- MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p.
- MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p.
- Zie onder meer HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424, NJ 2011/100 m.nt. Borgers en HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:
- Zie voorts D. Emmelkamp, T. Felix en N.G.H. Verschaeren, De ontnemingsmaatregel, 2016, p.
- MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p.
- MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 38 en NEV, Kamerstukken II 1991/92, nr. 8, p. 17 en
- Vgl. ook HR 28 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0305, NJ 1996/
- Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 5, p.
- EHRM 8 juni 1976, ECLI:NL:XX:1976:AC0386, NJ 1978/
- T&C Strafvordering, aant. 2b bij art. 495b Sv. Zie ook zijn aant. 4b bij de daaraan voorafgaande Inl. opm. bij Titel II. Dat doet zich niet alleen bij de politierechter, maar niet zelden ook in MK-zaken voor. Indien er geen grond voor sluiting van de deuren is, dient de ontnemingszaak te worden behandeld na (de uitspraak in) de hoofdzaak. En evenmin dat (wat bijzonder genoemd zou kunnen worden) de gelijktijdige, doch niet gevoegde ontnemingszaak tegen de medeveroordeelde openbaar is geweest, zo blijkt uit het proces-verbaal dat van de terechtzitting in die zaak is opgemaakt. Vgl. HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1086 en eerder al HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4860, NJ 2008/596 en HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6953.